Voor één van de leerkrachten betekende de opname van Charles Delatour door de school het begin van het einde. Jesse kwam tot de conclusie dat met een spion van het Zuiden onder de leerlingen de school niet langer als een veilig onderduikadres beschouwd kon worden.
In zeker opzicht kwam dat als een opluchting voor hem. Het leven in de school was hem hoe langer hoe moeilijker gaan vallen. Na zijn bezoek aan dokter Rossini had hij hem een paar weken geknepen als een ouwe dief, maar uiteindelijk had een gezond instinct, sterker dan zijn angst, de overhand gekregen. Ziek worden kon hem niet gebeuren. Hij was zo sterk als een beer, en nog altijd glimlachten de meisjes tegen hem of keken demonstratief de andere kant op. De wereld lag voor hem open, met rijkdom, liefde en leut voor het grijpen. Hij was altijd gelukkig geweest in de liefde zowel als in het spel. Soms kon hij het nog weleens te kwaad krijgen, vooral als hij 's nachts wakker werd, maar het was niet meer te vergelijken met de doodsangst die hij de eerste weken gevoeld had en die hem veranderd had in een tobber. Nee, hij was weer geheel de oude: zonder vrees en vol roekeloze streken. Zoals destijds in de rechtszaal, met die muizen en de kinderen die in het middenpad lagen te gillen; dat was allemaal zijn idee geweest. En om in topvorm te blijven moest hij constant bezig zijn; hij kon niet leven zonder de spanning van het gevaar. De saaiheid van het leven op school maakte hem krankzinnig.
Viola was verdwenen en nooit teruggevonden; nu rustte de volle verantwoordelijkheid voor de Ondergrondse Weg in Kentucky en Indiana op hem. Hij had er geen idee van wat er van haar geworden was, waarschijnlijk had ze zich als een stervend dier naar een uithoek van het bos gesleept, om daar, onder een boom of in het struikgewas, het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen. Het boezemde hem geen vrees in om haar werk over te nemen. Hij kende alle onderduikadressen en geheime weggetjes. Hij was waarschijnlijk nog beter geschikt voor deze positie dan Viola, want die had, niettegenstaande haar fabelachtige lef, haar huidkleur tegen gehad. Hij kon zich vrij bewegen onder de blanken; wie hem tegen zou komen op een van de landweggetjes zou hem aanzien voor een jonge vent, die geen zorg in de wereld had en zich hoofdzakelijk voor de meisjes interesseerde. Hij zou zich van de Quaker-dracht moeten ontdoen; de kleren van Rode Lily had hij nooit teruggegeven, nu kwamen die goed van pas.
Hij nam van niemand afscheid, zelfs niet van Lydia, die hem trouwens na die ene ongelukkige kus bij het hek behandeld had alsof hij een stuk vuil was. Wat moest hij ook met zo'n oude vrouw?
Drie dagen later nam hij de benen.
***
Het proces tegen Ruby en Cletus Brown, negerboeren, die terechtstonden wegens het onderdak verlenen aan ontsnapte slaven, vond eind september plaats. Abner had gehoord dat die zelfde morgen, in Richmond, de Jaarvergadering haar Leiding kenbaar zou maken over de medeplichtigheid van de Rebekka Baker Kostschool aan de Ondergrondse Weg; het was dom van hem om zich uitgerekend nu in de rechtszaal te vertonen. Maar hij kon de Browns in het uur van hun beproeving niet in de steek laten.
Het was een triest proces, niettegenstaande de poging van rechter Saunders er ook ditmaal een demonstratie van patriottisme en Christelijke naastenliefde van te maken. Het zwarte echtpaar gaf het misdrijf toe. Omdat dit de derde maal was dat zij voor de rechtbank compareerden beschuldigd van dezelfde overtreding, kon rechter Saunders niet anders dan hen tot de maximumstraf veroordelen: een boete van duizend dollar en zes maanden gevangenisstraf. De leeftijd van de beklaagden in aanmerking genomen, maakte hij er een voorwaardelijke gevangenisstraf van.
Het was een zware straf: de Browns, die geen spaarcenten meer over hadden na de twee vorige boetes, zouden nu verplicht zijn niet alleen hun veestapel maar ook hun boerderij te verkopen. Toen rechter Saunders aan Cletus vroeg of er, naar zijn oordeel, verzachtende omstandigheden waren, stond de oude neger op en antwoordde: Je hebt onze laatste dollar van ons afgenomen, Vriend Saunders, maar als je ooit nog eens een bange slaaf tegen zou komen die aan de knechting is ontsnapt, stuur hem dan maar naar ons toe; wij zullen wat wij bezitten met hem delen. Toen ging hij weer zitten; Ruby had al die tijd zijn hand vastgehouden.
Het was nobel, en trouw aan de Quaker-beginselen; toch werd Abner er akelig van. Zodra de rechter opstond, maakte hij zich uit de voeten.
In de deur naar de hal stond het gebruikelijke groepje meesmuilende slavenjagers. Toen hij zich een weg door hen heen baande herkende hij opeens Jesse. Hij zag kans om gewoon door te lopen zonder zijn verbijstering te laten blijken. Jesse als slavenjager! In een leren pak met een patroongordel over de borst!
Abner liep naar buiten, het plantsoentje in, daar begonnen zijn knieën pas te knikken en hij ging op een bank zitten. Jesse een slavenjager? Het kón gewoon niet! Zó te veranderen, als een blad aan een boom, alle waarden die hem sinds zijn kindertijd waren bijgebracht binnenstebuiten te keren? Het was onmogelijk. Het moest een vermomming zijn! Natuurlijk was het een vermomming. Maar toch ... die patroongordel ... Zijn
geweer had hij waarschijnlijk net als die anderen in de vestiaire achter moeten laten, dat schreef de wet voor.
Daar kwamen ze aan: zes man sterk, het plantsoenpad af, geweren over de schouder, sporen glinsterend in de zon. Abner draaide zijn hoofd om, hoorde de sloffende laarzen voorbijgaan, de vuile taal, het gegrinnik, hij rook de stank van ongewassen lijven; toen waren ze voorbij. Hij keek Jesse na met een gevoel van weerzin, ging met zijn hoofd in de handen zitten, ellebogen op de knieën, en zag, naast zijn rechterschoen, een propje papier liggen.
Hij raapte het op en vouwde het open. Er stond één regel op, kennelijk in haast geschreven: Over een uur bij het graf van R.L. R.L.? Wie was dat? Natuurlijk - Rode Lily. Jesse wilde hem ontmoeten op de afgelegen plek in het bos waar ze destijds die lichtekooi begraven hadden. Hij vroeg zich af wat de jongen in zijn schild voerde. Wat bezielde hem om naar Pendle Hill terug te komen, waar iedereen hem kende, in dat gezelschap?
Een uur later, met de hoed in de hand aan de voet van het graf in het bos, werd Abner bevangen door een intens verdriet. Wat was er van de hoop, de geestdrift, de zekerheid geworden waarmee zij zich hadden aangesloten bij de Ondergrondse Weg? Waarom had hij sindsdien nooit meer de Tegenwoordigheid ervaren, dat gevoel geleid te worden? Had God de hand van zijn schouder genomen op het ogenblik dat hij de weg van de deernis verliet en zich had laten verleiden tot heilig geweld? Jezus had gezegd: Allen die het zwaard nemen zullen door het zwaard vergaan. Hij had zich laten overhalen tot geweld, al was het dan voor een goed doel, in plaats van met koppig vertrouwen te appelleren aan het goddelijke in zijn tegenstander. Hij had het goddelijke in Delatour eerst niet kunnen onderkennen; nu dacht hij hetzelfde over de slavenjagers. Natuurlijk hadden ook zij het goddelijke in zich, net als de leden van de Jaarvergadering, die waarschijnlijk alreeds had besloten, na stille samenkomst, al de leerkrachten van de Rebekka Baker Kostschool te ontslaan omdat zij gehandeld hadden in strijd met het strenge verbod voor alle Quakers om zich in te laten met de Ondergrondse Weg. Ook in Mordechai Monk, hun aanklager, moest de vonk van goddelijkheid schuilen, het kon niet anders. Maar hij kon het niet van zichzelf gedaan krijgen om over Mordechai Monk te denken met vergevensgezindheid, laat staan liefde. Ook al werd hij honderd, hij zou nooit het goddelijke kunnen ontdekken in de man die Saraetta voor de ogen van honderden mensen vernederd had tot zij had liggen lallen aan zijn voeten, stuiptrekkend als een beschonkene.
In het struikgewas sloeg een merel aan. De oude merrie, die achter hem had staan grazen met het geluid van voetstappen in het grind, hief het hoofd op en luisterde. Abner keek om.
In de donkergroene tunnel van het laantje stond Jesse, wijdbeens, zijn hoed op het achterhoofd, een grijns op zijn getaande gezicht. Ha, die Abner, zei hij laconiek. Het spijt me dat ik je vanmorgen de stuipen op
het lijf gejaagd heb, maar het kon nou eenmaal niet anders.
Abner trachtte dezelfde toon aan te slaan, maar het lukte niet. Was het niet roekeloos van je, om je hier te vertonen in die uitrusting?
Jesse kwam naar hem toe door het onkruid, met zacht rinkelende sporen. Ik besloot dat risico maar te lopen, zei hij. Laten ze me maar herkennen, ik heb dat liever dan dat ik me door de jongens onder de klep laat kijken.
Pardon?
Jesse lachte. Nu hij dichtbij gekomen was, werd zijn stank weer merkbaar, een mengeling van zweet en berevet. Hij had een baard van dagen, zijn haar hing tot op zijn schouders, toch was het alsof hij een vleug van vrijheid met zich meebracht, die in Abner een onverwachte hunkering opwekte naar het zorgeloze bestaan van de bizonjager op de prairie. En hoe gaat het met jou, Abner, na al deze maanden?
O, van de zomer hebben we het rustig gehad. Maar nu zijn ze weer terug.
De kinderen?
Wie anders?
Is dat kotertje van de slavenhouder er nog altijd?
Zeker. En ik moet zeggen, hij heeft zich volkomen aangepast. Hij is erg populair, vooral bij de meisjes. Abner hoorde zelf hoe schoolmeesterachtig hij klonk, hoe muf zijn wereld was vergeleken met die van Jesse. De Jaarvergadering heeft waarschijnlijk besloten ons met z'n allen de laan uit te sturen, voegde hij eraan toe. Ik verwacht morgen bericht.
Jesse haalde zijn schouders op. Dat heb je toch aan zien komen?
Natuurlijk, natuurlijk. Maar Saraetta trekt het zich erg aan. Kleine Will ook. Ik vind het zelf ook niet leuk. We zijn blijkbaar meer aan de school gebonden dan we wisten.
Jesse keek hem onderzoekend aan, toen viel zijn oog op het grafheuveltje en hij nam zijn hoed af. Zijn voorhoofd was wit vergeleken bij zijn gezicht. Zijn haar, al was het langer, zag er dun en piekerig uit. Opeens gaf hij een indruk van intense eenzaamheid, alsof de toffe buitenkant maar een pose was.
Hoe gaat het met je, Jesse?
De jongen grijnsde en zette zijn hoed weer op. Met mij? Met mij gaat het best. Hoe is 't met Uria?
Ga je mee om de anderen goedendag te zeggen?
Nee, dat gaat helaas niet. Ik moet zes slaven onderbrengen, twee mannen, vier vrouwen en wéér een zuigeling. Mijn gebruikelijke onderduikadres is uitgevallen, daarom heb ik je gevraagd om hier te komen. Zou je ze een nacht onder kunnen brengen op de zolder? Net als de vorige keer?
Toen Abner met ontsteltenis reageerde, voegde hij eraan toe: Kom nou, joh, het is toch niks? De school verdenken ze al lang niet meer. En je staat toch op het punt je congé te krijgen, dus de Jaarvergadering kan je ook
niks meer doen. Het enige risico is dat slavenhoudersjong. Als die erachter komt zijn we geschoren.
Het was waanzin om uitgerekend op dit ogenblik het verbod van de Jaarvergadering aan zijn laars te lappen. Het was natuurlijk wel zo dat het, wat zijn ontslag betrof, geen verschil meer kon maken...
Over die zuigeling hoef je je geen zorgen te maken, hoor, zei Jesse. Huilen doen ze tegenwoordig niet meer, ze krijgen nu allemaal de fopspeen van dokter Rossini.
Om de een of andere reden gaf dit de doorslag. O, dat is niet nodig, zei Abner. Op de zolder hoort niemand ze. Ik zou zeggen, wacht niet tot het donker wordt voor je ze binnenbrengt. Over een uur zit iedereen aan tafel, dat zou een goede gelegenheid zijn om ze door de achterdeur naar binnen te brengen. Daarna is er een speciale samenkomst in de aula voor Charity en Obadja. Een huwelijkssamenkomst.
Jesse legde een hand op zijn arm. Kun je die niet uitstellen tot vanavond? Ze zitten op het eilandje, het is link om ze bij daglicht over te roeien.
Dan roei je ze aan de overkant aan wal en neemt het Indianenspoor. Tegen de tijd dat ze bij de sluis zijn, zitten de Ieren binnen vanwege de muggen. Je gaat van het kerkhof zó het zijhek in, geen mens zal jullie zien. Die huwelijksplechtigheid uit te stellen tot vanavond is veel verdachter. Tussen haakjes, weten de Higginsen hiervan?
Niemand weet ervan, zei Jesse kortaf. Ik wou het eerst met jou bepraten.
Nu, je kunt ze op de zolder onderbrengen op voorwaarde dat je het tijdens de huwelijkssamenkomst doet. Dus ik zou maar opschieten als ik jou was. Hij nam de merrie bij de teugel en trok haar en het sjeesje rond. Het paard strompelde zijwaarts door het hoge gras. Kalm aan, Annie, kalm aan, zei hij, sussend. Voor hij in het sjeesje klom wuifde hij tegen Jesse, die hem stond na te staren.
Pas toen hij de oprijlaan bereikte drong het tot Abner door hoe roekeloos de toestemming was die hij Jesse had gegeven. Zelfs al zouden ze kans zien zes negers onopgemerkt de school binnen te smokkelen, hoe moesten zij ze er weer uit krijgen? De afgezanten van de Jaarvergadering konden eerder komen opdagen dan hij verwachtte; stel je voor dat die slaven dan nog op zolder zouden zitten! Waarom had hij zich laten overhalen? Uitgerekend nu? Hij hield de teugels in en keek om, de oprijlaan af, maar Jesse was nergens te bekennen, die had natuurlijk het bospaadje genomen. En zelf moest hij nu als een haas naar de school, want hij moest de voorbereidingen treffen voor het huwelijk. Uria had op zich genomen om de oorkonde uit te schrijven; als hij het al gedaan had zaten er waarschijnlijk fouten in; als Uria schoonschrift ging schrijven met zijn tong tussen zijn tanden werd ieder woord een juweeltje van kalligrafeerkunst, maar de zin was soms ver te zoeken.
Hij liet de teugels vieren, en klakte met de tong. Hort, Annie, hort!
Het paard zette zich in beweging.
***
Er waren twee plaatsen opengelaten op de ouderlingenbank voor het huwelijkspaar. Tien minuten nadat de samenkomst begonnen was kwamen Charity en Obadja. binnen.
Zij liepen langzaam het middenpad af en gingen tegenover de Vergadering zitten. Bij het zien van Charity schoten Lydia de tranen in de ogen. Daar zat ze, stralend, vol hoop en vertrouwen voor de toekomst. Maar wat zou die toekomst brengen? Ook al zou de Jaarvergadering besluiten haar en Obadja aan te houden, wat moest er van hen worden? Zij zaten tot over hun oren in de schuld. En in welke omstandigheden zouden zij komen te verkeren? De geest van de school zou, zodra de oude leerkrachten door nieuwe waren vervangen, fundamenteel veranderen. Tot dusverre hadden zij, niettegenstaande hun fouten, met Gods hulp kans gezien de geest van de Vrienden op de school te handhaven: een mengeling van geduld, liefde en het besef van de uniekheid van ieder kind. De nieuwe faculteit zou Evangelisch zijn, intolerant, met de nadruk op discipline en eenvormigheid.
Plotseling stond het bruidspaar op. Vrienden... Obadja's stem klonk gespannen. In de tegenwoordigheid van God en van deze Vergadering neem ik hierbij mijn Vriendin Charity als mijn wettige echtgenote en ik beloof dat ik, met Gods hulp, een liefhebbende en trouwe echtgenoot voor haar zal zijn, tot de dood ons zal scheiden.
Charity antwoordde, zacht: In de tegenwoordigheid van God en van deze Vergadering neem ik hierbij mijn Vriend Obadja tot mijn wettige echtgenoot en ik beloof ... eh... Na een paar ogenblikken van paniek fluisterde zij: met Gods hulp een liefhebbende en trouwe echtgenote, tot de dood ons scheidt. Obadja schoof de ring aan haar vinger, toen gingen zij zitten, hand in hand, man en vrouw.
De samenkomst bleef nog een half uur vergaderd in stilte. Het was gebruikelijk dat een paar Vrienden getuigden nadat een bruidspaar de geloften had uitgewisseld, maar dit keer bleef het stil. Toen schudde Abner Charity de hand en daarna Obadja, en zei: Nu zullen wij de oorkonde ondertekenen. De leerlingen van de zesde en zevende klas mogen na ons hun namen zetten, maar zonder kladden en zonder zandstrooien. Gaan jullie allemaal ordelijk in de rij staan en wacht je beurt af; de jongens eerst, daarna de meisjes. Maar geef eerst de ouderen gelegenheid om hun handtekening te plaatsen. Toen voegde hij eraan toe: Laat ik de eerste zijn om de bruidegom en de bruid geluk te wensen. Hij schudde hun opnieuw de hand en ging naar de tafel waar Uria's gekalligrafeerde oorkonde klaarlag, een waar kunstwerk met, helaas, een paar betreurenswaar-
dige foutjes; het meest gênante was dat hij de woorden echtgenoot en echtgenote had verwisseld, waardoor het leek alsof Charity al van het begin af de broek aanhad in haar huwelijk.
Op heden, de achtentwintigste dag van de negende maand, 1833, compareerden voor de Rebekka Baker Maandvergadering Obadja Woodhouse uit Philadelphia, Arch Straat Maandvergadering, vijfentwintig jaar oud, en Charity Woodhouse uit Philadelphia, Cherry Straat Maandvergadering, negentien jaar oud, dewelken na de gebruikelijke stilte zich verhieven en de volgende gelofte aflegden... Hierna kwamen de formules voor de huwelijksgelofte, gevolgd door: of woorden van identieke strekking, zulks voor het geval dat een van de echtelieden er in zijn zenuwen een potje van had gemaakt. Als getuige van deze verbintenis hebben alle aanwezigen de oorkonde met hunne namen ondertekend.
Abner reikte Obadja de pen. Vriend, zei hij, het is jouw voorrecht om als eerste dit certificaat te tekenen.
Na Obadja tekende Charity; pas toen dorst het bruidspaar zijn gevoelens de vrije loop te laten. O, Obadja, lieverd! Charity kuste hem onder de ogen van de gefascineerde kinderen; Obadja, in een ogenblik van schalkse passie of verstandsverbijstering, kneep haar in haar achterste, hetgeen de jeugd verrukt deed giechelen. Lydia riep streng: Stilte! Geen gehol, geen gedrang, geen gepraat tot we klaar zijn met handtekeningen zetten. Het duurt nog maar éven. Kom, Himsha! Wil je tekenen? Ja? Ga dan op je plaats staan, en geen woord meer!
Toen Lydia haar naam had gezet omarmde zij Charity, kuste haar en zei, met tranen in haar ogen: O, lieve schat, ik vind het zo héérlijk voor je, zo...
Een kinderstem riep verschrikt: Meester Abner!
Het werd stil. Met haar armen nog om Charity's schouders zag Lydia vier mannen met Quaker-hoeden in de deuropening staan. Een van hen was Mordechai Monk.
De aankomst van die kraaien des onheils, net toen ze op het punt stonden om feest te gaan vieren, maakte Lydia ontzettend boos. Zij holde op de vier mannen toe die, verbaasd, achteruitdeinsden. Zij keurde hen echter met geen blik waardig, liep langs hen de gang in, de trap af en de voordeur uit, die zij met een bons achter zich dichtsmeet.
Op het voorplein stond het sjeesje van de school, met de oude merrie ervoor, die bezig was zich op de geraniums aan de voet van het standbeeld te onthalen. Zij klom in het wagentje. Vooruit, Annie, hup! Zij moest weg, zo ver mogelijk weg van die vier mannen en hun onheilsbericht.
Toen zij het hek bereikte hield zij de teugels in. Links en rechts van haar strekte de groene, zongevlekte straatweg zich schijnbaar oneindig uit. Waar moest zij heen? Zij kon niet wegrijden van de toekomst. Het paard bewoog krakend in de bomen van het rijtuigje. Toen greep zij de teugels weer, stak de straatweg over en reed de begraafplaats op, naar het oude
Vergaderingsgebouw. Zij bond het paard aan een van de tuipalen vast, liep naar de steiger, sprong in een bootje en roeide het meer op.
Zij stond zichzelf niet toe aan iets anders te denken dan wat ze op dat moment aan het doen was. Ze roeide met forse slagen en soms een blik over haar schouder, aan één stuk door, tot zij het steigertje bereikte van het bospad dat naar het Indianenspoor leidde. Met een paar snelle slagen dreef zij het bootje het riet in, klom eruit en bond het meertouw aan een boom. Toen ging zij het oerbos binnen.
Het was er kil en donker. De zon, al verzwakt met het naderen van de herfst, kon de koude van de nacht niet langer verdrijven. Hier in de wildernis was het najaar al begonnen. Het struikgewas aan de voet van de woudreuzen begon te verkleuren, terwijl het lover van de bomen nog zomers groen was. Het rood en geel van de stervende sumak reikte tot in de kruinen, waar het neerhing in roerloze guirlandes. Het bos rook anders dan de vorige keer: een herfstige geur van rijpheid die op het punt stond te veranderen in rottenis.
Toen zij het Indianenspoor bereikte leek er echter niets veranderd sinds de vorige keer dat zij daar gestaan had. Alleen had een mol of een eekhoorn een gat gegraven in het grafheuveltje van het Indiaanse kindje; op korte afstand van het grafje lag een dode vogel, half verborgen in het gras.
Om de een of andere reden bracht het zien van die dode vogel alles terug: de twijfel, de wanhoop, de duisternis van de schaduw des doods. In een opwelling liep zij naar het vogellijkje om het te begraven tegen roofdieren; toen zij het op wilde pakken zag zij dat het niet een vogel was, maar een mocassin.
Een ogenblik stond zij er roerloos naar te staren. Daarom waren er dus geen Indiaanse konvooien meer gemeld! Nadat de vrouwen van de Maandvergadering bij tientallen waren komen opdagen om de stakkers kleren en speelgoed te geven, hadden de konvooien opgehouden. Nu lag hier ineens die mocassin. Kon die achter zijn gebleven van het laatste konvooi? Zij boog zich over het grafje om het gat nader te bekijken dat de mol of de eekhoorn gegraven had. Het bleek geen gat te zijn, maar de verse afdruk van een paardehoef. De konvooien hadden niet opgehouden! Reisden zij nu 's nachts?
Er was maar één manier om achter de waarheid te komen: hier te wachten tot zij voorbijkwamen. Zij ging aan de rand van de weg zitten, verscholen in het struikgewas.
Toen de duisternis begon te vallen en het gekwinkeleer van de nachtegalen op het eilandje hoorbaar werd in de verte, kreeg zij het te kwaad. Wat een onzin om hier te blijven zitten, zonder mantel, zonder sjaal, alleen maar omdat zij nieuwsgierig was! Iemand moest zich ervan overtuigen of die konvooien inderdaad 's nachts voorbijkwamen, maar dat moest een man zijn, die niet bang was ... Bang, waarvoor? Beren? Luipaarden? Wie weet wat er allemaal 's nachts rondsloop in het oerwoud ...
Angst bekroop haar vanuit de langzaam verdonkerende wildernis.
***
In zijn studeerkamer werd Abner Best door Mordechai Monk en de drie andere leden van de delegatie van de Jaarvergadering op vernietigende manier onder handen genomen. Hun houding was zo vijandig, niettegenstaande hun voorgewende nederigheid, dat Abner in een soort mentale verdoving alles over zich heen liet gaan. Alle leerkrachten, met uitzondering van Saraetta en Uria, waren niet alleen op staande voet ontslagen, maar uitgestoten uit het Genootschap vanwege hun deelname aan de Ondergrondse Weg. Saraetta was benoemd tot schoolhoofd; aangezien de Jaarvergadering man en vrouw niet wilde scheiden mocht hij solliciteren naar de post van stalknecht.
De vier mannen toonden een on-Quakerlijk gebrek aan tederheid; toch kon Abner geen vijandschap jegens hen voelen. Hij moest toegeven dat het strenge vonnis rechtvaardig was. Hij had tegen het nadrukkelijke verbod van de Vergadering gehandeld dat deelname aan de Ondergrondse Weg onwettig verklaarde; hij had niet alleen zichzelf maar de hele school erbij betrokken, excommunicatie was een redelijke prijs voor zijn kortstondige onafhankelijkheid.
Hij ontwaakte pas uit zijn verdoving toen de vier mannen zijn voorstel afwezen dat Obadja en Charity Woodhouse aan zouden blijven als onderwijzers om hen in staat te stellen de schuld af te lossen die zij waren aangegaan om het losgeld van de ontsnapte slaven te helpen betalen. In plaats van met begrip te reageren, staarden de vier hem aan met gezichten die uit graniet leken te zijn gehouwen. Ineens voelde Abner dat zijn schuldgevoel lafheid was geweest, en het woordeloos aanvaarden van zijn excommunicatie een verraad aan het goddelijke in de vier versteende mensen tegenover hem. Vrienden, zei hij, op andere toon, ik hoef jullie toch niet uit te leggen waarom ik het de Quaker-oplossing vind om alle Maandvergaderingen uit te nodigen bij te dragen aan de afkoopsom van ontsnapte slaven? Op die manier helpen wij de verdrukten en appelleren wij aan het goddelijke in hun eigenaars.
Maar hij vond geen weerklank. De vier staarden hem laatdunkend aan. Zij waren allen gewichtige Vrienden; Mordechai Monk was kennelijk haantje de voorste. Tot dusverre had hij nog geen woord gezegd; nu deed hij eindelijk zijn mond open. De Quaker-getuigenis is respect voor de wet.
Opeens besefte Abner dat dit indruiste tegen alles wat, sinds Margaret Fell, Quakers hadden voorgestaan. Hij moest tegen hen getuigen, niet met woorden, maar met de enige getuigenis die waarde had voor een Quaker: een daad. Toen dacht hij aan de negers op de zolder. Het besef daagde in hem, waarom uitgerekend vandaag God deze vreemdelingen binnen zijn poorten had geplaatst. Vrienden, zei hij, er zijn een paar gasten in de
school die ik jullie wil voorstellen. Ik kom direct terug.
Voor zij iets hadden kunnen zeggen stond hij in de donkere gang. Met zijn hand nog op de deurknop voelde hij opeens weer twijfel. Nog nooit van zijn leven had hij spontaan aan een opwelling gehoor kunnen geven, telkens was het alsof zijn vader hem aankeek en zei: Abner, Vrienden komen niet op emotionele gronden tot hun beslissingen. Zij zoeken de gemeenschappelijke Leiding van de Vergadering; pas als die geformuleerd is en genotuleerd, gaan zij tot daden over. Hoe durfde hij zich te vermeten om te besluiten dat de Jaarvergadering in duisternis leefde en dat hij, Abner, door God was uitverkoren om Zijn wil te doen? Waarom zou God zich wél in hem, enkeling, manifesteren en niet in de vier mannen in zijn studeerkamer, die de duizenden mannen en vrouwen waaruit de Jaarvergadering bestond vertegenwoordigden? Maar iets wat sterker was dan de rede dreef hem naar de zolder. Hij stak de kaars aan die op de onderste trede stond en beklom de steile, donkere trap; om de negers in de cellen aan het andere einde niet te verschrikken, wandelde hij op zijn gemak naar hen toe. Hij hoorde niets; een ogenblik dacht hij dat Jesse er van had afgezien ze in de school onder te brengen. Toen hoorde hij een zwak geluid, dat onmiddellijk gesmoord werd: het huilen van een zuigeling. Vrienden, zei hij, wees niet bang. Ik ben Abner Best, het hoofd van deze school. Ik zou graag met jullie kennismaken.
Het deurtje van de verste cel werd behoedzaam geopend en een zwart gezicht gluurde naar buiten. Ja, Massa, fluisterde een stem.
Welkom, zei Abner. Het doet me plezier jullie hier te mogen ontvangen. Laten we elkaar de hand reiken. Hoe heet je, Vriend?
Het zwarte gezicht in het kaarslicht antwoordde, fluisterend: Jonathan, Massa, Jonathan Curry.
Welkom, Jonathan Curry. Abner strekte de hand uit.
Het duurde even voor de man reageerde; maar zodra Abner de hand van de ander in de zijne voelde, wist hij het zeker: deze mensen droegen het goddelijke in zich, de vier mannen beneden ook. Als die de negers de hand zouden drukken, zoals hij nu, zou het goddelijke in hen uit zijn boeien worden losgeslagen op dezelfde manier waarop de kreet van George Fox in de gevangenis te Derby het goddelijke had losgeslagen in de beulen die op het punt stonden een vrouw op te hangen. Vriend Jonathan, wil je me aan de anderen voorstellen?
Het kostte Jonathan Curry moeite de anderen ertoe over te halen hun schuilplaatsen te verlaten, maar uiteindelijk kwamen ze dan toch te voorschijn: vijf doodsbange mensen, in lompen gehuld, uitgeput door gebrek aan slaap. De laatste die te voorschijn kwam was een vrouw, die de zuigeling in de armen hield. Sarah Washington, zei Jonathan Curry.
Abner drukte haar de hand en vroeg: En wie hebben we hier? Hij raakte het wangetje van de baby aan.
Henry ...
Welkom, Henry Washington.
Nee, Massa, Henry Jones. Zijn moeder is dood. De slavenhalers hebben haar te pakken gekregen in Kentucky.
Er was nu geen twijfel meer; het was alsof Gods hand weer op zijn schouder rustte en hem verder niets te doen stond dan Hem te gehoorzamen. Vrienden, zei hij, beneden, in mijn kamer, zitten vier leden van onze Jaarvergadering. Een van hen komt helemaal uit Engeland. Ik zou jullie graag aan hen voorstellen. Het is belangrijk.
De negers zeiden niets.
Het is niet alleen belangrijk voor jullie zelf, maar voor alle ontsnapte slaven die na jullie komen. Willen jullie dat doen? Al was het alleen maar in ruil voor de gastvrijheid? Hij had er onmiddellijk spijt van dat hij dat zei.
Maar het scheen hun leider te overtuigen. Wilt u dat we allemaal meegaan, Massa? vroeg hij.
Ja, alsjeblieft. Vooral jij, Vriendin Sarah. Hij glimlachte tegen de vrouw, nam haar bij de arm en zei: Deze kant uit, alsjeblieft.
Zij sjokte met hem mee in de richting van de trap, de zuigeling op de arm. De anderen volgden haar voorbeeld. Toen ze bij de trap waren aangekomen wilde Abner de zuigeling van haar overnemen, maar zij deinsde terug.
De ladder is steil en het is donker, zei hij. Je zult er achteruit af moeten. Zal ik eerst gaan?
Noch de vrouw, noch een van de anderen reageerde.
Goed, dan ga ik eerst.
Hij daalde de trap af en verwachtte hen weg te horen hollen zodra hij verdwenen was; maar zij bleven staan waar zij stonden. Hij deed de deur naar de gang open en strekte zijn hand naar hen uit. Kom, zei hij, alles is veilig.
Jonathan Curry was de eerste die het waagde; de anderen volgden zijn voorbeeld. Pas in de gang naar de studeerkamer drong het tot Abner door dat het er maar vijf waren; de vrouw met de zuigeling was er niet bij. Hij liep terug naar de zolderdeur en zag haar silhouet boven aan de trap staan. Wees niet bang, zei hij. Kom, het is ontzettend belangrijk. De hele toekomst ... doe het om zijnentwil, voor Henry.
De vrouw keek op hem neer zonder te bewegen; hij klom de trap op, strekte zijn armen uit en zei: Geef hem aan mij.
Na een laatste aarzeling reikte de negerin hem het kindje toe. Het gevoel van het bijna gewichtloze lichaampje ontroerde Abner diep. Henry Jones, uniek, onvervangbaar, nooit eerder op aarde geweest om er nooit weer terug te keren, vulde hem met tederheid. Hij moest proberen die tederheid deelachtig te maken aan de vier mannen in zijn kamer. De vrouw voegde zich bij hem; samen met de anderen liepen zij naar zijn bureau.
Toen hij de deur opendeed zaten de vier ouderlingen nog precies zo
als hij ze had achtergelaten. Kom binnen, zei hij tegen de negers.
Toen de vier de slaven zagen binnenkomen leek het alsof zij bevroren van verontwaardiging. Secondenlang bleven zij roerloos zitten; toen stond Mordechai Monk op. De andere drie volgden zijn voorbeeld.
Vrienden, zei Abner, nog steeds met de zuigeling in zijn armen, dit zijn de gasten die ik jullie wil voorstellen. Zij kwamen een paar uur geleden onverwacht aan. Hij zag de woede in de ogen van Mordechai Monk, maar ging door. Laat me ze aan jullie voorstellen. Jonathan Curry - Sarah Washington ... Toen stelde hij de vier Quakers voor. Mordechai Monk, Hosea Turnbull ...
Wat de Quakers ook mochten voelen, ieder van hen schudde de negers de hand. Toen de ceremonie achter de rug was bleef iedereen staan, zonder te weten wat er nu verder gebeuren moest. Abner trachtte woorden te vinden om hen duidelijk te maken waarom hij de negers beneden gebracht had, maar hij kon niets bedenken. Hij zag in de ogen van de vier ouderlingen dat het schouwspel van de slaven de muur van hovaardigheid waarachter het goddelijke in hen gevangen lag niet had weten te doorbreken. Het besef maakte hem zo wanhopig dat hij de zuigeling aan Mordechai Monk voorhield. Alsjeblieft, smeekte hij, alsjeblieft, houd hem alleen maar even vast - even maar ...
Mordechai kon niet anders doen dan het kind van hem overnemen.
Zijn naam is Henry Jones. Zijn moeder is gepakt door slavenhalers, in Kentucky.
Mordechai keek fronsend op het kindje neer; toen hield hij het een vinger voor. De zuigeling zwaaide ernaar, werd afgeleid door zijn eigen gezwaai, stak zijn duimpje in zijn mond en begon erop te zuigen, met luid gesmek.
Mordechai gaf hem het kind terug, en verliet plotseling het vertrek.
***
Mordechai was gevlucht omdat de zuigeling in zijn armen ineens de abstractie van de theologie ontmaskerd had. Theologisch was er geen speld tussen te krijgen: Vrienden moesten zich houden aan de wet, de keizer geven wat des keizers was, dat had Jezus geboden. Hij had op het punt gestaan Abner Best te gelasten slaven en kind terug te geven aan hun rechtmatige eigenaar, zoals de wet, zoals Jezus het geboden had. Maar de zuigeling in zijn armen had opeens de monsterachtigheid van de slavernij onthuld in het vlees: een kind, een mensenkind, dat door een ander mens als zijn bezit werd beschouwd. Dat was zondig, monsterachtig; hij kon de keizer niet geven wat des keizers was als het een levende ziel betrof. Die krielhaan van een bovenmeester, die smalborstige piepzak, die duffe, uitgedroogde peer van een man die hem getart had, gehoond, te kakken gezet, had gelijk: de slavernij was een zonde voor God, een smak in het
gezicht van alles wat Jezus vertegenwoordigde en gepredikt had. Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt gelijk Ik u liefgehad heb. Door zich vast te klampen met de bezetenheid van een ketterjager aan de letter van het Evangelie van George Fox, had hij de geest van het Evangelie van Johannes met voeten getreden.
Hoe was het mogelijk? Hij had dit continent doorkruist als een schildknaap Gods, en nu, in de donkere gang, leek het ineens alsof die kruistocht alleen maar geleid had tot levenslange knechtschap, misschien wel de dood, van een zuigeling. In plaats van een zoon het leven te schenken was hij geëindigd met het leven te willen ontnemen aan de zoon van een ander. Mijn God, wat was er in hem gevaren? Hoe kon hij, in Jezus naam, zichzelf nog langer een dienaar des Heren noemen? Wat was er van hem geworden? Mijn God, mijn God, wat was er van hem geworden?
Hij liep de gang uit, de trap af, naar buiten. Op het voorplein stond het standbeeld van de jonge vrouw die haar armen uitstrekte naar de hemel. Hij herinnerde zich hoe hij, maanden geleden, met wellust omhooggeloerd had naar haar borsten en zijn gezicht met de handen bedekt. Hoe bestond het dat hij op dat moment de ware verdoemenis niet had herkend? Niet de vleselijke liefde was het wat zijn ziel wegvrat, maar de liefdeloosheid. Hij was met blindheid geslagen geweest. Hij was ten prooi gevallen aan de dodelijke dwaling dat om zijn ziel te redden van het helse vuur hij alleen Christus lief behoefde te hebben. Het was niet tot hem doorgedrongen dat om de Heiland lief te hebben hij moest beginnen met zijn naaste.
Hij moest een plek vinden, ergens, ergens waar hij alleen kon zijn met God, zich op de knieën werpen om vergiffenis te smeken, genade, Leiding. Hier op het plein met al die kinderen achter de ruiten zou zijn gebed een publiek schouwspel worden, net als toen, buiten het Atheneum.
Hij liep de oprijlaan af naar het oude Vergaderingsgebouw. Toen hij de straat was overgestoken en op het bordes stond, drong het pas tot hem door dat dit geen kerk was. Hij had toen hij Quaker werd afstand gedaan van huizen met torens; het oude gebouw met zijn geluikte ramen vond zijn getuigenis in het feit dat het geen kerk was, geen huis Gods, maar niet meer dan een lege huls die de mens zelf moest vullen met Gods liefde.
Hij dwaalde het kerkhof in en vond een hek, dat toegang gaf tot een donker laantje. Hij stond een ogenblik stil, de ogen gesloten, het gelaat opgeheven, en bad: God, leid mij tot U. Toen opende hij het hek en liep het laantje in.
Hij zocht geen vergiffenis. Hij was bereid elke straf te dragen die God hem op zou leggen voor zijn zonde van liefdeloosheid. Waar hij naar hongerde was om nog eenmaal de werkelijkheid van de Tegenwoordigheid te beleven, nog eenmaal zich bewust te worden van Gods wil, zoals in Londen, toen hij de stem had gehoord die hem beval de oceaan over te steken om de Blijde Boodschap te gaan brengen. Was dat een waandenkbeeld geweest? Was daar de weg begonnen die geleid had naar het veroor-
delen van een zuigeling tot een leven van slavernij? Wanneer, waar, was hij in ongenade gevallen?
Hij liep het duistere laantje af, langs het meer, en kwam op een open plek waar gevelde bomen lagen en een brug over een bouwput naar het oerwoud leidde. Boven hem, in het wak hemel tussen de bomen, begonnen sterren te gloren. Ergens tjuikten nachtegalen in de vallende nacht.
Op zoek naar een plek in de wildernis waar hij alleen kon zijn met God stak hij de brug over en volgde het laantje. Opeens sloeg het linksaf, het oerwoud in. In de duisternis onder de bomen was het vochtig en koud; dieren ritselden in het struikgewas; ergens boven hem, in de gewelven van het woud, klapwiekten vleugels. Dit was geen plaats om in te keren, dit waren grotten vol angst en dreiging. Hij liep verder langs het laantje door het struikgewas, eindelijk bereikte hij een breed karrespoor dat lichter was dan het bos zelf. Hij ging aan de rand van de weg zitten, het hoofd in de handen. O God, leid mij, leid mij! Ik weet dat ik Uw vergiffenis niet waardig ben, dat ik gefaald heb, maar geef mij nog één kans, mijn God, geef mij ... Hij werd opgeschrikt door een geluid. Het kwam van links, uit het schemerduister. Hij stond op, want iemand naderde. Het geluid kwam langzaam dichterbij; vage gestalten begonnen zich af te tekenen in het donker. Arbeiders van het kanaal? Geritsel, geschuifel. Soldaten?
Het bleek een colonne te voet, begeleid door ruiters. Gevangenen? Toen onderscheidde hij vrouwen met pakken op de rug, die zich nauwelijks staande konden houden onder hun last. Het waren Indianen. Niemand sprak of riep terwijl zij voorbijtrokken, zelfs de kinderen niet die hij tussen hen ontwaarde. Het gekraak van wagens, het geschuifel van voeten was het enige geluid. De spookachtige stoet gaf een indruk van doffe vertwijfeling.
Waar worden jullie heengebracht?
Niemand antwoordde. Het leek of zij hem niet konden zien, niet konden horen. Hij stond aan de rand van het spoor met een gevoel van onwerkelijkheid: onzichtbare man, spook onder de levenden die in doffe wanhoop voorbijsjokten.
Opeens schraapte een tondeldoos, een vlammetje stak een lantaarn aan; hij zag een ruiter, wiens bovenlijf los in de nacht scheen te zweven.
Wie zijn deze mensen? Wat zijn jullie met ze aan het doen?
De ruiter antwoordde niet, maar draafde met zijn lantaarn de nacht in, terug langs het spoor.
De stille stoet bleef voorbijtrekken. Hij kon de gestalten nauwelijks onderscheiden, maar de lantaarn had gedurende een ogenblik een oude vrouw belicht die een kind in de armen droeg. Hij holde achter de vrouw aan, vond haar terug onder de menigte en zei: Alsjeblieft, mag ik dat kind voor je dragen? Het is te zwaar voor je ...
De vrouw scheen hem niet te horen. Hij strekte de handen uit om het kind van haar over te nemen. Toen hoorde hij een hoefslag naderen,
opnieuw vond het licht van de lantaarn hem. Een stem riep: Stop! Onmiddellijk! Kom hier! Epauletten flonkerden in het lantaarnlicht, een gezicht met een rode baard en een officiershoed keek op hem neer.
Jij daar! riep de officier vertoornd. Maak dat je wegkomt! Je hebt hier niets te zoeken! Ga naar huis!
De oude squaw met het kind strompelde weg. Zonder na te denken ging hij haar achterna, zijn jas uittrekkend om die om haar schouders te leggen.
Drijver! riep de stem achter hem, neem je zweep en lasso die vent uit de colonne! Allee!
Mordechai legde zijn jas om de schouders van de oude vrouw en stond op het punt het kind van haar over te nemen toen hij een fluitend geluid hoorde en een felle pijn zijn rug striemde. Hij kreeg een raar gevoel in zijn benen, alsof de huid op zijn kuiten ineens gekrompen was; toen werd hij overvallen door een angst die hij nog nooit van zijn leven gekend had. Opnieuw beet de zweep in zijn rug; zijn lichaam, sidderend van angst, wilde vluchten, maar iets in hem wat niets met zijn vlees te maken had gebood hem voor de oude vrouw te gaan staan om haar en het kind tegen de zweep te beschutten. Opnieuw beet de striem in zijn rug; hij kon een kreet van pijn niet onderdrukken. Toen besefte hij dat zijn frasen, de rollende donder van zijn preken, nu tot waarheid moesten worden gemaakt of al wat hij ooit die duizendkoppige menigten had toegebulderd zou in leugen veranderen, een smaad aan de levende God. Weer suisde de zweep en trof hem als een straal kokend water. Een rauwe stem gilde: Allee, vort! Smerig, goor, oud loeder! Vort, maak dat je wegkomt, vuile witte Indiaan! Vort! Vort!
De zweep striemde, en opeens brandde een verblindende pijn in zijn rechteroog. Hij krijste het uit, sloeg zijn handen voor zijn ogen en viel op de knieën in het zand. De zweep bleef striemen, striemen, tot hij niet verder kon. De wil was er, maar zijn vlees kon niet meer. Hij was te oud, hij had te veel gezondigd, God had hem verworpen. Toen hoorde hij een vrouwenstem roepen: Stop! In de naam van Jezus Christus, stop!
Iemand boog zich over hem en beschutte zijn rug; de zweep bleef zwiepen, maar hij voelde geen pijn meer. Snikkend viel hij in het zand.
***
Colonne, halt!
Lydia werd bij de kraag overeind gesleurd door de officier met de rode baard. Mordechai Monk lag voorover, zijn handen voor zijn gezicht. Zijn hemd was doordrenkt met bloed.
Nadat hij haar overeind had getrokken, liet de baardige kapitein het lantaarnlicht op Mordechai Monk schijnen en zei: Sta op, man! Laat me je gezicht zien.
Zij hielp Mordechai overeind tot hij op de knieën lag; de kapitein trok zijn handen van zijn gezicht. Een felrode striem liep over zijn jukbeen naar zijn voorhoofd; zijn rechteroog was dicht en gezwollen.
Dat is een gemene wond, zei de kapitein, daar moet je een dokter naar laten kijken. Juffrouw, zorgt u daar maar voor. Het lantaarnlicht bescheen haar. Bent u zijn dochter?
Zij schudde het hoofd.
Kom, breng de man naar een dokter. Heeft u ergens een rijtuig staan? Anders laat ik u brengen.
Opeens stond Mordechai Monk op en stofte het zand van zijn broek. Bedankt, Vriend, zei hij bedaard, maar ik ben van plan bij deze mensen te blijven.
De kapitein fronste. Hij had met precies dezelfde uitdrukking op haar neergekeken, destijds, vlak voor hij haar omverduwde met zijn paard. Wat krijgen we nou? vroeg hij.
Het spijt me, zei Mordechai Monk rustig, maar ik moet bij deze mensen blijven.
Moeten? riep de kapitein driftig uit. Wie heeft je hiertoe order gegeven?
God, antwoordde Mordechai. De rust waarmee hij het zei was zó in tegenspraak met de Mordechai die zij kende, dat Lydia tot de conclusie kwam dat hij in de war was geraakt door de klap op zijn hoofd. Maar zij kwam op die gedachte terug met een gevoel van schaamte; het was duidelijk dat Mordechai Monk, tegen wil en dank, overweldigd was door het goddelijke in hem.
Lydia verwachtte dat de kapitein in woede zou losbarsten, want dat had hij de vorige keer gedaan. Maar toen hij verder sprak was zijn stem hoffelijk en bedaard. Mag ik vragen wat u daarmee dacht te bereiken, meneer?
Ik heb de roeping om hun lot te delen.
Het kon niet van de kapitein verwacht worden dat hij de draagkracht van het woord roeping besefte, dat kon alleen iemand die van kindsbeen af doordrongen was van de betekenis die het woord voor Quakers had. Moet u horen, meneer, zei hij met een vertoon van redelijkheid, ik respecteer uw bedoeling, maar de werkelijkheid ... Geloof me; ik ken dit volk nu zo langzamerhand. Ze zullen u niet accepteren, want u bent een blanke. Ze zijn van hun jachtvelden verdreven door blanken, ze zijn door blanken van hun stam en hun familie gescheiden, ze worden door blanken naar een onherbergzaam oord gedreven, waar ze nog nooit van gehoord hebben. De enige manier voor deze mensen om hun laatste greintje zelfrespect te redden is om alle hulp van de kant van blanken te weigeren. Dus, meneer, als u denkt dat u met die Indianen mee moet omdat God dat van u verlangt, doet u dat om der wille van uw eigen zieleheil, op bevel van uw persoonlijke God.
Lydia kon zich niet langer inhouden. Er bestaat geen “persoonlijke God”, Vriend. Er is maar één God, voor ons allemaal, en Die woont binnen in jou, of je Zijn aanwezigheid erkennen wilt of niet.
De kapitein zei: Als u mij niet gelooft, misschien gelooft u dan de Indiaan zelf. Hij richtte zich tot de ruiter met de zweep die achter hem stond. Roep het opperhoofd.
De man zei: Jawel, kapitein, en reed weg.
Mordechai Monk wankelde. Lydia ondersteunde hem. Zij voelde opeens medelijden met de oude man, die op zijn leeftijd en zo ver van huis zo iets schokkends had moeten doormaken. Het zag er naar uit dat hij koorts begon te krijgen; ook al zou hij een eindje met de colonne meesukkelen, het was maar een kwestie van uren voor hij aan de kant van de weg in elkaar zou zakken. Nee, hoezeer ze zijn moed ook bewonderde, zij moest zien dat ze hem met een zoet lijntje naar de roeiboot kreeg.
De lantaarn kwam teruggeschommeld, de drijver zei: Hier is-ie, kapitein.
Een Indiaan, met twee veren in zijn vlechten, zat schrijlings voor de ruiter op het paard; de man duwde hem er hardhandig af. De Indiaan struikelde in het zand en stond op, de ogen neergeslagen.
Chief, zei de kapitein, deze persoon heeft 't in zijn hoofd gehaald om zich bij jullie te voegen. Hij denkt dat hij jullie daar een plezier mee doet. Als u hem als Indiaan accepteert, zal ik het ook doen. Zeg het maar.
Mordechai Monk begon zo te beven dat Lydia er nu van overtuigd was dat hij koorts had. Toen zei hij: Vriend Opperhoofd, ik kan niet doorzien waarom de Almachtige God heeft toegestaan dat je van jullie jachtvelden werd verdreven, maar Hij draagt mij op om mij bij jullie te voegen voor de rest van jullie reis, waarheen die ook moge voeren.
De Indiaan gaf geen teken dat hij hem gehoord had. Hij stond nog een ogenblik naar de grond te staren met een uitdrukkingloos gezicht, toen draaide hij zich om en verdween in de menigte.
Wat heb ik u gezegd? vroeg de kapitein. Goeienavond, meneer, en wel thuis. Hij hief een arm op en riep: Colonne! Voorwaarts mars!
De stoet zette zich in beweging. Mordechai Monk wankelde mee. Lydia smeekte: Vriend, alsjeblieft, laten we naar huis gaan! Wat voor zin heeft het bij deze mensen te blijven?
Hij antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, zo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft. Johannes 13, vers 20.
Lydia stond stil, in de hoop dat zij hem daarmee kon overhalen hetzelfde te doen, maar hij liep door. Het gezicht van het bebloede hemd, dat langzaam in het donker verdween, deed haar weer achter hem aanhollen, al wist ze niet wat voor andere argumenten ze kon aanvoeren. Ze ging naast hem lopen.
Opeens stond hij stil. Nee, zei hij, jij niet. Laat me dit alleen doen. Dit
is mijn roeping, niet de jouwe.
O, ik ga niet mee, zei ze. Ik wil alleen maar bij je blijven tot je tot je positieven komt.
Ik kom niet tot mijn positieven, zei hij, met zijn oude koppigheid, en liep verder.
Waar is je jas? vroeg ze.
Die heb ik aan een oude vrouw gegeven.
Als je dit wilt doorzetten, heb je een jas nodig. Ik zal hem wel even gaan zoeken. Welke vrouw?
Ergens daar, verderop ...
Zij liep met versnelde pas vooruit, vond een oude squaw met een zwarte pandjesjas om haar schouder, maar zag dat de vrouw een kind in de armen droeg. Ze kon het niet over haar hart verkrijgen om haar het kledingstuk af te nemen, en keerde terug naar Mordechai, tegen de stroom van Indianen in.
Toen ze hem bereikte sloeg ze haar arm om hem heen om hem te ondersteunen, en opeens had ze het gevoel dat hij gelijk had. Het had niets met rede of verstand te maken; hij bleef een koortsige oude man die op het punt stond in te storten, maar het was ondenkbaar dat God hem zo'n duidelijk bevel zou hebben gegeven zonder hem de kracht en de middelen te zullen verschaffen om dat bevel uit te voeren. Ze moest maar bij hem blijven tot hij alleen verder kon. Met haar arm om zijn schouder liep zij voort met de stoet.