terug  begin  verder
[p. 131]

Zes

Op de morgen van het proces nam dokter Rossini deel aan de laatste bespreking van het actiecomité in de school. Opnieuw kwam hij onder de indruk van de discipline en de moed van de kinderen. Toch vroeg hij zich af welke uitwerking dit alles zou hebben op hun respect voor de wet.

De enige die zijn gevoel van onbehagen scheen te delen was de nieuw-aangekomene, Charity Woodhouse. Zij leek allerminst op haar gemak, maar misschien had dat te maken met de omstandigheid dat zij zonder meer in het koude water van het complot had moeten springen, zonder precies te weten waar het om ging. Zij was, samen met Lydia Best, belast met de zorg voor de vermomming van de slaven en het organiseren van hun verkleding binnen de tijd van enkele minuten. De kleren werden ter zake kundig geïnspecteerd door de vrouwen; kleermaker Walton, een verlegen reus met zulke grote handen dat het onmogelijk scheen dat hij een naald vast kon houden, had de knoopjes op de rug van de jurken vervangen door haakjes om tijd te sparen bij het omkleden, hij had ook een grote boodschappenmand klaargemaakt met een matrasje erin en dekentjes voor de baby en een handdoek om eroverheen te leggen. Laten we nu maar hopen dat hij niet begint te krijsen, zei Lydia. Heb je het slaapdrankje meegebracht, dokter?

Ja, antwoordde Rossini, maar ik geef er de voorkeur aan om het hem pas in de rechtszaal toe te dienen, anders lopen we de kans dat het uitgewerkt is tegen de tijd dat wij zijn stilte het hardst nodig hebben.

Hoe lang duurt de werking?

Een uur of twee. Ik durf het niet sterker te maken, want daar is het kind nog veel te jong voor.

Maar we kunnen het toch niet toedienen in de rechtszaal? Daar zit iedereen bij...

Ik heb een fopspeen klaargemaakt, die moet zijn moeder hem geven zodra Obadja klaar is met zijn pleidooi. Heb je er enig idee van hoe lang hij nodig zal hebben?

Hij zit nog steeds te werken, boven, zei Charity.

Dan ga ik er wel even heen. Is er nog iets anders dat ik weten moet, op dit moment? We zien elkaar dus niet terug voor het proces is afgelopen.

Ga je nu de slaven hun instructies geven? vroeg Abner.

Ja. Alleen één punt is me niet helemaal duidelijk. Wanneer precies komen die koeien eraan te pas?

[p. 132]

Daar zou ik me het hoofd maar niet over breken, dokter, zei Jesse McHair, wat de slaven betreft, die moeten alleen maar zo hard mogelijk naar de wagen toehollen en erin springen voor de jongens van de sheriff en de slavenjagers weten wat er aan de hand is. Breng ze dus maar niet in de war met details van het complot waar zij niets voor hoeven te doen.

Maar ze zouden er de schrik van kunnen krijgen...

Nou, dan krijgen ze de schrik, des te harder lopen ze. Vertel ze er wel bij dat de wagen al begint te rijden zodra ik ze de stoep af zie komen.

Zoals je wilt, zei Rossini, ik weet dat alleen ongelovigen bijgelovig zijn, maar misschien willen jullie toch maar voor me duimen? Als de sheriff me met de slaven alleen laat moet hij zo stom zijn dat het bijna geniaal wordt.

Hij liep het middenpad af, sloot de deur naar de hal achter zich en stond een ogenblik stil in het donkere trappenhuis dat nog naar de slaaplucht van de kinderzalen rook. Als de sheriff zich nu eens niet liet overrompelen, maar de slaven belette de wagen te bereiken? Als de slavenjagers, die zonder twijfel in het voorportaal van het gerechtsgebouw zouden rondhangen tijdens het proces, zich aan de kinderen zouden vergrijpen? Hij kon het serene vertrouwen van de Quakers niet delen.

Hij klom de trap op naar de eerste verdieping en klopte op Obadja's deur. Een stem riep Binnen! Hij vond de jonge advocaat in hemdsmouwen aan een tafeltje bij het raam zitten met een paar opengeslagen boeken voor zich, bezig notities te maken.

Neem me niet kwalijk dat ik even onderbreek, zei Rossini, maar ik heb een paar inlichtingen nodig voor ik de slaven ga bezoeken. Kun je mij er enig idee van geven hoe lang je pleidooi zal zijn? Ik moet die moeder vertellen wanneer zij haar baby het slaapmiddel moet toedienen.

Goeie hemel... Obadja zag eruit alsof hij de hele nacht had zitten werken. Ik heb er geen idee van. Ik zelf heb niet meer dan twintig minuten nodig, maar ze hebben me verteld dat die rechter lang van stof kan zijn, vooral als hij op zijn stokpaardje zit: de federale wet versus de staatswet. Hoe lang duurt het voor dat slaapmiddel gaat werken?

Een half uur.

Weet je wat, zeg tegen de moeder dat ze het moet toedienen zodra de rechter aan zijn commentaar begint. Er is geen jury, dus waar anders de instructies zouden komen, krijgen we nu een toelichting. Volgens mij zit daar, zelfs voor iemand op zijn stokpaardje, niet meer dan een half uur in.

Bedankt. Tot aanstonds dan.

Nog voor Rossini de deur had gesloten was Obadja alweer aan het schrijven. Het was zijn eerste grote zaak; het gezicht van de krabbelende jongeman gaf Rossini opnieuw een voorgevoel van onheil. In zijn sjees, op weg naar het gerechtsgebouw, vroeg hij zich af waarom. Gebrek aan geloof? Moest hij meer vertrouwen hebben in de God van de Quakers? Hij begon zo aan het welslagen van hun plan te twijfelen, dat hij zich dwong

[p. 133]

zich te concentreren op het probleem hoe hij die doodsbange negers de gecompliceerde instructies van het complot moest bijbrengen. Voor de Quakers was het allemaal duidelijk, want zij hadden er dagen en nachten lang over gedelibereerd, maar de slaven, wier voorland was uitgeleverd te worden aan hun eigenaar? Waarschijnlijk waren de arme donders op dit punt niet in staat iets te begrijpen of te onthouden. Tegen de tijd dat de hoefslag van zijn paard en het geratel van de wielen van zijn koetsje weerkaatst werden door de gevels van de Hoofdstraat, voelde hij de opwelling om door te rijden en zijn huisbezoeken te gaan doen. Maar hij hield stil voor het gerechtshof, bond de teugels aan een tuipaal en ging de sheriff opzoeken in zijn kantoor.

Morgen, sheriff. Zou ik de beschrijving kunnen krijgen van de kentekens van die nikkers? Ik heb opdracht om die te controleren voor het proces begint. De vrouw heeft ze waarschijnlijk op een bil staan, dus de rechter heeft mij verzocht dat te doen in plaats van jij of een van je jongens. Hij zei het met opzet op de toffe toon die onder blanke mannen in zwang was wanneer het over negers ging.

Zonder zijn voeten van zijn lessenaar te lichten wierp de sheriff hem een bos sleutels toe en overhandigde hem een stuk papier. Ga je gang maar, dokkie. Ze zitten in de eerste cel aan je linkerhand zodra je de trap afkomt. Heb je nog hulp nodig?

Nee, bedankt, daar gaat het nou net om.

Ah! De sheriff lichtte zijn voeten van de lessenaar. Het hele geval zit me dwars, hoor. En ik ben de enige niet. Iedere fatsoenlijke vent in de stad vindt het een godgeklaagd schandaal, dat kan ik je wel vertellen. Afijn, hoe dan ook, ik ben maar blij dat ze niet uitgeleverd worden aan dat stelletje slavenjagers dat hier rondhangt. Jakhalzen zijn het, aasgieren! Afijn, dat hoef ik je niet te vertellen. Ga je gang, dok, neem de tijd.

Heb je de eigenaar al ontmoet?

O ja, die heeft me uitgenodigd een glaasje met hem te drinken in het hotel, omdat hij me die lijst met kentekens wou overhandigen. Ik heb het niet geaccepteerd, hoor. Dat wil zeggen, ik ben er wel heengegaan, maar ik heb geen borrel van hem aangenomen. Ik mag dan sheriff zijn en de wet moeten hooghouden, maar er staat nergens in de wet dat ik handen op één buik moet spelen met slavenhouders in de uitoefening van mijn functie.

Wat voor soort vent is het?

De sheriff haalde zijn schouders op. Voor een zuiderling zag hij er beschaafd uit, moet ik zeggen. Hij heeft een zoontje bij zich, van een jaar of tien. Weduwnaar blijkbaar. Voor een slavenhouder is hij waarschijnlijk zo fatsoenlijk als een mens zijn kan met een dergelijke achterlijke levensovertuiging.

Bedankt, sheriff. Ik denk niet dat ik lang nodig heb, maar ik zou het op prijs stellen als je je jongens uit de buurt zou willen houden terwijl ik die vrouw onder de rokken kijk voor haar brandmerk. Ik wil er geen

[p. 134]

publieke vermakelijkheid van maken.

Kom nou, dokter, waar zie je ons voor aan, riep de sheriff gekwetst uit. Jake heeft de wacht beneden, een door en door fatsoenlijke jongen. Hij zou nog eerder naar zijn eigen dochter in d'r blote tourmentatie loeren dan naar die arme negerin daar beneden. Het is een grof schandaal, dat is het.

Jaja, zei Rossini werktuiglijk.

Toen hij het zware hek opende naar de gevangenisafdeling en de trap afging kwam hem een stank tegemoet die eerder op die van een stal leek dan van een gevangenis. Een mannenstem riep in het donker aan de voet van de trap: Ben jij dat, sheriff?

Ik ben het, dokter Rossini. Ik moet de kentekens van de gevangenen controleren.

O, dokter. De cipier scheen opgelucht hem te zien. Daar zitten ze, hoor, eerste cel links. Nou, ik hoop dat u iets aan ze doen kunt.

Hoe dat zo?

Hoe zou u zich voelen? Zodra die kerel ze terug heeft, gaat de zweep erover, reken maar. Ik heb er een paar gezien die al eens eerder ontsnapt waren, en man, ik word er nog kotsmisselijk van als ik eraan denk. Onder de littekens, van striemen, van honden, afijn, noem maar op. 't Is die zuigeling die 't me doet, en die moeder. De kerels moeten het ten slotte maar zelf weten, maar die moeder...

Jaja, mompelde Rossini. De sheriff zegt dat je maar een kopje koffie met hem moet gaan drinken, uit kiesheid. Bij vrouwen staat het brandmerk meestal op de linkerbil.

Ga uw gang, dok, ga uw gang, al doet u er een uur over. Als u klaar bent, geeft u maar een gil.

Goed hoor.

De man holde de trap op. Rossini hoorde het hek slaan en het geluid van een sleutel die werd omgedraaid. Hij liep langzaam de donkere gang in, naar de cellen.

De negers zagen hem aankomen met hun hoofden tegen de tralies, als paarden in een stal. De manier waarop zij hem aanstaarden toen hij voor hen stond stelde hem niet op zijn gemak.

Ik ben dokter Rossini, zei hij. Ik ben gekomen om jullie instructies te geven voor je ontsnapping.

Niemand zei een woord, ze bleven naar hem staren, roerloos, als paarden.

Ik heb een bericht voor jullie van de Quakers. Van Viola.

Ja, Massa, zei de grootste neger.

Rossini opende het hek met een van zijn sleutels, ging naar binnen en sloot het achter zich. Er lag stro op de grond, de stank van urine en uitwerpselen die hij boven aan de trap al waargenomen had werd sterker. Jullie ontsnapping uit de rechtszaal is in onderdelen voorbereid, zei hij.

[p. 135]

We hebben niet veel tijd en ik heb jullie een hoop te vertellen, dus met wie moet ik het in orde maken? U?

Ja, Massa, zei de grootste.

Goed dan. Jullie worden tijdens het proces verdedigd door een Quakeradvocaat. We geloven niet dat hij de uitspraak zal kunnen beïnvloeden, maar hij zal het proberen. Zouden jullie worden vrijgesproken, dan is alles natuurlijk in orde, maar we moeten erop voorbereid zijn dat de rechter beslissen zal dat jullie moeten worden teruggegeven aan je eigenaar.

Ja, Massa, zei de man. De anderen bleven maar naar hem staren.

Rossini opende zijn dokterstas en haalde er de fopspeen uit te voorschijn. Hier heb ik een slaapmiddel om de zuigeling stil te houden. Het zit in deze speen. Die moet aan het kind gegeven worden zodra de rechter aan zijn opsomming begint. Hij besefte dat ze er geen woord van begrepen. Hier, zei hij, en hij gaf de speen aan de vrouw, die echter geen aanstalten maakte om hem aan te nemen. Het zal je kind geen kwaad doen, dat beloof ik je. Ik ben dokter, ik heb de dosis heel erg licht gemaakt. Hij zal een half uur een beetje doezelig zijn, langer niet. Hier, neem het nu maar aan en doe het nou maar, ook al zouden jullie aan het eind van het proces vrijgesproken worden, het kan je kind beslist geen kwaad doen... De vrouw verroerde zich niet, de grote neger waadde naar hem toe door het stro en strekte de hand uit. Rossini gaf hem de speen en zag dat de man die in zijn broekzak stak. Er niet op drukken, zei hij, de slaapdrank zit erin.

Ja, Massa, zei de man.

Zodra de rechter klaar is met zijn toelichting zal hij het vonnis uitspreken. Vóór hij dat doet zal hij jullie vragen op te staan. Dat is je waarschuwing, begrijp je? Laten we aannemen dat hij zegt dat jullie aan je eigenaar moet worden teruggegeven, dan zal de deurwaarder jullie verzoeken uit de beklaagdenbank te komen en je overhandigen aan de mannen van de sheriff. Kun je het zover begrijpen?

Niemand zei iets; zij bleven hem roerloos aanstaren.

Ja, Massa, zei de grote neger, maar het klonk meer alsof hij hem gerust wilde stellen dan als een teken dat hij het begrepen had.

Nu, vervolgde Rossini, de deurwaarder zal het deurtje van de beklaagdenbank openen en jullie aan hem voorbij laten gaan; hij zal niet voor je uit lopen. De mannen van de sheriff staan waarschijnlijk aan het eind van het gangpad. Jullie worden dus verondersteld langs dat pad naar die mensen toe te lopen. Heb je dat begrepen?

Ja, Massa, zei de grote neger, moe.

Rossini's gevoel van machteloosheid werd hem bijna de baas; maar hij gaf hun de rest van de instructies. Toen begon de zuigeling te schreien. De moeder draaide zich om en waadde door het ritselende stro naar het bundeltje in de hoek.

[p. 136]

Goed dan, concludeerde hij. Zijn er nog vragen?

Het bleef zo lang stil dat hij dacht dat niemand zou reageren. Toen vroeg de grote neger: Doet Viola mee?

Ze is niet aanwezig in het rechtsgebouw, maar ik neem aan dat ze jullie zal komen opzoeken zodra je in de school bent.

De grote neger zei: Ja, Massa.

Rossini keek naar de kring van uitdrukkingloze gezichten. Nu, ik word verondersteld jullie kentekens te controleren aan de hand van deze lijst. Ik ben niet van plan dat te doen. Ik neem aan dat jullie het eigendom zijn van... Hij las bij het licht van het getraliede venstertje: Armand Delatour, Morning Rose Plantation, Bayou Barataria, Louisiana. Is dat juist?

Ja, Massa.

Er viel verder niets meer te zeggen. Het beste dan maar, en veel succes. Als alles goed gaat zien we mekaar weer in de school. Hij keerde zich om en liep door het ruisende stro naar het hek. Toen hij buiten stond en de sleutel in het slot stak, zag hij de grote neger naar hem staren, het gezicht tegen het hek gedrukt, de handen aan de tralies, precies zoals hij hem gevonden had.

Sorry, zei hij, maar ik moet het hek weer op slot doen, anders krijgen ze er de lucht van.

Ja, Massa, zei de man.

Rossini liep de gang uit naar de trap. Boven, in het kantoortje, vond hij de sheriff en de cipier op hem wachten.

Voor mekaar, dokkie? vroeg de sheriff, met zijn laarzen weer op zijn lessenaar.

Ja. Rossini gaf hem de sleutels en de lijst terug. Alles klopt. Tot straks dan maar, in de rechtszaal. Dag Jake.

Tot ziens, dokkie, zei de sheriff.

Jake zei: Dag, dok.

Rossini ging met een gevoel van tegenzin naar zijn volgende rendezvous. De laatste die hij op dit ogenblik onder ogen wilde komen was dat helse negerwijf. Hij reed terug naar het schoolhek met zijn sjeesje; in plaats van rechtdoor te gaan naar het schoolgebouw, sloeg hij rechtsaf, het smalle bospad in, hetzelfde dat hij gevolgd had toen ze Rode Lily waren gaan begraven. Haar graf lag op een open plek in het oerwoud, dat, hoewel het deel uitmaakte van het park van de school, volkomen maagdelijk was. De oude bomen met hun zwarte stammen stonden als de zuilen van een kathedraal in de eeuwige schemering; een baan zonlicht viel schuin omlaag, als door een boogvenster. Aan de voet van een van de bomen stond een houten kruisje. Het graf zelf was al onder het onkruid verdwenen.

Rossini nam zijn hoed af. Hij was gewend geraakt aan de dood, en immuun geworden voor de gedachten waarmee die hem in zijn jeugd had

[p. 137]

vervuld. Nu, in het groene schemerlicht alsof hij op de bodem van de zee stond, had hij een gevoel van afscheid, alsof, met de vrouw die daar begraven lag, hij tevens vaarwel had gezegd tegen de droom terug te keren naar het land van zijn jongenstijd. Zelden had hij zich zo eenzaam gevoeld als nu, aan de voet van Lily's graf. Toen sloeg een merel aan in het bos. Hij keek op en zag Viola staan.

En? vroeg zij.

Alles is in orde. Ik heb hun de instructies gegeven. Als alles goed gaat zitten ze vanmiddag op zolder in de school.

Is het met de Browns in orde?

Dat is jouw afdeling. Mijn taak was om die instructies over te brengen; dat heb ik gedaan. De rest van het programma ressorteert weer onder iemand anders; ik dacht dat jij het was.

Dacht je soms dat ik uit dit bos te voorschijn kon komen? vroeg zij vijandig. Heb je gezien hoeveel slavenjagers eromheen dwalen? Het zijn net honden die een loopse teef ruiken. Hoe denken jullie dat je met die wagen vol nikkers door het kordon kunt breken?

Als alles volgens plan verloopt, zal er geen kordon meer zijn, dan zijn ze met z'n allen op jacht naar de voortvluchtige slaven, maar in de verkeerde richting.

Nou, ik moet het eerst nog zien, zei ze. In ieder geval heb ik mijn eigen plan, voor het geval de Quakers er een potje van maken.

Als ik jou was zou ik maar op de Quakers vertrouwen, zei hij. Denk eens aan de risico's die ze lopen.

As je me nou! Risico! Waarom dacht je dat ze het deden, schatje? Vanwege mijn negertjes? Elke blanke die met nikkers aan het rotzooien is doet het alleen maar om der wille van zijn eigen zieleheil!

Iets deed hem zeggen: Wat je ook doet, Viola, gebruik geen geweld.

Waarom niet?

Omdat de Quakers er de schuld van zouden krijgen en dat wens ik ze niet toe. Ze hebben beter verdiend.

Jonge jonge, schamperde zij, je breekt m'n hart.

Ik meen het, Viola! Waarom zou je de kip slachten die de gouden eieren legt? De school is het beste onderduikadres in Indiana.

Ze schudde haar hoofd. Jullie zijn net kinderen die rovertje spelen. Wat dacht je dat er van deze school overblijft als onderduikadres als die nikkers eenmaal uit de rechtszaal ontsnapt zijn? Dacht je dat niemand in de gaten zou hebben dat het de Quakers zijn die het georganiseerd hebben?

Zo bedoel ik het niet...

Terwijl de hele rechtszaal vol met Quakers zit? Terwijl die nikkers afgevoerd worden in een Quaker-wagen? Ik weet dat de sheriff en zijn botteriken te stom zijn om voor de duvel te dansen, maar achterlijk zijn ze in ieder geval niet! Nee, dokter, na vanmorgen is de school

[p. 138]

als onderduikadres naar de knoppen.

Wat je ook doet, herhaalde hij, ontzie de Quakers, de kinderen.

Ze keek hem aan, toen kwam ze naar hem toe. Ze kwam zo dicht bij hem staan dat hij haar kon ruiken. Het was alsof hij de Ondergrondse Weg zelf rook: het zweet, de ongewassen vodden, de nachten in de open lucht, de onverzorgde wonden, de doodsangst. Man, zei ze, je moet niet tegen mij preken over de Quakers. Ze wilden meespelen; nou, ze hebben hun zin. Ik zal over hen gaan piekeren zodra zij het over mij doen.

Viola, je begrijpt niet...

Jij begrijpt het niet. Voor jou zijn mijn ogen zwarte spiegeltjes met je eigen smoel erin. Jouw Quakers zijn niet bezig mensen te helpen die bloeden net als jullie, voelen net als jullie, die net als jullie de dood in hun donder hebben; nee, voor hen zijn we een soort trofee, die ze naar God willen brengen zodat Hij hen op hun schouders zal kloppen en hen binnenlaten in de hemel, ook al zouden ze hun zusters hebben opgezeten of hun moeder bestolen. Maar wacht maar eens tot de hele stad hen gillend op de hielen zit met het schuim op de bek; misschien dat ze dan eindelijk beginnen te begrijpen hoe wij ons voelen.

Haar haat was zo ziek, dat hij de ogen sloot. Toen hij ze weer opende was ze verdwenen. De baan zonlicht scheen schuin tussen de bomen; ergens in het woud sloeg een merel aan.

 

***

 

Charity Woodhouse had Obadja nog nooit eerder horen pleiten; hij bleek indrukwekkender dan zij had verwacht. Tot hij het woord nam was het proces koud en formeel; toen de jonge advocaat opstond en zich tot de rechter richtte, klonk opeens de stem van de medemenselijkheid.

Vriend Ezekiel Saunders, zei Obadja, vergeef me dat ik je niet aanspreek in de geijkte termen, en mijn hoed niet afneem. Het is een van de beginselen van mijn geloof dat ik ieder medemens als gelijke tegemoet-treed en mijn hoed alleen afneem ter ere van God.

Charity voelde een plotselinge spanning onder het publiek in de rechtszaal: rijen Quaker-kinderen, mensen uit de stad, de deurwaarder die het hekje van de beklaagdenbank bewaakte, de eigenaar van de slaven apart in een bankje met naast zich een jongetje wiens hoofd nauwelijks boven de rand van de bank reikte. De negers stonden dicht op elkaar in de beklaagdenbank; de rechter in zijn toga zetelde boven hen tussen de vlaggen van Indiana en de Verenigde Staten. De man accepteerde Obadja's onconventionele aanhef zonder protest, hetgeen Charity teleurstelde. Zij had een reactie verwacht als die van Gervase Bennett toen George Fox hem aansprak als Jerry.

Maar naarmate Obadja vorderde met zijn pleidooi, begon zij haar vertrouwen in zijn overtuigingskracht te verliezen. Hij daagde de rechter uit

[p. 139]

om te reageren als mens, niet als ambtenaar, als onvervangbaar individu, niet als onpersoonlijke vertegenwoordiger van de wet. De rechter luisterde aandachtig, knikte zelfs af en toe instemmend; Charity begreep er niets van. Ik daag je uit je toga van de schouders te laten glijden, riep Obadja, je rechterstoel te verlaten en je te mengen, als broeder onder de broeders, tussen de ontsnapte slaven die hier aan je voeten staan. Zie de Mens, Ezekiel! Daar staat Hij, op het punt teruggeworpen te worden in knechtschap! Vriend! Weet, als je het vonnis velt dat beslissen zal over de toekomst van deze, uw broeders, dat je ook het vonnis over je eigen ziel zult vellen!

De rechter knikte alsof hij wilde zeggen: Uitstekend, jonge confrère; Charity begon te vermoeden dat Obadja bezig was in een val te lopen. Maar welke?

Veroorloof mij de vrijheid, Vriend Ezekiel, vervolgde Obadja, om je met Pontius Pilatus te vergelijken. Opnieuw in de geschiedenis van de Westerse mens wordt een rechter geconfronteerd met een keuze die de toekomst van die mens zal beslissen tot in lengte van dagen...

De rechter knikte alsof hij wilde zeggen: Uitstekend, jonge confrère; de spijker op de kop.

Obadja eindigde met te zeggen: Ik weet, Vriend Ezekiel, dat vanuit een zuiver juridisch standpunt mijn pleidooi ontoereikend is geweest, om niet te zeggen emotioneel. Het enige pleit dat ik bezorgen kan als vertegenwoordiger van deze, de minste uwer broeders, is het pleidooi: genade, deernis, de enige sleutels tot onze bevrijding van den boze. Ik smeek je, Ezekiel, hoor de stem Gods! Help mij! Help mij Zijn liefde werkelijkheid te maken voor deze Zijne kinderen. Ezekiel - Ezekiel, de enige die God heeft ben jij!

Obadja ging zitten. Het publiek in de rechtszaal was kennelijk onder de indruk; zij waren begaan met de negers die als koeien op de markt op elkaar gepakt in hun omheining stonden.

Nu was het de beurt van de rechter; hij begon op een rustige, terloopse manier, alsof hij onder vrienden was met wie hij over een probleem zat te debatteren. Laat ik beginnen, zei hij, met mijn jonge confrère te bedanken voor zijn pleidooi ten behoeve van deze lieden. Ik ben hem er dankbaar voor dat hij de stem heeft doen klinken van de medemenselijkheid. Niet alleen de rechtbank, maar alle aanwezigen zijn hem dank verschuldigd dat hij stem heeft gegeven aan ons persoonlijke geweten. Persoonlijk zou ik niets liever willen dan tegen mijn medeburgers in de beklaagdenbank te zeggen: “Ik geef u de vrijheid, God zij met u.” Ik voel mij derhalve geroepen om de eiser op dit ogenblik te vragen: zijt gij, Armand Delatour, bereid u aan te sluiten bij de gevoelens en de wensen van deze gemeenschap, zoals samengevat door de raadsman van de beklaagden? Wilt gij uw eis intrekken, en de beklaagden hun vrijheid schenken?

Het was een dramatisch ogenblik. De aristocratische man in de eisers-

[p. 140]

bank stond op, begroette de rechter met een buiging en zei, met een Frans accent: Edelachtbare, ook ik ben getroffen door de oprechtheid van de jonge raadsman. Maar ik sta in deze niet alleen, ik vertegenwoordig de plantagehouders in de Zuidelijke staten. Als ik aan het verzoek van uwe Edelachtbare gehoor zou geven, zou ik daarmee een precedent scheppen dat desastreuze gevolgen zou hebben, niet alleen voor mijzelf, maar voor mijn collega's, die hun plantages alleen met slavenarbeid kunnen exploiteren. Ik moet dus tot mijn spijt uw verzoek afwijzen. Maar ik berust bij voorbaat in de uitspraak van u, Edelachtbare, dienaar der wet -meer in het bijzonder de wet op de voortvluchtige slaven, uitgevaardigd door het Congres, geratificeerd door de president van de Verenigde Staten. Hij ging zitten; de bewonderende uitdrukking op het gezicht van zijn zoontje was ontroerend.

De rechter rangschikte de papieren op zijn lessenaar en zei, nog steeds op gesprekstoon: Gezien het ongewone karakter van deze zaak zal ik de eiser niet berispen dat hij het op zich heeft genomen de rechtbank aan haar plicht te herinneren. Dokter Léon Rossini heeft de lijst van bijzondere kentekens, door de heer Armand Delatour overgelegd, vergeleken met de persoon van de tien beklaagden; er kan geen twijfel aan bestaan dat, volgens de wet, genoemde Armand Delatour de rechtmatige eigenaar is van deze mensen. Op het eerste gezicht is hiermee de zaak afgedaan. Toch staan wij, als gemeenschap, tegenover een conflict. De wet is, of behoort te zijn, de uitdrukking van het nationale geweten. In de ideale staat, die wij, evenals destijds de Romeinen, in deze Verenigde Staten trachten te verwezenlijken, is er geen tegenspraak tussen de wet en het collectieve geweten van de gemeenschap. In het jaar Onzes Heren 31 was het Romeinse Rijk bezig te trachten een groot aantal verschillende rassen, stammen en geloofsovertuigingen samen te smeden tot één natie. Nooit eerder in de geschiedenis waren er, binnen de grenzen van één land, lieden van zo verschillende aard, temperament, afkomst en geloofsovertuiging verzameld geweest als in het Romeinse Rijk, en nu, in de Verenigde Staten, staan wij tegenover hetzelfde probleem. Het is een schier bovenmenselijke taak om mensen met tegenstrijdige begrippen van recht te verenigen in één natie. Om uit die veelheid een eenheid te scheppen is het essentieel dat wij ons onderwerpen aan de wetten, door de Volksvertegenwoordiging uitgevaardigd. Wanneer wij deze wetten verdedigen, verdedigen wij de toekomst van deze natie. Ik hoef er wel niet aan te herinneren dat wij, in de Noordelijke staten, de slavernij verafschuwen. Volgens ons is het een onmenselijke, onchristelijke inbreuk op de persoonlijke vrijheid van het individu. Het gevolg is dan ook dat volgens de wetten van de staat Indiana geen man ooit als het eigendom kan worden beschouwd van een andere man. Slavernij is hier volgens de wet verboden. Maar wij maken deel uit van de Verenigde Staten van Amerika. Er zijn staten in onze Unie die dit principe niet delen. Zouden wij op grond van de wetten van Indiana

[p. 141]

weigeren om met die andere staten een eenheid te vormen, dan is er geen hoop voor de Verenigde Staten of welke toekomstige menselijke gemeenschap op aarde dan ook die uit heterogene volksdelen zou bestaan. Als de mens niet kan leren om samen te leven met eerbiediging van andermans overtuiging, dan zullen onze kinderen en kindskinderen tot in lengte van dagen het slachtoffer blijven van het geweld, de verontmenselijking van de oorlog. Hij rangschikte zijn papieren, en vervolgde: Het is derhalve met persoonlijke tegenzin en met grote sympathie voor de beklaagden dat ik, als dienaar van de wet der Verenigde Staten van Amerika, vonnis wijs in deze zaak overeenkomstig Artikel 460 bis. “Alle leden van de magistratuur, alsmede alle dienaren van de wet binnen de grenzen van de Verenigde Staten, zullen, ongeacht de wetten die binnen hun Staat van kracht zijn, het eigendomsrecht over de persoon of personen van uit andere Staten ontvluchte slaven hooghouden, indien dit recht is aangetoond door brandmerk en/of onweerlegbare getuigenverklaring.” Helaas, geen juridische haarkloverij kan de strekking van deze wet weerleggen. En als wij een onrechtvaardige, immorele, onmenselijke wet als deze, want dat is hij, willen bestrijden, dan kunnen wij dit alleen doen langs politieke weg. Dan moeten wij ervoor zorgen dat onze vertegenwoordigers in het Congres stem zullen geven aan onze afschuw van de slavernij. Zou ik op dit ogenblik de wet in eigen hand nemen, dan zou ik daarmee het tere weefsel vernietigen dat deze natie samenbindt. Daarom beveel ik, Ezekiel Saunders, rechter van Baker County in de staat Indiana, de deurwaarder om aan Armand Delatour van de plantage “Rose du Matin”, Barataria County in de staat Louisiana, de volgende personen te overhandigen die op dit moment voor mij staan...

De rechter begon de namen van de ongelukkige slaven op te lezen; maar Charity luisterde niet langer. Nu het vonnis gevallen was moest zij zorgen dat ze zo spoedig mogelijk de binnenplaats van het Atheneum bereikte, waar zij verondersteld werd Lydia, Saraetta en de bibliothecaresse te helpen bij het omkleden van de negers. Zij trachtte Obadja's aandacht te trekken, maar hij zag haar niet. Hij zat terneergeslagen in zijn stoel gezakt en staarde voor zich uit.

Charity holde naar de deuren, waar zij het schoolmeisje zag staan dat aanstonds, op het bordes van het gerechtshof, met haar zakdoek zou zwaaien als teken dat de ontsnapping begonnen was. Zij zag de mannen van de sheriff naar voren lopen om de negers de boeien aan te doen en naar de gevangenis terug te voeren. Buiten stond boer Yarnalls huifkar te wachten met twee rusteloze paarden ervoor. Aan de overkant van het plein, in het smalle straatje naast het hotel, hoorde zij het loeien van de koeien van boer Brown. Zij holde het gazon over; toen zij het Atheneum bereikte hoorde zij achter zich een geluid dat haar kippevel gaf: het schelle gillen van kinderstemmen.

[p. 142]

***

 

Op het moment dat de sheriff de slaven de boeien wilde aandoen had Bruller McHair, op een teken van Meester Will, de muizen in de rechtszaal losgelaten. Himsha begon te gillen: Muizen! Muizen! De slaven zetten het op een lopen, het gangpad af naar de deuren. Zodra zij voorbij waren liet Bathsheba Tucker zich languit op de grond vallen, om de sheriff en zijn mannen de weg te versperren; drie andere meisjes voegden zich bij haar. Zij stonden op hun hoofden, gilden, trappelden met een schokkend vertoon van zwarte kousen en witte onderbroeken. Allemaal gilden ze: Muizen! Muizen! Muizen!! Alle vrouwen in de rechtszaal klommen op de banken en begonnen op hun beurt te gillen: Muizen! Muizen! Help! Help!, waarbij ze hun rokken strak om hun enkels wikkelden.

De negers holden de straat op, klommen in de wagen, boer Yarnall legde de zweep over de paarden terwijl de laatste neger nog bezig was zich naar binnen te hijsen. Nog steeds versperden de gillende, krijsende meisjes in het middenpad de sheriff en zijn mannen de weg. Een groepje slavenjagers, dat in de hal had rondgehangen, bereikte de straat het eerst. Toen zij naar hun paarden holden, die aan de tuipalen voor het gerechtsgebouw waren vastgebonden, werd hun de weg versperd door een kudde koeien die loeiend de trappen naar het bordes opkwamen met hun staarten in de lucht, opgejaagd door een keffende hond. Tegen de tijd dat zij hun paarden bereikten was de wagen uit het gezicht verdwenen. Iemand riep dat hij de Martin Straat was ingeslagen in de richting van de tolweg; zowel de sheriff en zijn mannen als de slavenjagers galoppeerden de voortvluchtige huifkar achterna.

In de hal van het gerechtsgebouw heerste een onbeschrijfelijke wanorde van koeien, mensen, gillende kinderen en, nog steeds, de keffende hond. Het duurde een kwartier voor er eindelijk orde in de chaos kwam. De kinderen werden in het gelid gezet en marcheerden naar de deuren. Boven op de gaanderijen klonk het geloei van een verdwaalde koe.

De rechtszaal was leeg, op een jongetje na met een zwarte Quaker-hoed op, dat tussen de banken rondkroop. Al deze uren had Bonny zich zorgen zitten maken over zijn muizen. Telkens weer had hij stiekem naar hen gegluurd onder de doek waarmee hij de kooi had bedekt. Bobbeltje, de dikste en de leukste van allemaal, had hem toegesnuffeld, in de hoop wat te eten te krijgen. Toen had Bruller, op bevel van Meester Will, de kooi uit zijn handen gerukt, opengemaakt en de muizen eruitgeschud. Nu kroop Bonny op handen en voeten tussen de banken, op zoek naar de diertjes. Bobbeltje! Fido! riep hij. Maar ze kwamen niet opdagen.

Opeens zag hij iets, een hoopje bloedige brij en smerig dons. Het moest Bobbeltje zijn, hij was de enige met witte sokjes. Bonny keek naar het hoopje vuil, misselijk van walging en verdriet. Toen hij zijn zakdoek erover

[p. 143]

uitspreidde, hoorde hij een kinderstem vragen: Wat doe jij daar?

Hij keek op. Aan het eind van de bankenrij stond de zoon van de slaveneigenaar. Het jongetje was zo wit als een doek; zijn wangen waren nat, alsof hij had gehuild.

Ik - ik zoek mijn muizen.

Jouw muizen?

Ja.

Heb jij die muizen losgelaten?

Bonny gaf geen antwoord. Hij wilde dat hij zijn mond gehouden had.

Die slaven hoorden van mijn vader! riep het jongetje. Hij heeft er zijn leven lang voor kromgelegen! Je bent een dief, een vuile dief, een dief, een dief! Jullie zijn allemaal dieven!

Bonny wilde uitleggen waarom ze het gedaan hadden, maar in de deuropening naar de hal riep iemand: Charles! Où es-tu alors?

Ici, papa!

Bonny trachtte zich te verschuilen, maar het had geen nut: de eigenaar van de slaven kwam het middenpad afgebeend. Hé daar, jongen! Kom jij eens hier! Mijn zoon zegt dat jij die muizen met opzet hebt losgelaten!

Opeens werd het Bonny te machtig. Hij zette het op een lopen, het gangpad af, naar buiten. Pas toen hij de hoek van het plein bereikte stond hij stil en leunde met zijn rug tegen de muur. Zijn hart bonsde in zijn keel. In de verte zag hij de kinderen terugmarcheren naar de school.

Hij holde hen achterna.

 

***

 

Het verkleden van de slaven in Quaker-jurken op het achterplaatsje van het Atheneum liep zo vlot van stapel, dat Lydia een gevoel van anticlimax had toen de verklede negers de straat opglipten om zich tussen de rijen marcherende kinderen te voegen. Toen zij achterbleef op de binnenplaats met Saraetta, de bibliothecaresse en Charity Woodhouse, voelde zij zich uitgeput. Volgens plan moesten zij een uur wachten voor zij naar de school terugkeerden.

Toen zij dat eindelijk deden bleek iedereen daar volkomen overstuur. Obadja was overvallen door slavenjagers op de terugweg van het gerechtsgebouw en had een pak slaag gekregen. Hij stond, versuft, in de hal, met een drom kinderen om zich heen; bloed stroomde uit zijn haren in zijn ogen.

Zodra Charity hem zag, vloog zij op hem af, sloot hem in haar armen, kuste hem, niettegenstaande de kinderen die stonden te kijken, en leidde hem naar de bank in de hoek van de hal. Maar toen zij wilde dat hij ging liggen spartelde hij tegen. Er was niets met hem aan de hand, zei hij, helemaal niets, alleen een paar schrammetjes; maar hij zag eruit of hij op het punt stond flauw te vallen. Saraetta bracht een kom water en een was-

[p. 144]

handje; toen Charity voorzichtig zijn gezicht bette, kreunde hij en zei: De negers moeten vanavond de deur uit, we moeten - au - we moeten een Vergadering - au, au...

Charity stond erop dat hij naar bed zou gaan, maar er was geen land met hem te bezeilen, hij moest en zou deelnemen aan de bespreking in Abners werkkamer. De sheriff en de slavenjagers speelden nu onder één hoedje; alle wegen die toegang gaven tot de stad waren afgezet, iedere huifkar, iedere boerenwagen die de stad verliet werd aangehouden en doorzocht. Hoe konden ze de negers doorsturen zonder op een controlepost te stuiten?

Kleine Will stelde voor dat ze de huifkar met de negers naar de brug over de bouwput van de sluis zouden rijden; het was wel geen echte brug, eerder een tijdelijke steiger, maar als hij sterk genoeg was om een zandkar met een span ossen te dragen, dan was hij toch zeker stevig genoeg voor een huifkar met twee paarden. Van de brug zouden ze dan via het laantje langs het meer naar het Indianenspoor kunnen rijden; van daaruit was het nog maar een paar mijl naar de straatweg, ver voorbij iedere controlepost.

Zij besloten het er die avond op te wagen, in de schemering, zodra de Ierse zandhazen die in de sluisput werkten afgezwaaid zouden zijn en zich teruggetrokken hadden in hun hutten, vanwege de muggen. Als ze de hoeven van de paarden met zakken omwikkelden was er kans dat niemand de wagen op zou merken bij het oversteken van de brug. Wel moest er van tevoren iemand op de uitkijk gaan staan bij de ingang van het weggetje dat naar de bouwput leidde en ook aan de oever van het kanaal, met een uitzicht op de brug. Er werd afgesproken dat Uria de uitkijkpost zou betrekken aan de ingang van het laantje; Abner stelde voor dat hijzelf aan de oever van het kanaal post zou vatten. Maar Obadja stond erop dat hij dat zou doen, omdat Abners aanwezigheid op de school nodig was, er kon ieder ogenblik een huiszoeking komen. Hij was ten slotte geen invalide, hij had een klap op zijn hersens gehad, maar verder mankeerde hem niets, en uiteindelijk hoefde hij alleen maar aan de rand van het bos in het gras te gaan zitten om de brug in de gaten te houden.

Charity protesteerde heftig. Stel je voor! Hoe denk je dat je erbij zou zitten, op je eentje aan de oever van dat kanaal, met dat verband om je hoofd? Je kunt net zo goed een raamadvertentie zetten!

Ach, hou - ik bedoel - ik moet dit doen, ik wil dit doen! Schei uit, laat me met rust!

Goed, in dat geval gaan we samen.

Wat zou dat nou voor verschil maken? Als ik op mijn eentje al opval...

Met z'n tweeën is het tenminste natuurlijk. We gaan een beetje zitten ... nou ja... Ze werd zich bewust van de anderen. We gaan er gewoon bij zitten als een paartje dat even aan het uitrusten is aan de rand van het water.

[p. 145]

Er is nog geen water! Het is gewoon een greppel, zo droog als kurk, en het wemelt er van de muggen!

Goed, goed, zei ze sussend. Ga nu eerst maar eens een uurtje liggen. Je staat gewoon te zwaaien op je benen.

Hij trachtte haar af te schudden met mannelijk dédain, maar het lukte hem niet. Met knikkende knieën liet hij zich naar bed brengen en plofte erop neer, zo wit als een doek. Charity bleef naast hem zitten, zijn voorhoofd bettend, tot hij gromde: Hoor eens even, je moet besluiten wat je wilt! Als je wilt dat ik ga dutten moet je me niet iedere keer met een natte doek wakker maken.

Zij kuste hem.

 

De nacht begon te vallen toen zij vertrokken. De banjokikkers in het oeverriet van het meer maakten een kabaal van jewelste; hun gekwaak vulde de nacht met een kolossaal getokkel. Het was drukkend warm; een dunne maansikkel hing boven het mistige meer. Zoals Jesse voorzien had waren er geen Ieren te bekennen vanwege de muggen; toen Charity en Obadja de droge groeve van het kanaal bereikten, zwermden de muskieten in een dichte wolk om hen heen. Lydia had erop gestaan dat zij hun handen en gezichten met citroen-olie insmeerden voor zij eropuit gingen, nu was Charity er blij om. Toen zij de brug bereikten begon ergens een hondje te keffen, maar niemand kwam uit de hutten te voorschijn. Het was windstil, geen zuchtje bewoog de bladeren van de bomen. In het oerbos begon een geitenmelker zijn getjuik van drie noten, eindeloos herhaald; toen zij verder liepen werd het getokkel van de banjokikkers overstemd door het gezoem van de muggen.

Zij gingen aan de voet van een boom zitten, zo ver mogelijk van de brug verwijderd zonder die uit het gezicht te verliezen. Charity had zich voorgenomen niet te gaan zitten babbelen, zij wilde Obadja's aandacht niet afleiden. Zij ging op haar rug liggen en keek omhoog naar de diepblauwe hemel, waar de eerste sterren begonnen te flonkeren. Zij richtte haar vraag meer tot de hemel dan tot hem: Denk je dat we ooit zullen trouwen?

Obadja antwoordde, laconiek: Je zegt maar wanneer.

Ze keek naar zijn silhouet in het donker. Maar hoe moet dat dan met je carrière?

Ik interesseer me niet zo bar meer voor de advocatuur, zeker niet na vandaag. Stelt je dat teleur?

Mij? Het kan mij niet schelen, zolang we maar samen zijn. Ze was echt niet van plan geweest zijn aandacht af te leiden, maar ineens boog hij zich over haar heen.

Niet doen! fluisterde ze. Je moet op de brug letten...

Ik hou van je... Ze voelde zijn adem op haar gezicht.

[p. 146]

Obadja ... nee! Niet doen! Niet...

Liefste...

 

***

 

Vanuit zijn schuilhoek aan de overkant van het kanaal zag Uria Obadja boven op haar rollen en zijn hart bonsde in zijn keel. Ritselend kroop hij dichterbij door het struikgewas en vervloekte het zweet dat van zijn voorhoofd in zijn ogen liep. Hij wist dat er nu niemand meer de brug in de gaten hield, dat ieder ogenblik de wagen kon komen opdagen, maar de wellust was sterker dan hij. Niemand op school wist van zijn heimelijke zonde af; iedereen vond het heel gewoon dat hij, zodra het draaglijk weer werd, lange wandelingen ging maken in de schemering. Niemand wist dat de duivel hem ertoe dreef om naar vrijende paartjes te loeren.

Toen hij Obadja en Charity zich had zien neervlijen in het gras kon hij er niets meer aan doen, hij moest hen gaan besluipen, met zijn hart in de keel, het zweet in zijn ogen, tot hij niet dichterbij durfde te komen. Het was donker, hij kon eigenlijk niet veel zien. Daar lag hij, op zijn gortpens in de mieren, omzwermd door muggen, met stekende ogen, badend in zijn zweet, hijgend te loeren.

Hij zag de drie ruiters niet die de brug vanaf de straatweg naderden. Hij zag de huifkar niet die door het kerkhof aangewaggeld kwam en het hek passeerde. Opeens klonk er een hartverlammende schreeuw: Stop! Een zweep knalde, toen daverden wielen over de rammelende planken van de brug.

Uria staarde met open mond naar de ruiters die met losse teugel achter de verdwijnende huifkar aangaloppeerden. Hij hoorde het geroffel van hun hoeven toen zij de brug opreden; toen, met een verblindende flits en een oorverdovende ontploffing, vloog de brug in de lucht.

 

***

 

Dokter Rossini kwam twintig minuten later aan. Bij het naderen zag hij rosse rookwolken opstijgen uit de sluis. Een oranje gloed zette de menigte aan de rand van de bouwput in een spookachtig licht. Een van de mannen van de sheriff baande een weg voor de dokter door de dicht opeengepakte mensenmassa; Rossini hoorde gekerm en gegil in de diepte, het knallen van geweerschoten. Toen hij de rand bereikte en omlaagkeek zag hij, bij het schijnsel van walmende toortsen, een drietal paarden te midden van een stapel wrakhout liggen. Zij hadden alle één of meer benen gebroken, waarmee zij jammerlijk zwaaiden; bij één van hen stak het bot door de huid. Zij krijsten met akelige, bijna menselijke stemmen, toen klonk er weer een geweerschot en een van de paarden werd stil. Naast de stapel wrakhout lagen twee lichamen met een groepje werklui eromheen. De

[p. 147]

enige die het afgrijselijke gekrijs van de paarden overstemde was een man, die vloekte in het Iers. Een dikke vrouw onder de menigte schreeuwde: Hou je toch koest, Jim O'Grady! De mannenstem brulde terug: Ja, moeder! Ja, ja!

Rossini klom omlaag in de bouwput. De sheriff wachtte hem op aan de voet van de ladder en bracht hem naar de gewonden; toen hij naast een van de roerloze lichamen knielde was de wilde Ierse stem nog steeds aan het tieren. Het slachtoffer had een diepe hoofdwond, zijn benen lagen onnatuurlijk geknakt, zij moesten gebroken zijn. Rossini knipte het hemd van de man open en ontdekte een gecompliceerde schouderbreuk die de long geperforeerd moest hebben. Opeens, terwijl hij met hem bezig was, gaf de arme drommel de geest.

De andere gewonde zag er op het eerste gezicht minder ernstig uit, maar bleek zijn rug gebroken te hebben. Toen sleepte men een derde slachtoffer van onder het wrakhout te voorschijn, dood. Rossini vroeg: Wat is er in vredesnaam gebeurd?

Terwijl de jongens midden op de brug waren, werd hij opgeblazen, antwoordde de sheriff. Zij zaten de wagen van de Quakers achterna.

Wie zijn deze mensen? Horen ze bij jou?

Nee, het zijn slavenjagers; maar het zijn menselijke wezens! Die Quakers en hun schijnheilige smoelen! Moordenaars zijn het!

De vloekende Ier deed ook zijn duit in het zakje. Struikelend over zijn woorden brulde hij over buskruit dat al wekenlang uit de loods gestolen was. Terwijl Rossini zich bezighield met de gewonden, hoorde hij de sheriff aan de Ier vragen of hij ooit Quakers in de buurt van die loods had waargenomen. De Ier antwoordde: Ik niet, maar een van mijn werklui zegt dat hij er een negerin met een smoel vol littekens heeft zien rondhangen.

Opeens kreunde de man met de gebroken rug: Ik heb haar gezien...

Rossini vroeg: Wanneer?

De sheriff kwam erbij en zei: Laat dat aan mij over, dok. Vertel eens, buurman, wie heb je gezien? Kan je haar beschrijven? Hij wenkte om een toorts; het oranje licht bescheen het gezicht van de gewonde.

Rossini zei: Kalm aan, kalm aan. Beweeg je niet. Alles komt goed. Hij legde zijn hand op het voorhoofd van de man.

Ik heb het koud... zei de man klappertandend.

Rossini keek naar de sheriff en schudde zijn hoofd.

De sheriff herhaalde, dringend: Kom, buurman, wie heb je daar gezien? Een negerin?

Ja...

Wáár? Op de brug?

Takkebossen... fluisterde de man. Ze gooiden takkebossen...

Wie?

Er kwam geen antwoord. De man was dood.

[p. 148]

Rossini stond op. Hoeveel gewonden waren er?

Deze drie. We hebben ook maar drie paarden gevonden.

Maar hoe kwam het dat zíj die wagen achternazaten?

O, we wisten dat die op komst was, zei de sheriff.

Wat zeg je me nou? De vraag was eruit voor hij het wist.

De sheriff keek hem onderzoekend aan. Hoe dat zo? Wist u het ook, soms?

Waarom zou ik?

Negerin of geen negerin, ik ga die school van de kelder tot de zolder doorzoeken, zei de sheriff. Wat wedden we dat ik daar nog meer bommen vind? Hij wachtte het antwoord niet af en liep weg.

Rossini wist dat hij zo gauw mogelijk de school moest zien te bereiken, maar het duurde een uur voor hij eindelijk de leidsels van zijn paard vastmaakte aan een tuipaal voor het gebouw en zich naar binnen haastte.

Toen hij de kamer van het schoolhoofd binnenkwam, was Jesse aan het woord. De slaven zijn ondergebracht in de hooiberg van de Browns. Ha, dok. Enig idee wat de sheriff te weten is gekomen?

Hij heeft zich alleen laten ontvallen dat hij de school van zolder tot kelder wil doorzoeken. Dus als jullie ergens bommen verstopt hebben...

Natuurlijk niet! riep Abner verontwaardigd uit. Zo iets zou ik toch nooit toestaan? Dat weet je toch? Het is tegen onze beginselen!

Dat kan zijn, zei Rossini, maar ik zou me toch maar voorbereiden op een huiszoeking. Er werd nog eindeloos heen en weer geteut; het was een opluchting toen Rossini eindelijk de benen kon nemen.

Jesse volgde hem de gang in. Dok, ga mee naar de Higginsen, fluisterde hij, nadat de deur dicht was, want daar is ze.

Wie?

Viola. Ze is gewond. Ze heeft het huisje van de Higginsen net kunnen halen, ik begrijp niet hoe ze het hem geleverd heeft. Je moet haar helpen...

Jesse ging hem voor, de donkere tuin in, waar hij de weg wist te vinden met de zekerheid van een kat. Zij glipten het tuinmanshuisje binnen. Penny Higgins lichtte hen bij met een olielamp en bracht hen naar een bedstee aan het andere eind van de keuken. Daar lag Viola, ijlend. Rossini nam het bloeddoordrenkte laken weg dat over haar benen was uitgespreid en ontdekte dat zij beide voeten en een gedeelte van het rechteronderbeen had verloren. Er moest onmiddellijk operatief worden ingegrepen; hij kon er onmogelijk aan beginnen bij het licht van een olielamp in een bedstee. Toch moest er onmiddellijk iets gedaan worden, daarom zei hij: Laten we haar op de keukentafel leggen.

 

Tegen zonsopgang stond Rossini weer in de moestuin met Jesse. Hij was uitgeput en terneergeslagen. Zij liepen een eindweegs in stilte.

[p. 149]

Dok, mag ik je wat vragen? Het gaat over mezelf.

Zeker.

Toen wij Rode Lily begroeven zei je dat ze zelfmoord gepleegd had omdat ze een ongeneeslijke ziekte had die besmettelijk was...

Wat heeft dat met jou te maken?

Nou - ik ben - ik ben met haar naar bed geweest de nacht voordat ze stierf. Betekent dat nou ... ik bedoel ... heb ik het nou óók? Die ziekte van haar?

Dat zou ik onmogelijk kunnen zeggen.

Zou je mij - zou je mij eens willen onderzoeken, dok?

Kom morgen maar bij me, op het spreekuur, zei Rossini vermoeid. Ik ben tot een uur of twaalf thuis.

Zij namen afscheid op het voorplein. Toen Rossini met zijn sjeesje de oprijlaan afreed had hij een gevoel van droefenis. Het was alsof er een donkere schaduw rustte op de school waarvan hij zoveel hield.

terug  begin  verder