terug  begin  verder
[p. 114]

Vijf

Niemand die het knappe jonge meisje in de zedige Quaker-jurk zag aankloppen op de voordeur van het Britse Consulaat in Philadelphia, zou verondersteld hebben dat zij op een heimelijke ontmoeting uit was, bijna een rendez-vous. Haar naam was Charity Woodhouse, zij had die morgen een briefje gekregen, getekend door ‘een vriend van een vriend’, die haar had geschreven dat hij haar ‘iets belangrijks van uiterste discretie had mee te delen’. Belangrijks? Discreets? Dat kon maar één ding betekenen: een boodschap of een brief van Obadja. Maar waarom via het Britse Consulaat? Als het adres niet zo door en door respectabel was geweest zou Charity er niet over gedacht hebben om aan de uitnodiging gehoor te geven.

De voordeur werd geopend door een hooghartig jongmens, dat haar begroette met een onaangenaam glimlachje van verstandhouding. De grijze heer die haar in een statig kantoor ontving had betere manieren. Hij stelde zich voor als de consul-generaal van Zijne Britse Majesteit in Philadelphia. Alhoewel hij haar vol hoffelijkheid ontving, was het duidelijk dat ook hij dacht dat hij betrokken was geraakt in een galant avontuur. Zou het Obadja wel zijn? Was er iets anders? Was er iets met hem gebeurd?

Charity werd in een zijkamertje gelaten, waar een oude heer met witte manen met zijn rug naar haar toe voor het venster stond. Toen hij de deur achter zich hoorde sluiten, draaide hij zich om. Hij had een doorploegd gezicht met borstelige wenkbrauwen en doordringende ogen. Zij kon het niet helpen, de manier waarop hij haar aankeek gaf haar een huivering. ‘Goedemorgen, Charity Woodhouse,’ zei hij, met een gedempte stem. ‘Mijn naam is Mordechai Monk. Ik ben zo juist teruggekomen uit het binnenland en ik heb een brief voor je bij me van je neef Obadja Woodhouse.’

Dit was hem dus. Obadja had zo dikwijls over de man geschreven en zij had zoveel over hem gehoord, dat de werkelijkheid haar verraste. Hij was helemaal geen bullebak; zijn ogen namen haar op zonder de zelfzuchtige ijdelheid die zij verwacht had. Zij had het gevoel dat zij iets moest zeggen, maar hoewel ze over het algemeen niet gauw geïntimideerd was, voelde ze zich opeens alsof ze veertien jaar oud was en bij het hoofd van de Quaker-school in Philadelphia op het matje geroepen omdat ze in de gang had lopen zingen.

‘Ga zitten, Charity Woodhouse,’ zei de oude man. ‘Ik weet dat het een onconventioneel verzoek was om je te vragen hier te komen, maar van-

[p. 115]

wege de spanning die er tussen de twee fracties van het Genootschap hier in Philadelphia bestaat leek het me beter als we elkaar onder dit neutrale dak ontmoetten. De consul is een goede vriend van mij. Ik hoop dat ik je niet nodeloos in verlegenheid heb gebracht?’

‘O nee, nee, helemaal niet...’ antwoordde zij. ‘Ik ben je zeer dankbaar, Mordechai Monk, voor je moeite.’ Er volgde een onwennige stilte, waarin hij haar met die doordringende blik gadesloeg, die haar steeds minder op haar gemak stelde. ‘Ik hoop dat je een aangename reis hebt gehad?’ vroeg zij, om de ban van die ogen te breken. Om de een of andere reden maakte de manier waarop hij haar stond aan te staren haar bewust van haar vrouwelijkheid: negentien jaar, een blozend rond gezichtje, wipneus, lichtbruine ogen ... Haar handen waren het minst aantrekkelijke aan haar. Zij vouwde ze in haar schoot.

‘Ach, laat ik zeggen, een interessante reis,’ zei hij, nog steeds met die samenzweerdersstem. ‘Het verkeer op de wegen hier is een verstoorde mierenhoop. Ik kan niet zeggen dat ik mij erop verheug om opnieuw het binnenland in te gaan. Ik heb voorlopig genoeg van rumoerige herbergen en diligences die met topsnelheid over hotsende karresporen worden gejaagd.’ Hij glimlachte, maar de glimlach bereikte zijn ogen niet. ‘Maar laat me je niet vervelen. Wat je neef je te vertellen heeft zal je meer interesseren.’ Hij knoopte zijn jas open en haalde een gezegelde brief te voorschijn, die hij haar overhandigde.

Tegen wil en dank bloosde zij. Zij haatte zichzelf erom, maar aan de andere kant was ze zich ervan bewust dat de blos haar flatteerde. ‘Dank je.’

Ze stond op het punt op te staan en de benen te nemen toen hij zei: ‘Waarom blijf je niet even zitten om hem hier te lezen? Wij waren samen in Indiana, misschien komen er gedeelten in voor waar ik verheldering zou kunnen geven.’ Daar had je die glimlach weer. In de tegenwoordigheid van deze man Obadja's brief te gaan zitten lezen was het laatste dat ze wilde, maar ze wist niet hoe ze er onderuit moest komen.

Hij moest haar onbehagen hebben opgemerkt, want hij zei: ‘Ik moet zeggen, het uitzicht op de waterkant is bijzonder boeiend.’ Hij draaide zich om en ging naar het raam terug waar hij weer ging staan zoals ze hem aangetroffen had toen ze binnenkwam: met zijn handen op zijn rug. Er zat niets anders op, zij moest de zegels wel verbreken, de enveloppe openen en het dikke pak dichtbeschreven blaadjes eruit halen. Het was de langste brief die zij ooit van Obadja gekregen had; ze kon hem onmogelijk van het begin tot het eind gaan zitten lezen met die man op nog geen drie pas afstand, hoewel hij met zijn rug naar haar toe stond. Ze had de onprettige indruk dat hij haar spiegelbeeld in het vensterglas stond te bespieden. Zij deed alsof zij las en sloeg de blaadjes haastig om. Hier en daar ving zij een regel op.

‘En zo kwam het dat ik als climax van deze onwezenlijke avond een graf

[p. 116]

stond te graven in een uithoek van het schoolbos bij het licht van een lantaarn, samen met de robuuste, ontoeschietelijke jongen, die er zijn boezeroen voor had uitgetrokken. Op de grond, naast het graf, lag het lijk van de onbekende lichtekooi, bedekt met een rode mantel, en naast haar de dokter op zijn knieën, biddend met een rozenkrans.’ Zij kon er onmogelijk haar hoofd bijhouden, hoe fascinerend het ook klonk. Zij begon zich af te vragen hoe lang zij hier moest zitten, blaadjes omslaand, voor ze die met goed fatsoen in de enveloppe kon proppen en de benen nemen. Toen viel haar oog op de woorden ‘een boeiend, moedig, en ik moet toegeven opvallend knap meisje.’ Wie was dat? Ze sloeg een blaadje terug om te zien wie het voorwerp was van deze overdadige loftuiting. ‘Lydia Best, de enige onder de benepen leerkrachten die zich niet door Mordechai Monk liet intimideren en die van haar hart geen moordkuil maakte.’ Ineens had ze genoeg van deze aanstellerij; zij opende haar tasje, stopte de brief erin en stond op.

De oude man wendde zich onmiddellijk om. Hij moest haar inderdaad in de spiegel van het raam hebben gadegeslagen. Om alle indiscrete vragen meteen de kop in te drukken, vroeg zij: ‘En hoe lang ben je van plan hier in Philadelphia te blijven, Mordechai Monk?’

Hij glimlachte. ‘Je denkt er toch niet werkelijk over om naar hem toe te gaan, is het wel?’

Ze had dat gedeelte van de brief nog niet gelezen, maar hij blijkbaar wel! Zij staarde hem aan, verbijsterd en verontwaardigd.

‘Het gaat me natuurlijk niet aan,’ vervolgde hij, ‘maar ik acht het mijn plicht je te vertellen dat de school geen toekomst heeft. Na de Jaarvergadering in Indiana zal hij zonder twijfel gereorganiseerd worden, zo niet opgeheven.’

Ze wist niet waar hij het over had, het moest allemaal in die brief staan. Het lag haar op de lippen om te zeggen: ‘Sinds wanneer is het gebruikelijk onder Quakers om eikaars correspondentie open te stomen?’ maar zij wist zich te beheersen, mompelde iets over ‘dankbaarheid’ en ‘spoedig weerziens’ en repte zich naar de deur. Eigenlijk had ze hem de hand moeten schudden, maar zij kon het niet van zichzelf gedaan krijgen hem aan te raken. Hij moest gemerkt hebben dat er iets niet in orde was, want hij keek haar met gefronste wenkbrauwen aan. Maar voor hij haar een vraag had kunnen stellen, was zij het kamertje uitgeglipt en bevond zich opnieuw in het kantoor van de consul. De heer met de grijze haren stond achter zijn bureau op en boog in haar richting. Zij liet niet merken dat zij zich van de tegenwoordigheid van de grinnikende jongeman bewust was, die met haar meeging om de voordeur voor haar open te doen. Zij haastte zich de stoep af en de straat over; een koetsier brulde, woedend: ‘Ho daar! Stomme koe!’

Het feit dat zij bijna een ongeluk veroorzaakt had bracht haar tot haar positieven. Zij stond een ogenblik in twijfel. Toen liep zij, zo snel als met

[p. 117]

de zedigheid verenigbaar was, in de richting van het oude Vergaderingsgebouw in de Vierde Straat. Daar, op de begraafplaats, zou zij ergens op een bankje eindelijk de kans krijgen om Obadja's brief op haar gemak te lezen.

Zij zag niemand achter de hoge ramen van het Consulaat staan, maar zij voelde dat de griezel met de doordringende ogen haar na stond te staren; zij had er al haar zelfbeheersing voor nodig om het niet op een lopen te zetten.

 

***

 

Mordechai Monk keek het frêle figuurtje na, dat snel in de verte verdween, en opeens voelde hij twijfel. Ze was zo onschuldig, zo door en door fatsoenlijk; waarom moest hij zich met haar leven bemoeien, haar geluk op het spel zetten, haar ontluikende sensualiteit verdonkeren uit persoonlijke wraak? De twijfel duurde maar een ogenblik; toen hij haar zag wegtrippelen vervulde haar jonge lichaam onder die zedige jurk hem opeens met een felle begeerte, die omsloeg in woede. Die zogenaamde Quaker-school in de wildernis was een broeinest van wellust; daar ging wéér zo'n jonge lynx, om zich in de nek te laten bijten door haar minnaar en het krols uit te krijsen in de hete zomernacht. Natuurlijk zou het hitsige jonge ding niet in staat zijn de verleiding te weerstaan om haar mannetjesdier achterna te gaan, de wildernis in, en daarbij al haar schepen achter zich verbranden.

Er zat niets anders op; hij moest zijn spion dan maar inlichten wie er op komst was. Hij nam de brief die hij die morgen ontvangen had uit zijn binnenzak. Hij was geschreven op een schools stukje papier dat uit een schrift gescheurd leek. Hij las de brief over en vroeg zich opnieuw af wat hem het gevoel gaf dat er iets niet pluis was. ‘O, jij brood des levens, zonder hetwelk mijn ziel verhongert! O, geef mij je brood en heb erbarmen met mij, die je aan je boezem hebt getroost en gevoed! Mijn enige verlangen is jou weer te zien, zodat ik gelaafd en gesterkt moge worden tot een voller leven! Laat de laaghartige krachten die ons belagen jou niet van mij scheiden...’ Waar had hij dit alles eerder gelezen? Wanneer? Het was niet de emotionele overdaad die hem dwars zat, maar het vermoeden dat de hysterische vrouw met de puilogen dit niet zelf bedacht had, maar ergens van gekopieerd. ‘O, mijn leven, kom terug, opdat mijn blijdschap volledig worde! Want alleen in jouw tegenwoordigheid is er blijdschap, alleen waar jij vertoeft heerst de vreugde! O, fontein van eeuwig leven, mijn ziel dorst naar je! In jou alleen ligt mijn leven, mijn vrede; zonder jou heb ik geen vrede, geen rust! Mijn ziel smacht naar jouw aanblik; ik wil je Geest weer binnenin mij voelen...’ Opeens herinnerde hij zich waar hij dit eerder gelezen had. Het was de beruchte brief van Margaret Fell aan George Fox, waar al zo lang zoveel over te doen was geweest. Geestelijke vervoering of zondige begeerte? Het malle mens in Pendle Hill had hem woord voor

[p. 118]

woord overgeschreven en in haar geval kon er geen twijfel aan bestaan hoe hij bedoeld was. Ze was zonder twijfel een zenuwlijdster, en toch ... O, wat een vloek! Waarom was hij, op zijn leeftijd, nog aan dit kruis van nimmer aflatende wellust genageld? Als er ooit een remedie tegen de liefde had bestaan, dan was het dat platte, uitgemergelde mens, die hysterische kerkmuis die hem achternazat met ogen als schoteltjes en smekend gevouwen handen. Moeder de Gans was ze, een purgeermiddel voor de wellust, maar het mocht niet hinderen, hijgend begeerde hij haar spillebenen, haar rimpelbuik, alsof ze een mollige verleidster was met kuiltjes in de billen zoals dat deerntje dat hem zo juist had verlaten, en dat nu op haar ongeluk af holde. ‘O, vader,’ jammerde de brief, ‘help mij, verlos mij van de marteling van de besluiteloosheid! Moet ik werkelijk, om Christuswil, mijn eigen echtgenoot bespieden, mijn familieleden en vrienden verraden?’ Nu, daar moest hij op antwoorden of ze maakte brokken.

In het kamertje dat de consul tot zijn beschikking had gesteld voor deze belangrijke bespreking met zijn jonge familielid, stond een lessenaar met papier en inktpot. Hij trok een stoel bij en schreef: ‘Geliefde dochter in Christus. De mogelijkheid bestaat dat een jong persoon, Charity Woodhouse, bij jullie zal komen opdagen. Mocht dit het geval zijn, dan is daarmee een nieuwe schaduw toegevoegd aan de duistere vallei waarin je, voor het ogenblik althans, gekluisterd ligt. Zij is lidmaat van de vrijzinnige splintergroep, en ik heb de indruk dat zij eigengereid, bazig en onbetrouwbaar is. Zij is als het ware geschapen om zich te voegen bij de afvalligen die de school in zijn huidige tragische situatie hebben gebracht door hun onwettige activiteiten.

Wees dus zo goed mij op de hoogte te houden, zoals weleer, van alles wat er voorvalt binnen de muren van de school. Dit kan van onschatbare waarde zijn bij mijn pogingen om jou en anderen die, gelijk jijzelf, trouw hebben gezworen aan Christus als onze Zaligmaker, te bevrijden uit hun ballingschap. Wat je vraag betreft, vergun mij Matteüs 10, de verzen 36 tot 38, voor je aan te halen: “Wie vader of moeder liefheeft boven Mij is Mijns niet waardig, en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij is Mijns niet waardig, en wie zijn kruis niet opneemt en Mij navolgt is Mijns niet waardig.” Laat ons bidden dat, wanneer ons ogenblik gekomen is om ons kruis op onze schouders te nemen en Hem na te volgen, wij dit met standvastigheid mogen doen en ons Zijner waardig tonen.’ Hij ondertekende de brief met: ‘De jouwe in geestelijke liefde’ en zocht naar een enveloppe in de secretaire. Toen hij die gevonden had, vouwde hij de brief op, verzegelde de enveloppe: ‘Onder de hoge bescherming Zijner Britse Majesteits koerier’ en adresseerde hem aan ‘Langner en Langner, Grossiers in Granen, Pendle Hill, Indiana. Wordt afgehaald.’

[p. 119]

***

 

Toen Charity dan eindelijk Obadja's brief had gelezen op een bankje tussen de zerken, was haar eerste gedachte: onzin! Ik kan onmogelijk een paar honderd mijl de wildernis inreizen, of hoe ver dan ook, alleen maar in een opwelling! Maar het was een romantische brief: een hele school die besloot deel te gaan uitmaken van de Ondergrondse Weg om ontsnapte slaven te gaan helpen; de begrafenis van die verdronken publieke vrouw in het park te middernacht; de Quaker-vrouwen die een hulpcomité voor Indianen en hun kinderen stichtten ... Maar Obadja's aanbod aannemen? Uitgesloten. Stel je voor! Wat zou moeder zeggen?

Terwijl zij daar zat, de brief in haar hand, starend naar de zerk van Peleg Martin, vergeten Quaker uit het verleden, trachtte zij zich de consequenties voor te stellen als zij aan Obadja's verzoek gehoor zou geven. Niet alleen zou haar familie, vooral haar moeder, volkomen verbijsterd zijn door haar plotselinge besluit en er verontwaardigd tegen protesteren, maar het idee alleen al dat zij zonder chaperonne al die mijlen door de wildernis zou reizen per diligence, en per trekschuit, als marketentster meetrekken met die legertros van immigranten die naar het westen trokken, de wildernis in ... Zelfs al zou niemand erachter komen dat haar ware reden voor de reis een hereniging met haar verboden minnaar was, een meisje van haar leeftijd en haar afkomst kon zich onmogelijk, moederziel alleen, aan een dergelijke beproeving onderwerpen. Zij zou weliswaar niet de eerste onderwijzeres zijn die uitreisde naar de pas gekoloniseerde gebieden, en Indiana was nu niet direct een volslagen wildernis ... Als reden voor haar overhaaste vertrek zou zij kunnen opgeven dat de vrouw van het schoolhoofd ineens ziek was geworden en dat zij die moest gaan vervangen. Maar als Mordechai Monk de brief gelezen had, wist hij dat zij door iets anders werd gedreven dan een zedige, plichtsgetrouwe - wat? - opvoederslust? Hoe heette zo iets? Wat dreef oude vrijsters die geen man konden krijgen om in de wildernis het abc te gaan leren aan Indiaantjes? O, mijn hemel, waarom had zij verliefd op die jongen moeten worden? Waarom had zij zich niet tevreden kunnen stellen met die dikke miljonair Caleb Moremen, niettegenstaande zijn puisten?

Ze trachtte de dingen die haar het naast waren tegen elkaar af te wegen: haar familie, haar wereld hier in Philadelphia, of de stille, saaie jongen die haar een jaar geleden in tante Hanna's broeikas had gevraagd, tussen de aspidistra's, in dodelijke ernst: ‘Zou je het heel erg vinden als ik je beken dat ik een héél klein beetje van je hou?’ Ze had de opwelling gevoeld hem uit te lachen, zo mal had dat geklonken, maar toch, op de een of andere manier, was ze met die zeurige jongen in een droom terechtgekomen waar ze zich nu niet meer aan kon onttrekken. Hield ze van hem, of hield ze alleen maar van het idee om verliefd te zijn? Gek, als hij er was verveelde

[p. 120]

hij haar vrijwel onmiddellijk, maar zijn brieven ... En dan het idee dat het niet mocht, omdat zijn familie orthodox was en de hare vrijzinnig. Pyramus en Thisbe, Charity en Obadja ... Het idee om in die vieze koetsen en die rokerige schuiten door de wildernis te trekken en te verblijven in ongure logementen was weliswaar afschrikwekkend, maar er was ook een lokkende avontuurlijkheid aan ... Ze had nog nooit gehoord dat iemand wérkelijk verkracht was tijdens de reis naar het westen, maar de oude vrijsters die als onderwijzeressen naar de Indianen trokken waren nu niet bepaald Vestaalse maagden.

Zij zat, diep in gedachten, naar de zerken te staren. Peleg Martin, Grizzle Martin-Best. Joshua Baker. Toen ze eindelijk opstond, na de brief terug te hebben gestopt in haar tasje, was zij tot de slotsom gekomen dat het onzin was, malligheid. Maar omdat zij er nu eenmaal voorbijkwam, kon zij de opwelling toch niet weerstaan om even in het kantoortje van de Western Transportation Company in Race Straat te gaan vragen hoe lang de reis duurde van Philadelphia naar een plaatsje in Indiana dat Pendle Hill heette.

Nog voor de dikke man achter het loketje haar het antwoord had kunnen geven, riep een jolige stem met een Iers accent uit: ‘Pendle Hill? Liefje, daar moet ik óók heen! Wanneer ga je weg?’

Het was een moederlijke vrouw van middelbare leeftijd met neepjesmuts, gebloemde karpetkoffer en parasol. Zij zag er zo vertrouwenwekkend uit, dat Charity de verleiding niet kon weerstaan om haar te vertellen dat zij een onderwijzeres was die een plaats had aangeboden gekregen in een kostschool in Pendle Hill en dat er haast bij was omdat de vrouw van het schoolhoofd plotseling ziek was geworden.

‘O, liefje!’ riep de vrouw uit, terwijl zij haar spontaan omhelsde, ‘dit is een mirakel! Dit is Gods wil! Ik was zo zenuwachtig bij de gedachte dat ik dat hele eind alleen zou moeten reizen en kijk nou eens!’ Zij hield Charity op armlengte van zich af, lachte haar stralend toe, en zei tegen de gefascineerde man achter het luikje: ‘Geef ons samen een kaartje, het kan me niet schelen wanneer ze weggaat, ik wil met haar samenreizen en met haar samen overnachten. Wanneer was je van plan te vertrekken, liefje? Mijn naam is Molly O'Grady, maar iedereen noemt me Mopsie. Ik ben op weg naar mijn zoon, een schat van een ongetrouwde jongen, hij is ingenieur, bezig een sluis te bouwen in Pendle Hill voor het nieuwe kanaal. Wanneer ga je? Morgen? Overmorgen? Zeg het maar. Ik blijf hier wel in een logement tot je weggaat. O Heer, o Heer, dank U voor dit wonder! Dank U, dank U!’ Zij bad met de parasol op het hart en zij voegde er onmiddellijk aan toe, zonder van toon te veranderen: ‘Ik ga morgen, de diligence vertrekt van de hoek van Broad Straat en Vine Straat tussen zeven en acht. Zal ik maar vast voor ons samen boeken?’

‘O, nee, nee...’ Charity wist niet hoe ze er onderuit moest komen. ‘Ik zal ... morgen is veel te vroeg ... Ik bedoel...’

[p. 121]

‘Overmorgen, volgende week, je hebt het maar voor het zeggen! Kom liefje, wees verstandig. Noch jij noch ik kunnen op ons eentje dat hele stuk reizen, en ik ken die trekschuiten: zolang wij met zijn tweeën zijn krijgen we een dameshut, maar zodra je alleen bent, o, mijn lieve mens! Die kerels!’ Zij sloeg haar ogen ten hemel en drukte haar parasol weer op haar borst. Het was erg komiek, maar als er dan toch gereisd moest worden...

‘U neemt de Union Spoorweg tot Columbia,’ zei de man in zijn poezegat, ‘in Columbia heeft u aansluiting op de trekschuit die om zes uur 's avonds naar Hanisburg vertrekt en in Harrisburg neemt u de Western Transportation Company's diligence door de bergen tot Johnstown. In Johnstown neemt u weer de trekschuit tot Pittsburgh, en u zult zien, het is een reis van alle gemakken voorzien. En hij duurt slechts zes dagen. Alle schepen hebben zowel dames- als herenhutten, de tafels zijn prima verzorgd en de accommodatie is van een luxe waarbij u werkelijk al uw aandacht aan het uitzicht kunt wijden, zelfs als u invalide was. En de prijs? Acht dollar, alles inbegrepen, Philadelphia-Pittsburgh. Is dat te geef, of niet?’

‘En na Pittsburgh?’ vroeg Charity, zo maar eens.

‘In Pittsburgh zult u zelf voor de rest van uw reis moeten zorgen, maar ik ben ervan overtuigd dat die minstens even comfortabel zal zijn als, zeg maar, van hier naar Harrisburg. U weet natuurlijk dat ze de Cumberlandse Straatweg verleden jaar in zijn volle lengte met planken hebben geplaveid?’

‘Nee,’ zei Charity, ‘dat wist ik niet.’

 

Geen wonder dat de dikzak in het reisbureau zo terughoudend geweest was over het tweede gedeelte van de reis! Nooit had Charity zich zo'n afschuwelijk gebrek aan comfort kunnen voorstellen, zo'n marteling, als met de kreunende, zwetende Mopsie O'Grady heen en weer geschud te worden in de ene krakende, zwalpende postkoets na de andere, die steeds primitiever en voller werden, totdat zij uiteindelijk in Indianapolis terechtkwamen in de ergste koets van al: de South Bend Stage Coach, die niet anders bleek te zijn dan een Jan Plezier met harde banken, getrokken door zes paarden, omdat zelfs de meest primitieve diligence de karresporen door de onontgonnen wildernis niet kon berijden zonder door zijn veren te zakken of zijn assen te breken. Mopsie O'Grady's voortdurend gebed werd telkens onderbroken door een snerpende gil als zij weer eens omhooggezwiept en opgevangen werd door de keiharde bank bij het hotsen over een wortel of het botsen tegen een kei of het neersmakken in een kuil, waar elk ander wagenwiel tandeloos uit te voorschijn gekomen zou zijn. En dan die herbergen! Iedere keer weer dacht Charity dat het niet viezer, oncomfortabeler en voller kón, maar iedere avond werd het ongemak van de vorige gribus overtroffen: vlooien, wandluizen, ratten, en als het ‘dames-kamertje’ zich onder de binten bevond, kwamen daar nog vleermuizen bij,

[p. 122]

die, naar Mopsie met ronde ogen volhield, loerden op mensenbloed.

Aan de vooravond van hun aankomst in Pendle Hill kwamen ze terecht in een etablissement dat de weidse naam droeg ‘De Rustende Buffeljager’. De pan, de herrie, het zatladders-gelal, de hitte, de vlooien, de kraaien die nestelden vlak boven het raam van hun dameskamertje - zelfs Mopsie O'Grady werd er stil van. Ze hadden, zoals gewoonlijk, samen één bed, maar het was zo heet en dit bed zag er zo onappetijtelijk uit, dat Charity, niettegenstaande haar moeheid, naar beneden ging om in de gelagkamer een bordje hachee te eten, wachtend tot het wat zou afkoelen. Toen zij het vieze eten voorgesmeten kreeg en zich beklaagde over de zwerm vliegen die het hapje vergezelden, zei de waard met zijn baard van drie dagen en zijn tandenbegraafplaats: ‘Nou, poes, waarom wacht je dan niet tot morgenochtend? Bij het ontbijt zijn er geen vliegen, als je vroeg komt, want dan zitten ze met z'n allen bij de gasten op de plee.’ Het bewees hoe gehard ze was in de afgelopen veertien dagen dat ze, in plaats van te kokhalzen, de vliegen wegjoeg met de ene hand en met de andere de kwalijke jachtschotel naar binnen lepelde, terwijl om haar heen de kinkels en de kaffers, de koeiendrijvers en de vilders balkten als ezels. Ze hing rond in de gelagkamer, de zuiplappen van zich afwuivend met dezelfde onverschilligheid waarmee ze de vliegen op een afstand hield. Bah! Wat een walgelijke mensen! Wat een boersheid, onbeschoftheid! Telkens wanneer een van die pummels haar aansprak met zijn drankadem, dacht zij: meer dier dan mens. Het was niet bepaald een Quakerlijke gedachte, maar om in de harige borst van een bezopen pelsjager naar het goddelijke te gaan zoeken was haar te machtig. Ze moest stapelgek geweest zijn toen ze haar moeder bedotte, haar vader het zwijgen oplegde met een kus, en de diligence had genomen met Mopsie O'Grady, die haar had zitten opwachten met haar karpetkoffer op schoot...

Toen het eindelijk begon te schemeren ging zij terug naar het kamertje onder de binten in de hoop dat het inmiddels wat koeler geworden zou zijn. Dit bleek niet het geval, maar het was er tenminste donker, waardoor het scheefgezakte bed en de zwetende vrouw die wijdbeens lag te snurken iets minder oppressief werkten dan bij daglicht.

Daar zat ze nu, op de vensterbank van weer zo'n kamertje, te staren naar de vallende nacht, op nog geen steenworp afstand van het oerwoud. Onbekende stanken stegen op uit dat dreigende bos, maar het zou de latrine wel weer zijn, die altijd vlak achter de logementen werd gegraven om de gasten een gevoel van veiligheid te geven wanneer ze 's nachts hun behoefte gingen doen. En er was iets voor te zeggen - het getjuik, gefluit, gekoelkoel en moroniek geschater van huppel- en kruipdieren in de maagdelijke wildernis klonk boosaardig. Boven de kruinen van het woud stond de diepblauwe koepel van de hemel, waarin zij al de eerste sterren kon onderscheiden. Daar zat ze dan: leugenares, verdwaald in het oerwoud. Ze had gelogen tegen haar ouders en familie en vrienden, zelfs tegen het

[p. 123]

brave mens in het bed achter haar. Ze had zichzelf voorgelogen dat ze gedreven werd door onweerstaanbare liefde voor Obadja Woodhouse. Niets daarvan! Wat de doorslag had gegeven was één regeltje in zijn brief van zevenenveertig kantjes: een boeiend, moedig, en ik moet toegeven opvallend knap meisje.

Vanavond, starend naar het donkerende woud, leek het hele avontuur krankzinnig. Zou ze nog terug kunnen? Omkeren, nu, op het laatste ogenblik? Terughotsen, in al die diligences, tot ze, beursgebeukt en ziekgeslingerd, bij haar moeder terug zou keren en haar gezicht in haar schoot verbergen en nooit, nooit, nooit meer de beschuttende armen van haar ouderlijk huis verlaten?

IJdele gedachten, slap gezemel. Ze was gewoon bang van het oerwoud. Overal om haar heen kropen en hupten onzichtbare, volslagen onvertrouwde dieren met of zonder vleugels, met of zonder zwemvliezen, met of zonder enge zakjes tussen de poten, waar miniatuur-engerdjes uit gluurden: een spookwereld van gedrochten zoals ze die weleens gezien had op nachtmerrieschilderijen van Vlaamse kunstenaars. Die waren erg in trek onder de Quakers in Philadelphia, omdat een schilderij dat de verdoemenis uitbeeldde theologisch meer aanvaardbaar werd geacht dan de afbeelding van een boom of een zonsondergang. Luister nu eens naar die griezels in het donker daar beneden, alle geschapen door God, in ogenblikken waarin Zijn stemming bepaald niet rooskleurig moest zijn geweest. Het piepte en kakelde, het krijste en giechelde, het floot en boerde in dat bos alsof ze bezig waren het eind van de vierde Scheppingsdag te vieren. En daar zat ze, verwend jong ding uit Philadelphia, in haar nachtpon zuur van het zweet, met kol-ogen naar het oerbos te staren, honderden mijlen ver van huis. En waarom? Vanwege een boeiend, moedig, en opvallend knap meisje. Hoe kon een dergelijke sprookjesachtige figuur bestaan in deze walgelijke wereld van open schijthuizen, wandluizen, bezopenen die onder haar venster stonden te kotsen op de binnenplaats en, ergens in een naburig bordeel, het schel gelach en de kletsen van bloot sla dood die haar niets meer deden, haar alleen met een laatdunkende walging vervulden. Wat voor kans had een boeiend, moedig, opvallend knap meisje om boeiend of knap te blijven in deze wereld van loerende patjakkers? Vanmorgen nog, in de diligence, die toch aan alle kanten open was geweest, was ze bijna bezwijmd van de zweetvoet van een buffeljager die zijn laarzen had uitgedaan en zonder meer zijn poot op haar schoot gelegd, en haar daarbij nog een knipoog gegeven ook. Maar Mopsie, karpetkoffer op schoot en parasol in de aanslag, had hem met zulke ogen aangestaard dat de man gemompeld had: ‘Je mag wegkijken, hoor, ik zal niet van je taartje snoepen.’ Ze had dat alles doorstaan, maar was in één maand tijd veranderd van een trippend nufje in een haaibaai die van zich afbeet en tegen opdringerige lummels een taal uitsloeg, waarvan haar moeder zou bezwijmen. En dat alles met de opzet om dat boeiende, moedige, opval-

[p. 124]

lend knappe meisje van de richel te duwen en Obadja zelf op te eisen. Haal uit je winst! Mooie toekomst hadden ze met z'n tweetjes als ze zouden trouwen zonder de permissie van hun Maandvergaderingen! Ze zouden zowel door de vrijzinnigen als door de orthodoxen geëxcommuniceerd worden. Dwaas! Dwaas! O, wat een dwaas was ze geweest!

Ergens beneden begon een viool een horlepiep te krassen. Een zatte stem in de gelagkamer begon een lied te balken dat niets met de melodie te maken had die de viool, als een reusachtige krekel, aan het sjirpen was in de nacht. Zij hoorde gelach, het gerinkel van brekend glas, de zingende stem werd stil, maar de reuzenkrekel bleef sjirpen. Tot haar verbazing voelde zij in zich een antwoord opwellen op het eentonige, achterlijke gekras van die vedel. Het was alsof ineens haar besef van de werkelijkheid wijder werd, alsof onbekende ruimten binnen in haar zich langzaam ontvouwden. Het voelde aan alsof zij wilder, primitiever was dan ze ooit had vermoed. Wie was zij eigenlijk? Wie ging er schuil achter dat preutse masker met de lichtbruine ogen, het cupidomondje, het voorhoofd met de guitige sproeten, het vlossige haar? Opeens leek Charity Woodhouse, het nufje uit Philadelphia, een vermomming. Een andere Charity, een primitieve, wilde vrouw die ergens in dat pruilende poppetje schuilging, werd in haar wakker in antwoord op het geheimzinnig viriele gesjirp van de vedel daar beneden.

Morgen zou ze oog in oog met Obadja staan. Wat dan? Kon het zijn dat Charity met de lieve, guitige maniertjes verliefd was op een wezen dat net zo conventioneel was als zijzelf? Een ernstige, jonge advocaat, gevoelig, kunstzinnig, bezield door machteloze passie voor zijn geliefde omdat hij nu eenmaal geboren was in de orthodoxe duiventil? In deze stinkende duisternis, met dat boerenmens snurkend op het bed achter haar, was er maar één woord voor die aanstaande: kwal. Als hij werkelijk zo bleek te zijn, morgen, wanneer hij haar kwam afhalen aan het diligencestation...

Zij raakte zo gedeprimeerd bij het vooruitzicht, dat zij haar weerzin overwon en naast de zwetende Mopsie in de twijfelaar kroop. Gelaten ging zij liggen wachten op de eerste beet van het eerste platje. Haar avondgebed had ze al in geen weken meer gedaan.

 

Zij had zich haar aankomst in Pendle Hill op verschillende manieren voorgesteld gedurende haar eindeloze dagdromen in trekschuit en diligence. Maar toen het eindelijk eenmaal zover was, kwam het allemaal anders uit, want zij kwam aan op het hoogtepunt van een tornado.

Een half uur tevoren waren de voortekenen zelfs haar duidelijk geworden, die nog nooit een wervelstorm had meegemaakt. De hitte was drukkend, het weer benauwd en windstil, de lucht zo zwart als roet; rafelige wolken hingen laag boven de kruinen van het oerwoud. Aanvankelijk dacht ze dat er alleen maar een donderbui op komst was; het waren de

[p. 125]

vogels die haar de eerste waarschuwing gaven van naderend onheil. Zij fladderden angstig piepend heen en weer tussen de donkere wallen van het woud; op een gegeven moment probeerden er een paar in de diligence een goed heenkomen te zoeken. Gedurende enkele ogenblikken hingen zij met fladderende vleugeltjes voor de opening van het raampje; toen, met een schel gepiep, zwenkten zij weg en verdwenen uit het gezicht, maar in die enkele ogenblikken hadden zij Charity aangestoken met hun paniek. De schorre stem van de koetsier schreeuwde iets onverstaanbaars boven het geratel en gekraak van de wagen uit, toen verscheen het hoofd van de bijrijder ondersteboven in de vensteropening. ‘We gaan er even de zweep over leggen, mensen,’ riep hij. ‘Het ziet er naar uit dat er een twister op komst is, dus hou je maar vast!’

‘Een wat?’ vroeg Charity bang.

‘Een twister, liefje,’ antwoordde Mopsie O'Grady, ‘een soort wind. Mijn zoon heeft er eens over geschreven.’ Ze zei het met zo'n kennelijke onwetendheid van wat de werkelijkheid inhield, dat ze Charity nog banger maakte dan de vogeltjes. Ineens bungelden de gelaarsde benen van de bijrijder voor het raampje. Hij liet zich op de treeplank zakken, stak zijn hoofd door het raampje naar binnen en zei: ‘Dames, laat u zich niet de stuipen op het lijf jagen, zo erg is het niet. Maar voor het geval het er naar uit zou zien dat de twister over ons heen zou komen, dan stoppen we de wagen, laten de paarden los en moet u zo hard als u kan het bos inlopen en onder het struikgewas kruipen. Als u in de wagen zou blijven zitten, zou u de deuren uit worden gezogen, en we moeten die knollen ook loslaten, want die krijgen het helemaal op hun heupen als dat ding in de buurt komt. Kruip dus maar onder het struikgewas, net als konijntjes, en hou u goed vast aan de wortels of aan de klimop, dan kan u niks gebeuren. Als u maar oppast dat u geen vergiftigde klimop beetgrijpt, want dan worden het handjes vol blaren, hahaha!’ Zijn schorre gelach, het zwabberen van de voortstuivende koets, de stank van zijn adem, alles leek samen te spannen om Charity's maag binnenstebuiten te keren. Hij bleef maar doorkletsen, hangend als een orang-oetan met omhooggestrekte armen aan de rand van het dak met zijn harige kop door het venster.

De diligence hotste krakend langs het karrespoor door het bos, met wilde uithalen, zodat de passagiers tegen elkander werden gesmeten. Toen, ineens, werd het rijtuig rustig, de hoeven van de paarden kletterden op keien, het geratel van wielen werd weergalmd door huizen, en nog vóór Charity goed en wel besefte wat er gaande was stond de diligence stil. ‘Uitstappen!’ riep de koetsier. ‘Uitstappen, iedereen uitstappen, als de weerlicht! Vooruit, hup, hup, hup! Uitstappen, uitstappen! Daar komt-ie!’

Charity sprong de deur uit die openbarstte, werd opgevangen door een paar mannenarmen en zag dat het Obadja was. Een ogenblik lang hing zij op de rand van een flauwte in zijn omhelzing, maar hij riep: ‘Vooruit, vooruit, de sjees staat te wachten! Misschien halen we het nog!’ Hij sleepte

[p. 126]

haar naar een brikje, waarvan het paard zich wild van de tuipaal trachtte los te rukken. Ze zag een gevel met het woord logement, ze zag mensen heen en weer hollen en riep: ‘Obadja, mijn bagage!’

‘Laat die maar lopen, dat zien we morgen wel! Stap in, vlug!’ Hij duwde haar omhoog, het wagentje in, maakte het paard los en zag kans naast haar op de bok te springen zonder erafgeslingerd te worden, want het paard nam meteen de benen, alsof het op hol sloeg. Zij wilde zich aan hem vastgrijpen, maar besefte tijdig dat zij op dat moment zijn bewegingen niet mocht belemmeren. Zij klampte zich dus maar aan de leuning van het wagentje vast en staarde, haar ogen rond van angst, naar huizen, gevels, bomen, die voorbij leken te kantelen, terwijl achter hen, vlak boven de krijtwitte geveltjes van het stadje, de zwartste lucht die ze ooit van haar leven gezien had hen op de hielen leek te zitten, met jagende flarden van wolken en zwermen vogels die als rookspiralen omhoog werden gezogen in de inktzwarte lucht. Ze had er geen idee van wat een twister was, maar herinnerde zich het woord ‘olifantenslurf’ uit kinderboeken over het leven van de voortrekkers in het verre westen. Er was geen olifantenslurf te zien in de zwarte, kolkende lucht, maar zij voelde een onuitsprekelijke dreiging in de atmosfeer. Boven het geklepper van de hoeven en het geratel van de wagenwielen uit hoorde zij een donker gegrom, als de branding. Weer begonnen vogels kriskras de weg over te vliegen, schel piepend en kwetterend; opeens smakte er een tegen de rand van het dak van het sjeesje en kaatste, dood, terug op de straat. Charity leunde uit het rijtuigje om te kijken, maar voor zij het levenloze lijfje had kunnen onderscheiden, rukte Obadja haar terug. En net op tijd ook, want het wagentje zwierde een hoek om met een gekrijs van slippende wielen; zij klemde zich aan de leuning vast en staarde de tunnel in van een kaarsrechte weg onder donkere bomen, die zij nu binnenstormden. ‘Hou je vast!’ riep Obadja. Hoewel het paard al vrijwel op hol geslagen was, ranselde hij erop los met de zweep tot het wagentje door een hek gesleurd werd, een oprijlaan op, aan het eind waarvan zij een groot gebouw kon onderscheiden. Toen Obadja het paard trachtte in te houden voor de stoep van het gebouw, steigerde het hinnikend op de achterbenen. ‘Naar binnen! Vlug, vlug!’ riep hij. ‘Daar komt-ie!’

Het grommend gerommel dat zij achter zich had gehoord toen zij met het sjeesje wegvluchtten uit de stad, was nu uitgegroeid tot een snerpend gehuil dat pijn deed in haar oren. Zij strompelde hijgend van angst de stoep op, duwde tegen de voordeur, bonsde erop met haar vuisten; opeens werd hij geopend. Zij tuimelde een donkere ruimte binnen waarin zij galmende stemmen hoorde en gestalten heen een weer zag rennen. Een jongetje trachtte haar overeind te trekken, roepend: ‘Kom, dáár moeten we heen, de kelder is dáár!’

Zij liet zich meetronen, terwijl buiten de huilende storm op het punt scheen zich op hen te storten. Zij werd een deuropening ingeduwd, samen

[p. 127]

met een groep kinderen, struikelde een stenen trap af en dreigde te vallen, maar het verrassend sterke jongetje hield haar op de been. Toen ze eindelijk, beneden, tegen de muur leunde, besefte zij dat het geen jongetje was maar een dwerg. Iemand maakte zich los uit een troep kinderen in het halfdonker van de kelder, een man in wereldse kleren. ‘Bent u het meisje Woodhouse? Waar is uw - weet ik veel, wat dan ook - neef?’ Hij klonk boos.

‘Bui - buiten...’ stamelde zij. ‘Het paard...’

De man stormde de trap op. Een ogenblik daverde het geloei van de wind met verdubbelde kracht, toen klonk het smakken van een deur; het geloei werd weer zwakker. Zij leunde, uitgeput, tegen de muur. Iemand schudde haar bij de schouder. ‘Ben jij de nieuwe onderwijzeres?’

Zij opende haar ogen, op het punt in tranen uit te barsten. Zij zag een jonge man, met een guitige grijns die op dat ogenblik volkomen misplaatst leek. ‘Kom, ga zitten.’ Hij leidde haar naar een kist in de hoek en dwong haar te gaan zitten. Onmiddellijk voegden zich drie kinderen bij hen, twee jongens en een meisje, die er, gezien de omstandigheden, verrassend onbekommerd uitzagen. ‘Dit is de nicht van Meester Obadja, onze nieuwe onderwijzeres,’ zei de jongeman. ‘Charity Woodhouse, geloof ik?’

Zij knikte, versuft.

‘Mijn naam is Jesse McHair, dit is Himsha Woodhouse, waarschijnlijk ook nog familie van je, dit is Bruller McHair en dit Bonifacius Baker. Zij vormen de leden van het actiecomité voor het proces dat morgen begint.’ Toen zij hem onbegrijpend aanstaarde, grijnsde hij weer en zei: ‘Neem me niet kwalijk dat ik meteen over praktische dingen begin, maar het heeft geen zin om hier op je knokkels te zitten bijten. We kunnen er niets aan doen, wat gebeuren moet...’

Er klonk boven hun hoofden een geweldig gebruis, alsof een stortvloed door een dam gebroken was.

‘Jezus Christus, Zoon van God!’ gilde een hoge, hysterische vrouwenstem. ‘Red ons, red ons om der wille van Uw kostbaar bloed!’ Ten barstte zij in snikken uit. Charity keek in haar richting en zag een spookachtig schouwspel. In het schijnsel van een lantaarn, die door een dikke, bange man omhooggehouden werd, lagen twee vrouwen op de knieën. De ene hield het hoofd van de andere tegen zich aangedrukt, en haar gezicht was zo rustig, zo vol tederheid, dat Charity de opwelling voelde naar haar toe te hollen om zich ook bij haar te verbergen.

‘We verwachten natuurlijk allemaal dat de rechter de slaven zonder meer aan hun eigenaar zal overhandigen,’ ging de jongen achter haar door, ‘maar Obadja zal ze voor de rechter verdedigen, dus wie weet. Zodra de uitspraak gevallen is...’

Charity stond op, met knikkende knieën, en wankelde naar de twee geknielde vrouwen toe. Maar voor zij die bereikte kon zij het niet langer tegenhouden en braakte, midden in de kelder.

[p. 128]

***

 

De tornado had een spoor van verwoesting dwars door het park van de school geploegd, maar het was niet meer dan vijftig meter breed. Voor de drie kinderen in het schuurtje leek het alsof er een kolossale egge dwars door hun wereld getrokken was. Op zijn pad lagen ontwortelde bomen, de wrakken van wagens en daken; maar aan weerskanten van dat spoor van verwoesting was er geen blaadje afgerukt, geen twijgje gebroken. De moestuin zelf was onberoerd gebleven, de rijen sperziebonen stonden er nog net zo bij als die morgen, groen, rijp, nat van dauw. Het schuurtje met zijn mossige dak en zijn scheefgezakte raampje was eveneens onberoerd gebleven. De drie kinderen die in het halfduister daarbinnen aan het scharrelen waren, waren de storm en zijn woede alweer vergeten voor belangrijker dingen.

‘Wie zijn dat, die ik daar hoor praten?’ vroeg Himsha, fluisterend.

Bruller McHair klom op de werkbank en gluurde door het tuimelraampje de moestuin in. ‘Dat is je oom,’ zei hij, ‘met zijn nichtje. We hebben ze waarschijnlijk opgeschrikt terwijl ze stonden te knuffelen tussen de bonen.

‘Doe niet zo grof. Kom, Bonny, wij gaan weg.’ Zij liep naar de deur.

‘Effetjes, effetjes!’ antwoordde Bonny. Hij zat op zijn hurken voor het kooitje onder de werkbank. ‘Ik ben nog niet klaar met voeren.’

‘Jij en je muizen,’ schamperde Bruller. Hij sprong van de bank en stofte zijn knieën af. ‘Die dieren hebben vreten genoeg voor een week. Kom, anders zijn ze morgenochtend te vet om zich te verroeren.’

‘Nee, nee,’ zei Bonny, ‘gaan jullie maar, ik kom dadelijk. Ik moet ze nog wat water geven, ze hebben niets te drinken.’

Himsha zei: ‘Blijf hier nou niet te lang hangen, joh, de avondbel is al gegaan.’

‘Maak het niet te lang hoor, poesje,’ miauwde Bruller, op zijn hurken voor de kooitjes. ‘Laat me nou niet zo lang alleen, snuitepuitje.’

Himsha gaf hem een trap onder zijn stuit, maar voor hij haar mores had kunnen leren stiet zij hem de deur uit en smakte die achter hem in het slot. Bonny hoorde Bruller buiten roepen: ‘Gemene rotmeid! Wacht maar eens met je gemene Indianenstreken! Wacht maar eens tot ik jou - o, neem me niet kwalijk, Meester Obadja...’ Er was nog wat gemompel van stemmen die zich verwijderden, toen werd het stil. In de stilte werd het geritsel en gepiep van de zeven muizen in het kooitje hoorbaar. Zij waren nog niet tot rust gekomen na de storm. Dat uur in de kelder, wachtend tot de twister voorbij zou zijn, had Bonny zitten tobben over zijn muizen. Hij had ze zich doodsbang en hulpeloos voorgesteld in hun kooitje; toen hij ze ongedeerd terugvond was hij opgelucht en vol dankbaarheid; hij had zijn ogen gesloten en God gedankt dat Hij zijn muizen gespaard had.

[p. 129]

Maar de diertjes waren de schrik nog niet te boven. Anders kwamen zij altijd op zijn open hand af zodra hij die naar binnen stak, nu leken zij er bang van te zijn. Ze krabbelden tegen de tralies van het kooitje op alsof zij een uitweg zochten. Kon het zijn dat zij er een voorgevoel van hadden wat er morgen stond te gebeuren?

Hij concentreerde zich op het vullen van hun waterbakje, niet te veel, want zij konden er weleens in vallen. Hij ging zo op in wat hij aan het doen was, dat toen Himsha achter hem begon te praten zij hem aan het schrikken maakte.

‘Kom Bonny,’ zei ze vriendelijk, ‘de bel is gegaan, je weet dat je last krijgt als je weer te laat bent.’

Hij keek om. Zij stond, slank en donker, in de deuropening.

‘Ze zijn nog steeds bang,’ antwoordde hij. ‘Ik vraag me af of ze er een voorgevoel van hebben. Kijk eens hoe zenuwachtig ze zijn.’

Zij boog zich over het kooitje, met bungelende vlechten. ‘Je houdt echt van ze, hè?’

Hij had daar nooit over nagedacht. Alleen hadden ze gedurende de afgelopen weken, terwijl hij voor ze zorgde, eigen persoonlijkheden gekregen, net als mensen, als je ze beter leerde kennen. Toen het nog gewoon zeven muizen waren, had hij zich niet zoveel zorgen over ze gemaakt. Maar hij had ze namen gegeven, en dat had alle verschil gemaakt. ‘O, dat weet ik niet, hoor,’ antwoordde hij.

‘Moet je niet doen,’ zei ze. ‘Je moet niet van dieren houden alsof het mensen waren.’

‘Dat kan ik toch niet helpen? Ik wil alleen niet dat ze ze pijn gaan doen.’

Zij stond op en zei: ‘Het is verkeerd, Bonny. Als er morgen wat met ze gebeurt, zijn zij het niet die pijn gedaan wordt, maar jij. Verspil je liefde niet aan muizen.’

‘Waar moet ik het anders aan verspillen?’ vroeg hij uitdagend. ‘Jij hebt mij niet nodig, ik bedoel, om je te beschermen, om je in leven te houden. Jij kunt voor jezelf zorgen. Iedereen is als de dood voor je; ook al was ik nergens te bekennen, ze zouden jou nooit met een vinger aan durven raken. Maar die muizen...’

‘Dat heeft niets met liefde te maken! Liefde komt van God. Dat heeft te maken met het goddelijke in de ander. Er is niks goddelijks in een muis.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Dieren hebben geen zielen. Kom, als we nou niet gaan moet je vanavond weer de petoet in.’ Ze nam hem bij de arm.

‘En John Woolman dan met zijn kippen?’ vroeg hij, toen ze hem naar de deur toe trok.

‘Ik weet niks van John Woolman en zijn kippen.’

‘Toen John Woolman op zijn laatste reis naar Engeland ging, kreeg hij de roeping om de kippen te gaan beschermen die in hokjes op het dek

[p. 130]

zaten. Hij ging naar de kapitein...’

Opeens legde zij haar hand op zijn schouder. ‘Bonny, die muizen zijn bestemd om hun leven te geven voor tien menselijke wezens. Voor een baby. Begrijp je dat?’

‘Ja, ik weet het,’ zei hij ontmoedigd. ‘Ik wou maar dat God voor een andere oplossing zorgde.’

Toen sloeg ze haar armen om zijn hals en kuste hem. Het was volkomen onverwacht en toch schrok hij er niet van. Ze liet hem los, nam hem bij de hand, zei: ‘Kom,’ en trok hem met zich mee tussen de bonenrijen naar de donkere school in de verte.

terug  begin  verder