Jesse wilde niet méér opvallen dan nodig was, daarom at hij die avond bij de Higginsen in plaats van in de school.
Halverwege de maaltijd kwam Abner binnen. Weet jij soms waar Lydia is? Mordechai Monk is ook niet op komen dagen voor het eten.
Adam zei: De schoolsjees is nog niet terug. Misschien is hij een ritje gaan maken met Lydia.
Doe niet zo dwaas, zei Abner.
Het was inderdaad een dwaas idee. Lydia in een sjees met de man die haar had laten excommuniceren? Zodra hij klaar was met eten ging Jesse haar zoeken.
Het duurde niet lang of hij vond de sjees, voor het oude Vergaderingsgebouw. Maar dat was op slot, en op het kerkhof was ook geen levende ziel te bekennen, behalve de vleermuizen. Toen zag hij dat een van de roeiboten weg was.
Het meer begon al heiig te worden; de toppen van de bomen op het nachtegaleneiland zweefden los boven de horizon. Hij kon de vogels in de verte horen kwinkeleren.
Hij sprong in een boot, roeide een eindweegs de mist in, streek de riemen en riep: Lydia?! ... Lydia! ...
Niemand antwoordde. De stilte leek dieper dan tevoren, omdat zijn geroep de nachtegalen tot zwijgen had gebracht. Nu hij de vogels niet meer hoorde had hij geen idee van richting meer. Hij roeide maar raak tot hij de wal bereikte, in de buurt van het kermisterrein. Hij roeide langs de rietkragen terug naar het kerkhof.
Toen hij de boot weer vastmaakte was het nacht geworden. Het had geen zin om in het donker naar haar te gaan zoeken; morgenochtend bij het eerste licht zouden zij met zijn allen eropuit moeten gaan, tenzij ze inmiddels thuis zou zijn gekomen. Hij bond de teugels van zijn paard aan het sjeesje en liet de oude merrie zelf de weg vinden in het pikkedonker onder de bomen, terug naar de school.
Abner en de anderen zaten hem op te wachten in het gezelschap van de drie afgezanten van de Jaarvergadering. Lydia en Mordechai waren nog niet terug. Niemand begreep wat er met hen gebeurd kon zijn. Ze bleven wachten tot na middernacht; toen ze tegen een uur of één een korte samenkomst hielden, ging Abner voor in gebed en smeekte God dat Hij hun geliefde Vrienden mocht beschermen tegen gevaar en hen veilig
naar huis mocht terugleiden.
Bij het krieken van de dag begonnen zij een georganiseerde zoektocht. Uria en kleine Will zouden te paard de oostelijke sector doorzoeken, van het meer tot het Indianenspoor, Obadja en een van de mannen van de Jaarvergadering de westelijke sector; Abner en Jesse roeiden de mist in, te ongerust om te wachten tot die opgetrokken zou zijn. Algauw moesten ze een tijdlang blijven drijven voor zij de wal konden onderscheiden. Tegen tien uur vonden zij de vermiste roeiboot, bij het steigertje van het bospad. Zij liepen het pad af; Lydia! Mordechai!, beantwoord enkel door kraaien. Zij bereikten het Indianenspoor en waren bezig het struikgewas te doorzoeken toen zij het geroffel van hoeven hoorden naderen. De stem van kleine Will riep: We hebben zijn hoed gevonden! We hebben Mordechai Monks hoed gevonden! Ze kwamen de bocht om; hij zwaaide met een hoed. Zodra hun paarden tot stilstand waren gekomen reikte hij die Abner toe.
Waar heb je hem gevonden?
Bij de kruising van het spoor en het Vrijerslaantje.
Hij ziet eruit alsof er koeien overheengelopen zijn.
Geen koeien, zei kleine Will. Indianen.
Hoe weet je dat?
Het zand zit vol afdrukken van mocassins. Er waren ook paarden bij, en twee of drie wagens. Vannacht is hier een troep Indianen langsgekomen.
Kleine Will was een goede speurder, hij werd dikwijls door boeren gevraagd om te helpen weggelopen vee te zoeken. Denk je dat de Indianen hen ontvoerd hebben? vroeg Jesse.
Kleine Will haalde zijn schouders op.
Ik ga de sheriff waarschuwen, zei Abner. Kan ik jouw paard krijgen, Will? Hij klom in het zadel en galoppeerde weg. Jesse roeide kleine Will terug naar het Vergaderingsgebouw.
***
Toen Abner het schoolhek bereikte, kwam Adam Higgins hem tegemoet op de muilezel. Ze zijn gevonden! riep hij. Ze mankeren niks!
Waar zijn ze?
Ze zijn met de Indianen meegegaan. Een luitenant is het komen vertellen!
Is die er nog?
Ja, hij zit in je studeerkamer.
Abner galoppeerde de oprijlaan op. Hij gunde zich de tijd niet om het paard vast te binden, holde de stoep op en naar boven. Toen hij zijn studeerkamer binnenkwam, vergat hij Lydia gedurende enkele ogenblikken bij het zien van Saraetta. Haar gezicht was nat van tranen, haar haren
waren los, ze wrong haar handen en klonk volkomen hysterisch toen ze gilde: Het kan niet waar zijn! Niet hij, niet hij! Abner! Abner!! Zij holde hem tegemoet, greep zijn jas, schudde hem en riep: Je moet erheen! Je moet erheen gaan en hem terugbrengen! We mogen het niet toestaan! Hij mag het zichzelf niet aandoen!
Stil nou, Saraetta, stil, stil ... Hij sloeg zijn armen om haar heen, zij beefde als een riet, zweet glinsterde op haar voorhoofd. Een jonge cavalerieofficier stond er verlegen bij.
Abner, alsjeblieft, alsjeblieft, smeekte zij, je moet erheen! Je moet hem terugbrengen! Je moet! Je moet!
Dat zal ik doen, lieve schat. Ik zal alles doen wat je wilt, maar vertel me eerst ...
Hij zit onder het bloed, Abner! Hij - ze hebben hem gegeseld - gegeseld!
Is dat waar? vroeg hij.
Ik ben bang van wel, meneer, zei de luitenant. Een van de drijvers kreeg het op zijn heupen, ik bedoel -
Gegeseld! Ze hebben hem gegeseld! gilde Saraetta.
Abner kon het niet meer aan. Hij moest haar tot bedaren zien te krijgen, naar bed brengen. Stil nou, schat, stil, Sara, drong hij aan. Ik ga, ik ga dadelijk, maar alsjeblieft, alsjeblieft, tracht je te beheersen ...
Je moet hem terugbrengen! Je mag niet terugkomen zonder hem! Beloof me dat! Belóóf het!
Ik zal doen wat ik kan ...
Als je niet vastbesloten bent om hem terug te brengen, ga ik zelf! Vriend, wil je mij naar hem toe brengen?
Voor de luitenant had kunnen antwoorden zei Abner, streng: Dat is uitgesloten, Saraetta! Als je wilt dat ik naar hem toe ga, moet je nu tot bedaren komen en me de kans geven om te horen wat er gebeurd is.
Zij bedekte haar mond met een zakdoek, in een poging haar snikken te smoren. Op dat moment kwamen Jesse en kleine Will binnen. Hoe is het met Lydia? vroeg Jesse.
Ik geloof dat ze er heel best aan toe is, meneer, antwoordde de luitenant met gedwongen opgewektheid. Ik ben haar al eens eerder tegengekomen, weet u, in het bos. Ik bedoel - ik heb haar op een morgen een eind op weg naar huis gebracht. Daarom, toen ik haar weer tussen de Indianen zag opduiken dacht ik, weet je wat, laat ik die mensen eens gaan waarschuwen.
We gaan, zei Jesse, en opende de deur.
Een ogenblik, alsjeblieft! riep Abner uit. Als zij zich bij die Indianen gevoegd heeft uit roeping, zal ze zich niet laten ompraten ...
Roeping m'n pet, zei Jesse. Iedere minuut die we hier staan te verspillen met slap gezwam ...
Ze is mijn zuster! riep Abner uit. Ik heb haar mijn leven lang gekend!
Ze is een edele vrouw, en als ze eenmaal iets besloten heeft ...
Waarom bepraten we dat niet allemaal onderweg? stelde Obadja voor. Ik zou graag meegaan, als dat goed is, vanwege Mordechai Monk.
Vind je niet, Vriend, dat het gepaster zou zijn indien een van ons drieën meeging? vroeg Hosea Turnbull, een van de afgezanten van de Jaarvergadering.
O, zonder twijfel, antwoordde Obadja hoffelijk. Je bent welkom, Vriend. Maar het zal een zware rit worden. Waar zijn zij nu, luitenant?
Een mijl of twaalf om de west, meneer, op de verzamelplaats, op de prairie. Daar blijven ze bivakkeren tot morgenochtend.
Laten we zeggen: Hosea Turnbull, Obadja, Jesse en ikzelf, stelde Abner voor. Iedereen die zich verder nog bij ons aan wil sluiten is welkom, als hij er zeker van is dat hij ons niet zal ophouden. De prairie is drie uur rijden. Toen niemand hierop inging, concludeerde hij: Goed, we gaan.
Abner ...! riep Saraetta klagend. Alsjeblieft, alsjeblieft! Ik weet dat hij doodgaat als je hem niet meebrengt! Ik weet dat hij doodgaat! Ze begon opnieuw te snikken. Charity sloeg haar arm om haar schouders.
De vijf mannen verlieten haastig het vertrek, holden de gang uit en de trap af naar de stallen waar zij hun paarden zadelden. Toen zij de oprijlaan afreden voegde Abner zich bij de luitenant. Hoe was ze eraan toe, toen je - toen je haar achterliet? vroeg hij. O! leefde Vader nog maar! Haar leven lang had ze impulsieve dingen gedaan, maar nog nooit zo iets gevaarlijks ...
O, prima, antwoordde de jonge man. Dat wil zeggen: zij mankeerde niets; maar die ouwe man heeft behoorlijk op zijn la - ik bedoel: die hebben ze nogal hardhandig afgerost. Maar u moet haar wel met u mee terugnemen; een blanke vrouw onder al die Indianen, dat gaat niet.
Hoe - hoeveel Indianen zijn er?
Achthonderd: acht dagelijkse konvooien. Tot de prairie vervoeren we de Indianen bij honderd tegelijk, ziet u, want méér kunnen we niet geheim houden. Maar tussen hier en Pierrelouchant woont geen sterveling, dus morgen vertrekken ze met de hele bups, met zonsopgang, en reizen weer overdag.
Ik - als ze niet van haar plan afgebracht kan worden - ik - ik ben blij dat jij er bent, om een oogje op haar te houden ... Abner had moeite zijn tranen te bedwingen.
Jammer genoeg zal ik niet van de partij zijn, zei de luitenant. Ik ga morgen terug voor mijn volgende konvooi van honderd. Het grote konvooi dat naar de Missouri vertrekt staat onder bevel van kapitein Stewart.
O, zei Abner.
Het was het laatste dat zij zeiden voor zij de heuvel bereikten vanwaar zij de prairie konden zien, een eindeloze vlakte golvend gras, eenzaam en leeg als de zee. Kleine witte wolken dreven in de blauwe hemel, hun
schaduwen donkere vlekken op de groene vlakte. Zoals steeds wanneer hij oog in oog stond met de zee van gras, voelde Abner een huivering. Als kinderen waren Lydia en hij weleens een eindweegs de eenzaamheid ingereden, maar altijd was hij de eerste geweest die zich omkeerde en terugvluchtte naar het bewoonde land. Ook nu weer beving hem die angst, toen hij het paard van de luitenant volgde dat omlaaggaloppeerde en zich in het manshoge gras stortte, en een zwerm vogels opjoeg.
De stilte werd dieper naarmate zij de bewoonde wereld verder achter zich lieten; algauw kwam de eerste gier boven hen cirkelen. Uit het feit dat de luitenant dikwijls keek naar iets wat hij in de hand hield maakte Abner op dat hij een kompaskoers volgde. Hoe moesten zij de weg terug vinden, vanavond? Zou het gras zich dan weer hebben opgericht? Zou zijn paard niet te moe zijn om zowel hemzelf als Lydia te dragen? Als hij erin zou slagen haar te overreden met hem mee terug te gaan...
Ineens stonden zij aan de rand van een open plek vol mensen met hier en daar paarden en karren, hoog opgestapeld met huisraad. Een breed spoor van platgetrapt gras leidde in oostelijke richting, de luitenant had blijkbaar een kortere weg genomen. Zij reden langzaam door de dicht opeengepakte mensenmassa naar een groep militairen die aan de andere kant van de open plek bij elkaar stonden; toen kreeg Abner Mordechai Monks witte haardos in het oog. En daar was Lydia: bezig het hoofd van de oude man te verbinden die aan haar voeten op de grond zat, in hemdsmouwen. Zij ging zo op in wat zij aan het doen was dat zij Abner pas opmerkte toen hij ‘Dag Lydia’ zei.
‘Abner!’ Ze klonk blij verrast, alsof hij zich bij een picknick kwam voegen.
Mordechai Monk gluurde naar hem, met één oog samengeknepen in de zon. ‘Kijk, kijk,’ zei hij, met een duidelijk gebrek aan geestdrift.
‘Even stil!’ riep Lydia. Zij maakte het verband af; Mordechai grijnsde; misschien kwam het door de schrammen op zijn gezicht dat hij eruitzag als een oude kater die gevochten had. ‘Nu, zo moet het dan maar,’ zei ze. ‘Ik ben direct terug, lieve Vriend.’ Zij nam Abner bij de arm. ‘Kom.’
Zodra zij buiten gehoorsafstand waren, begon hij: ‘Lydia, dat had je niet mogen doen! Je hebt ons de doodsschrik op het lijf gejaagd!’
‘Dat spijt me,’ antwoordde ze, ‘maar het kon nu eenmaal niet anders. Het is allemaal zo vlug gebeurd.’
‘Wát is er gebeurd?’
Zij vertelde hoe ze Mordechai Monk had zien vallen onder de zweepslagen van een drijver, en hoe Mordechai de kapitein had aangezegd dat hij bij de Indianen wilde blijven, als getuigenis.
‘Maar jij?’ vroeg hij. ‘Jij gaat toch niet mee, zeker?’
‘Ik wil alleen maar een eindje meegaan, tot hij weer voor zichzelf kan zorgen.’
‘Onzin!’
‘Het is geen onzin, Abner,’ antwoordde zij met een begin van scherpte. ‘Deze man is in de macht Gods. Heus! Ik hoef jou er toch niet van te overtuigen dat ik niet met hem dweep? Ik heb minstens evenveel het land aan die kerel als jij! Maar daar lag hij, voorover in het zand, en liet zich geselen als Christus op de weg naar Golgotha. We kunnen nog zoveel redelijke argumenten aanvoeren, het feit blijft bestaan dat van ons allemaal, die de Indianen voorbij hebben zien trekken, hij de eerste is die zegt: “Ik zal één met ze worden, omdat God dat wil.”’
‘Waarom zou God dat willen, Lydia?’
‘Ik weet het niet. De laatste die ik zou kiezen, als ik God was, om Mijn liefde te belichamen onder die Indianen is Mordechai Monk. Maar toch is hij het die God gekozen heeft voor deze getuigenis, en hij zal ermee doorgaan, ook al valt hij erbij neer. Dat mogen wij als Vrienden niet laten gebeuren. We mogen deze halfblinde, gewonde man niet alleenlaten onder de Indianen. Iemand moet hem bijstaan, verzorgen...’
‘Maar waarom jíj, Lydia?’
Ze stond stil en keek hem aan. ‘Inderdaad,’ zei ze, ‘waarom ik? Als je iemand kunt vinden die het van me overneemt, zal ik je op mijn blote knieën danken! Jij zelf, bijvoorbeeld.’
Het was alsof God hem ineens in zijn hemd zette. Hij zou het niet durven. Bovendien, hij had Saraetta, de school... ‘Ik ben ervan overtuigd dat wij iemand zullen vinden,’ zei hij laf.
‘Ik hoop het,’ antwoordde ze. ‘Maar ik heb destijds, tijdens samenkomst, gebeden: “God, laat mij Uw liefde belichamen!” Ik ben bang dat God bezig is mij aan mijn woord te houden.’
‘Onzin, Lydia, onzin!’ riep hij uit. Maar hij had opeens hetzelfde gevoel als wanneer hij tijdens samenkomst de Tegenwoordigheid ervoer. Nog nooit eerder was hij daar misselijk van geworden.
***
Obadja probeerde met alle overtuigingskracht die hij bezat Vriend Mordechai ertoe te brengen naar huis te gaan, maar hij ontdekte algauw dat hij zich de moeite kon besparen.
De verandering die in de man had plaatsgegrepen was verbluffend. Niet alleen zijn uiterlijk, de schrammen op zijn gezicht, de bloedige striemen op zijn rug; er had een innerlijke verandering plaatsgegrepen in het monster dat hij al die maanden had begeleid. Het kon een nieuwe toneeltruc zijn; maar de man die nooit met ook maar een half oor naar hem had willen luisteren, was nu één en al aandacht. Obadja werd hoe langer hoe onzekerder; ten slotte leek het alsof hij bezig was Saulus te vertellen dat hij zich niet moest aanstellen, maar weer op zijn paard klimmen en doorrijden naar Damascus.
Mordechai zei: ‘Vriend, je argumenten zijn volkomen redelijk. Maar ik
vrees dat God het onredelijke van mij verlangt.’
‘Maar waarde Vriend! In jouw conditie...’
Mordechai Monk glimlachte. ‘Ik mag er op sterven na dood uitzien, maar ik verzeker je dat mijn toestand beter is dan je zou denken.’ Hij zag er inderdaad afgrijselijk uit; het kon niet anders of hij moest krimpen van de pijn. Toch gedroeg hij zich alsof de bulten en de wonden er alleen maar opgeschilderd waren.
‘En Lydia Best?’ vroeg Obadja.
‘Lydia Best moet naar huis, daar is geen twijfel aan. Ga het haar maar namens mij vertellen. Daar is ze.’ Hij wees naar Lydia en Abner, die tussen de Indianen stonden.
Obadja greep het voorwendsel met beide handen aan. ‘Goed,’ zei hij. ‘Dat zal ik doen.’
Lydia zag hem aankomen. Uit de manier waarop ze naar hem keek maakte Obadja op dat ze wist wat zijn oogmerk was.
‘Vriendin Lydia, zou ik je even mogen spreken?’
Abner maakte zich discreet uit de voeten; Obadja begon: ‘Lydia, ik heb met Mordechai gesproken en ik ben tot de overtuiging gekomen dat hij niet van zijn voornemen af te brengen is. Maar hij en ik zijn het erover eens dat jij niet verder mee moet gaan. Het konvooi staat op het punt door de prairie te trekken, daar zijn ontberingen aan verbonden die onmogelijk door een vrouw gedragen kunnen worden.’
‘Wel door een halfblinde man van tegen de zeventig?’
‘Natuurlijk niet! Het hele plan is onzin, alleen ik zie geen kans hem ervan terug te brengen. Ik denk dat niemand dat kan. Vergeet niet, ik heb maandenlang met de man gereisd, ik weet: als hij eenmaal iets in zijn hoofd heeft, is hij net een stier, die dóórrost tot hij zijn doel heeft bereikt of stukgemaakt.’
Zij keek hem verwonderd aan. ‘Is het je na al die maanden van samen reizen niet opgevallen dat er nu iets met hem gebeurd is?’
‘Natuurlijk, natuurlijk! Maar je weet met hem nooit of het waar is, of weer een nieuwe rol.’
‘Vriend Obadja,’ zei ze, ‘hij is bezig Gods wil uit te voeren, wat die ook moge zijn. Ik wil met hem meetrekken tot ik ervan overtuigd ben dat hij er niet bij neervalt en omkomt in de prairie.’
‘Waarom jij, lieve Vriendin?’
‘Wil jij het soms van me overnemen?’
Hij schrok zich een aap. Hij? Die popelde om met losse teugel terug te galopperen naar de huwelijksgeneugten, die door deze hele geschiedenis zo ruw waren onderbroken?
‘Als iemand met Mordechai Monk mee zou moeten gaan, ben jij het. Je bent als zijn metgezel aangesteld door de Jaarvergadering in Philadelphia; officieel is hij nog altijd...’ Toen kreeg ze medelijden. ‘Weet je wat,’ zei ze, ‘vraag het eens aan de gewichtige Vriend uit Richmond, die daar,
hoe heet hij?’ Zij wees naar Hosea Turnbull.
‘Ja, ja - goed idee!’ zei Obadja. ‘Ik ... ik zal het met hem bepraten...’ En hij vluchtte.
***
Toen Jesse zag dat ze alleen was slenterde hij naar Lydia toe. Daar stond ze, moederziel alleen tussen de vuile, vijandige Indianen, die haar natuurlijk links lieten liggen. Wat een onwereldse onnozelheid, wat een onbegrip! ‘Zo Lydia,’ zei hij.
‘Zo Jesse. Waar heb jij al die weken gezeten?’
‘In het Zuiden, voor de Ondergrondse Weg. Ik hoor dat je van plan bent om met de Indianen mee te trekken.’
Zij glimlachte. ‘Wou je het soms van me overnemen?’
‘Doe niet zo gek. Ik heb mijn handen vol met mijn nikkers.’
‘Kijk aan,’ zei ze, ‘laten we dan ieder onze eigen roeping maar volgen.’
‘Lydia,’ zei hij bedaard, ‘je moet doen wat je niet laten kunt; ik wou je alleen maar waarschuwen dat je bezig bent jezelf te verslingeren aan een stelletje tuig dat het aankijken niet waard is.’
‘Over wie heb je het?’
‘Die Indianen. Ik heb meer met ze te maken gehad dan jij. Wist jij dat ze negerslaven hielden? Dat ze die nog slechter behandelden dan de blanke slavenhouders in het Zuiden? Ze verkwanselden ze onder elkaar, ze fokten negerkinderen om ze te verpatsen. Nou, nu hebben ze dan eindelijk een portie van hun eigen medicijn te slikken gekregen. Het is tuig, Lydia, tuig van de richel.’
‘Jesse!’ zei ze, met ontsteltenis. ‘Wat is er met jou gebeurd?’
‘Word wakker, kijk om je heen. Kijk naar ze! Zie je ze naar jou kijken? Ze laten je doodvallen. En kijk! Die heren daar, op die paardjes, die dit geteisem naar Kansas drijven! Dacht je dat die je met rust zouden laten? Ze stáán al naar je te loeren. Ik ken hun soort, ik heb iedere dag met ze te maken. Het is precies hetzelfde schoelje als de slavenjagers. Zodra jullie twee dagen ver de prairie in zijn... En als zij je niet te grazen nemen, dan die kapitein met de baard wel. Ik heb hem ook zien kijken. Dacht je dat je die heren met onderwijzeressenmaniertjes op een afstand kon houden? Je bent krankzinnig.’ Hij voelde dat zijn woorden indruk op haar begonnen te maken, maar ze zou Lydia niet zijn als ze dat liet merken.
‘Dank je,’ zei ze, ijzig, ‘maar ik moet even iets rechtzetten. Ik ben niet van plan om met de Indianen mee te trekken, ik ben van plan om bij Mordechai te blijven tot hij voor zichzelf kan zorgen.’
Nu was het zijn beurt haar ongelovig aan te kijken. ‘Die ouwe kraai? Die ons met z'n allen uit de school heeft laten donderen? Nou wordt-ie goed!’
‘Jesse,’ zei ze, ‘ik geloof dat het maar beter is dat wij elkaar de hand
reiken en ieder ons weegs gaan. Het is duidelijk dat wij elkaar niets meer te vertellen hebben.’
Zij wilde weglopen, maar hij hield haar vast, ruwer dan hij bedoelde. Hij zag haar ogen flitsen toen hij haar arm greep, maar het kon hem niet schelen. ‘Wil je even je hersens gebruiken, lieve schat? Je zegt: je blijft bij die man tot hij zich lekker voelt. Hoe lang gaat dat duren? Een week? Wou je een week lang teruglopen door de prairie, op je eentje?’
Zij maakte zijn hand los en zei: ‘Ik ben ervan overtuigd dat de kapitein wel zo vriendelijk zal zijn mij terug te laten brengen.’
‘Lydia, Lydia,’ zei hij, meewarig het hoofd schuddend, ‘je hebt nog een hoop te leren. Als je de Quaker-beginselen in praktijk wilt brengen, laat dan die vuile Indianen doodvallen, die ouwe brulaap in zijn eigen sop gaarkoken, en ga met mij mee. Ja, met mij. Mee, de Ondergrondse Weg op. Mens! Als je wist hoe we jou kunnen gebruiken! Je bent geknipt voor ons soort werk. Je hebt lef, je bent slim, je bent een mooie meid om te zien; een blanke Viola zou je kunnen worden! Geen sheriff in Kentucky zou het in zijn hoofd halen om jou voor een gids op de Ondergrondse Weg aan te zien. Ga mee, meid! Als je een roeping wil, dan héb ik er een voor je. Een roeping, waarbij vergeleken dit halfgare plan van je een lachertje is.’
‘Jesse,’ zei ze, met een klank van wanhoop. ‘Ik weet dat je het goed meent. Ik weet dat je werkelijk gelooft...’
‘Wat? Vooruit, zeg op! Wat weet je dat ik geloof?’
Zij keek hem aan met een rare uitdrukking in haar ogen.
‘Zoals ik zei: laten we ieder onze eigen roeping volgen. Kijk, je wordt afgehaald.’
Hij zag Abner op hem afkomen en vloekte binnensmonds, want hij was ervan overtuigd dat als hij nog vijf minuten langer met haar had kunnen praten hij haar zou hebben overgehaald. ‘Wat moet je?’ vroeg hij onvriendelijk.
‘Ik - eh - Hosea Turnbull, Obadja en ik wilden je graag even spreken,’ antwoordde Abner.
‘Waarover?’
‘Ga nu maar,’ zei Lydia. ‘Ik moet toch naar Mordechai toe.’
Zij liep weg; Jesse stond in twijfel of hij haar achterna zou gaan; toen zei Abner: ‘Wij willen samenkomst houden en om Leiding bidden.’
Jesse keek de bleke, eeuwig weifelende stakker meewarig aan. Het laatste waar hij op dit ogenblik behoefte aan had, was samenkomst; maar misschien kon hij een duit in het zakje doen met een redelijk voorstel om de twee halve garen van hun plan af te brengen. ‘Goed,’ zei hij, knorrig, en beende mee naar de twee anderen, die hen met uitgestreken gezichten stonden op te wachten tussen de Indianen.
‘Wij hebben allen op onze beurt vergeefs met onze broeder en zuster gepleit,’ zei Hosea Turnbull toen zij zich bij hen voegden, ‘het ogenblik is
gekomen om ons probleem voor God te brengen. Laat ons een rustig plekje vinden waar wij ons kunnen verenigen in gebed.’
‘Er zijn hier geen rustige plekjes,’ zei Jesse. ‘Maar als we een paar stappen het gras inlopen zullen ze ons wel met rust laten.’
‘Wij zullen je met liefde volgen,’ zei de oude Quaker waardig.
Jesse baande een weg voor hen door het luizige Indianentuig, dat deed alsof het hen niet zag, maar toch ruimte maakte. Hoe was het mogelijk dat een intelligente vrouw als Lydia - enfin, hij zou ervoor zorgen dat van het malle plan niets kwam. Lydia bij de Ondergrondse Weg was een geweldig idee, Lydia onder de Indianen was waanzin.
Hij leidde de drie anderen een meter of tien het gras in, trapte een open plek voor ze en zei: ‘Laten we hier maar gaan zitten; of het tien stappen of tien mijl ver weg is blijft om 't even.’
Ze gingen in een kring op de grond zitten, vouwden hun handen en sloten hun ogen. Het geroezemoes van de Indianen klonk op de achtergrond; soms hinnikte een paard; dichtbij tjilpte een vogeltje, wiegend op een halm van het manshoge gras. Jesse zat aan Lydia te denken en hoe hij haar zou opleiden als gids, toen Hosea Turnbull de hoed afnam en begon te bidden op de zangerige toon die zijn generatie gebruikte als ze het Opperwezen aanspraken. ‘O God, wil ons leiden in dit moeilijke uur! Twee geliefde Vrienden staan op het punt zich in levensgevaar te begeven, omdat zij ervan overtuigd zijn daarmee Uw wil te doen. Wij allen, in eerbied in Uw aanschijn verenigd, zijn ervan overtuigd dat zij zich op een dwaalspoor bevinden. Wil ons helpen, o God, hen ertoe te brengen hun valse roeping te onderwerpen aan de gemeenschappelijke Leiding van de Vergadering. Wij, hier verzameld, zijn slechts een viertal Vrienden, maar er staat geschreven: “Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben Ik in het midden van hen.” Leid ons, o God, o Christus, leid ons, geef ons de kracht, de wijsheid, het geduld om onze Vrienden ervan te overtuigen dat niet alle roepingen van U afkomstig zijn, maar dat dwalingen mogelijk zijn, inblazingen van de duivel, en dat daarom iedere persoonlijke roeping onderworpen moet worden aan de gemeenschappelijke Leiding van Uw Uitverkoren Volk. Amen.’
Niettegenstaande zijn minachting voor oude zeveraars zoals deze galmende Vriend, kwam Jesse toch onder de indruk. Wie weet, als deze uitgestreken IJzeren Hein Mordechai Monk en Lydia zou aanzeggen dat hun roeping moest worden onderworpen aan de Maandvergadering, zonden ze misschien het volgende konvooi afwachten.
‘Ik verenig mij,’ zei Obadja, op gebedstoon, maar met duidelijke opluchting. ‘Ook ik geloof dat de enige manier waarop wij onze Vrienden mogen benaderen is hen erop te wijzen dat hun roeping eensgezind door de Vergadering moet worden gesteund.’
Nou, dacht Jesse, dat is dan wel wat je noemt een bliksembekering. Hij kon zich nog goed herinneren dat dezelfde Obadja, in zijn pleidooi voor
de tien negers, de mond vol had gehad over het individuele geweten. Wat de oude Turnbull voorstelde was niet anders dan de opinie van rechter Saunders, overgezet in Quaker-taal.
‘Wat ons is voorgelegd, is het bevrijdende woord,’ zei Abner, met hemelse ogen en een uitdrukking op zijn gezicht waar Jesse bijna van proestte. ‘De Leiding die wij nu behoeven is of wij dit gezamenlijk onze Vrienden gaan aanzeggen, of dat één uit ons midden met deze taak moet worden belast.’
Nu kon Jesse echt niet langer zijn mond houden. ‘Ik weet niet of dit nog een samenkomst is of een zakenvergadering,’ zei hij op normale gesprekstoon, ‘maar waar het op neerkomt is: wie moet de kastanjes uit het vuur halen? Als het de heren te link is zal ik me graag beschikbaar stellen.’
De anderen vielen, verstoord, uit hun rol van aanbidders en keken hem met zure gezichten aan.
‘Als onze Vrienden de discipline van de Vergadering moet worden opgelegd,’ zei Abner, ‘wil het mij voorkomen dat de gewichtigste onder ons het meest voor deze taak geschikt is.’ Hij glimlachte bleekjes tegen Hosea Turnbull. ‘Zou jij, Vriend, dit op je willen nemen?’
De oude Quaker leek niet gelukkig met de gang van zaken. ‘Het wil mij voorkomen dat het meer kracht zou bijzetten aan onze aanzegging als wij het met ons allen zouden doen.’
Het was even stil, toen zei Jesse: ‘Goed, laten we met ons allen gaan, en laat Vriend Hosea het woord doen. We moeten niet te lang hier rondhangen; aanstonds is het donker, en na zonsondergang gaat het gras zich oprichten met de dauw. We moeten nog terug.’
Hosea Turnbull keek de kring rond, de anderen knikten. Hij zei: ‘Zo zij het. Laat ons gaan, en moge God ons bijstaan in deze moeilijke stonde.’
Zij reikten elkander de hand, stonden op en waadden door het hoge gras naar de open plek. De Indianen weken voor hen als het water van de Rode Zee voor de Israëlieten. Zij schreden plechtig naar Mordechai Monk en Lydia Best, die hen, naar het scheen, met beduchtheid zagen naderen.
***
Hosea Turnbull had Obadja moed gegeven, want waar zijn slimme voorstel op neerkwam was dat hij Mordechai Monk met zijn eigen wapens wilde vellen. Het was het refrein geweest van al de preken van de brullende profeet: dat iedere persoonlijke roeping getest moest worden in het vuur van de gemeenschappelijke Leiding van de Vergadering. Het was een argument waartegen Vriend Mordechai geen woord zou kunnen inbrengen zonder zijn evangelisatie van de afgelopen maanden tot dwaalleer te verklaren.
Het argument was zo verpletterend dat toen Hosea Turnbull het in rustige, plechtige woorden aanzegde, Obadja opeens medelijden voelde
met de oude Mordechai, met zijn gewonde hoofd en zijn bebloede hemd. ‘Daarom, geliefde Vrienden, voelen wij ons belast ulieden aan te zeggen namens de Maandvergadering van Pendle Hill, de Jaarvergadering van Indiana, het Genootschap der Vrienden, dat gijlieden terug moet keren en u onderwerpen aan de Leiding van het Innerlijk Licht van de gehele gemeente.’
Mordechai Monk keek de kring rond met zijn ene oog. Toen hij sprak was het met dezelfde rust waarmee hij Obadja had aangesproken. ‘Vrienden, ik weet dat ik mij hiermee buiten de perken stel van het Genootschap, maar ik heb gisteren door Gods genade een openbaring beleefd. Hij heeft mij doen inzien dat er één uitzondering is op de regel dat een persoonlijke roeping aan de gemeenschappelijke Leiding van de Vergadering moet worden onderworpen: wanneer het gaat om het lot van een ander mens. Toen Jezus zei: “Geef de keizer wat des keizers is,” achtte Hij het niet nodig om daaraan toe te voegen: “behalve wanneer dat inhoudt een ander menselijk wezen aan de beulen van de keizer over te leveren.” Dat hoefde Hij er niet aan toe te voegen, want het is in tegenspraak met alles wat Hij predikte, met Zijn kruisoffer zelf. Daarom, Vriend Hosea, zal ik niet teruggaan om mijn roeping te onderwerpen aan de Leiding van de Vergadering. God heeft mij geroepen; het is aan mij Hem te gehoorzamen. Als jullie van oordeel bent dat ik in een dwaling verkeer, zo zij het. Dan zal ik mijn gemeente verlaten, mijn kruis op mij nemen en de woestijn intrekken om Hem te volgen.’
‘Als dat kruis je nu eens niet door God, maar door de duivel zou blijken te zijn opgelegd, Vriend Mordechai?’ vroeg Hosea Turnbull. ‘Wat dan?’
‘Dan zal ik zonder twijfel, ergens in de woestijn, aan dat kruis worden genageld.’
Obadja voelde dat hij dit keer geen toneelvoorstelling gaf, maar dat het hem heilige ernst was. Mordechai Monk verkeerde inderdaad in de macht Gods, iets waar de Quakers de mond vol van hadden maar wat Obadja nog nooit met eigen ogen had gezien. Het was verbijsterend: de eerste waarachtige Quaker die hij in zijn leven tegenkwam was deze brullende leeuw, als door een wonder veranderd in een lam.
‘Ik herhaal, Vriend Mordechai,’ zei Hosea Turnbull met zangerige stem, ‘als je volhardt in de broosheid van je besluit, zullen we de Londense Jaarvergadering moeten verzoeken je uit het Genootschap der Vrienden te stoten wegens hardnekkige weigering je te onderwerpen aan de gemeenschappelijke Leiding.’
Het was gezegd op de toon van een vonnis; de oude man met het verbonden hoofd kwam er niet van onder de indruk. ‘Het enige dat ik daarop antwoorden kan, Vriend Hosea, is: volg het Licht.’
Vriend Turnbull richtte zich tot Lydia. ‘Wat geldt voor Mordechai Monk geldt ook voor jou, Vriendin,’ zei hij op zangerige toon. ‘Tenzij je met ons teruggaat en je roeping onderwerpt aan de gemeenschappelijke
Leiding van je Maandvergadering, zal ik ook jouw excommunicatie moeten voordragen.’
Het meisje antwoordde nuchter: ‘Ik ben al uitgestoten, Vriend, weet je nog wel? Maar ik zal graag omkeren als iemand anders de zorg voor Mordechai Monk op zich wil nemen.’
‘Niemand zal daarvoor te vinden zijn, want hij verkeert in dwaling!’ riep Hosea Turnbull uit, voor het eerst met gramschap.
‘Ik ben blij voor jullie dat je zo'n overtuigend excuus gevonden hebt om niets te doen,’ zei Lydia.
Zonder nog een woord aan haar te verspillen zei Hosea Turnbull tot de anderen: ‘Laat ons gaan, en onze plicht doen.’
Het klonk onheilspellend, maar Obadja zag niet in wat ze verder zouden kunnen doen. Pas toen zij buiten gehoorsafstand waren zei de oude man: ‘Vrienden, ik stel voor dat wij die kapitein verzoeken ze naar Pendle Hill terug te geleiden.’
Obadja's onmiddellijke reactie was: dit gaat te ver. Maar Abner zei: ‘We moeten mijn zuster ervan weerhouden dat ze zich in het ongeluk stort. We mogen dit niet toestaan! Als het daarvoor nodig is dat ze gevankelijk wordt teruggebracht, zo zij het!’ Hij klonk alsof hij op het punt stond in huilen uit te barsten.
‘Prima idee,’ zei Jesse. ‘De kapitein is ze ook liever kwijt dan rijk, daar kun je donder op zeggen. Wie gaat het woord doen? Jij weer, Vriend Hosea?’
‘Als ouderling zou het op mijn weg liggen, maar ik ben gaarne bereid, als dit de Leiding zou zijn van de Vergadering...’
‘Neenee,’ zei Abner, ‘nee, alsjeblieft, Vriend, alsjeblieft! Laten we naar de kapitein gaan en, alsjeblieft, smeek hem mijn zuster...’ Hij kon niet verder.
‘God zij met ons,’ zei Hosea plechtig.
Gevieren liepen zij naar het groepje militairen aan de overkant van het veld.
***
‘En, heren?’ vroeg de kapitein met de rode baard. ‘Wat kan ik voor u doen?’
Abner voelde zich niet op zijn gemak, vooral niet omdat hij vreesde dat de tranen op zijn gezicht te zien zouden zijn; maar hij voelde zo'n wanhoop bij de gedachte dat Lydia in de angstaanjagende prairie van hun kindertijd zou verdwijnen, wie weet voorgoed, dat hij bereid was alles te doen om haar van dat noodlot te redden. Hij bad tot God dat Hij Hosea Turnbull zou laden met Zijn kracht, doen spreken met de stem der profeten.
‘Vriend,’ zei de oude Quaker plechtig, ‘wij vertegenwoordigen het
Genootschap der Vrienden, genaamd Quakers. De twee leden van ons Genootschap die voornemens zijn met u verder te reizen, handelen daarmee in tegenspraak met de beginselen der Vrienden. Wij hebben hun gelast, uit naam van het Genootschap, met ons terug te keren. Zij hebben dat geweigerd. Het is niet in ons belang, maar in het hunne, dat ik je verzoek deze verdwaasde mensen te bevelen terug te keren naar Pendle Hill.’
‘En als ze dat bevel niet opvolgen, wat wilt u dan dat ik doe?’
‘In dat geval neem ik aan dat je het bevel kracht zou bijzetten.’
‘U bedoelt, ze knevelen en boeien en dwars over een paard terugrijden naar uw kerkje?’
Abner sloot de ogen. Wat de man zei was beledigend, maar het was waar.
‘Zo zou ik het niet willen stellen,’ zei Hosea Turnbull, beheerst.
‘Nou, stel het dan eens anders, meneer. Ik wil het graag in uw eigen woorden horen.’
Hosea Turnbull aarzelde; toen zei hij: ‘Als dat de enige methode is om hen te redden, zo zij het.’
‘Zelf mag u, vanwege uw geloof, geen geweld gebruiken zeker?’
‘Neen.’
‘Dus u vraagt mij het vuile werk voor u te doen om uw eigen ziel te sparen.’
Er viel een pijnlijke stilte, toen zei Hosea Turnbull waardig: ‘Dit is niet het ogenblik om ons aan misplaatste scherts te buiten te gaan, Vriend.’
De kapitein werd nu werkelijk kwaad. ‘Meneer, ik zal u eens wat vertellen. Ik was van plan die twee een schop onder hun achterwerk te geven, ik had dat al eerder moeten doen, maar iets heeft mij weerhouden: wát ze ook zijn, het zijn mensen die hun geloof in praktijk brengen. Mensen zoals u, meneer, doen me kotsen van het Christendom, de Kerk, de zogenaamde gelovigen! Blijf trouw aan uw geloof, meneer: gebruik geen geweld. Maar vraag me niet om de twee enige Christenen onder jullie schijnheilig zootje geboeid terug te brengen naar dat Genootschap van u. Doe 't zélf maar. Dag meneer.’
Hij keerde zich om, zei op bevelende toon tegen de andere militairen: ‘Heren, tijd voor onze whisky,’ en marcheerde weg, in de richting van een vierkante tent achter de paarden.
Hosea Turnbull zag doodsbleek, maar zijn stem was rustig toen hij zei: ‘Vrienden, ons rest niet anders dan terug te keren en verslag uit te brengen aan de Vergadering.’
Zij gingen naar hun paarden, stegen op en reden weg, met Jesse aan de kop. Abners hart brak omdat hij naliet Lydia vaarwel te zeggen, maar hij kon haar en Mordechai niet meer onder ogen komen.
De Indianen verwaardigden hen met geen blik terwijl zij ruimte maakten voor hun paarden.
***
Toen Lydia de vier mannen weg zag rijden zonder vaarwel te hebben gezegd, kon zij haar ogen niet geloven. Misschien gingen ze alleen maar even weg om samenkomst te houden? Ze konden haar toch niet zó maar, zonder kleren, zonder dekking, zonder voedsel achterlaten in de prairie?
Ze zat daar, diep verontrust, toen ze het gerinkel van sporen hoorde. Ze keek op; de kapitein stond voor hen, zijn baard nog roder in de zonsondergang. ‘Goedenavond, mijn naam is Stewart. We blijven hier bivakkeren vannacht. Wilt u beiden mij het genoegen doen het avondeten met mij te gebruiken?’
Na een korte stilte zei Mordechai: ‘Dank je, Vriend Stewart, Lydia Best zal voor ons koken, net als alle Indiaanse vrouwen.’
‘Maar dat zijn squaws!’ riep de kapitein uit.
Mordechai antwoordde kalm: ‘Precies, Vriend Stewart. Daar gaat het nu juist om.’
De kapitein keek hem aan alsof hij op het punt stond er nog iets aan toe te voegen, maar hij hield zich in en beende weg met zijn rinkelende sporen.
Voor zij wist wat ze deed holde Lydia hem achterna. ‘Vriend Stewart!’
De man draaide zich om en nam haar op van top tot teen, zoals hij gedaan had toen zij voor hem op de grond lag en hij op haar neerkeek van zijn paard.
‘Ik - ik wou even met je praten...’
‘Dat zal me een genoegen zijn, juffrouw.’ Hij ging haar voor naar de commandotent aan de overkant van de open plek, een vierkant gebouwtje met een galerij ervoor en ernaast een hutje in een rieten omheining. De Indianen weken eerbiedig opzij bij het horen van zijn sporen.
De voorgalerij bleek beschut door een baldakijn van zeildoek; op een houten vlondertje stonden een tafel en twee vouwstoelen. ‘Gaat u zitten, juffrouw.’ Hij wachtte tot zij was gaan zitten voor hij haar voorbeeld volgde. Een negerbediende verscheen in de deuropening. ‘Wat mag ik u aanbieden? Limonade, thee, een mint-julep? Zoals mijn oppas die klaarmaakt zijn ze in New Orleans niet te krijgen.’
‘Niets, dank je, Vriend Stewart.’
Hij wendde zich tot zijn bediende. ‘Een dubbele.’
‘Jawel, kapitein.’ De neger verdween in de tent.
‘En, wat kan ik voor u doen?’
Nu het ogenblik gekomen was zonk Lydia de moed in de schoenen. Misschien was het de manier waarop Mordechai Monk haar toekomstige getuigenis had beschreven, misschien was het weer lafheid. In plaats van rechtuit tegen de man te zeggen: ‘Wil je zo vriendelijk zijn mij naar huis te laten brengen?’ zei ze: ‘Ik wilde met je praten over mijn reisgenoot. Zoals je zelf kunt zien is hij er slecht aan toe. Ik weet dat hij pijn lijdt aan
zijn oog, ik ben bang dat hij koorts heeft. Ik vraag me af of we hem geen dienst zouden bewijzen als we hem terugbrachten naar Pendle Hill.’ Het was eruit. Ze had Mordechai Monk verraden om zichzelf te redden.
De kapitein keek haar aan alsof hij haar gedachten kon lezen. ‘Dat zelfde verzoek, juffrouw Best, hebben uw geloofsgenoten mij daarstraks gedaan. Zij wilden dat ik de man met geweld terug zou laten brengen naar Pendle Hill. Tegen u wil ik wel zeggen dat ik het niet zou kunnen, ook al zou ik dat willen. De man is meerderjarig; als hij besluit dat hij een Indiaan is, kan ik hem niet tegenhouden.’
‘Maar hij is geen Indiaan!’ Ze voelde een diepe schaamte. Nu had ze niet alleen Mordechai verraden maar ook zijn getuigenis.
‘Een Indiaan’, zei de kapitein met een onprettige glimlach, ‘is iedereen die zégt dat hij er een is.’
Ze zag aan zijn ogen dat hij wist dat zij zelf terug wilde, en dat haar bezorgdheid voor Mordechai Monk alleen maar een excuus was.
De neger kwam naar buiten met een dienblad met een glas erop; de kapitein nam het aan zonder te bedanken. De neger verdween weer in de tent.
Hij hief het glas op, nam een teug, en veegde zijn baard af. ‘Juffrouw Best...’ Zijn gezicht werd hard en hij snauwde: ‘Nu niet! Flikker op!’ Zij keek verschrikt om en zag luitenant James Goodall weglopen.
De kapitein hervatte: ‘Wat voor meneer Monk geldt, geldt ook voor u: als u zichzelf als Indiaanse wilt beschouwen kan ik u niet tegenhouden, ik zal u en hem als Indianen behandelen. Maar voor u hiertoe overgaat beschouw ik het als mijn plicht u te waarschuwen. Kent u de prairie?’
‘Als kind hebben we er weleens gepicknickt.’
‘Dit gras, waarin we met z'n allen verdwijnen, strekt zich uit van hier tot Pierrelouchant. Tussen ons en de Missouri Rivier ligt een eenzaamheid waar u zich geen voorstelling van kunt vormen. De prairie is vol leven: bizons, wolven, gieren, trekvogels, Indianen; maar geen blanken. Hier en daar hebben kolonisten geprobeerd een farm te beginnen, maar ze zijn door de Indianen vermoord, of weggelopen. Die prairie gaan wij oversteken, morgen. Driehonderd mijl in vogelvlucht; driehonderdvijftig met de omwegen die we moeten maken naar de waadplaatsen over acht rivieren. Voor de voeding zijn we afhankelijk van de Illinois en de Osage Indianen, die ons volgens contract vier bizons per dag moeten leveren. Maar omdat ze het geld daarvoor meteen in vuurwater omzetten komen ze soms dagenlang niet; gedurende die tijd ligt het konvooi stil. Over een week of wat begint de vorst, daarna krijgen we de eerste sneeuwstorm. Als we Pierrelouchant binnen de twaalf weken halen, mogen we onze handen dichtknijpen. Voor iemand zoals u, die niet zoals squaws een duim eelt onder haar voeten heeft, is die wandeling een onmogelijkheid. Als u dat met alle geweld wilt, kan ik u niet tegenhouden. Maar binnen de week zult u niet langer een beschaafde, blanke juffrouw zijn, die zich met neerbuigende weldadigheid aan de wilden wijdt, maar een squaw. En
squaws op de prairie worden behandeld zoals de vaarzen onder de kudden bizons, die u 's nachts zult horen draven, tien mijl ver, als rollende donder.’ Hij stond op.
Zij volgde zijn voorbeeld. Nu was het ogenblik gekomen, nu moest ze uitroepen: ‘Breng me naar huis!’ Maar ze stapte van het vlondertje af zonder een woord te zeggen en vluchtte terug naar Mordechai Monk, wiens witte haardos zij in de verte kon zien.
Zij haastte zich langs de rand van het gras en was halverwege toen ze opeens ‘Psst!’ hoorde roepen. Ze keek om zich heen maar zag alleen de Indianen, voor wie ze nog steeds lucht was. Zij liep verder.
‘Psst!’
Ditmaal hoorde ze dat het uit het hoge gras kwam. Ze dacht dat het een van de drijvers was en ging hollen; ze werd gevolgd door geritsel.
‘Psst! Juffrouw Best! Ik ben het, Jim Goodall!’
Zij stond stil. Hij was niet te zien, toch hoorde zij zijn stem vlak bij: ‘Niet stilstaan! Hij staat u na te kijken! Doorlopen!’
Zij gehoorzaamde met het hart in de keel. Het geritsel volgde haar.
‘Ga naar huis, juffrouw Best,’ fluisterde de stem. ‘Ik heb u gewaarschuwd voor de kapitein! Alsjeblieft, alsjeblieft, juffrouw Best, levert u zich niet uit aan die schurk!’
Weer bleef ze stilstaan. ‘Ga jij dan niet mee, Jim Goodall?’
De stem antwoordde, zwakker: ‘Nee, ik moet terug, het volgende konvooi... Geloof me, juffrouw Best, geloof me...’ Het werd stil.
‘Vriend Goodall? Jim?’
Het hoge gras golfde in de wind. Er kwam geen antwoord. Zij bereikte Mordechai Monk buiten adem.
Hij zei: ‘Ik ben blij dat je terug bent, lieve Vriendin. Ik begon me al ongerust te maken. Terwijl je weg was heeft een van de soldaten dit gebracht.’
‘Wat?’
‘Die pot daar, met vlees.’
Op een meter afstand zag ze een ijzeren pot staan met een lang handvat. Ze stond op het punt om hem op te pakken, toen het tot haar doordrong: hij had de andere kant op gewezen. Hij had de pot niet gezien. Was hij bezig blind te worden?
Als dat waar was, werd zijn roeping geen getuigenis meer maar onverantwoordelijke dwaasheid. ‘Vriend Mordechai,’ zei ze, ‘dit kán niet. Ik weet hoe je er aan toe bent. We moeten nu omkeren en naar huis gaan.’
Hij zat met zijn gezicht opgeheven, zijn oog gesloten. ‘Lief kind,’ zei hij rustig, ‘ik onderneem deze reis niet omdat ík dat wil. Ik ben laf, zwak, vol slechtheid. Maar ik persoonlijk ga niet aan het hoofd van het konvooi marcheren. Hij is het die deze verworpenen wil leiden op hun tocht door de woestijn, en Hij kan dat niet doen zonder mij. Ga naar huis, Lydia, ga naar huis, en bid voor mij.’
Zij begreep dat hij niet anders doen kon dan zijn getuigenis doorzetten. Maar als hij inderdaad bezig was blind te worden, kon hij onmogelijk deze tocht alleen ondernemen: een blinde oude man onder achthonderd vijandige Indianen. Zij pakte de pot met vlees op; omdat hij haar niet zien kon zei ze: ‘Ik ga nu naar dat grote vuur in de verte, waar de squaws bezig zijn hun eten te koken, en ik zal zien of ik iets met het vlees kan beginnen. Ik kom zo gauw mogelijk terug.’
‘Dank je, Vriendin Lydia. Haast je niet.’
Op een paar passen afstand keek ze om. Zij zag aan zijn gezicht dat hij trachtte haar te ontwaren, maar hij keek in de verkeerde richting.
Toen zij met haar pot bij het vuur stond, in een kring van squaws die haar niet zagen, keek ze naar de gesloten gezichten van de vrouwen uit het stenen tijdperk, en had het gevoel dat zij gevangen was in een boze droom waaruit zij, God geve het, uiteindelijk zou ontwaken.
***
Die Charity was een verstandige meid, dacht dokter Rossini bij het zien van Saraetta's reactie toen de vier mannen zonder Mordechai en Lydia terugkwamen. Charity had hem door Penny Higgins laten waarschuwen dat er moeilijkheden met Saraetta konden komen; hij had het met een korreltje zout genomen. Nu bleek het een verstandig alarm geweest te zijn, verrassend van inzicht voor een jong vrouwtje de dag na haar huwelijk.
‘Waar zijn ze?’ vroeg Saraetta schril.
Haar afgematte echtgenoot antwoordde: ‘Het spijt me, Sara, we hebben hen niet van hun plan af kunnen brengen. Ze gaan met de Indianen mee.’
‘Het is niet waar!’ Zij stond kennelijk op het punt een aanval van hysterie te krijgen.
‘Sara,’ zei Obadja, ‘we hebben geprobeerd wat we konden...’
‘Nee! Nee! Hij mag het niet doen! Hij mag het niet! Jezus! Jezus!’
Abner trachtte tevergeefs haar tot bedaren te brengen; Rossini achtte het ogenblik gekomen om in te grijpen. ‘Kalm aan, Saraetta,’ zei hij. ‘Jij en ik moeten eens rustig met elkaar praten.’
Zij ging door met krijsen en raaskallen, maar liet zich meetronen door de galmende gang naar haar woonvertrek. Toen hij haar echter een kalmerende broomdrank wilde toedienen weigerde zij resoluut; zij was alleen tot bedaren te brengen als hij haar beloofde dat hij zelf naar Mordechai Monk toe zou gaan, om te zien of de man lichamelijk in staat was de beproeving van de tocht te dragen. Zo niet, dan moest hij beloven hem met geweld terug te zullen brengen.
Het was een dwaze belofte, maar de enige manier om de vrouw haar medicijn te doen innemen. Hij bracht haar naar bed, waar zij uitgeput op neerviel.
Toen hij in Abners studeerkamer terugkeerde vond hij alle leerkrach-
ten van de school verzameld. Kleine Will was bezig de vier mannen te ondervragen. Mordechai en Lydia hadden het blijkbaar niet getroffen dat de drie afgezanten van de Jaarvergadering er waren; Mordechai zou uit het Genootschap worden gestoten als hij zich niet onderwierp aan de gemeenschappelijke Leiding van de gemeente.
‘Maar als ze hier werkelijk mee door zouden gaan, wat kunnen we dan voor ze doen?’ vroeg Charity, de theologie opzijschuivend. ‘Ze hebben niets bij zich behalve de kleren die ze aanhebben. Ik moet toch op zijn minst een paar kleren voor Lydia inpakken en toiletartikelen en extra schoenen als ik die vinden kan...’
‘Ik heb een shelter voor ze en een grondzeil,’ zei kleine Will. ‘Nu het herfst begint te worden hebben ze zeker dekens nodig.’
‘En potten en pannen,’ zei Penny Higgins.
‘En de Shawnee dictionaire die we hier nog in de bibliotheek hebben staan,’ zei Abner.
‘En een bijbel,’ zei dikke Uria.
‘Als ik dat zo hoor, wordt het een hele vracht,’ zei Jesse. ‘Dan moet ik er met een lastpaard heen, vannacht nog, want het konvooi vertrekt morgenochtend vroeg.’
‘In dat geval gaan we samen,’ zei Rossini. ‘Ik heb Saraetta moeten beloven dat ik Mordechai Monk zou onderzoeken. Het schijnt dat hij een oog bezeerd heeft.’
De anderen keken hem zwijgend aan; Rossini kon hun gedachte raden. Abner sprak die uit: ‘Zou er kans zijn, dokter, dat jij ze kunt overhalen om mee terug te gaan? Als zou blijken dat Mordechai Monk niet in staat is de ontbering te dragen, zou je hem dan tot rede kunnen brengen, denk je?’
‘Dat is moeilijk te zeggen zonder dat ik hem gezien heb. Ik zal mijn best doen.’
‘Laat Lydia maar aan mij over,’ zei Jesse, zelfingenomen. ‘Ik weet zeker dat ze mee terugkomt op het losse paard, op voorwaarde dat ik de kans krijg om rustig, onder vier ogen, met haar te praten.’
Niemand zei iets; kennelijk deelde niemand Jesses zelfvertrouwen.
‘Geloof me,’ ging hij voort, ‘ik heb haar een aanbod gedaan waarvan ik wéét dat ze het zal aannemen, nu ze de gelegenheid heeft gehad er rustig over na te denken.’
‘Nu,’ zei kleine Will, ‘laten we er geen gras over laten groeien. We nemen ieder onze eigen afdeling: ik de shelter en het grondzeil en het beddegoed, Penny Higgins het vaatwerk, Charity de kleren voor Lydia, Abner de dictionaire, Uria de bijbel, Obadja de kleren voor Mordechai Monk. Dokter, heb jij wat medicijnen die ze mee kunnen nemen?’
‘Zeker.’
Jesse zei: ‘Ik zal zien of ik een paar paarden los kan krijgen van mijn slavenjagers. De onze hebben vandaag genoeg gewerkt.’
‘Kunnen we er niet met de sjees heen?’ vroeg Rossini.
‘Ik kan merken dat jij nooit de prairie in geweest bent, dok,’ antwoordde Jesse. ‘Als we de korte weg nemen komen we nooit met de wielen door het gras heen. Nee, ga eerst even naar huis en haal wat medicijnen voor ze, dan ontmoeten we mekaar weer bij jou over een half uur of zo. Ik breng een paard voor je mee.’
‘Goed,’ zei Rossini, ‘tot straks.’
Alsof ze op dat wachtwoord gewacht hadden, stond iedereen op en vertrok voor zijn eigen taak. Alleen de drie afgezanten van de Jaarvergadering bleven misprijzend achter.
De rit door de maanbelichte prairie in gezelschap van Jesse was een romantische ervaring. Het was jaren geleden dat Rossini voor het laatst op een paard had gezeten; het riep herinneringen op aan de tijd dat hij de enige dokter was geweest in het Wabash-district, en soms nachtenlang had doorgereden langs Indianensporen, van de ene geïsoleerde Quaker-boerderij naar de andere. Geen andere gezindte kon het zich in die tijd veroorloven moederziel alleen onder de Indianen hun akkers te bebouwen; de oude verwantschap tussen de achttiende-eeuwse Vrienden en de Indianen werkte nog steeds door. Hij herinnerde zich hoe hij zich, tijdens die nachtelijke ritten, had voorgesteld hoe de jonge dokter Gulielma Woodhouse er een eeuw geleden moest hebben bijgereden: in een bizonjagerspak, een Quaker-hoed op met een pijl erdoor, en achter haar de legendarische muilezel met de apotheek op zijn rug. Hij had soms het gevoel gehad dat de geest van die onversaagde oude vrijster met hem meereed langs de donkere weggetjes door het oerwoud; vannacht voelde hij dat weer, terwijl hij Jesse en het lastpaard volgde.
Ze kwamen op de verzamelplaats aan vóór Rossini het in de gaten had, want opeens riep een rauwe stem: ‘Halt! Wie daar?’
Jesse antwoordde: ‘Wij zijn het, de Quakers. Kalm aan maar. We komen de oude man en het meisje bezoeken.’
‘Laat je smoel kijken!’ riep de stem.
Een lantaarn werd aangestoken en wiegelde nader in de nacht; Rossini zag de schim van een ruiter met een geweer dwars over de borst, die hun gezichten belichtte. Het leek een burger, geen militair. ‘Wat zit er in die pakken?’
‘Voorraden en kleren voor de twee Quakers,’ antwoordde Jesse.
‘Ik kan geen toestemming geven. Ga maar naar de kapitein, daarginder in de commandotent, met die twee toortsen ervoor. Vooruit, huphup!’
‘Bedankt, vriend,’ zei Jesse. ‘Kom, dok. We gaan eens met die man praten, ik heb hem al eerder ontmoet.’
Begeleid door de ruiter met de lantaarn reden zij tussen de slapende Indianen door. Overal lagen ze, in dekens gerold, onder de blote hemel. Hier en daar gloeide nog een vuurtje; ergens huilde een kind. Niemand
onder hen scheen zich iets van de paarden aan te trekken; de gestalten op de grond konden gevallenen zijn op een slagveld.
Zij stegen af voor het bordes van de commandotent, verlicht door toortsen; een negeroppas verscheen in een deuropening. Hun begeleider snauwde: ‘Wéér visite voor dat stelletje kwezels! Vraag 's effe aan de kapitein...’
De neger werd opzij geduwd en een baardige man kwam te voorschijn, zijn tuniek dichtknopend. Toortslicht glinsterde op gouden epauletten. ‘Wat is er aan de hand?’
Hun gids salueerde aan zijn stropershoed en zei: ‘Bezoekers voor die twee blanken, kapitein. Ze hebben voorraden bij zich. Ik wou ze niet doorlaten zonder uw permissie.’
De kapitein wenkte hen met zijn wijsvinger. ‘Kom 's hier,’ zei hij bevelend.
Jesse gehoorzaamde; Rossini volgde zijn voorbeeld, samen stapten ze op de voorgalerij. Rossini's benen bleken stijf te zijn van het paardrijden.
‘Was jij hier vanmiddag niet al?’ vroeg de kapitein aan Jesse.
‘Jawel. Ik ben teruggekomen om nog eens met die mensen te gaan praten en ze wat voorraden mee te geven, als ze niet tot andere gedachten te brengen zijn.’
De kapitein keek naar het lastpaard. ‘Is het de bedoeling dat die juffrouw dat allemaal op haar nek gaat dragen?’
‘Laten we eerst maar eens kijken of ze het werkelijk doorzetten,’ zei Jesse. ‘Dok, als het je hetzelfde is, laat mij dan eerst even onder vier ogen met Lydia praten.’
‘En wie hebben we hier?’ vroeg de kapitein, onhoffelijk.
‘Léon Rossini, arts, oud-officier van gezondheid van de Cavalerie.’ Hij stak de hand uit.
's Mans gedrag veranderde als bij toverslag. ‘Aangenaam, dokter! Gaat u zitten! Wat mag ik u aanbieden? Boy!’
‘Jawel kapitein?’
‘Wat zal het wezen, dokter? Mint-julep? Whisky? Zeg het maar.’
‘Whisky graag,’ zei Rossini. Hij zag Jesse en het lastpaard in de nacht verdwijnen.
‘Twee dubbele,’ zei de kapitein tegen de neger. ‘Ga zitten, dokter, maak het u gemakkelijk. Wat kan ik voor u doen?’
‘Ik ben gekomen om die oude man te onderzoeken. Ik heb gehoord dat hij last van zijn oog heeft.’
‘Een patiënt van u?’
‘Nee. Zijn begeleidster wel.’
De kapitein gaf hem een vorsende blik en gromde: ‘Er is zeker wél 't een en ander met de Cavalerie veranderd, sinds uw tijd.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Kijk om u heen, man! Dit is toch geen werk voor het leger? Iedere
officier die met de Indianen gevochten heeft zoals ik schaamt zich de ogen uit zijn kop. Het is een schandaal wat ze met die mensen aan het doen zijn, dokter. Het is dat ik orders gehoorzamen moet, anders paste ik ervoor. Dit achterbakse, smerige gedoe! Ik wou maar dat de politici in Washington er hun eigen mensen voor gebruikten, niet de Cavalerie.’
De bediende kwam met twee glazen; Rossini glimlachte tegen hem, maar de neger verdween weer in de tent zonder hem in de ogen te hebben gekeken.
‘Vandaar dat ik die hemeldragonder toestemming heb gegeven om zich bij de Indianen te voegen,’ ging de kapitein door, na een slurp uit zijn glas. Hij veegde zijn baard af met de rug van zijn hand. ‘Om u de waarheid te zeggen was het een opluchting dat er eindelijk iemand was die zich zó schaamde voor wat wij die wilden aandoen dat hij daar op deze manier uitdrukking aan wilde geven. En daarom, zoals ik vanmiddag al tegen dat uitgestreken stelletje zei, dat me kwam vragen hem in de boeien te slaan en naar huis te brengen: hij is volwassen, ongewapend, als hij zichzelf als Indiaan wil beschouwen, dan zal ik hem als Indiaan behandelen. U begrijpt wat ik bedoel.’
‘Voor het geval hij dit door zou willen zetten,’ vroeg Rossini, ‘kan ik erop rekenen dat u een oogje op hem zult houden?’
‘Op hem in ieder geval,’ zei de kapitein, gul. ‘Die jongedame is wat anders. Ik heb vanmiddag open en eerlijk met haar gepraat, en niet in damestaal. Ik kan er niet voor instaan dat een van de drijvers haar niet verkracht. Dat doen die burgerschoften ook met de squaws, zonder dat iemand er erg in heeft. Ik kan ze nou wel vertellen dat ik de eerste de beste die de juffrouw met één vinger aanraakt voor z'n kloten zal schieten en dan door z'n maag en hem in het gras laten verrekken, wat hem drie dagen zal kosten, maar wat koopt zij daarvoor? Proost! Neem me niet kwalijk, dat had ik eerder moeten zeggen: proost, proost.’
‘Gezondheid,’ zei Rossini.
‘Het is kulkoek voor een knappe jonge meid als zij, het lot van die Indianen te willen delen,’ ging de kapitein door. ‘Voor die ouwe man óók. Je moet zelf Indiaan zijn om te beseffen wat er met die mensen aan het gebeuren is; je moet zelf van de graven van je voorouders weggerukt zijn, die je als goden vereerde; je moet zelf de geesten die in iedere boom, iedere rots wonen achtergelaten hebben om te weten wat het betekent: op transport gezet te worden naar een oord waar nog nooit iemand van je volk een voet gezet heeft. Als je een Indiaan van zijn jachtvelden weghaalt, ontneem je hem zijn ziel; als je hem dan bovendien nog uit zijn stamverband rukt en zijn familie over een dozijn concentratiekampen verspreidt, dan breek je zijn rug. Het zijn geen mannen meer, wat daar ligt te slapen. Het zijn verschoppelingen, die geen stam meer hebben, geen gezin, geen hoop. Het enige dat ze nog hebben is haat. De machteloze haat van een straathond tegen de bullebak die hem afgeranseld heeft. Ze zijn door de
heren in Washington met opzet van hun menselijkheid beroofd, dokter. De een of andere klerk in een kantoortje heeft dat zo uitgepiekerd en is daarna 's avonds weer naar zijn vrouw gegaan en heeft zijn kinderen gekust en zijn hondje geaaid. En dan mag ik, die ten slotte met de Indianen gevochten heeft en ze daarom als mens beschouwt, dan mag ik het opknappen voor die klerk in dat kantoortje. Ik wou dat ik een paar senatoren op een konvooi mee kon nemen! Maar weten die veel, ze denken dat het een schitterende oplossing is. En dat is het ook. De Indianen geven geen kik meer. Die zijn ontmand.’ Hij nam weer een teug. ‘Neem me niet kwalijk, dokter, dat ik zo emotioneel zit uit te pakken, maar 't zit me tot hier!’ Hij maakte een streep met zijn hand boven zijn wenkbrauwen. ‘De heren in Washington zouden een stuip krijgen als ze hoorden dat ik een Quaker permissie heb gegeven om zich onder de Indianen te mengen en hun lot te delen. Maar ik neem mijn hoed voor 'm af. Ik zal 'm dat niet aan zijn neus hangen, ik moet natuurlijk een front ophouden, maar verdomme, dokter, ik heb respect voor die man. En hoe meer zijn geloofsgenoten, zo vroom als gemalen poppestront, proberen hem te dwingen het op te geven, hoe meer ik zeg: blijven! Ik vertel het maar, voor het geval u van plan zou zijn hem iets in te spuiten of zo en hem bewusteloos af te voeren.’
‘Ik zou er niet aan denken,’ zei Rossini. ‘Ik kom hem alleen maar even bekijken, omdat hij gewond is.’
‘Ach, die man mankeert niks,’ zei de kapitein met een gebaar of hij een vlieg wegjoeg. ‘Hij is alleen te oud, hij zal dan ook wel halverwege verrekken, maar dat is 't risico van het vak. Dat was met ons ook zo, toen we nog met de Indianen vochten; wij liepen ook de kans om te vallen en dat wisten we voor we eraan begonnen. Nou, die man weet het ook. Die zegt: ik wil Indiaan worden, ook al leg ik 't loodje, om de Christenheid bij te brengen wat ze bezig is die mensen aan te doen. Mij hoeft hij alvast niet meer te overtuigen. De drijvers overtuigt hij nooit, dat zijn botteriken. Dus zijn getuigenis is aan niemand besteed. Tenminste, dat dacht ik gisteravond toen hij kwam opdagen met zijn hemelse ogen en zijn bebloede hoofd. Hij doet het alleen voor zichzelf, dacht ik, zijn eigen zieleheil. Maar, dokter, ik heb er vandaag over nagedacht. Het gaat hier niet om zijn eigen zieleheil alleen, maar ook om het mijne. En het uwe. Om de ziel van Amerika. Proost!’ Hij leegde zijn glas.
Rossini was ervan onder de indruk. ‘Nu,’ zei hij, na ook zijn glas te hebben gepleegd, ‘laat ik maar eens een kijkje bij hem gaan nemen. Ik heb ook nog wat medicijnen voor hem bij me, voor onderweg.’
‘Hee, wat krijgen we nóú?’ riep de kapitein, met aangeschoten ontsteltenis. ‘Nog niet, dokter! U hebt nog de hele nacht de tijd! Eerst nemen we er nog eentje. Boy!’
‘Jawel, kapitein?’
‘Tweemaal hetzelfde. En iets te eten: warme worstjes, gebakken kaantjes, weet ik veel. Een bittergarnituur.’
‘Voor mij hoeft het niet, hoor,’ zei Rossini, uit meegevoel voor de neger die midden in de nacht kaantjes moest gaan bakken.
‘Voor mij wel,’ zei de kapitein, op een toon die Rossini deed vermoeden dat de man een kwade dronk over zich had. ‘Wij gaan nog wat over de oude tijd praten, toen cavalerist zijn nog betekende dat je een man van eer was.’ Hij wees op Rossini's glas; de negerbediende gehoorzaamde gedwee.
***
Toen een lantaarn kwam aangeschommeld in het donker en een stem riep: ‘Lydia? Lydia, waar zit je?’ antwoordde zij: ‘Hier!’ en stond op.
De lantaarn kwam nader; de schim van een man met rijlaarzen doemde op, die een zwaarbepakt paard leidde. ‘Hier,’ zei de stem, ‘dit heb ik voor jullie meegebracht.’
‘Jesse!’ Het was zo'n verrassing dat ze hem om de hals vloog en op beide wangen kuste. ‘Wat een engelachtig idee! Wat heb je daar allemaal? Mordechai!’
‘Ja, lieve Vriendin?’ Mordechai staarde, nietsziend, langs de lantaarn die Jesse omhooghield.
Zij stond op het punt te zeggen: ‘Kijk 's wat hij meegebracht heeft!’ maar bedacht zich op tijd. ‘Jesse heeft een heel pak bij zich,’ zei ze, ‘vol met... wat zit erin, Jesse?’
‘Alles wat jullie nodig hebben; kleren, shelter, grondzeiltje, boeken, dekens. Er zijn ook potten en pannen bij, met de complimenten van Penny, en een bijbel met de complimenten van Uria.’
Ze had zo'n gevoel van bevrijding dat zij vroeg: ‘En jij? Wat is er bij met jouw complimenten?’
‘O, da's iets anders...’ Hij zei het ontwijkend. ‘Kan ik je even onder vier ogen spreken?’
Voor ze erop had kunnen antwoorden, zei Mordechai vriendelijk: ‘Natuurlijk, en doe maar rustig aan.’ Hij voegde eraan toe, in de richting vanwaar hij Jesses stem gehoord had, maar die stond er niet meer: ‘Ik hoop dat je kans zult zien haar te overtuigen.’
‘Waarvan?’
‘Dat het nobel van haar is om bij me te willen blijven, maar dat ze haar verstand moet gebruiken. Dit is niets voor een vrouw, zelfs niet voor déze vrouw.’ Hij glimlachte, een glimlach van verstandhouding, in de verkeerde richting.
Zij nam Jesse bij de arm; samen liepen zij weg, voorzichtig stappend tussen de slapende Indianen. Toen ze buiten gehoorsafstand waren vroeg ze, haar arm door de zijne: ‘En? Wat heb jij voor me meegebracht?’
‘Dit.’ Hij nam haar hand en drukte er iets kouds in.
‘Een - een pistool?!’
‘Ssst! Laat niemand 't horen! Laat niemand zien dat je hem hebt! Maar als je deze tocht gaat ondernemen zul je dat ding hard nodig hebben.’
De godslasterlijkheid van het voorwerp dat zij in haar hand hield deed haar verbijsterd naar hem staren.
‘Ik meen het, Lydia. Ik ken die drijvers, ze zijn net mijn slavenjagers; of je nu negers vangt of Indianen opjaagt, het is lood om oud ijzer. Stop dat pistool ergens onder je kleren, maar neem het overal mee, vooral als je je afzondert van het konvooi. En als je iemand achter je hoort, schiet meteen. Probeer niet te dreigen met dat ding: schiet, niet door z'n kop want die is te klein, die zul je missen; schiet 'm in zijn navel.’
Het feit dat hij als Quaker verwachtte dat zij het aan zou nemen gaf haar een gevoel van zondeval. Vergeleken met Mordechai Monks navolging van Christus was dit aanbod een gedrocht uit de oceaan van dood en duisternis. ‘Ik - ik kan het niet aannemen...’
Ze wilde het pistool teruggeven, maar hij weigerde het aan te pakken. ‘Lydia,’ zei hij, ‘ik meende wat ik zei, vanmiddag. Je kunt méér doen bij de Ondergrondse Weg dan tussen deze schurftige wilden. Geloof me, Lydia, Indianen zijn het niet waard. Het zijn bloeddorstige, geniepige...’
Zij smeet het pistool op de grond en bedekte het gezicht met de handen.
Hij stond stokstijf, toen zei hij: ‘Zoals je wilt,’ en ging op de tast het wapen zoeken. Toen hij het gevonden had stak hij het in zijn gordel en zei: ‘Dag Lydia.’
Zij riep uit, met tranen in haar stem: ‘Hoe kún je, hoe dúrf je als Vriend zo - zo over mensen te praten! Over arme mensen die...’
‘Die slaven houden en fokken als vee?’
‘Die door God en iedereen verlaten zijn!’
‘Het ga je goed,’ zei Jesse in het donker, draaide zich om, liep naar het lastpaard en begon het af te laden.
Zij stond, met de hand op de mond, sprakeloos naar hem te staren. Toen hij wegging was ze op het punt hem achterna te hollen en zich aan hem vast te klampen en hem maar te laten begaan, zich mee laten nemen, terug, terug. Toen zei een vriendelijke stem: ‘Goedenavond, Lydia. Hoe gaat het ermee?’
Ze zou die stem uit duizenden herkend hebben. ‘Dokter!’ riep zij uit. ‘Hoe kom jij hier?’
‘Ik heb Saraetta beloofd dat ik naar jullie zou gaan kijken. Voornamelijk naar Mordechai Monk.’
‘O, dokter, het is heel erg met hem! Ik bedoel - ik moet...’ Zij kon niet uit haar woorden komen; zij had al haar kracht nodig om niet in snikken uit te barsten.
‘Wat, Lydia? Wat “moet” je?’
Zijn tegenwoordigheid gaf haar zo'n gevoel van veiligheid, dat zij eruit flapte: ‘Dokter, ik ben als de dood! Maar ik kan het niet helpen, ik moet mee, ik moet met hem mee, er zit niets anders op, het moet, het moet...’
‘Waarom?’
‘Omdat ik hem niet alleen kan laten! Hij - hij is blind!’
Na een ogenblik stilte vroeg hij: ‘Sinds wanneer?’
‘Sinds vanavond. Je weet dat ze hem met een zweep in zijn oog hebben geslagen? Nu is het andere óók blind. Hij kán zo niet gaan, dokter, niet alléén!’
Hij klopte haar op de schouder en zei: ‘Rustig maar, rustig. Ik ga eerst eens even naar hem kijken; misschien loopt het zo'n vaart niet.’
‘Ik wéét het! Ik heb de hele avond bij hem gezeten, hij ziet niets meer...’
‘Goed,’ zei hij, ‘ik ga kijken. Wacht hier op me. Ik neem even de lantaarn mee. Goed?’
Zij knikte; hij liep met de lantaarn naar Mordechai Monk die, blind en eenzaam, zat te wachten.
***
‘Goedenavond, meneer Monk. Ik ben dokter Rossini. Ik kom eens kijken hoe u het maakt.’
De oude man keek naar hem op, zijn apostelgezicht goud in het lantaarnlicht. Er had een merkwaardige verandering in hem plaatsgegrepen sinds Rossini hem het laatst gezien had. In plaats van woede en wraakzucht straalde hij nu rust en vrede uit.
‘Kom, laat mij dat oog maar eens zien.’ Rossini wikkelde het verband er voorzichtig af. ‘Dat ziet er nogal kwaadaardig uit,’ zei hij. ‘Wilt u het andere oog even opendoen?’
De oude man gehoorzaamde en knipoogde in het lantaarnlicht.
‘Probeert u voor u uit te kijken. Ja, zo.’ Rossini bracht de lantaarn dicht bij het gezonde oog. Toen nog een keer. En nóg eens. Er was geen twijfel aan: de pupil vernauwde. Hij herhaalde het experiment nog een paar maal, stak plotseling met zijn wijsvinger naar het oog zonder het te raken. De oude man deinsde achteruit. ‘Dank u,’ zei Rossini. ‘Laat me nu eens naar uw rug kijken. Ik hoor dat ze nogal met u huisgehouden hebben.’
De oude man keerde zich om om op zijn buik te gaan liggen; Rossini hielp hem. Daar lag hij, de oude bedrieger, het hoofd op de armen. Wat bezielde de man om Lydia wijs te maken dat hij blind was? Waarom? Om haar mee te troggelen in zijn zogenaamde ‘roeping’?
Maar de striemen en de bulten op zijn rug waren niet gesimuleerd. Ze moesten de oude man afgerost hebben tot hij erbij neerviel, en kennelijk met een zweep met een vishaak, zoals die door veedrijvers gebruikt werd. Hoe was het mogelijk dat een man van voren een bedrieger kon zijn, een schijnheilige simulant, en van achteren een werkelijke martelaar? Terwijl Rossini zijn wonden met perubalsem zalfde en verbond, trachtte hij het antwoord op dat raadsel te vinden. Maar het was het raadsel van de
menselijke natuur zelf, Janus met de twee gezichten, goed en kwaad, liefde en haat, in één mensenziel gevangen. Maar de man stond op het punt een misdaad te begaan: een goedgelovig meisje mee te lokken in een avontuur dat haar het leven kon kosten. Ook al gebeurde haar niets en zou ze ongedeerd haar einddoel bereiken, zij zou meegetroond zijn onder valse voorwendsels. Zijn eerste reactie was om meteen naar haar toe te gaan en te zeggen: ‘Lydia, de man kan net zo goed zien als jij en ik.’ Maar iets weerhield hem: de woorden van de kapitein, in halfdronkenschap gesproken: ‘Het gaat hier niet om zijn eigen zieleheil alleen, maar ook om het mijne. En het uwe. Om de ziel van Amerika.’ Het zou kunnen zijn dat hij er morgen anders over zou denken dan op dit ogenblik, te midden van deze jammerlijke Indianen, maar hij besloot het te laten lopen, klopte hem op de schouder en zei: ‘Nu, zo moet het dan maar, voorlopig. Ik zal uw gewonde oog niet opnieuw verbinden. Het is beter in de open lucht.’
Nauwelijks was het valse apostelgezicht van de oude schurk weer naar hem toegekeerd, of hij kwam op zijn besluit terug. ‘Bovendien, wat dat betreft, waarde vriend, moet ik eens eerlijk met u praten. Er is iets wat ik niet begrijp. Lydia denkt dat u blind bent; u en ik weten dat daar niets van aan is. Waarom heeft u haar dit wijsgemaakt?’
‘Waarom dacht je?’ vroeg de man, met een stalen gezicht.
‘Omdat u haar bij zich wilt houden?’
‘Precies.’
‘Dat lijkt me toch niet de aangewezen weg, vindt u wel? Als zij uit zichzelf met u mee wil gaan, is het wat anders. Haar mee te tronen onder valse voorwendsels strookt toch niet, zou ik zo zeggen, met uw goddelijke aspiraties.’
Een ogenblik was het stil, toen zei de oude man rustig: ‘Ik heb geen goddelijke aspiraties. Ik ben, net als ieder mens, zondig, vol leugen en valsaardigheid. Maar ik geloof dat God mij aangesteld heeft als Zijn dienstknecht onder deze Indianen. Dat bedoelde George Fox toen zijn toekomstige vrouw, Margaret Fell, die zes uitgehongerde kinderen had ontdekt in een kerker in Slot Lancaster, hem vroeg: “Wáár is de liefde van God?” “Margaret,” zei hij, “in het geval van die kinderen ben jij door Hem aangeraakt; de enige die Hij heeft om die kinderen te bereiken met Zijn liefde ben jij!” In het geval van de Indianen, die daar als beesten in het donker liggen, heeft God niemand behalve mij. Waarom? Omdat ik zo'n goed mens ben? Niets daarvan; domweg omdat er niemand anders is. Dat heeft God in dit geval dan niet getroffen, want ik heb Hem een voorwaarde gesteld. Ik heb tot Hem gezegd: “Ik ben bereid het te doen, maar geef me dat meisje mee.” Ik heb met God gesjacherd, zoals de Joodse koningen, de profeten, Jozef, David: allemaal schurken, allemaal grandioze dienstknechten Gods.’
Het was prachtige retoriek. Rossini kon nu begrijpen waarom de man zo'n invloed had op vrouwen. Maar het feit bleef bestaan dat hij bezig was
de nietsvermoedende Lydia in haar ongeluk te lokken. ‘Meneer Monk,’ zei hij, ‘ik vrees dat ik geen keus heb. Ik ga Lydia Best nu de waarheid vertellen.’
‘Je kunt Lydia Best de waarheid niet vertellen,’ zei de oude schelm, ‘want je hebt een beroepsgeheim.’
‘Inderdaad. Ik zal u dan ook niet als leugenaar uitmaken. Ik zal proberen een middenweg te vinden.’
‘Een middenweg!’ schamperde de grijsaard. ‘God zal ze de kost geven die de mensheid hebben verraden omdat ze een middenweg zochten! Zoek het moeras van de middenweg, dokter, en stik erin!’
‘Merkwaardige kreet, voor een profeet,’ zei Rossini. Hij stond op en stofte zich de knieën af.
‘Dat bewijst dat je de bijbel niet gelezen hebt. Als ik tegen jou zou zeggen wat Elia tegen Achab zei, of Daniël tegen Belsazar, zou je op de plaats verschrompelen.’
‘Dat waren heilige mannen, meneer Monk.’
‘Hoe weet je dat? Wie zegt dat een mens heilig moet zijn voor hij goed kan doen? Dat is de uitvlucht waarachter miljoenen lafaards zich hebben verscholen: “Omdat ik geen heilige ben, ben ik onmachtig dit te doen!” En ze lieten de door rovers mishandelde man rustig kreperen aan de rand van de weg en wachten op de Barmhartige Samaritaan. Wel moge het je bekomen! Jou en de Indianen, door God en dokter Rossini verlaten!’
Nu, dacht Rossini terwijl hij terugliep met de lantaarn naar de jonge vrouw in de verte, dat was dan weer eens een nieuwe ervaring. Maar hij moest er nog van bijkomen toen hij Lydia bereikte.
‘En?’ vroeg zij. ‘Blijft hij blind?’
Hij zette de lantaarn neer en legde zijn handen op haar schouders. Het licht, dat haar van onderen bescheen, wierp scherpe schaduwen op haar gezicht. ‘Lydia,’ zei hij, ‘ik weet niet of je iets hebt opgevangen van ons gesprek...’
‘Hij klonk wél boos, op een gegeven moment...’
‘Hij is een bijzondere man. Ik geloof dat hij er oprecht van overtuigd is een werktuig van God te zijn. Maar in andere dingen is hij niet oprecht.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Lydia,’ zei hij, nog steeds met zijn handen op haar schouders, ‘hij heeft je bedrogen. Hij is niet blind. Hij ziet net zo goed als jij en ik, zo niet beter.’
‘Maar - maar waaróm heeft hij dat gedaan?’
Haar verbijstering brak zijn hart. O, de schurk! Hoe kon hij zo iets nobels, zo iets teers als dit meisje bezwendelen? ‘Omdat hij zegt dat hij het zonder jou niet kán. Daarom heeft hij tegen God gezegd, op de manier van David, Jozef, weet ik veel wie: “God, ik zal Uw werktuig zijn, maar geef me dat meisje mee!” Met andere woorden: jij bent de prijs die hij God probeert af te troggelen voor zijn zogenaamde getuigenis.’ Toen zij niet
antwoordde, voegde hij eraan toe: ‘Het spijt me, ik had je dit graag bespaard. Maar ik kan als arts, als vriend, niet toestaan dat jij je leven op het spel zou zetten voor een simulant.’
Hij had zich niet afgevraagd hoe zij zou reageren, hij had gesproken in de overtuiging dat hij haar de waarheid moest zeggen, want anders zou hij nooit meer in vrede met zichzelf kunnen leven.
‘Dank je, dokter,’ zei ze opeens vol zelfvertrouwen. ‘Je hebt de doorslag gegeven.’
Een ogenblik voelde hij het volle gewicht van zijn verantwoordelijkheid, toen zei hij: ‘Goed, kind. Jesse heeft een paard voor je; als we nu vertrekken zijn we over drie uur thuis.’
‘Nee, dokter, zo bedoelde ik het niet. Nu weet ik pas dat hij me écht nodig heeft.’
Hij staarde haar na met open mond toen zij, met de lantaarn, tussen de slapende Indianen door terugliep naar Mordechai Monk.
***
‘Lydia?’ vroeg Mordechai met bange stem. ‘Lydia, ben jij het?’ en hij staarde in de verkeerde richting.
Zij liet het lantaarnlicht op zijn gezicht schijnen. Rossini had zijn gewonde oog niet opnieuw verbonden, het was gesloten en opgezwollen; het andere staarde nietsziend voor zich uit. Een ogenblik stond ze in twijfel of zij mee zou spelen in zijn bedrog; maar als zij gezamenlijk deze hachelijke reis wilden ondernemen mochten zij niet met een leugen beginnen. Zij ging voor hem zitten en zei: ‘Vriend Mordechai, dokter Rossini heeft me verteld dat je blindheid hebt voorgewend om mij ertoe te bewegen met je mee te gaan. Waarom heb je me niet ronduit gezegd dat je me nodig hebt? Waarom had je het er aldoor over dat ik terug moest gaan?’
Zijn oog verloor de starre blik. Hij keek haar aan. ‘Omdat ik het niet van een vrouw mag verlangen. Zeker niet van jou.’
‘Maar waarom probeerde je me dan door arglist over te halen? Ik bedoel het niet als een verwijt, ik probeer het te begrijpen.’
‘Ik heb het voor God gebracht. Ik heb Hem verteld dat ik het zelf niet van je mocht verlangen, maar dat ik het aan Hem overliet. Ik heb om jou gebeden, Hij heeft mijn gebed verhoord.’
‘Maar waarom? Waarom kun je niet zonder mij?’
Hij keek haar recht in de ogen. ‘Wil je een eerlijk antwoord?’
‘Ja!’
‘Omdat ik bang ben, als de dood.’
Zij zuchtte. Ineens voelde ze zich moe, en totaal ontoereikend.
Maar er kon geen twijfel aan bestaan: haar lot was beslist. Zij ging met de Indianen mee.
***
Rossini had nog niet besloten wat hij tegen de anderen zou zeggen toen zij de oprijlaan opreden en zagen dat er nog licht was in Abners studeerkamer. Hij had Lydia moeten vertellen dat Monk een simulant was, maar de anderen? Hij hoefde er eigenlijk niet met hen over te praten, besloot hij. Hij zou zeggen dat de gezondheidstoestand van de man bevredigend was, en dat hij binnen afzienbare tijd geheel hersteld zou zijn van zijn wonden.
Maar nauwelijks kwamen zij de studeerkamer binnen waar iedereen verzameld was, of Saraetta riep: ‘Waar is hij?’ Vóór Rossini tussenbeide kon komen antwoordde Jesse: ‘Bij de Indianen, hij gaat mee. Want dit kan ik jullie wél vertellen: Mordechai Monk, ook al is hij blind en zwak van het pak slaag dat ze hem hebben gegeven, is in de macht des Heren.’
De hemel wist waarom de jongen het nodig vond dit te zeggen; misschien had hij het tijdens de rit naar huis bedacht, omdat hij aan zijn opschepperige bewering Lydia terug te zullen brengen geen gevolg had kunnen geven. Hoe dan ook, na het woord ‘blind’ werd Saraetta volkomen hysterisch. Gillend, krijsend holde zij de gang in naar het trappenhuis. Rossini en Abner renden haar achterna; Abner zag kans haar te vangen voor ze de trap afholde. Zij worstelde, beet, trapte, gilde: ‘Laat me gaan! Laat me gáán! Ik moet hem tegenhouden! Laat me gáán!’ Ze konden haar alleen maar met bruut geweld de baas; toen Rossini mee wilde gaan zei Abner, hijgend: ‘Nee, dit is mijn taak. Ik ben haar man! Ga weg!’
De wanhoop scheen hem krachten te geven; hij lichtte haar op en droeg haar, trappelend en krijsend, de trap op naar hun woning.
***
Abner duwde de deur met moeite open, droeg haar de slaapkamer binnen en liet haar op het bed vallen. Daar lag ze, met haar haren los, te krijsen als een krankzinnige. Speeksel droop uit haar mond; haar ogen rolden; zij scheurde haar jurk open en krabde haar borst met klauwende handen.
Hij werd gesteund door een grote kalmte. Hij trok zijn jas uit en hing die over een stoel, terwijl zij bleef krijsen en aan haar kleren rukken. Toen ging hij naast haar zitten op de rand van het bed, greep haar polsen en begon, al worstelend, tegen haar te praten. ‘Beheers je, Sara. Je moet je niet zo laten gaan, Sara. 't Is voor je eigen bestwil, ook die van Mordechai Monk. Je moet zijn besluit eerbiedigen, Sara. Je moet hém eerbiedigen. Je moet je niet aanmatigen tegen Gods wil in te gaan, zoals die aan hem is geopenbaard. Hij is niet door zijn eigen wil gedwongen om dit te doen, Sara, maar door Gods wil. Rustig, Sara, rustig, liefste. Heb vertrouwen in de Heer. Geloof, Sara, geloof...’
Hij bleef sussend tegen haar praten tot zij zich eindelijk overgaf. Haar
snikken werden zwakker en zij kon weer verstaanbare woorden uitbrengen. ‘Ik kan niet geloven...’ fluisterde zij, hees. ‘Ik kan niet in een God geloven die... blind, blind!’ Ze begon opnieuw te bulken.
Hij hervatte zijn sussende monoloog. Hij besefte nauwelijks wat hij zei; het kwam op de toon aan, de rust. Maar terwijl hij zat te praten werd hem duidelijk wat hij moest doen om haar te redden. Hij moest Mordechai Monks evangelische overtuiging tot de zijne maken, die voor haar de eerste bron van kracht en hoop was geweest sinds de dood van hun kind. Hij bereikte het besluit zonder aan zichzelf te denken. Op dit moment was het enige dat hij zien kon haar uitgemergelde, gemartelde lijf, haar verwrongen gezicht, haar maagdelijke borstjes vol bloedige schrammen, die zij zichzelf had toegebracht.
‘Sara,’ zei hij, toen zij weer tot bedaren kwam, ‘je moet niet wanhopen. Je moet je geloof aan Christus als je Verlosser niet opgeven. Ik moet je iets bekennen: ik heb Hem zelf ontdekt, ik heb Christus gevonden. Ik wil mezelf aan Hem geven, samen met jou. Luister je naar me, liefste?’
Ze lag stil. Haar ogen staarden, ongelovig, in de zijne.
‘Ja, Sara,’ zei hij, ‘ik wil mezelf overgeven aan Christus, maar ik kan het niet alleen. Jij moet me helpen. Hoor je me? Help me, Sara, help me; zonder jou kan ik het niet.’
Zij staarde hem met open mond aan. Toen sloeg ze, opeens, haar armen om zijn hals, kuste hem op zijn neus, zijn wangen, zijn ogen, koortsachtige, hongerige kussen, die pas tot rust kwamen toen hun monden elkaar vonden. Hij drukte haar tegen zich aan met wanhopige tederheid.
Toen zij omstrengeld lagen in een omarming, wat nooit meer was voorgekomen na Vestals dood, voelde hij dat zij tot hem terugkeerde, hartstochtelijk, hongerig. Het was alsof zij ontwaakten uit een lange nacht van eenzaamheid en verdriet. Het was het laatste dat hij verwacht had, toen hij haar trappelend en gillend naar binnen droeg; geen van beiden was zich bewust van de overgang toen zij herenigd werden in liefde.
Zij vielen in elkaars armen in slaap, en werden wakker in een vrede die Abner nooit eerder ervaren had. Zij knielden naast elkaar bij het bed, hij vouwde zijn handen, zij sloeg haar arm om zijn schouders.
‘Jezus, Verlosser van mijn ziel,’ bad hij, ‘ik aanvaard U als mijn Meester, mijn Licht, mijn Leven. Ik geef mij aan U over. Neem mij, neem mijn leven, maak mij de Uwe.’ Het drukte niet alleen zijn liefde voor haar uit, maar ook een verlangen dat altijd al in hem aanwezig was geweest, zonder dat hij zich ervan bewust was. Terwijl hij de woorden uitsprak, die het einde betekenden van veel dingen die hij nog had willen doen in zijn leven, werd hem een gevoel van genade deelachtig, van geborgenheid.
Even nog dacht hij: ‘Ik deed het alleen maar om haar te helpen...’
Maar hij besefte dat in zijn wanhopige poging om Sara te redden hij een werkelijkheid had ontdekt waarvan hij, voor het ogenblik, alleen maar wist dat zij te maken had met liefde.
***
In een kamer op dezelfde verdieping lag nog een echtpaar in innige omstrengeling te slapen. Toen Charity ontwaakte, na de eerste lichamelijke extase van haar leven, voelde zij zich schuldig. Want buiten, op de koude, donkere prairie, lagen Lydia en de blinde Mordechai.
De gedachte aan hen verdonkerde haar geluk. Zij had kans gezien hen te vergeten in de verrukking van de liefde; nu zij weer tot zichzelf kwam hervond zij hen aan het andere einde van de regenboog. Zij kon het niet voor zich houden. ‘Obadja?’ vroeg ze zacht.
‘H'm?’
‘Sliep je?’
‘H'm.’
‘Ik vraag me af wat er met Lydia en Mordechai gaat gebeuren.’
Even was het stil, toen gromde hij: ‘Ik denk dat ze het er best zullen afbrengen.’
‘Helemaal alleen onder de Indianen? En hij nog blind bovendien? Hoe ver is het wel niet?’
‘Maak je geen zorgen over Mordechai Monk, schat. Als iemand in staat is voor zichzelf te zorgen, is hij het.’
Niettegenstaande de loomheid waarin zij daar lag, veilig en warm in de volheid van haar liefde, ergerde het haar dat hij zo onverschillig was voor de blinde man, die zijn leven op het spel zette omwille van de Indianen en hun kinderen. ‘Maar wat kunnen ze in vredesnaam beginnen? Ze hebben geen ervaring, en hij is zo oeroud...’
Hij zuchtte, rees overeind op een elleboog en kuste haar.
‘Echt, heus...’ protesteerde zij; toen vergat ze Lydia en Mordechai voor de tweede keer die nacht.
Nadat alle hartstocht opgelost was in tederheid, en zij opnieuw verzaligd in Obadja's armen lag, zag zij die twee strompelende figuurtjes weer voor zich op de prairie, vergeten, terwijl hun getuigenis op niets uitliep.
‘Obadja?’