Wie had hen verraden? De vraag had Abner geobsedeerd vanaf het ogenblik dat dokter Rossini hem vertelde over de sheriff die geweten had dat de slaven zouden ontsnappen. Er moest een Judas onder zijn familie schuilen, onder de mensen die hij zijn leven lang had vertrouwd.
Argwaan vergiftigde zijn verhouding met de anderen. Nu hij niet langer zeker kon zijn van de mensen die hem het naast aan het hart lagen, kreeg hij de opwelling om er het bijltje bij neer te leggen. Want bij iedereen die hij die dag ontmoette dacht hij: Is hij het?
Des morgens kwam Jesse tersluiks zijn studeerkamer binnen en fluisterde: Weet je dat Viola bij Penny en Adam is?
Abner trachtte de schelmse blauwe ogen te doorgronden. Kon hij het zijn? Nee, de Ondergrondse Weg was het belangrijkste in Jesses leven, het laatste dat hij in gevaar zou brengen. Sinds wanneer?
Sinds vannacht. Ze had geen voeten meer, maar ze heeft zich toch van de brug naar de Higginsen weten te slepen. Dokter Rossini heeft haar vannacht op de keukentafel geopereerd, nu ligt ze in hun bedstee, met een koorts van heb ik jou daar. Wat moeten we beginnen? De sheriff en zijn jongens zijn al hier ... Kijk maar op het plein.
Abner liep naar het raam. Aan de voet van het standbeeld van Becky Baker stonden een half dozijn paarden aan het hek gebonden; een aantal mannen in sheriff-uniformen stond met elkaar te praten.
Ben je van plan hun te vertellen over Viola?
Ik weet het nog niet, ik wacht maar tot ik Leiding krijg. Laat de sheriff maar binnen.
Leiding! schamperde Jesse, maar hij gehoorzaamde.
Abner was verrast toen niet de sheriff, maar Harlan Tucker binnenkwam. De voorzitter van het schoolbestuur zag er somber uit, alsof hij zijn condoléances kwam aanbieden. Hij werd gevolgd door de sheriff, die zijn hoed afnam en daarmee een tweekleurig hoofd ontblootte, spierwit boven de hoedband, paars eronder.
Goedemorgen, Abner Best, zei Harlan Tucker. Je kent Joshua Standing, neem ik aan?
Natuurlijk, antwoordde Abner. Goedemorgen, Joshua Standing. Hij wachtte zich er wel voor om de titel sheriff te gebruiken. Harlan Tucker was een muggezifter waar het de beginselen betrof.
De twee mannen gingen voor zijn bureau zitten. Wat kan ik voor jullie
doen? vroeg hij vormelijk.
Joshua Standing heeft een officiële vergunning om de school te doorzoeken, zei Harlan Tucker. Voor hij dat doet wil ik je een vraag stellen, in zijn tegenwoordigheid. Zijn er naar jouw weten ergens in deze school explosieve stoffen verstopt?
Niet naar mijn weten.
Was jij betrokken bij het opblazen van de brug, gisteravond?
Nee.
Goed. Joshua Standing, doe je plicht.
Niettegenstaande het feit dat hij met pistolen behangen was, zag de sheriff er onzeker uit. Hoor eens, zei hij, op vergoelijkende toon, ik hoef jullie mensen wel niet te vertellen dat ik dit niet voor mijn plezier doe. Ik heb altijd een bijzondere hoogachting voor de Quakers gehad...
Jaja, dat weten we, zei Harlan Tucker. Nu is het ogenblik gekomen om die hoogachting in daden om te zetten.
Het scheen de sheriff iets van zijn zelfverzekerdheid terug te geven. Hoor eens even, laten we mekaar goed begrijpen. Ik ben niet van plan om jullie Quakers vóór te trekken. Ik ben bezig met het onderzoek van een driedubbele moord...
Om te beginnen heb je een officiële toestemming om de school te doorzoeken, zei Harlan Tucker. Dan zou ik daar maar eens mee beginnen.
De sheriff begon kwaad te worden en Abner vroeg zich af waarom Harlan het nodig oordeelde de man op stang te jagen.
Zoals u wilt. Meneer Best, laten we met u beginnen. Heeft u order gegeven die muizen los te laten, gisteren, in de rechtszaal?
Abner hoopte dat het niet aan zijn gezicht te zien was hoe de moed hem in de schoenen zonk. Gelukkig nam Harlan Tucker het voor hem op.
Wat bedoel je daarmee, Joshua Standing? Order gegeven?
De sheriff keek van de een naar de ander, met een grimmige blik. O, zei hij, dus nu krijgen we dát. Ik zal jullie dan maar aan de rechter overlaten.
Wat bedoel je, Vriend?
Dat hoef ik jou niet te vertellen, antwoordde de sheriff nukkig. Ik heb zestien jaar lang met jullie Quakers te maken gehad, en wat mij betreft ondervraag ik liever een paardendief.
Het wil mij voorkomen, Joshua Standing, dat je ons daarvoor een verklaring schuldig bent. Harlan Tucker zag er tevreden uit, alsof hij een doel had bereikt.
Worden jullie mensen niet verondersteld te allen tijde de waarheid te spreken, en niets dan de waarheid?
Inderdaad.
Waarom beantwoorden jullie dan iedere vraag met een wedervraag? Op deze manier wordt het een naald in een hooiberg zoeken.
Joshua Standing, zei Harlan Tucker, waarom doe je je plicht niet, in plaats van over hooibergen te raaskallen?
De sheriff richtte zich tot Abner. Heb je een kooi muizen in de rechtszaal losgelaten of niet?
Dat heb ik niet, antwoordde Abner opgelucht.
Denk goed na, zei de sheriff met opgeheven vinger. De eigenaar van die slaven staat op het punt jullie aan te klagen en de rechter is zo kwaad als een natte kat. Denk goed na voor je mij antwoordt!
Vriend Joshua, gromde Harlan Tucker, je hebt Abner Best een vraag gesteld en hij heeft die rechtuit beantwoord. Daar zou ik het maar bij laten.
Weer keek de sheriff van de een naar de ander, toen haalde hij de schouders op en zei: Zoals je wilt. Maar het zou jullie geen kwaad doen te beseffen wie in deze stad op jullie hand zijn. Toen daar niet op werd gereageerd, vervolgde hij: De wagen die de slavenjagers achternazaten, hoorde die van deze school?
Nee.
De sheriff zuchtte en stond op. We zullen de school dan maar eens gaan doorzoeken. Wil een van de heren met mij meegaan?
Dat is niet nodig, Joshua Standing, antwoordde Harlan. Wij vertrouwen je. Zonder verder nog iets te zeggen verliet de sheriff het vertrek.
Nauwelijks was hij verdwenen of de oude man nam Abner op de korrel. Abner Best, zei hij onheilspellend, wie heeft die muizen losgelaten in de rechtszaal?
Een van de leerlingen.
Harlan Tucker schudde somber het hoofd. Heb je de school betrokken bij een illegale organisatie, zonder daarvoor toestemming te hebben verkregen van de Vergadering?
Abner aarzelde. Is dit een officiële ondervraging, Harlan Tucker?
De ogen van de man tegenover hem werden er niet vriendelijker op. Abner Best, zei hij, je bent een dwaas. Het kan geen nieuws voor je zijn dat de manier waarop jij en je zuster deze school leiden, niet de goedkeuring wegdraagt van het volledige bestuur. Een verstandig man zou aangevoeld hebben dat er op de komende Jaarvergadering moeilijkheden dreigen waar het zijn beleid betreft. In plaats daarvan heb je je ingelaten met de Ondergrondse Weg en de school betrokken bij een driedubbele moord. Je verwacht toch niet dat ik je tegenover de Jaarvergadering zal beschermen, zoals ik je tegenover de sheriff beschermd heb?
Dat begrijp ik, zei Abner met kippevel op zijn armen.
Mijn advies aan de Jaarvergadering zal zijn dat jij en je zuster en de rest van de leerkrachten die medeplichtig zijn geweest aan deze illegale actie, ontslagen worden.
Het was een dramatisch ogenblik; toch voelde Abner niets. Wanneer wordt dit ontslag van kracht?
Als het aan mij lag op staande voet. Helaas heeft het schoolbestuur niet de bevoegdheid om dit op zijn eigen houtje te doen, zonder een notule van de Jaarvergadering; dus de eerstkomende maanden ben ik machteloos. Het gezicht van de oude man bleef zonder uitdrukking. Hij vervolgde: De Jaarvergadering vindt pas eind september plaats, maar mijn advies staat vast, daar valt niet meer aan te tornen. Goed gedrag zou je niet meer helpen. Hij stond op, leunde met zijn vuisten op het bureau, en gromde: Slecht gedrag kan je straf niet meer verzwaren. Hij liep naar de deur en Het zichzelf uit.
Abner ging, diep in gedachten, naar het raam. Wat de man hem kennelijk aan zijn verstand had willen brengen was dat hij drie maanden lang naar hartelust negers kon blijven helpen. Hij kon de verantwoordelijkheid voor het besluit om door te gaan niet alleen dragen. Hij voelde de kinderlijke aandrang om zwak en laf te zijn, om iemand anders de kastanjes uit het vuur te laten halen. Er werd geklopt.
Binnen!
Het was Uria, in alle staten. Zodra hij de dikke, zwetende lafbek zag, dacht Abner: zou dit de verrader zijn, deze bange, lillende pudding? Het leek onmogelik. Hij sloot de ogen en vroeg: Wat is er nu weer aan de hand?
Uria wrong de handen en hijgde: Het is mijn schuld! Ik ben van mijn post weggelopen! Het is allemaal mijn schuld! Ik heb het op mijn geweten!
Het feit dat hij uitsluitend met zichzelf bezig was, maakte Abner woedend. Aangenomen dat het allemaal jouw schuld is, wat wil je dat ik eraan doe? Je straf geven, soms?
Het dikke hoofd met de kwabbende wangen knikte, hartstochtelijk. O, alsjeblieft, alsjeblieft, Abner! Ik kan het niet langer verdragen! Alsjeblieft, Abner, straf me, straf me! Wil iemand me alsjeblieft bestraffen? Hij bedekte zijn gezicht met de handen.
Het liefst had Abner de lammeling bij de schouders gepakt en de deur uitgeduwd. Vriend, zei hij, niemand kan je van je schuld verlossen door je te straffen, dat kun je alleen zelf doen. Wees een kerel, ga naar je kamer en bid God om vergeving.
O, maar Hij vergeeft me niet. Hij vergeeft me niet! Ik heb het geprobeerd, ik heb de hele nacht gebeden, maar Hij vergeeft me niet, Hij doet het niet, Abner!
Het werd Abner te machtig. Hij had hem zelf horen snurken toen hij door de gangen van de school gedwaald had, in het holst van de nacht, omdat hij de slaap niet kon vatten. Er werd opnieuw geklopt; Obadja stak zijn hoofd om de hoek van de deur, mompelde: O, neem me niet kwalijk, en verdween weer.
Abner zuchtte. Goed dan, Uria. Ga naar je kamer en blijf daar tot ik een passende straf voor je heb kunnen bedenken. Je mag met niemand praten, je mag je niet vertonen voor ik je heb laten weten wat ik besloten
heb. Maak dat je wegkomt!
O ja, ja, Abner, dank je, dank je... Uria ging zo haastig naar de deur dat hij een stoel omverwierp, die hij weer overeind zette met een zwijgende smeekbede om vergiffenis. Toen strompelde hij de kamer uit, de deur achter zich openlatend.
Obadja en Charity, die buiten stonden te wachten, kwamen binnen. De ogen van het meisje waren gezwollen van tranen. Zij ging op een van de stoelen zitten; Obadja zei: Het spijt me, dat we zo binnen komen stormen, Abner, maar wij zijn gekomen om je te vertellen dat wij naar Philadelphia willen terugkeren, zo spoedig mogelijk.
O, dat spijt me, zei Abner. Maar ik kan het me indenken, moet ik zeggen. Na de Jaarvergadering is er voor geen van ons plaats meer op deze school. Er is een goede kans dat hij definitief gesloten wordt.
Wij vinden dat je de ware reden voor ons besluit moet weten, zei Obadja. Het heeft niets met de school te maken. Wij vertrekken omdat wij ons verantwoordelijk achten voor wat er gisteravond gebeurd is.
Abner keek het tweetal verbaasd aan.
Ik ben de schuld! riep het meisje; haar stem deed aan die van Uria denken, ze klonk net zo egocentrisch. Ik, ik heb het gedaan!
Hè, stil nou, Charity, zei Obadja.
Ik ben de schuld dat Obadja niet op de brug gelet heeft! Hij zou die mensen gezien hebben als - als ik hem niet - als ik er niet op gestaan had met hem mee te gaan! Zij snikte het uit. Ik heb hem verleid! riep zij. Hij heeft - het is mijn schuld! Hij heeft - hij heeft...
Charity, alsjeblieft!
O, God zal ons straffen, snikte zij. Drie mensen zijn dood omdat ik je verleid heb...
En nou is het genoeg! riep Obadja. Vooruit! Ik breng je naar bed!
Ik wil niet naar bed, ik -
Maar hij trok haar overeind en duwde haar de kamer uit. Voor hij echter de deur had kunnen sluiten, glipte kleine Will naar binnen, die wachtte totdat de deur gesloten was voor hij naar het bureau liep en fluisterde, met zijn gerimpelde kindergezichtje dicht bij Abner: Viola is weg!
Jesse zei dat ze geen voeten meer had!
Niemand begrijpt er iets van. Penny en Adam hebben er niets mee te maken, dat weet ik zeker. Ze heeft het helemaal alleen gedaan. Maar wat doen we nou? Wachten tot de sheriff en zijn mensen weg zijn voor we haar gaan zoeken? Ze kan niet ver zijn...
Het was de eerste keer dat kleine Will de verantwoordelijkheid voor een beslissing van zich afschoof. Abners gevoel van eenzaamheid werd dieper. Hij wilde dat hij ook iemand had om zijn zonden aan op te biechten, of om straf te vragen, of een besluit uit handen te geven. We gaan haar niet zoeken, zei hij. Het is haar eigen keuze. Laat haar sterven zoals
ze geleefd heeft, in vrijheid.
Goed, zei Will opgelucht, als dat je besluit is, basta. Ik... Hij wilde nog meer zeggen, maar de deur werd geopend en Saraetta kwam binnen, met verwilderd starende ogen. Will wierp één blik op haar en maakte dat hij wegkwam. Abner zette zich schrap; hij wist wat er komen ging.
Zij ging op de rand van een stoel zitten, vouwde haar handen in de schoot en vroeg, met gemaakte kalmte: En, Abner? Heb je genoeg gezien? Was dit voldoende voor je?
Waar heb je het over, liefje?
Drie doden, is dat genoeg? Zo niet, hoeveel méér moeten er sterven voor jij inziet dat je in zonde leeft?
Het was duidelijk dat zij aan het eind van haar krachten was. Zij zat daar zo eenzaam in haar waanvoorstelling, dat hij om het bureau heenliep, naast haar knielde, zijn armen om haar smalle middel legde en zei: Sara, liefste, geloof in me. Ik heb je nodig. Alsjeblieft, alsjeblieft, ik heb je nodig.
Zij deinsde terug. Dat mag je niet zeggen, fluisterde ze. Ik ben het niet waardig, ik ben het niet waardig...
Ik weet dat je wilt dat ik mij overgeef aan Jezus en - en al mijn vertrouwen in Hem stel... dat zal ik ook doen, liefste, dat zal ik ... Maar ik heb je nodig! Wat ik méér nodig heb dan wat dan ook, is dat jij in me gelooft.
Zij trachtte zich van hem los te maken en bonsde met haar hoofd tegen de rugleuning van de stoel. Zij keek wanhopig om zich heen, alsof zij wilde ontsnappen, toen sloot ze haar ogen en haar lippen bewogen alsof zij zat te bidden. Hij boog zich voorover en kuste haar gevouwen handen.
Zij gaf een onderdrukte kreet, trok haar handen weg, bedekte haar gezicht en barstte in snikken uit. Hij wist niet meer waar hij het zoeken moest, de eenzaamheid werd ondraaglijk. Toen snikte zij: Ik heb het gedaan, ik heb het gedaan ... Ik heb het hem allemaal verteld!
Aan wie?
Aan Mordechai Monk! Ik - ik heb hem brieven geschreven...
Hij besefte dat hij haar te hulp moest komen, maar hij kon het niet van zichzelf gedaan krijgen. Zíj had hen verraden.
Hij sloot zijn ogen en bad om kracht, om wijsheid, begrip, deernis, maar zijn gebed werd niet verhoord.
O Abner, Abner! jammerde zij. Het was voor het eerst na Vestals dood dat zij zijn naam geroepen had, dat zij hem om hulp riep. Haar kreet was die van een drenkeling, zij stond op het punt te verdrinken in de oceaan van duisternis en dood.
Hij zou nu naar haar toe moeten gaan, haar in zijn armen nemen, haar vergiffenis schenken - op dit ogenblik had God niemand anders dan hem om Zijn liefde en Zijn deernis aan haar deelachtig te doen worden. Maar hij kon het niet van zichzelf gedaan krijgen. Hij bleef strak voor zich uit staren, naar het voorplein, de paarden van de sheriff. Het was niet zij, die
bezig was te verdrinken in de oneindige oceaan van dood en duisternis, het was hijzelf.
Terwijl hij daar stond, met achter zich het wilde snikken van de wanhopige vrouw die hen had verraden, wist hij: het is afgelopen. God heeft Zijn hand teruggetrokken van onze schouder. Wij hebben gezondigd, en in zonde zullen wij ondergaan.
***
Alle kinderen kregen order in de slaapzalen te blijven terwijl de huiszoeking gaande was, maar Bonifacius Baker werd door Meester Will naar het schuurtje gestuurd om de kooi van de muizen te verwijderen voor de mannen van de sheriff die zouden vinden.
Het was een prachtige morgen, de hemel schoon en blauw, de moestuin vol vogelzang. Bonny kon de mannen van de sheriff horen rommelen in de wagenloods, in de bijkeuken en op het binnenplaatsje achter de school. Hij opende de deur van het schuurtje voorzichtig en glipte de duisternis in. Het rook er naar teelaarde en naar de uitwerpselen van de vogels en vleermuizen die onder de binten nestelden. Het duurde even voor zijn ogen aan het donker gewend waren. Toen zag hij de kooi onder de werkbank. Het deurtje stond open, het waterbakje was nog half vol en op het gebarsten schoteltje lagen nog wat graankorrels. Iedere keer dat hij voor die kooi geknield had om de muizen te voeren, had hij geweten dat wat zij van plan waren te doen zondig was. Als God liefde was, dan kon het Zijn wil niet zijn dat die muizen vertrapt zouden worden. Maar wat had hij moeten doen? Weigeren mee te werken? Ze loslaten voor het zover was?
Als iemand iets verkeerds deed, maar niet wist dat het verkeerd was, kon hem niets verweten worden. Maar hij had geweten dat het verkeerd was en toch had hij meegedaan. Slaven houden was ook verkeerd, maar wist de eigenaar dat? Eén ding was duidelijk, het kon de man nooit aan zijn verstand gebracht worden dat slaven houden verkeerd was door hem zelf iets verkeerds aan te doen. Wat konden ze doen om het goed te maken? De slaven teruggeven? Die waren in geen velden of wegen meer te bekennen. Hem andere slaven in de plaats geven? Onzin. Geld? Waar moest hij dat vandaan halen? Maar wat anders? Wat kon hij de man geven om het goed te maken? Opeens was het alsof een stem in zijn gedachten zei: Jezelf.
Van de schrik zei hij hardop: Wat is dat nou?
Jezelf.
Hemzelf? Wat was dat voor onzin? Grootvader Baker had alles wat hij bezat opgeofferd om zijn slaven de vrijheid te schenken, maar wat bezat hij zelf? Alleen hemzelf. Was dat de bedoeling? Zichzelf aan die eigenaar aanbieden als slaaf, in ruil voor die andere?
Het leek een dwaze gedachte. Toch wist hij, met een zekerheid die alle
verstand te boven ging, dat God dit van hem verlangde. Het koude zweet brak hem uit. Zichzelf uitleveren als slaaf, voor de rest van zijn leven? Het was onmogelijk. Hij, Bonny Baker, de kleinste van de klas, met vijf onvoldoendes op zijn rapport en maar één tien, voor gedrag? De man zou hem alleen maar uitlachen! Het was waanzin. Hij kon nauwelijks een melkbus van zijn plaats krijgen, daar moest hij de meisjes bij halen...
Een ruwe stem schrikte hem op. Wat voer jij daar uit, jongetje?
Hij sprong op. In de deuropening stond een van de mannen van de sheriff met een geweer in de hand.
O, ik - eh - ik was zo'n beetje aan het rondhannesen...
Naar de school, onmiddellijk! Wist je niet dat alle kinderen in de slaapzalen moeten blijven terwijl wij bezig zijn een huiszoeking te doen? Vooruit!
Hij roetste langs de man de deur uit en holde in de richting van de school langs het paadje tussen de sperziebonen. Hij zag kans om onopgemerkt de slaapzaal binnen te glippen, voegde zich bij de jongens die uit de ramen stonden te kijken, maar er was eigenlijk niets te zien en hij ging op bed liggen. Het idee om zichzelf aan te bieden als slaaf was volslagen dwaasheid, toch wist hij dat God dit van hem wilde. Hij durfde het niet aan Bruller te vertellen; die zou er alleen maar om lachen, er was zelfs kans dat hij zou roepen: Hé jongens, Bonny gaat zichzelf verpatsen als slaaf!
Een tijdje later werden zij naar beneden geroepen, de huiszoeking was achter de rug. De jongens verdrongen elkaar in de deuropening en op de overloop, daar botsten ze tegen de meisjes op. Bonny kreeg Himsha in de gaten. Zou hij het haar vertellen? Zij was de enige die het misschien zou begrijpen...
Het was makkelijker gezegd dan gedaan. Zij werden in werkgroepen onderverdeeld, maar hij zag kans om Himsha duidelijk te maken dat hij met haar wilde praten. Zij vroeg aan Juffrouw Lydia: Kan ik Bonny meekrijgen om de mangel te zwengelen, Juffrouw Lydia? Dat is te zwaar voor ons. Juffrouw Lydia, die maar met een half oor geluisterd had, zei: Goed; maar geen kattekwaad op zolder! Ik kom aanstonds lijken!
Himsha greep Bonny bij de hand; tot zij uit het zicht waren liep zij langzaam, toen zei ze: Doen wie het eerst bij de deur is? en peesde de gang af. Zij liep veel harder dan hij; de drie andere meisjes die bij de werkgroep hoorden kregen een giechelbui en konden hen helemaal niet bijhouden. Himsha deed de deur naar de zoldertrap open, trok hem mee naar binnen en fluisterde: Is er iets?
Ik moet met je praten! antwoordde hij, buiten adem. Je moet me helpen om een besluit te nemen... Hij hoorde de andere meisjes aankomen in de gang. Ik wil mezelf aanbieden als slaaf, in ruil voor de negers die we hebben helpen ontsnappen. Daar waren de anderen, proestend van het lachen. Een van hen riep plagerig: O, kijk eens, ze staan te zoenen!
Hou je waffel, zei Himsha, of ik geef je een dreun!
De meisjes riepen, overdreven: Ooohh...
Bathsheba Moremen zei: En ik sla terug, als je dat maar weet, Himsha Woodhouse.
Himsha verwaardigde zich niet daarop te antwoorden, maar begon de trap op te klimmen. Ze wachtte Bonny op; toen hij boven was fluisterde ze: Hier kunnen we niet praten, wacht tot we aan het mangelen zijn!
De mangel stond aan het andere einde van de zolder, een monster op spillepoten met houten rollen en een roodgeschilderd ijzeren wiel. Een baan zonlicht viel door het dakvenster, vol dansend stof. Bonny struikelde over een mand met beddelakens; Himsha greep de mand bij het handvat en begon hem naar de mangel toe te slepen. Hij hielp haar duwen. Het hele idee leek ineens weer belachelijk. Hij vroeg zich zelfs af of hij erover door zou gaan. Hij zou kunnen zeggen dat het maar een grap geweest was.
Hij hielp Himsha met het opzetten van de schragentafel voor de mangel. Toen zij eindelijk alleen waren fluisterde zij: Hoe kwam je dáár nou bij? Zij leek het niet als een grap op te vatten.
Om goed te maken wat we verkeerd hebben gedaan, fluisterde hij terug.
Strak trekken die lakens, meisjes, riep Himsha, schei uit met dat geteut! De meisjes protesteerden maar gehoorzaamden en gingen aan het andere einde van de tafel staan.
Draaien maar, zei Himsha. Toen hij aan het wiel begon te zwengelen, stak zij het eerste laken tussen de rollen. Meteen werd het draaien zo zwaar dat hij er de gang niet in kon houden. Wacht even. Zij klom boven op de mangel met de behendigheid van een aap en draaide de spanschroef een paar slagen losser. Toen sprong zij weer op de grond. Probeer het nog eens.
Nu ging het makkelijker. De platte wurm van het gemangelde laken verscheen aan de andere kant, een van de andere meisjes greep het eind en begon eraan te trekken.
Hoe kwam je erbij? vroeg Himsha boven het gepiep van het wiel uit.
Zo - zo maar, zei hij, hijgend van inspanning. Ik - ik kreeg ineens 't idee... Het wiel knarste en piepte. Om de vaart erin te houden ging hij aan het handvat hangen bij het omlaaggaan. Misschien - misschien was het God...
Weet je dan waar je héén moet? Waar woont die man?
Het feit dat ze zijn plan ernstig opvatte gaf hem ineens een gevoel van misselijkheid. Ik - ik weet niet of ik het wel kan hoor... fluisterde hij.
Haar zwarte ogen keken hem onderzoekend aan, toen zei ze: Wás het God of was het Hem niet?
Hij haalde zijn schouders op. Ik weet 't niet. Ik bedoel, ik zei maar wat...
Zij duwde het volgende laken tussen de rollen. Misschien is hij nog niet naar huis, zei ze. Misschien zit hij nog in het logement.
Maar ik weet niet of hij me wel ontvangen zal...
Zij keek hem weer aan met die zwarte ogen; toen zei ze: Ik ga met je mee.
Zijn mond zakte open. Als - als slavin...?
Ben je gek! Naar het logement bedoel ik.
Ze had gelijk. God had tegen hem gesproken, niet tegen haar, als het tenminste God was. Het leek overdreven om de stem in zijn gedachten die naam te geven. Als kind had hij over God gedacht als een oude man met een baard, tussen de sterren, die een verrekijker had om haren te tellen en een oogje te houden op musjes. Toen was hem verteld dat God een Geest was, dus nu dacht hij over hem als een oude geest. Maar hoe kon hij er zeker van zijn dat het inderdaad die oude geest was die hem de gedachte had ingegeven?
Himsha zei, terwijl zij de rest van het laken aan de mangel voerde: Je zult een brief moeten schrijven aan Meester Abner om hem te vertellen wat je gaat doen. Als je wilt zal ik je daarmee helpen.
Denk je niet dat ik er te klein voor ben? vroeg hij, met de misselijkheid nu als een soort balletje in zijn maag.
Nee, zei ze, niet als God het je opgedragen heeft.
Dat was het laatste dat ze erover zeiden tot de etensbel hen naar beneden riep. Zij waren de laatsten die de zolder verlieten. Terwijl de andere meisjes de trap afklepperden, fluisterde Himsha: In de schuur in het speelkwartier. Ik breng pen en papier. Vlug!
Die avond, toen de uilen tussen de bomen scheerden en de eerste vleermuizen buitelden, slopen Himsha en Bonny ongemerkt de tuin in naar het zijhek dat toegang gaf tot Baker Straat.
Himsha had Bonny's valies gepakt en hem geholpen de brief aan Meester Abner te schrijven; zij hadden die achtergelaten op het aanrecht in de keuken, tegen een van de ontbijtkommetjes geleund in de rij die klaarstond voor de volgende morgen. Himsha leidde hem bij de hand langs de donker wordende straat naar het logement. Zij wuifde hem vaarwel toen hij bij het beklimmen van het bordes nog een keer omkeek. Ze stond in een kegel van lantaarnlicht in de lege straat. Hij draaide zich haastig om, omdat zijn ogen volschoten met tranen. Hij duwde de glazen deuren open.
De hal van het hotel was verlicht door een enkele kaars, die op een toonbank stond. Achter de toonbank zat een man in hemdsmouwen, met gebogen hoofd en gesloten ogen, hij zag eruit alsof hij zat te bidden. Achter hem waren open kastjes waar sleutels in hingen. Toen Bonny de toonbank naderde, besefte hij dat de man niet zat te bidden maar te slapen. Hij schraapte zijn keel; maar de man werd er niet wakker van. Hij raakte voorzichtig de bel op de toonbank aan. Ping! De man schrok wakker met
een blaf en staarde hem met glazige ogen aan. Huh? Wat mot je?
Ik ben - ik kom voor meneer Delatour...
Word je verwacht?
Een leugen was een slecht begin, maar hij zei: Ja, Vriend.
De man haalde zijn schouders op, kwam achter de toonbank vandaan, nam de kandelaar en liep, tot Bonny's verwarring, naar de glazen deuren. Hij volgde de man een eindje, zag hem de deuren grendelen; toen kwam hij terug met de kandelaar. Deze kant op.
Bonny had getracht zich voor te stellen wat hij voelen zou op het ogenblik dat hij een slaaf werd, maar toen hij de man de trap op volgde, en een gang af met deuren, voelde hij niets. Hij dacht ook nergens aan; vanaf het ogenblik dat Himsha hem vaarwel had gewuifd had hij geen gedachte meer in zijn hoofd gehad.
De man stond stil voor een deur aan het eind van de gang, hief de hand op om te kloppen, en scheen zich te bedenken. Weet je zeker dat meneer je verwacht?
Bonny knikte. De man klopte op de deur.
Het bleef lang stil. Hij klopte nog eens. Opeens antwoordde een boze stem achter de deur: Wat is er aan de hand?
Vooruit joh, naar binnen, fluisterde de man. Hij opende de deur, gaf Bonny een duw en liep weg met de kandelaar. De kamer was donker.
Wie is daar?! riep de stem, boos. Een lucifer schraapte, een vlammetje sprong sputterend tot leven in de duisternis. Er werd een kaars aangestoken. In het kaarslicht zag Bonny een man in een wit nachthemd overeind zitten in een groot bed. Hij herkende hem dadelijk, want de man keek hem aan op dezelfde manier als in de rechtszaal.
Wat wil je?
Bonny slikte, zette zijn valiesje neer en zei: Ik ben gekomen om mij aan te bieden als slaaf, meneer.
De man leek er niet van onder de indruk te zijn. Wie ben je?
Bo- Bonifacius Baker. Het spijt me van de slaven. Ik kom mij aanbiedien in ruil voor de mui- de slaven die wij hebben helpen ontsnappen.
De man keek hem onderzoekend aan. Mag ik vragen wie je gestuurd heeft?
Niemand ... Ik - ik ben van school weggelopen...
Wie heeft je hiertoe aangezet?
God.
De slaveneigenaar fronste de wenkbrauwen, toen zei hij streng: Kom binnen. Doe de deur dicht.
Bonny gehoorzaamde.
Laat me je koffertje eens kijken.
Bonny gaf het hem; de man deed het open en haalde alles eruit wat Himsha gepakt had: een stel ondergoed, een paar sokken, een boterham met kaas in een zakje. Hij opende het zakje om te kijken wat erin zat en
haalde er de klontjes suiker uit, waar hij van Himsha op had moeten zuigen zodra hij moe begon te worden. Toen glinsterde er iets in het kaarslicht: het Indiaanse sieraad. Wat is dat?
Bonny had er geen idee van waarom Himsha dit had ingepakt. Dat - dat hebben ze gevonden in het mandje van mijn vader toen - toen hij te vondeling werd gelegd.
Wie heeft dit koffertje gepakt?
Mijn zusje.
Is die bij jou op school?
Hij knikte.
Als onderwijzeres?
Nee, ze zit in de zevende klas. Ik in de zesde.
De man stopte alles weer terug in het koffertje en reikte het hem aan. Neem dat mee en wacht in de gang.
Bonny gehoorzaamde.
Toen hij in het donker stond te wachten, drong het pas tot hem door dat hij nu een slaaf was. Hij zou ergens anders heengebracht worden, een kelder of een gevangenis. Hij sloot de ogen en bad: God, help me alsjeblieft. Help me, God - alsjeblieft...
Maar er kwam geen antwoord. Het enige dat hij voelde was een hopeloos heimwee naar Himsha.
De deur ging open, de man kwam te voorschijn met de kandelaar, geheel gekleed. Allons-y, zei hij. Hij nam Bonny bij de arm en leidde hem de gang uit, de trap af, naar de hal. Op weg naar de glazen deuren zei hij, zonder naar de man achter de toonbank te kijken: Mijn rijtuig, onmiddellijk.
De man antwoordde onderdanig: Ja meneer, ja meneer Delatour, jazeker meneer, direct...
Zij gingen naar buiten, het bordes op, en bleven daar staan wachten. Bonny keek de straat af, maar er was niemand te zien. Alleen de sluikse schim van een kat die van de ene kegel lantaarnlicht naar de andere rende. De man zei niets; eindelijk hoorden zij het gekletter van hoeven en het geratel van wielen. Een rijtuig kwam de poort uit, met twee zwarte paarden. Het reed voor; de koetsier, een grote neger in een uniform, opende de deur. Toen zij wilden instappen dook ineens Himsha op en versperde hun de weg. Het was zo onverwacht, dat Bonny's adem in zijn keel bleef steken. De man deed een stap terug.
Wat ga je met hem doen? vroeg Himsha.
Wie ben jij?
Vooruit dan maar, zei ze, neem mij maar. Hij is veel te klein. Wat heb je aan een jongetje dat niet eens een mand wasgoed op kan tillen? Neem mij maar.
Bonny's knieën knikten. Hij had het klaar kunnen spelen als zij niet teruggekomen was. O, Himsha! zei hij, met huilerige stem.
Zij legde haar arm om zijn schouder en zei: Stil maar; ik ga met je mee.
Nu, als jullie beiden zo vriendelijk willen zijn om in te stappen? zei de man streng. Ik heb geen eeuwigheid de tijd. Toen zei hij iets in het Frans tegen de koetsier en ging op de bank tegenover hen zitten. Het portier klapte, een zweep striemde, de koets begon te rijden, de nacht in.
***
Uria vond de brief vroeger dan de bedoeling was geweest. De spanning van de huiszoeking en het feit dat hij vanwege alle akeligheid de dag tevoren nauwelijks iets gegeten had waren hem te machtig geworden; toen iedereen naar bed was sloop hij de keukentrap af, onweerstaanbaar aangetrokken door de kinderontbijten. Het eerste dat hij zag was de brief.
Waarde Meester Abner: Wanneer je dit leest zal ik een slaaf geworden zijn. Ik heb mijzelf in slavernei aangeboden aan de eigenaar van de negers die wij hielpen ontsnappen, in ruil voor hun. Ik doe dit omdat ik nu weet dat het slecht was om niet te zeggen wat ik al die tijd dacht over de muizen en het Goddelijke te vergeten in de man die zijn slaven was kwijtgeraakt. Er was ook een jongetje die tegen mij sprak. Volg mij niet, want dit is een roeping. Ik kom nooit meer terug.
In Vriendenliefde, 9 zevende maand 1833, Bonifacius Baker.
Uria's eerste opwelling was om de brief te laten waar hij was, want als hij Abner ging waarschuwen zou die dadelijk door hebben waarom hij op dit uur naar de keuken was gegaan. Aan de andere kant, als hij Abner onmiddellijk waarschuwde konden ze misschien de jongen nog te pakken krijgen voor hij iets onherroepelijks deed. Hij bad om Leiding, en het Licht toonde hem een tussenweg: hij zou niet Abner gaan waarschuwen, maar kleine Will.
Hij schudde Will wakker en fluisterde: Bonny Baker is weggelopen! Will kwam zo vlug tot zijn positieven dat het leek alsof hij erop had liggen wachten. Hij vroeg niet waar Uria de brief gevonden had, hij las hem bij het licht van de kaars, trok zijn broek aan over zijn nachthemd en zijn schoenen zonder sokken. Toen holde hij de gang af naar Abners woning.
Vijf minuten later was iedereen gealarmeerd. Lydia ontdekte, toen zij langs de bedden met de slapende meisjes holde, dat Himsha Woodhouse ook weg was. Zij vertelde het aan de anderen, iedereen was het erover eens dat ze de kinderen onmiddellijk achterna moesten gaan. Neem jij het ploegpaard, Jesse, zei Abner, op weg naar de deur, ik neem het andere, misschien kunnen we ze nog inhalen.
Maar waar zijn ze heen? We kunnen niet zoeken zonder enig idee -
Er zijn maar twee wegen naar de stad: neem jij de straatweg, dan neem ik de zij-ingang en Baker Straat.
Obadja zei: Als zij zich inderdaad in slavernij hebben aangeboden aan
die meneer Delatour, dan moeten ze naar het logement gegaan zijn. Misschien kunnen we beter daarheen gaan en hen opwachten.
En als ze daar al zijn, wat dan? vroeg Jesse.
Dan moet Abner naar de man toegaan en met hem praten. Het zijn minderjarigen. Als de man weigert ze te laten gaan, moeten we hem aanklagen.
Wat voor aanklacht wordt dat?
Ontvoering van minderjarigen.
Maar ze zijn uit eigen verkiezing gegaan! riep Jesse boos uit. De gluiperige kleine kwezels!
Jesse, Jesse... zei Lydia.
Maar Jesse ging door: Wacht maar 's tot ik ze te pakken krijg! De kleine hypocrieten, dat briefje is zo schijnheilig dat ik er kots van word! Wie heeft het eigenlijk gevonden?
Tot op dat ogenblik had niemand aandacht aan Uria besteed. Hij verstijfde van schrik.
Was jij het soms, Uria? Waar hadden zij het achtergelaten?
Ik - ik weet het niet precies. Ik - in de keuken, geloof ik...
En wat moest jij in de keuken, midden -
Lydia riep: Stil! en holde naar het raam.
Zij zagen een tweespan met een glimmende koets en twee flakkerende lantaarns voorrijden. De koetsier sprong van de bok en opende de deur. Er kwam een man uit, gevolgd door twee kinderen.
Abner liep zo hard naar beneden dat de man niet de kans kreeg om aan te kloppen. Het was de slaveneigenaar, hij groette Abner met een buiginkje en zei: Ik retourneer de twee kwekelingen die u mij gestuurd heeft.
Ge - gestuurd? stamelde Abner. Ik - wij hebben niemand gestuurd! Ze zijn weggelopen! Kom binnen, kinderen! voegde hij er streng aan toe. Kom binnen, onmiddellijk!
Eén seconde! De man hief een gehandschoende hand op en wendde zich tot de twee kinderen, die beduusd naast hem stonden. Het spijt me dat ik jullie aanbod niet kan aannemen, zei hij, maar helaas moet je, om slaaf te kunnen worden, achttien jaar oud zijn. Hij maakte weer een buiging tegen Abner, zei Adieu en daalde de stoep af, naar zijn koets. Daar draaide hij zich nog een keer om en zei tegen de kinderen: Ik moet jullie mijn bewondering betuigen voor je moed. Als jullie typerend zijn voor je generatie, dan is er nog hoop voor dit land.
Hij stond op het punt in te stappen toen Lydia hem achternaholde. Vriend! riep ze. Dank je dat je ze teruggebracht hebt!
Wat dacht u, Madame? vroeg hij streng. Het feit dat een man slaven houdt betekent niet, ipso facto, dat hij een barbaar is. De Grieken waren geen barbaren, de Romeinen ook niet. Wij in de Zuidelijke staten zijn dat evenmin.
Hij keerde haar de rug toe en klom in zijn koets.
De koetsier zei: Pardon, mademoiselle, bukte zich om het trapje op te klappen, sloot de deur, klom op de bok en de glimmende koets met de lantaarns verdween in de donkere tunnel van de oprijlaan.
***
Toen Abner de kinderen hardhandig naar boven wilde sleuren, riep Lydia: Nee, niet doen!
Na al de ellende die ze ons veroorzaakt hebben?! Laat ik je vertellen...
Abner, liefste, ik weet dat wat ze gedaan hebben verkeerd was, maar ze deden het uit roeping! Wij hebben ons ook geroepen gevoeld, en iets verkeerds gedaan. Ja, het was verkeerd, Abner, dat weet jij net zo goed als ik. Maar ik denk - ik hoop - dat deze kinderen ons het antwoord hebben gegeven!
Antwoord?
Zie je het dan niet? Zij hebben gedaan wat wij zouden hebben moeten doen: zij appelleerden aan het goddelijke in de eigenaar van de slaven! En kijk nou eens wat er gebeurd is! Hij heeft zijn bewondering voor hun moed uitgesproken en zei dat als zij typerend waren voor hun generatie, er nog hoop voor dit land was. Is het je nog niet duidelijk wat wij moeten doen?
Nee, antwoordde Abner geïrriteerd. En wat je ook in je hoofd hebt, dit is niet het ogenblik om daarover te praten. Ga mee naar mijn bureau; nadat ik met deze kinderen afgerekend heb kun je net zo lang kletsen als je wilt. Vooruit! Hij duwde de kinderen naar de trap.
Abner, lieve Abner, hield Lydia vol, doe niets! Niet voor wij erover hebben kunnen praten! Alsjeblieft Abner, alsjeblieft, geef de kinderen geen straf voor wij samen hebben kunnen praten!
Hij aarzelde, toen het hij de kinderen los, maakte een nors gebaar naar boven en volgde hen de trap op. In de gang, voor de deur van zijn werkkamer, beval hij hen te wachten tot ze binnengeroepen zouden worden. Toen Lydia en hij tegenover elkaar stonden riep hij nijdig uit: Als je me dat nog eens een keer levert, me mijn hemd uit te vegen in de tegenwoordigheid van kinderen...!
Maar Abner...
Het kan me niet schelen hoe nobel je beweegredenen zijn, ik ben het hoofd van deze school en ik verbied je om mijn autoriteit te ondermijnen. Heb je dat begrepen?
Zij kuste hem. Met een kreun liet hij zich in zijn stoel vallen.
Lieve Abner, Bonny had gelijk. Wij hebben het goddelijke in die man geschonden. We moeten hem op de een of andere manier schadeloosstellen voor het verlies van zijn slaven. We hebben geen geld, dus het enige is dat
we onszelf in ruil aanbieden voor de negers die we hebben helpen ontsnappen.
Nou, ga jij je gang maar! riep hij kwaad uit. Ik peins er niet over! Die vent zal denken dat je gek bent! Volgens mij ben je dat ook.
Lieve schat, je hebt hem zelf horen zeggen: als jullie typerend zijn voor jullie generatie...
Hij had het over kinderen! Als wij, volwassenen, ineens voor hem zouden staan en zeggen: “Vriend, neem ons aan in ruil voor je negers...”
Waarom niet? We zouden het toch menen!
Nou, dan zúllen we het menen! riep Abner uit, met een gebaar naar de anderen die net waren binnengekomen. Wil je eens even om je heen kijken? Wat ga je die man aanbieden? Twee stapelgekke wijven, een hansworst van driehonderd pond die hem de oren van zijn hoofd zou eten en een dwerg!
In de pijnlijke stilte die volgde zei kleine Will bedaard: Als wij eens om Leiding vroegen in samenkomst?
Abner knorde; Lydia vroeg: Mag ik eerst de kinderen binnenbrengen? Die moeten er toch bij zijn...
Abner kreunde.
Alsjeblieft! Na afloop van de samenkomst kan je ze net zo zwaar straffen als je wilt. Maar ze zitten er zo eenzaam, ze moeten zo bang zijn, het is zo'n aangrijpende ervaring voor ze geweest...
Abner sloot zijn ogen.
Lydia ging naar de deur. Himsha? Bonny? Kom binnen. Samenkomst.
De kinderen verschenen in de deuropening; Lydia wees op de stoelen voor Abners bureau. De kinderen gingen zitten, vouwden hun handen plichtmatig op hun schoot en bogen hun hoofden. Het werd stil.
Lydia keek naar Bonny. Ongelooflijk, dat een kind in staat was geweest de stem Gods te horen, waarvoor zij, volwassenen, doof waren gebleken. Ze vroeg zich af of de anderen beseften van welk wonder zij getuigen waren geweest: een slavenhouder die naar de school gekomen was en die gezegd had: Er is nog hoop voor ons land. De wolf had twee lammeren thuisgebracht.
Gedurende een ogenblik ving zij een glimp op van het Koninkrijk van de Vrede, dat William Penn getracht had op aarde te stichten: En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitebok neerliggen en het kalf, en de jonge leeuw en het mestvee te zamen...
Toen herinnerde zij zich de rest: En een klein jongske zal ze drijven.
***
De stilte van de samenkomst was het eerste soelaas dat Charity voelde nadat de ontploffing haar uit de armen van haar minnaar had gerukt en de nachtmerrie begonnen was die tot op dit ogenblik niet had afgelaten. Zij
wilde God om vergiffenis bidden, want zij kon het nooit ongedaan maken: de drie dode mannen konden nooit meer tot leven geroepen worden, noch die arme paarden. Maar zij smeekte God haar te gebruiken om iets goeds voort te brengen uit de verwoesting die zij had aangericht.
De samenkomst eindigde, Lydia vroeg: Weet iemand hoeveel die slaven waard zijn, in geld?
Volgens de aanklacht twaalfduizend dollar, antwoordde Obadja.
Dat kunnen wij met zijn zessen toch zeker wel bij elkaar schrapen?
O, ja! riep Charity uit. Moeder heeft wat geld voor me opzij gezet en ik kan me geen betere manier bedenken om het uit te geven. Jij, Obadja?
Obadja klopte haar op de hand; toen zei hij: Laten we realistisch zijn. Jouw vader, lieve schat, zal er nooit zijn toestemming voor geven dat het geld besteed wordt voor een orthodoxe school.
Kunnen we dan geen geld lenen?
Welk onderpand hebben wij te bieden, behalve onze toekomstige verdiensten?
Laten we die dan aanbieden! Laten we een contract tekenen met de school voor twee jaar, drie jaar, en vragen of ze onze salarissen vooruit willen betalen. Hoeveel hebben wij nodig per jaar voor de allernoodzakelijkste dingen? Zij wendde zich tot Abner. Zou je daartoe bereid zijn, Abner? Om ons dat geld in voorschot te geven?
Abner glimlachte wrang. Om te beginnen is de school niet kapitaalkrachtig genoeg om een dergelijk bedrag voor te schieten, maar na de Jaarvergadering worden we met ons allen ontslagen.
Maar je kunt toch een contract met ze afsluiten? Je bent toch nog altijd het schoolhoofd? vroeg Lydia. Als jij twee leerkrachten voor de tijd van drie jaar wilt vastleggen, dan is dat contract toch bindend voor de school?
Lydia, zei Abner met een zucht, we hebben niet eens genoeg geld in kas voor een maand. En waar wil jij jouw aandeel vandaan halen?
Het geld van Vader!
Hij schrok. Maar dat is de enige zekerheid voor de toekomst die je hebt!
Lieve Abner, zou je zo vriendelijk willen zijn mij over mijn eigen lot te laten beslissen? Waar wou jij het geld vandaan halen?
Hij maakte een mat gebaar, maar gaf geen antwoord.
Wat mij betreft zal ik graag mijn spaarcenten hieraan besteden, zei kleine Will opgewekt. Ik vind het een uitstekend idee. Wij zouden eigenlijk aan de Jaarvergadering moeten voorstellen dat alle Quakers die niet actief bij de Ondergrondse Weg betrokken zijn, geld inzamelen om de eigenaars schadeloos te stellen voor elke slaaf die wij helpen ontsnappen. Hij wendde zich tot Lydia. Ik kan honderdachtenzeventig dollar bijdragen tot het fonds.
Ik ook, brabbelde Uria, mijn aandeel is - ik denk - vierhonderdentwintig dollar ... is dat niet zo?
Meer, zei kleine Will droog. Je bent zeker vijfhonderd dollar waard.
O, laten we redelijk blijven! riep Abner geïrriteerd uit. Als dit jullie ernst is, hebben we twaalfduizend dollar nodig!
Ik heb recht op een deel van het bezit van mijn stam, zei een kinderstem, en ik wil dit aan deze roeping bijdragen.
Bedankt, Himsha. Abner kon zijn ergernis niet verbergen. Als een minderjarige kan je niet over geld beschikken, ook al behoort het je toe.
Ik wel, zei het meisje, want ik ben een god.
Huh?
Een paar leden van onze stam zijn afstammelingen van God. Ik ben er één van.
Abner kon niets uitbrengen in antwoord op deze totale mislukking van een Quaker-opvoeding.
Obadja zei vriendelijk: Ook al is dat zo, Himsha, we kunnen jouw geld op dit ogenblik niet in onze berekeningen opnemen. We hebben het onmiddellijk nodig, zie je. Hij wendde zich tot de anderen. Voor zover ik weet staat Delatour op het punt om te vertrekken, dus wat we doen moeten we vóór twaalven morgenochtend doen. Het bedrag dat in die aanklacht staat, is natuurlijk niet reëel. Ik neem aan dat als we de slaven laten taxeren op hun huidige marktwaarde, ze niet meer dan zeven-, achtduizend dollar waard zijn.
Grootmoeder heeft mij vijfduizend dollar nagelaten, zei Charity. Die komen me toe wanneer ik meerderjarig word, of wanneer ik trouw. Als jij het ermee eens bent, Obadja, zouden we dat dan zo gauw mogelijk moeten doen.
Het was even stil, toen antwoordde Obadja: Morgen, wat mij betreft. Maar volgens mij is er weinig kans dat je die erfenis toegewezen krijgt.
Waarom?
Ik heb het testament van je grootmoeder niet gelezen, maar ik veronderstel dat er een clausule in zal staan, zoals in alle Quaker-testamenten: “op voorwaarde dat de begunstigde niet zal worden uitgestoten door haar Maandvergadering”.
Uitgestoten? vroeg zij geschrokken. Ze zouden me kunnen uitstoten?
Wegens een huwelijk zonder de toestemming van de Vergadering. Dat geldt ook voor mij. Hij glimlachte pips.
O, Obadja... zei ze, wat zitten we in de knoei...!
Jullie zijn de enigen niet, zei Abner droog.
De volgende morgen ging een deputatie van de school haar opwachting maken bij de heer Delatour: Abner, Obadja en kleine Will. Alle kinderen waren op de hoogte gebracht; iedereen wachtte hun terugkeer met spanning af.
Een uur later kwamen zij terug. Abner klom als eerste uit het rijtuigje;
hij zag er somber uit. Charity, die samen met Lydia hen aan de voordeur stond op te wachten, vreesde het ergste. Lydia vroeg: En? Abner schudde het hoofd.
De hele school was door het bericht terneergeslagen. 's Avonds, na de laatste les, was het in de gangen onnatuurlijk stil.
Vlak voor de etensbel reed een rijtuig voor; Charity zag het vanuit de meisjesslaapzaal, zij herkende de negerkoetsier die het portier opende en het trapje neerklapte. De eerste die te voorschijn kwam was een jongetje in een fluwelen pak, toen de slavenhouder.
Zij holde de gang uit, de trap af; in de hal stond de slavenhouder met Abner te praten, het jongetje naast hem; een massa zwijgende kinderen verdrong zich om hen heen, starend naar de vreemdelingen. Het jongetje scheen niet op zijn gemak; hij drukte zich tegen zijn vader aan, die een beschermende hand op zijn schouder legde.
De stem van de man klonk koel. Ik zou graag een woordje met u wisselen, zei hij tegen Abner. Misschien dat een van de leerlingen zo vriendelijk zou willen zijn om mijn zoon Charles de school te laten zien?
Bonny stapte naar voren. Dat wil ik wel doen, zei hij. Wij kennen elkaar al. Het jongetje keek naar zijn vader op, die knikte. De kinderen maakten ruimte om Bonny en het jongetje door te laten.
Een half uur later riep Abner de leerkrachten bij zich in zijn bureau. De heer Delatour, zei hij vormelijk, heeft ons voorstel aangenomen. Hij schat de waarde van zijn slaven op tweeduizend dollar, hetgeen betekent dat wij nog vijfhonderd dollar te betalen hebben. Hij stelt voor dat het schoolgeld, de kost en de inwoning van zijn zoon Charles voor het komende schooljaar van dat bedrag zal worden afgetrokken.
Zij staarden hem met open mond aan; Charity greep Obadja's hand.
De slavenhouder vervolgde: Laat mij er de aandacht op vestigen dat ik niet voornemens ben mijn zoon in een Quaker te veranderen. Hij is een lidmaat van de Anglicaanse Kerk.
Maar waarom wil je hem dan bij ons plaatsen? vroeg Lydia verbaasd.
Omdat de enige hoop om de vrede tussen de Noordelijke en de Zuidelijke staten te bewaren belichaamd is in de kinderen. Als onze zoons elkaars standpunt kunnen leren respecteren, dan kan een burgeroorlog misschien nog vermeden worden. Bovendien bevalt de atmosfeer in deze school mij. Charles heeft drie maanden geleden zijn moeder verloren.
Impulsief ging Lydia naar de man toe en kuste hem op beide wangen. Iedereen schrok ervan; Charity en Obadja, Abner achter zijn bureau, Uria, kleine Will. Lydia zei: God zegen je, Vriend Delatour. We zullen je zoon behandelen alsof hij ons eigen kind was.
Het gezicht van de man bleef uitdrukkingloos; gedurende enkele ogenblikken staarde hij haar aan, toen zei hij nuchter: Dank u.
Zo geschiedde het dat, na achtenzeventig jaar, de eerste wereldling in de Rebekka Baker Kostschool werd ingeschreven.