Bij het krieken van de dag schetterde een trompet, die zwermen vogels opjoeg uit het gras en de geknielde paarden deed opstaan. Enkele ogenblikken later reden de drijvers tussen de slapende Indianen door, roepend: ‘Rijzen, rijzen! Rijzen, rijzen!’ Ze knalden met hun zwepen. ‘Rijzen, rotzakken, rijzen, rijzen!’ De Indianen, nog half in slaap, rezen op als schimmen uit hun graf.
Lydia, geschokt door het rauwe gebrul en de zweepslagen, stond ook op. Zij volgde het voorbeeld van de squaws, rolde het grondzeil op met de dekens erin, zwaaide de bundel op haar rug, tilde de zak op met hun schamele bezittingen.
‘Kom,’ zei Mordechai, toen de stoet zich begon te formeren onder vloeken en zweepslagen, ‘laten we ons naar de kop van de colonne haasten en onze getuigenis beginnen.’
Hij beende met forse schreden voor haar uit; ze had moeite hem bij te houden. Haar potten klepperden en kletterden, het pak op haar rug was zwaarder dan ze verwacht had, en de zak onder haar arm gleed aldoor weg. Hijgend bereikte ze de kop van de stoet waar hij met opgeheven armen stond te wachten, zijn gezicht naar de Indianen gekeerd.
‘O God, erbarm U onzer!’ Zijn stem klonk ijl onder de lege hemel, in de eenzaamheid die als kou op hen af leek te waaien uit de prairie. ‘Erbarm U, o God, over dit verloren volk. Amen!’ Hij liet de armen zakken. ‘Laat ons zingen: Komt, Christ'nen! Toont met woord en daad... Komt - Christ'nen - toont...’ Zijn gezang werd overstemd door het brullen van een drijver: ‘Vort! Colonne, MARS, heeft de kapitein geroepen! Vort, ouwe klootzak! Lopen!’
Zonder zijn gezang te staken draaide Mordechai zich om en schreed voor de stoet uit. Uit het niets was een ruiter verschenen, een halfbloed in Indiaanse kleren op een mustang, die voor hen uit ging rijden. Hij was de enige die over het hoge gras heen kon kijken; zijn mustang kliefde de golven van de zee van gras als een bootje.
Lydia sjokte achter Mordechai aan, die bleef zingen met luide stem, toen ging bidden en daarna een nieuwe psalm inzette. Hij was de enige in de stoet die zijn stem verhief; achter haar sprak niemand een woord, geen kind huilde, er was niets te horen dan het zachte geschuifel van mocassins op het platgetrapte gras. Nadat de zon was opgegaan en zij de gezichten kon onderscheiden, leek het alsof zij deel uitmaakte van een stoet slaap-
wandelaars, die star voor zich uitstaarden, verzonken in een droom van haat.
Zij had geen idee hoeveel Indianen er waren, het moesten er honderden zijn. Toen zij langzaam een glooiing beklommen in de grasvlakte keek zij om en zag een schijnbaar eindeloze slang van mensen, met hier en daar een paard en wagen. Pas op de top van de heuvel kon zij het einde van de colonne zien: een groepje ruiters in het blauw, waaronder één met flonkerende epauletten. Er waren misschien twintig drijvers, die langs de colonne op en neer draafden, vloekend, tierend, hun stemmen dun in de leegte, hun zwepen paffend als voetzoekers.
Zij vroeg zich af waarom de Indianen zich niet verzetten tegen dit handjevol blanken; maar zij schenen volslagen gedemoraliseerd. Wat ook de reden mocht zijn voor hun passiviteit, na een uur begon zij het gevoel te krijgen dat zij terecht was gekomen in een andere wereld, die geen enkele overeenkomst vertoonde met die welke zij had achtergelaten. Niets in haar vorige leven had haar hierop voorbereid. Hoewel ze nog geen uur gelopen had, begon ze al moe te worden. De dekenrol op haar rug en de zak onder haar arm leken twee keer zo zwaar te zijn geworden. Haar laarsjes begonnen te schilferen en te barsten. Zij voelde het zweet uit haar oksels biggelen, hetgeen haar een gevoel gaf van onuitsprekelijke viesheid. Binnen het uur was de propere, zelfbewuste onderwijzeres verdwenen als sneeuw voor de zon. Zij zag in haar verbeelding het wezen voor zich waarin zij bezig was te veranderen: een vogelverschrikker in verschoten, gescheurde vodden met een ragebol, gebarsten lippen, stinkende adem, die, net als de squaws, op haar hurken aan de rand van de weg ging zitten om zo snel mogelijk de kleine boodschap te doen die ze niet langer op kon houden.
Maar ze was toch aan deze roeping begonnen op een onmiskenbaar bevel van het goddelijke in haar? Het was beschamend dat zij al na een uur een begin van paniek in haar maag voelde, terwijl ze een tocht van twee maanden voor de boeg had. Zij moest echt proberen zich los te maken van haar bangelijkheid, zich concentreren op de Indianen, door hun muur van stilte en onverschilligheid heenbreken, appelleren aan het goddelijke in hen.
Zij glimlachte tegen de starende gedaanten die achter haar aan strompelden; er kwam geen reactie. Zelfs de zuigelingen in hun mandjes leken door haar heen te kijken met hun zwarte spleetoogjes. Zij moest ergens een menselijke geruststelling zien te vinden, maar Mordechai Monk trok zich niets van haar aan, die was veel te veel met zichzelf bezig. Zij had verwacht dat hij zwak zou zijn, struikelen, haar steun nodig zou hebben; in plaats daarvan leek hij vol geheimzinnige energie. Hij liep met vaste tred aan het hoofd van de stoet; zij strompelde achter hem aan in haar gebroken laarsjes, biddend om Leiding, om hulp.
Maar het mocht niet baten. En geen wonder. Nu zij terugkeek vanuit
deze andere wereld op zichzelf zoals zij gisteren geweest was zag zij een vertwijfelde, verknipte maagd wier betrekking haar was ontnomen, volkomen stuurloos nadat het Genootschap, haar geestelijk tehuis, haar had uitgestoten. Geen baan, geen kerk - haar wereld was ondergegaan. Zij had zich vastgeklampt aan de eerste zelfverzekerde mens die voorbij was gekomen: Mordechai Monk, in de macht des Heren, toonbeeld van nobele, offervaardige Christelijkheid. Zij had zichzelf wijsgemaakt dat zij onmisbaar was voor het slagen van zijn getuigenis; maar de onvermoeibare man die voor haar uit marcheerde als Mozes aan het hoofd van de Joden, zijn witte manen in de wind, had haar alleen maar nodig om zijn bagage te dragen. Ze liep al te hijgen, met kramp in haar kuiten en sterretjes voor haar ogen. Ze begon zichzelf al te ruiken, en besefte dat ze dit geen dag lang zou kunnen volhouden, laat staan twee maanden. Haar roeping was een hersenschim. Mordechai Monk had haar niet nodig; in haar paniek leek het alsof hij een stralenkrans om zijn hoofd had. Ze wist dat ze zich willoos op haar gevoel liet drijven; zij wist dat zij geloven moest, geloven! Maar zij had er de kracht niet toe; zij wankelde naar de rand van het spoor, liet de zak vallen, het pak van haar schouders glijden en ging zitten.
Zij zat nauwelijks, of zij hoorde een kreet en zag dat Mordechai voorover in het gras gevallen was. Zij holde naar hem toe, knielde naast hem, sloeg haar armen om hem heen, trachtte hem op te richten.
‘Lydia...’ jammerde hij, ‘Lydia! Lydia...!’
Die kreet maakte alles anders. Opeens voelde zij een nieuwe kracht, een nieuwe zekerheid. Terwijl de trage stoet langs hen strompelde hielp ze hem overeind, stofte zijn broek af, stak haar arm door de zijne en zei: ‘Kom, lieve Vriend, we gaan verder.’
Hij klampte zich aan haar vast en zei, verward: ‘Nee, nee, jij moet teruggaan, Lydia, jij moet teruggaan! Dit is niets voor een vrouw! Het zal je dood zijn, Lydia, je dood...’
‘Ssst!’ zei ze, als tegen een kind. ‘Dit doet me niets, ik kan maanden zo doorgaan als het moet. Maar jij, Vriend Mordechai, kan jij het uithouden? Zeg eens eerlijk?’
‘God,’ fluisterde hij, en hij hief zijn gezicht naar de hemel. ‘Dank U, God! Dank U, dank U! Ik ben gered...’
‘Kom, lieve Vriend, sta op, Hij is met ons.’ Zij leidde hem naar de rand van het spoor. ‘Wacht één seconde, ik moet even onze bagage pakken.’ Hij klampte zich aan haar vast; zijn bange hulpeloosheid deed haar het zware pak moeiteloos op haar rug zwaaien, de zak onder de arm nemen. ‘Mordechai,’ zei ze, ‘geef mij maar een arm. Ziezo. Daar gaan we dan. Wil je weer naar de kop van de stoet?’
‘Ja, ja...’
‘Dan moeten we vlugger lopen. Eén, twee - één, twee - één, twee...’
In de pas marcheerden zij naar het hoofd van de stoet terug, waar de halfbloed op zijn mustang het deinende gras kliefde. Mordechai begon
weer te zingen. ‘Looft Gods Zoon, de doodvertreder! Hij, die stierf op Golgotha!’
De eenzame mannenstem in de verlatenheid van de prairie was aangrijpend. Opnieuw dacht ze: ‘Er is geen twijfel aan; deze man is in de macht des Heren.’
Zij marcheerde moedig verder. Ze kreeg blaren op haar hielen, het pak schrijnde op haar schouders, de zak werd loodzwaar, maar zij zag kans hem bij te houden, niettegenstaande de pijntjes van haar zwakke geslacht. ‘Bah,’ dacht zij, ‘nu merk ik pas hoe kleinzerig wij vrouwen zijn.’ Vergeleken met Mordechai Monk, bijna zeventig, half blind, bloedend uit de striemen van de gesel op zijn rug, was zij een bibberend schoothondje in de wildernis.
***
‘Heer,’ bad Mordechai, ‘dat scheelde maar een haartje of ik had haar verloren! Dank! Dank!’
Hij zou voorzichtiger moeten zijn, zich niet laten meeslepen door de roes van vreugde waarin hij voortmarcheerde aan de kop van de stoet. Ook al genoot hij van de majesteit van de prairie, de glorie van de hemel met zijn varende wolken, de ruiter voor hen uit, eenzaam stipje in de oceaan van groen, hij mocht haar niet uit het oog verliezen. Maar de vreugde was bijna niet te onderdrukken - vreugde, vreugde, vreugde! Niettegenstaande zijn zonden was de Heilige Geest in hem gevaren, en vulde hem met een kracht die hij vroeger alleen maar beleefd had op de hoogtepunten van zijn preken. Het leek alsof hij omstraald werd door een onaards licht: hij voelde dat hij bergen zou kunnen verzetten. Er was geen twijfel aan: ondanks zijn bedrog, dank zij dat bedrog kon hij nu Gods wil ten uitvoer brengen. Hij maakte zich niet langer zorgen over de toekomst van het meisje, God zou haar beschermen. Geen sterfelijk wezen boezemde hem meer enige vrees in; God kon ze aan, hij kon ze aan. Hij was de kracht des Heren deelachtig geworden! Vreugde, vreugde! Hij raakte er zo van vervuld dat hij het niet langer voor zich kon houden. Hij greep het meisje bij de arm en zette een nieuw gezang in: ‘Ontwaakt, gij die slaapt, en sta op uit de doôn!’
Terwijl hij zong voelde hij de zekerheid dat de woorden van het gezang bezig waren werkelijkheid te worden. Het was alleen maar een kwestie van tijd en God zou de vernederden achter hem oprichten uit de slaap der knechtschap, en hen de ware knechtschap binnenleiden: de dienstbaarheid aan Christus de Zoon, de duif des Heiligen Geestes, de glorie des Vaders.
Wat een vreugde, Gods wil ten uitvoer te mogen brengen! Maar: kalm aan, Mordechai, dacht hij, kalm aan! Houd haar vast, want de oude wereld lokt nog, zij staart nog steeds naar de kust van het verloren land.
***
Toen de zon onderging hield de colonne stil, voor de vierde maal die dag, en er werd bivak gemaakt. Onder de voorraden die Jesse gebracht had was geen voedsel, er zat niets anders voor hen op dan zich aan te sluiten bij het dieet van de Indianen. Lydia ging twee porties vlees halen bij de sergeant die de rantsoenen uitdeelde en voegde zich daarna met haar kookpot bij de squaws, die op hun beurt stonden te wachten aan het gemeenschappelijk keukenvuur. Terwijl zij tussen hen stond, onzichtbaar, drong hun lichaamslucht tot haar door. Zij roken naar armoede, naar de aarde, een geur die haar volkomen vreemd was. Ze was inderdaad verdwaald in een andere wereld, een voorhistorisch land van eindeloze vlakten, waar bizons en wilde paarden graasden en wolven huilden bij het vallen van de nacht. Toen zij eindelijk aan de beurt was en haar vlees kon gaan braden, tussen twee squaws ingeperst die haar hardnekkig bleven negeren, begon zij te luisteren naar hun taaltje. Het scheen alleen uit medeklinkers te bestaan, het leek niet op een menselijke taal maar op het gekwetter van eekhoorns. Opeens voelde ze zich zo afgrijselijk eenzaam dat ze hoopte dat de vrouwen tegen elkander zeiden: ‘Kijk dat malle mens! Kijk 's hoe ze haar vlees braadt, hoe ze probeert ons na te apen!’ Maar ze wist dat ze niet over haar praatten. Ze was onzichtbaar, een spook. Als ze ooit over haar zouden praten zouden zij de betovering verbreken.
Ze vluchtte terug naar Mordechai, nog voor het vlees helemaal gaar was. De oude man zat onder de vleermuisvleugel van het sheltertje dat zij had opgetuigd voor ze naar de provisiewagen ging. Hij zag haar aankomen met dezelfde uitdrukking op zijn gezicht als die morgen, toen hij gevallen was en zij zich over hem ontfermd had. ‘Nu, Vriend, hier ben ik,’ zei ze, en zette de pot met vlees voor hem neer.
‘O, Lydia, Lydia!’ De opluchting in zijn stem verloste haar van het gevoel van eenzaamheid.
‘We moeten maar afwachten wat de pot schaft,’ zei ze. ‘Als je mij vraagt, is het vlees zo taai als leer. Ik hoop dat je goede tanden hebt.’
‘Ik ben ervan overtuigd dat het verrukkelijk zal zijn,’ zei hij stralend.
‘Zijn je tanden werkelijk goed, of zal ik het in stukjes snijden?’ Ze vroeg het alsof het de gewoonste zaak van de wereld was; maar ze moest oppassen dat hij zich niet afhankelijk van haar zou gaan voelen.
‘Nee, dat is niet nodig. Bovendien, we hebben geen mes. Geef me maar een lapje aan. Zullen we eerst even bidden?’
Zij trok haar hand terug van de pot en boog eerbiedig het hoofd.
‘O Heer,’ bad hij, ‘zegen deze spijs en drank, en wil ons beschutten met Uw vleugels, deze nacht. Amen. - Waar is mijn avondeten?’
Hij klonk zo vrolijk alsof ze intiem in een herbergje zaten, een heimelijk rendez-vous van twee geliefden. Jammer dat ze dat nooit had meegemaakt.
Ze had er weleens over gedroomd, op bed, starend naar de zoldering: een gezichtloze man, niet piepjong, maar een rijpe man, met wie ze in een prieeltje zou zitten, in de schaduw van een wingerd, en limonade drinken.
‘Hm, heerlijk...’ Hij beet verrukt in het lapje vlees, maar zij kon zien dat hij moeite had er een stuk af te scheuren.
‘Taai?’
‘Nee, welnee,’ loog hij. ‘Bovendien, we moeten ons bij de Indianen aanpassen. Die hebben ook geen messen of vorken.’
Zij keek om zich heen naar de gestalten in de schemering. Een paar zaten te eten; ze zagen er inderdaad niet naar uit alsof ze messen en vorken hadden.
Hij kauwde manhaftig; zij had geen trek en droomde zo'n beetje weg terwijl zij naar hem zat te kijken. Als ze klaar waren met eten moest ze zijn schoenen en sokken uittrekken, zijn voeten wassen, hem instoppen. Moeilijk, om dat te doen zonder hem het gevoel te geven afhankelijk te zijn.
‘Vriendin Lydia, is dit allemaal niet te veel voor je?’ vroeg hij onverwacht. ‘Ik maakte me zorgen, vandaag. Er is zo ontzettend veel voor je te doen.’
‘O,’ zei ze luchtig, ‘maak je geen zorgen. Op school heb ik het wel drukker gehad.’ Ten eerste was dat een leugen, ten tweede, moest ze toegeven, kon zelfs een invalide aanbieden althans één van die pakken te dragen. Hij mocht dan in de macht des Heren zijn, ze had die middag toen ze achter hem aan strompelde op een gegeven ogenblik gedacht: ‘Zeg Vriend, met je psalmen, als je die dekenrol nu eens van me overnam?’ Maar dat was zelfbeklag. De squaws liepen er ook als lastdieren bij, met pakken onder hun armen en een op hun hoofd en sommigen nog met een zuigeling in een mandje op hun rug. Toen ze de stoet voor het eerst voorbij had zien komen, die morgen lang geleden, in het bos, had zij alleen maar de maskers van wanhoop gezien. Nu viel het haar op dat de mannen onder de Indianen met lege handen liepen te desespereren, terwijl ze hun vrouwen het huisraad lieten torsen, en het nageslacht. De mannen staken geen vinger uit; voor zover zij zien kon was het enige dat ze deden helpen met opladen, daarna draaiden ze hun squaws de rug toe en liepen voor ze uit. Ze konden achter hen in elkaar zakken, dat zouden ze pas 's avonds merken als ze hun natje en hun droogje niet kregen. Wat dat betrof had Mordechai zich sneller aan de Indianen aangepast dan zijzelf. ‘Waar ik me zorgen over maak,’ zei ze, hardop denkend, ‘is hoe we de Indianen kunnen bereiken. Ze weigeren altijd nog ons bestaan te erkennen. Ze kijken dwars door ons heen. Hoe lang dacht je dat dat nog duren zou?’
‘O,’ zei hij, ‘het is alleen maar een kwestie van tijd. Intussen moeten we maar blijven doen wat we nu aan het doen zijn: hun vernedering met opgewektheid delen. We moeten aan het hoofd van de stoet blijven zingen, bidden, onze belevenis van de tegenwoordigheid Gods als een banier voor hen uitdragen.’
Zij sloeg hem met afgunst gade. Hij raakte in vervoering door dat visioen van hemzelf, marcherend aan het hoofd van de Indianen, hen terugleidend naar menselijke waardigheid, naar God. Zijn monoloog werd een preek; allengs leek het alsof hij een gesprek met God begonnen was: ‘Heer, ik weet het, ik ben verdorven, ik ben doortrapt, ik ben onwaardig; ik ben een schelm, een schurk, een straatvlegel in de gouden stad van Uw genade. Maar ik weet ook, o God, mijn God, dat Ge me doorziet, dat Ge het hoofd schudt over de slimme Mordechai die denkt dat hij U vliegen af kan vangen. Ik weet het, God, ik weet het: ik ben onwaardig, een rat, een mol die wroet in de akker des vleses. Maar o, wat een glorie, wat een zegen, wat een triomf Uw schildknaap te mogen zijn, Uw dienaar, Uw zwaardveger...’
‘Nou,’ dacht ze, met betreurenswaardige kattigheid, ‘hij is weer eens aan het doorslaan.’ Hoe bestond het dat ze, terwijl de man in zo'n oprechte vervoering één werd met God, zulke gedachten kon hebben? Wat was het dat haar aanzette tot deze geniepige, kleine...
Ineens wist ze: ik ben jaloers. Ze voelde dezelfde eenzaamheid als toen ze tussen de Indianenvrouwen had gezeten. Misschien was het de vallende avond, de kilte die uit de prairie kwam aanwaaien met de nachtwind, maar ze kon wel grienen van de eenzaamheid. Ze was jaloers op de intimiteit van de dialoog tussen een man en zijn God, die ze zat af te luisteren. ‘De hemel zal me bewaren!’ dacht ze, ‘als het een beetje wil word ik nog jaloers op God.’
Ze zat er geduldig bij tot hij uitgejubileerd was, of geraaskald, het hing ervan af wie ernaar luisterde. Ze probeerde zich in Gods plaats te denken, maar kon het niet. Als God een vrouw was zou Hij zich afvragen: wat wil die man van me? Maar dat soort stommiteit was dan ook met Eva begonnen: ‘Hè, toe, Adam, wat zit je toch aldoor in jezelf te praten? Hier, neem een appeltje.’ Ze werd afgeleid uit haar onnozel gemijmer toen hij, ineens, naar haar graaide. Het gaf haar een schok; toen besefte ze: hij wil de samenkomst beëindigen. Zij greep zijn hand, drukte die, zei schijnheilig: ‘Dank je, Vriend, voor je getuigenis,’ haatte zichzelf en vervolgde: ‘Nu, laten we je schoenen maar eens uittrekken, en dan: naar bed.’ Ze merkte pas dat ze hem behandelde alsof hij een kind was toen zij, na het moeizaam uittrekken van de eerste schoen, vrolijk uitriep: ‘Hupsakeetje, nu de andere!’ Ze moest zich schamen dat ze een zwaardveger Gods behandelde alsof hij met blote billetjes op een aankleedtafel lag te trappelen.
Maar Mordechai liet het zich welgevallen. En waarom ook niet? Dan zóú zijn prekerij een beetje overdreven en een beetje hoogdravend geweest zijn; hoe zou zij zich houden als zij op haar beurt zeventig was, en half blind? Ze moest er niet aan denken. Beschaamd trok zij zijn sokken uit, hielp hem met gesloten ogen bij het uittrekken van zijn bovenbroek, stopte hem in toen hij eenmaal onder de deken lag. Zo aanstekelijk was de pantomime van moeder en kind, dat ze hem bijna een nachtzoen op zijn voor-
hoofd gaf; maar ze wist zich nog op tijd in te houden. ‘Welterusten, lieve Vriend.’
‘Goedenacht, Vriendin Lydia...’
Zij kroop het sheltertje uit om haar eigen deken te gaan zoeken. Dat sheltertje had wel even groter gekund. Zij wist niet wat Jesse in zijn hoofd had gehad, maar het was niet bestemd voor twee personen, of het moest een in elkaar verstrengeld liefdespaar zijn. Korzelig rolde ze haar deken uit in de open lucht, trok haar laarsjes uit, wreef haar voeten, trok de jurk over haar hoofd en kroop onder de deken. Als hoofdkussen gebruikte ze de boeken. Haar verschoning zou zachter geweest zijn, maar, opofferende ziel die ze was, die had ze, samen met de zijne, aan hem gegeven. Hij had gemompeld: ‘H'm, heerlijk,’ terwijl hij zijn hoofd in het zachte kussen schurkte. Geen haar op dat hoofd had eraan gedacht dat zij nu met haar knoet op een stapel boeken moest gaan liggen. Hè, bah, wat was ze weer kattig. ‘Kijk liever eens naar die sterren,’ dacht ze, ‘doordring je maar eens van het mysterie van het heelal. Je zit vol venijn vanavond.’
De nacht begon te vallen, de diepblauwe hemel raakte vol sterren. Het was een indrukwekkend schouwspel, maar niet iets om een mens op zijn gemak te stellen. Een prachtig gezicht, maar niet bepaald warm of inspirerend. Vergeleken bij de sterren was de manier waarop de Indianen haar aankeken vol menselijkheid. Nog nooit eerder was zij zich bewust geworden hoe koud, hoe onpersoonlijk het heelal was, hoe onverschillig. En daar moest dan de Geest zweven waar Mordechai in vervoering mee gepraat had. Tegen gepraat, waarschijnlijk. Had hij antwoord gekregen? Had hij een stem gehoord in zijn gedachten? Zo ja, dan had het goddelijke in hemzelf geantwoord, niet het goddelijke in die onmetelijke ijskelder vol sterren.
Terwijl ze zo lag te mijmeren, steeds kouder wordend, hoorde ze een geritsel in het gras achter haar, alsof er iemand rondsloop die nu stilstond en naar haar gluurde. Opeens, terwijl ze ademloos lag te luisteren, leek de prairie vol sluipende, door wellust verhitte mannen, die hijgend stonden te loeren naar haar weerloze lichaam...
Er gebeurde niets, maar van slapen kwam niet veel. Toch moest ze op een gegeven ogenblik weggedoezeld zijn, want opeens was het morgen. Een morgen zoals ze die nog nooit eerder had zien dagen: een wereldgrote bloem die zich openvouwde, blauw en roze, met in de diepblauwe hemel een streep schapewolkjes, oranje belicht, als de onderkant van een reusachtige vleugel. Toen ze opstond ontdekte ze tot haar verbazing dat ze uitgerust was. Haar schoenen pasten haar, de blaren, hoewel akelig om te zien, beletten haar niet om te lopen.
Mordechai Monk lag nog te snurken onder zijn afdakje. In de dageraad leek zijn gezicht met de open mond en de platgewoelde witte haren inderdaad dat van een kind. Ze besloot hem maar zo lang mogelijk te laten slapen en ging een pan lauw griesmeel halen aan de provisiewagen; toen
pas wekte zij hem. Terwijl hij met zijn vingers zat te eten en knoeide van jewelste, tuigde zij het sheltertje af, rolde haar deken op en zei: ‘Vooruit, waarde Vriend, opstaan, anders worden we door de trompet overvallen.’
Ze had gelijk. Hij had nog maar één been in zijn broek toen de trompet schetterde, vogels opzwermden uit het gras en de Indianen hun vrouwen begonnen op te laden. Zij zwaaide op haar beurt de bundel op haar schouder, die lichter leek dan de avond tevoren maar waarschijnlik gedurende de dag steeds zwaarder zou worden, en ze nam de zak onder de arm. Daar gingen ze dan, mee met de stroom die zich traag in beweging zette. Het duurde een tijdje voor zij de kop van de stoet bereikt hadden en de verkenner op zijn mustang weer begonnen te volgen. Het achterste van zijn paard en zijn jak waren fel oranje in het licht van de opgaande zon. Mordechai Monk had geen steun nodig, maar hij bleef zich er steeds van overtuigen dat zij er nog was. Het was hem nog te vroeg voor psalmen of gezangen; voorlopig stapte hij met forse tred op het spoor van het paard. Zij sjokte plichtmatig met hem mee; al spoedig begonnen haar gedachten weg te drijven in een reeks onsamenhangende beelden, herinneringen, dagdromen, terwijl haar lichaam werktuiglijk bleef marcheren. Ze had visioenen van koel water, vers gemangelde lakens, de geur van lavendel bij het openen van haar legkast met al die kleren, die ze altijd als vanzelfsprekend had aangenomen: onderlijfjes, zacht en warm, kousen, heerlijk schoon en fris, die je begroetten als vriendinnen in de morgen. Ze herinnerde zich de dag waarop ze de jurk die ze nu droeg voor het eerst had aangepast; ze wist nog precies hoe hij aanvoelde, hoe flatterend hij was, niettegenstaande de sombere kleur en de zedige snit. En die laarsjes, hoe trots was ze daar niet op geweest! Ze had nauwelijks de verleiding kunnen weerstaan om ze tijdens de samenkomst te laten zien, op de ouderlingenbank, door haar rok een beetje hoog op te trekken. Nooit had ze beseft hoe kostbaar die dingen waren. Ze belichaamden niet alleen beschaving, maar ook verfijning, veiligheid, menselijke warmte, vriendschap, tederheid.
Terwijl ze voortsjokte door de koude najaarsmorgen raakte ze opnieuw gedeprimeerd door de harteloosheid van de drijvers, die met knallende zwepen op en neer draafden langs de colonne en vuile taal uitschreeuwden. Het was voor het eerst dat ze deel uitmaakte van de Indiaanse werkelijkheid, in plaats van die van buitenaf te bekijken. Zij besefte allengs dat het een wereld was waarin tederheid of liefde geen wortel kon schieten, een wereld van ontbering en nimmer aflatende angst voor geweld. Zij trachtte zich bewust te worden van de tegenwoordigheid Gods, net als Mordechai, die weer begon te bidden, zingen, jubileren. Maar het enige waar ze zich van bewust kon worden was heimwee naar het gevoel van koel water op haar gezicht, de smaak van verse boter, de geur van pas gebakken brood, de schoonheid van een kam, een theelepeltje, het spiegeltje dat haar moeder haar voor haar twaalfde verjaardag gegeven had:
‘Lydia, pas op dat je er niet ijdel van wordt!’
Waarin was zij te kort geschoten? Waarom werd hij opgezweept door zijn geloof tot hij zuiverheid en kracht uitstraalde, terwijl zij steeds vermoeider met hem meesjokte, met een groeiend gevoel van mislukking? Soms voelde ze een onbestemde angst, een voorgevoel van iets dreigends, dat op haar af kwam uit de leegte. De kilheid van de verlaten vlakte drong door tot haar botten; het was alsof ze tegelijkertijd doordrongen werd van die angst, dezelfde angst die zij in de Indiaanse squaws aanvoelde. Was het angst voor geweld? De dood? Verkrachting?
Verkrachting. Daar sjokte ze, naast een stralende heilige, en piekerde over verkrachting. Alsof enige man dit sjokkende, kreunende lastdier nog zou kunnen begeren, dit zwetende vrouwmens, op het punt in elkaar te zakken als een afgebeuld dier...
Toch voelde ze zich die avond, toen ze bivak maakten, minder moe dan de avond tevoren. Ze ging nu regelrecht naar de provisiewagen, voor zich een file gevormd had van een kilometer lang. Ze was een van de eersten bij het vuur en schaamde zich niet om twee van die zure vrouwen opzij te duwen om zich tussen hen te wurmen. Welke transfiguratie Mordechai Monk ook mocht doormaken, zij braadde haar biefstuk met dezelfde zelfzucht en vijandigheid tegenover anderen als de rest van de squaws. Toen ze de man zijn maaltje bracht, kon hij er ditmaal zijn tanden inzetten zonder ‘au’ te roepen. Mals was anders, maar het was tenminste om te eten. Nog een dag of wat, misschien dat zij dan haar draai gevonden zou hebben, althans wat de kokerij betrof. Weer hielp zij hem met zijn schoenen uittrekken, kleedde hem uit en stopte hem in; hij was zo dankbaar voor haar moederlijke zorgen dat hij haar hand greep en er een kus op drukte. Het gaf haar een rilling, want hij had hete, natte lippen. Misschien was die handkus de aanleiding dat zij, opnieuw, met starende ogen naar de sterren lag te turen, luisterend naar het geritsel, gefluister en getrippel in het manshoge gras. Weer lag ze de hele nacht wakker met haar hart in de keel, overtuigd dat mannen haar stonden te begluren; weer werd ze wakker in de dageraad zonder beseft te hebben dat ze uiteindelijk toch in slaap was gevallen. Ze voelde zich nog beter uitgerust dan gisteren.
Toen ze weer op weg gingen merkte ze dat ze gewend begon te raken aan het eindeloze gesjok. Het gebral van Mordechai Monk boezemde haar geen ontzag of afgunst meer in, zoals de dag tevoren, maar gaf haar een soort moederlijke geruststelling. Laat maar balken, dacht ze, als hij maar gelukkig is, de stakker. Maar toch raakte ze opnieuw onder de indruk van die ongelooflijke energie voor een man van zijn leeftijd; hij mocht dan niets te dragen hebben, maar ook al had ze erbij gelopen met geen veertje op haar rug, als zij zo tekeerging als hij zou ze na een half uur kreunend in elkaar zakken met een steek in haar zij. Hóór hem eens! ‘Heilig, heerlijk Opperwezen, Die het groot heelal gebiedt! Alles moog' verdonk'ring vrezen, maar dat vreest Uw luister niet!’ En dat na zes uur marcheren,
waarbij zijn mond geen ogenblik had stilgestaan! Waar haalde de man de kracht vandaan? Hoe bestond het dat hij deze marathonpreek, met gebed en gezang, volhield van de vroege morgen tot de late avond? Misschien was het de oude spring-in-'t-veld die haar zo moe maakte, niet lichamelijk maar geestelijk. Ze viel ten prooi aan een doffe uitputting; de dagdromen, die haar gisteren geholpen hadden de tijd te vergeten, werden erdoor weggedrukt in een grijze mist van zeurig gesuf.
Tegen het middaguur, toen de colonne weer een heuveltop bereikt had, ving ze de eerste glimp op van ander menselijk leven in de leegte van de prairie. Aan de einder, scherp afgetekend tegen de hemel, stond een rij roerloze silhouetjes van ruiters, die hen uit de verte gadesloegen. Na een paar seconden verdwenen ze als bij toverslag. Die avond, toen ze bivak maakten, dook ineens een horde bereden Indianen op uit de groene oceaan. Zij hadden andere gezichtstrekken dan de Shawnees, ze droegen hoofdtooien, er was iets wilds, iets ongetemds aan de manier waarop ze, met een rauw gegil, hun mustangs aanvuurden en vier kolossale, dode bizons het bivak insleurden. Gillend wierpen de squaws zich op de stoffige dieren en begonnen er met weerzinwekkende beestachtigheid aan te scheuren en te hakken. Een ieder trachtte de beste stukken buit te maken; Lydia kon het niet van zichzelf gedaan krijgen eraan mee te doen. Toen de squaws klaar waren met hakken en zij, aarzelend, naar de naakte karkassen liep, vond ze alleen hier en daar nog een flinter vlees aan de afgekloven ribben kleven. Om die flinters te pakken te krijgen moest ze vechten met de honden, die met het konvooi meezwierven en 's nachts meehuilden met de wolven. Zij moest er één met de pot op zijn test slaan voor ze hem kon intimideren; toen zij eindelijk met het maaltje kwam opdagen, zei ze: ‘Het spijt me, waarde Vriend, maar vanavond is schraalhans keukenmeester. Ik moet nog aan de strijd om het bestaan wennen. Enfin, probeer maar eens. Het vlees is tenminste vers.’
Hij at met dezelfde vreugde waarmee hij alles deed, dezer dagen. Het was lief van hem om opgetogen te zijn, maar zij werd er zo moe van. Waarom kon de man nou niet gewoon zeggen: ‘Ja, lekker’ en het daarbij laten? Nee: ‘Verrukkelijk! Heerlijk! Voortreffelijk! Het meest malse vlees dat ik in jaren geproefd heb!’
Ten slotte zei ze: ‘Mordechai, lieve Vriend, eet nu eens rustig op. Straks, als we samenkomst houden, mag je weer preken.’
Het was haar mond nog niet uit of ze had er spijt van; waarom moest ze een domper zetten op de levensvreugde van de oude stakker? Maar het bracht hem tot bedaren. Terwijl ze in de weldoende stilte zat te kauwen op het vlees, dat nog niet eens zo slecht was, sloot ze haar ogen en bleek zo moe te zijn dat ze bijna omviel, overmand door slaap. Ze sperde haar ogen weer open en bleef manmoedig door eten. Ze wist zelfs een gesprek gaande te houden tot het tijd was voor de avondsamenkomst. Nauwelijks hadden zij hun handen gevouwen of hij begon alweer te getuigen; stilte was er
niet meer bij. Opnieuw begon hij dat gepassioneerde, geheimzinnige gesprek met God, die hem blijkbaar de les zat te lezen, want hij putte zich uit in zelfvernederende termen: ‘Zondaar, verdorvene, oude Adam.’ Naar zijn zelfkastijding te oordelen bracht hij de dag door met liegen, bedriegen, zwendelen, zelfs overspel kwam eraan te pas. Dat was klinkklare nonsens voor een doodmoeie man van tegen de zeventig in het hartje van de prairie. Zij kon het niet helpen, maar zijn steeds hartstochtelijker wordende flagellatie gaf haar hetzelfde gevoel als toen hij haar hand gekust had, de avond tevoren. Hij mocht dan een heilige zijn in de macht Gods, een baken van kracht en vreugde, maar er was iets engs aan zijn verhitte geprevel, zijn jammerklachten over zijn verdorvenheid, zijn spookachtige zonden, die alleen maar in zijn verbeelding konden hebben plaatsgehad. Opnieuw werd zij moe van de hartstocht waarmee hij zich aan Gods voeten wierp en om genade smeekte; met opluchting drukte zij hem de hand toen hij er, plotseling, een eind aan maakte. Opnieuw hielp zij hem met zijn schoenen, zijn sokken; hij veranderde weer in een hulpeloos kind. Maar, kind of niet, vanavond geen handkus, nam ze zich voor. Ze stopte hem in en - roets! - daar had hij haar hand weer te pakken en drukte er die hete, natte lippen op. Ditmaal trok ze haar hand terug, bruusker dan ze bedoeld had. Om het goed te maken streelde ze hem even over zijn haar, het was voor het eerst dat ze dat deed, hij voelde aan als een hond.
Nu, dat werd dan weer een nachtje staren en luisteren naar niet bestaande mannen in het ritselende gras. Maar deze nacht was zij zo moe, dat zelfs het angstvisioen van een drijver die haar in haar slaap overweldigde niet voldoende was om haar wakker te houden. Toch was het gevaar dat de drijvers opleverden niet denkbeeldig. Jesse had het niet met zoveel woorden gezegd, maar zodra ze zich afzonderde van de colonne kon een man haar overmeesteren in het hoge gras zonder dat er een haan naar kraaide. In de beschaafde wereld zou zo iets een overdreven, ziekelijk waanidee zijn geweest; hier, in deze voorhistorische wereld van totale onverschilligheid ten opzichte van dood of lijden, was de vrees om verkracht te worden redelijk. Eén drijver vooral, begon ze te merken, was in haar geïnteresseerd: een schele slungel, dezelfde die Mordechai Monk gegeseld had. De man hield haar voortdurend in de gaten; zodra zij even aan de rand van de weg ging zitten omdat zij niet anders kón hoorde zij geruis in het gras achter zich, en daar kwam de griezelige kop van de man over de wuivende pluimen naar haar loeren. Hoe hij het klaarspeelde wist ze niet, maar nauwelijks hurkte ze, half in het gras verscholen, of daar was hij, en zonder draven. Het kon niet anders of hij moest haar de hele dag onafgebroken in het oog houden, wachtend op zijn kans.
Het duurde een paar dagen voor het tot haar doordrong dat de man, ook al zou hij haar nooit aanraken, bezig was haar ongeluk te worden. Ze kon namelijk onmogelijk het voorbeeld van de squaws volgen en aan de rand van het spoor hurken om een grote boodschap te doen. Ze kón het ge-
woon niet, ook al werd haar allengs duidelijk dat het de enige manier was. In het gras verdwijnen was uitgesloten; toch moest ze zich afzonderen, helemaal alleen, onbespied, zonder aan tijd gebonden te zijn, anders lukte het niet. Dat was kennelijk waar de schele griezel op zat te wachten; daarom verloor hij haar nooit uit het oog: vandaag of morgen moest het toch gebeuren.
Vandaag of morgen. Hoe lang waren ze al onderweg? Vijf dagen. Tot dusverre had ze geen last gehad, en het was wel vaker voorgekomen. Maar een week? Twee weken? Het leek, toen ze zich erin verdiepte, een ijdele gedachte, het gebruikelijke gemijmer tijdens het voortsjokken, maar allengs besloop haar de angst. Ze wist absoluut zeker dat ze geen kans zou zien het voorbeeld van de squaws te volgen. Ze wist tevens dat ze het nooit zou durven om zich in het gras af te zonderen vanwege die drijver. Hoe lang kon een mens het ophouden zonder ziek te worden, zelfs - te sterven? Zij kon onmogelijk twee maanden lang geconstipeerd blijven en het er levend afbrengen. Ineens besefte ze: ze zou er inderdaad aan kunnen sterven. Haar leven lang had zij op dat punt een onoverkomelijke gêne gehad; toen ze op school was had ze zelfs niet kunnen functioneren als ze de indruk had dat haar medeleerlingen ervan wisten. Nu was ze niet langer in staat om die ingekankerde preutsheid te overwinnen.
Het was zo'n absurde gedachte dat zij besloot het toch maar eens te proberen, die middag. Maar nog vóór de griezel aan kwam ritselen door het gras en haar opjoeg als een vogel, was ze al tot de slotsom gekomen dat het hopeloos was. Ze kon het onder ogen zien met een objectiviteit die zij, een paar dagen geleden, onmogelijk zou hebben kunnen opbrengen. Haar roeping om zich bij Mordechai Monk te voegen was onwerelds geweest; in plaats van zich in dit avontuur te werpen op knooplaarsjes, met een bijbel als enig wapen tegen de oerwereld die zij uitdaagde, had ze een expeditie moeten organiseren onder het beheer van de Vergadering. Tien, twaalf huifkarren vol proviand, gereedschap, kleren, keukenmateriaal, met minstens dertig mensen die zorgvuldig waren uitgezocht en zich grondig hadden voorbereid op het leven in de wildernis. Ze kon nu niet begrijpen hoe ze het in haar hoofd gehaald had om zo maar, op de bonnefooi, mee te gaan zonder zich ook maar een ogenblik te bezinnen op elementaire dingen, zoals dit. ‘O mijn God,’ bad ze, ineens in paniek, ‘help me, help me!’ Maar ze wist van tevoren dat het geen zin had; God had wel wat anders te doen dan te luisteren naar het gejammer van geconstipeerde dwaze maagden.
Daar begon Mordechai Monk weer te blèren: ‘Mijn God! Hoe krachtloos, hoe ontaard, maakt mij het gif der zonden!’
Ze had bijna uitgeroepen: ‘Man, hou je waffel!’ Ze hield zich in, maar was dít de vrouw die eens, met tranen in de ogen, gesmeekt had: ‘O God, laat mij Uw liefde belichamen’? Niet alleen dat zij geen liefde meer in zichzelf ontdekken kon, in deze wrede wereld van lijden, geweld en dood
was het idee zelf van een God van liefde een hersenschim, een illusie. Haar God, de God van de Quakers, was een luxe geweest, een cultuurprodukt dat alleen in leven kon worden gehouden in de beschuttende maatschappij van de Westerse beschaving, waar mannetjesdieren niet loerden op ieder wijfjesdier dat zich los dorst te maken van de kudde, waar geen horden vrouwen krijsend vochten om lappen vlees die zij met hun blote handen van een bizonkarkas afscheurden, waar de zieken werden verpleegd, de doden begraven en zij die hun behoefte moesten doen, zich konden afzonderen in een vertrekje speciaal voor het doel gebouwd, waarvan de deur aan de binnenkant kon worden gegrendeld. Dat was, in haar vertwijfeling, het belangrijkste attribuut van de beschaving: het hokje met de deur, die vanbinnen gegrendeld kon worden.
Ze kon het nog niet geloven; het wás dan ook niet om te geloven; toch viel er niet aan te tornen: het was een kwestie van weken, dan zou het met haar gedaan zijn.
‘O, God,’ bad zij, óp van de zenuwen, ‘red me, red me, ik ben zo bang...’
‘Of val ik, Vader, vat mijn hand!’ galmde Mordechai Monk, ‘dat ik naar 't hemels Vaderland mijn reis met vreugd' volbrenge!’
Boven hen zwierden de gieren.
De horzels kwamen zondag, toen het konvooi stillag. Ze streken bij zwermen op hen neer, hongerig, agressief, heel anders dan de paardevliegen die zij in Pendle Hill gekend had. Overal om haar heen waren Indianen bezig zich in het gezicht of op de armen te slaan; de paarden, uitgemergeld en afgebeuld als zij waren, begonnen hinnikend en schoppend door de menigte te galopperen.
Het was puur toeval dat Lydia het dreumesje zag dat op het punt stond onder de hoeven van een naderstormend paard te raken. Voor zij wist wat ze deed had zij het kindje weggegrist; zij kreeg bijna zelf een trap van het op hol geslagen dier. Ze stond met het kindje in haar armen; toen barstte het in gillende snikken uit. Zij zette het neer, het waggelde terug naar zijn moeder die het oppakte en zich uit de voeten maakte.
Lydia was er niet op uit om bewierookt te worden, maar ze had dan toch maar haar leven in de waagschaal gesteld voor dat kind. De moeder echter had door haar heen gekeken alsof ze lucht was. Ze wist zich te beheersen, maar was behoorlijk kwaad toen ze naar Mordechai Monk terugkeerde, die op het grondzeiltje gehurkt zat, horzels van zich af slaand. ‘Nu, waarde Vriendin,’ zei hij, ‘hier hebben we dan nóg een plaag uit het Oude Testament.’ Zij antwoordde niet maar keek om zich heen; opeens viel haar oog op het vierkante huisje met de rieten haag eromheen, achter de tent van de kapitein. Ze staarde ernaar, en vergat de horzels. Als ze eens ging vragen of ze het gebruiken mocht? Het was haar laatste kans.
Onder normale omstandigheden zou ze er eerst een nachtje over hebben geslapen, nu mompelde ze: ‘Neem me niet kwalijk, ik ben direct terug,’ en liep naar de commandotent.
De kapitein zat te eten onder het baldakijn van zeildoek met een servet om zijn nek. Zijn negerbediende stond in de tentingang. ‘Goedemiddag, Vriend Stewart. Het spijt me je te storen, maar ik wilde even met je praten.’
Hij stond op, veegde zijn baard af met zijn servet en zei: ‘Juffrouw Best, graag! Gaat u zitten.’ Hij wees op de stoel tegenover hem.
‘Dank je.’ Zij tilde nuffig de rok van haar vogelverschrikkersjurk op en stapte op het vlondertje. De tafel was gedekt met wit linnen, vork en mes, porseleinen bord, een half glas rode wijn. Op het bord lag een aangesneden biefstuk, gebakken aardappelen, witte bonen; een hard broodje lag naast zijn bord. Zij werd er akelig van.
‘Wat mag ik u aanbieden?’ De kapitein wenkte zijn bediende naderbij. ‘Koffie? Een glaasje likeur?’
Zij slikte. ‘Niets, dank je. Ik kwam je alleen maar even om een kleine dienst vragen.’
‘Maar u hebt nog niet gegeten!’ riep de kapitein uit. ‘Wat onbeleefd van me. Boy!’
‘Nee, nee, alsjeblieft! Bied me niets aan, ik kan het onmogelijk aannemen.’
Hij haalde de schouders op: ‘Zoals u wilt. Ruim op, boy.’
De bediende haalde bord, mes, vork en broodje weg; het glas liet hij staan. Toen kwam hij terug met een tweede glas wijn, dat hij voor de kapitein neerzette. Hij veegde de kruimels van het tafellaken en verdween.
‘Eén glas kunt u toch niet weigeren?’ vroeg de kapitein, onschuldig.
Zij schudde het hoofd. ‘Ik - ik wil niets dat de Indianen niet ontvangen.’ Het was bijzonder hypocriet. Geen squaw zou het in haar hoofd halen om de kapitein te gaan vragen of ze van zijn privé-toilet gebruik mocht maken.
‘Wat kan ik voor u doen, juffrouw Best?’
Nu het zover was kreeg ze het te kwaad; maar ze dacht: denk maar dat het een dokter is. ‘Ik zou je dit niet vragen, Vriend Stewart, als - als ik er niet zeker van was dat je een heer bent.’ Het was niet alleen een belachelijk begin, het was pertinent onwaar.
Hij nam een teugje. ‘Juffrouw Best,’ zei hij, zonder naar haar te kijken, ‘laten we open kaart spelen. Ik heb u aan het begin gewaarschuwd dat, als u in leven wilde blijven, u een squaw zou moeten worden. Kunt u zich dat nog herinneren?’
‘Ja.’
‘Ik moet u nu bekennen dat ik, toen ik dat zei, niet helemaal eerlijk was. Er is nog een tweede mogelijkheid: u kunt bij mij intrekken.’
Zij staarde hem met open mond aan, niet in staat een woord uit te brengen.
Hij glimlachte. ‘In de wereld die we achter ons hebben gelaten, zou dit een schandelijk voorstel zijn, juffrouw Best. Maar we zijn op de prairie. Wanneer het te veel voor u wordt, nodig ik u hierbij uit om mijn commandotent en zijn gemakken met mij te delen. Ik zou kunnen zeggen: “Gaat u in mijn tent slapen, ik laat wel een sheltertje voor mezelf optuigen,” maar dat zou niet eerlijk tegenover u zijn.’
Zij was zo onthutst, zo bang voor die brutale man met zijn koude, wrede ogen, dat ze opstond, van het vlondertje sprong en naar Mordechai Monk terugholde, wiens witte haardos zij in de verte kon onderscheiden.
Toen ze halverwege was stond ze stil om tot bezinning te komen. Zou ze het hem vertellen? Het was het meest schandelijke voorstel dat haar ooit was gedaan... Opeens zette zij het weer op een lopen.
‘Lydia?’
Zonder een woord griste ze de kookpot voor zijn voeten weg en holde ermee in de richting van de bizonkarkassen. Maar ze kon niet ontkomen aan het besef dat ze, een seconde lang, overwogen had haar leven te redden door in te trekken bij de kapitein. Het laatste greintje deugdzaamheid was haar ontvallen.
***
Mordechai Monk keek haar fronsend na toen zij ineens wegliep. Wat was er aan de hand? Wat had ze met de kapitein bekokstoofd? Hij had het uit de verte gezien: de patser had haar wijn aangeboden. Wat moest ze met die man? Wat voerde ze in haar schild?
Opeens voelde hij de opwelling achter haar aan te hollen, haar te grijpen, door elkaar te schudden en te vragen wat voor de drommel dat te betekenen had: pimpelen met die bloedhond, alles tenietdoen wat ze de afgelopen zes dagen hadden weten te bereiken met de Indianen! Hij balde de vuisten. De slet, de ... Met een schok drong het tot hem door dat hij bezeten was door jaloezie.
Niet mogelijk! Hij was een ander mens geworden! Hij was neergesmakt door Gods bliksem op de weg naar Damascus en opgestaan als Paulus! Het bestond niet dat er niets in hem veranderd was ... Kalm, kalm, suste hij, je bent menselijk, je bent een man. Alle mannen worden soms belaagd door ... ‘Nee, nee!’ Hij riep het luidkeels. Een Indiaan die voorbijkwam kon het niet laten even naar hem te gluren. ‘O God, o Vader, o licht van mijn leven...’
Hij zat, met zijn gezicht in de handen, de woorden te prevelen die hem al deze dagen met vreugde en licht hadden vervuld. Het bestond niet dat het verbeelding was geweest, dat hij niet alleen God, maar zichzelf had bedrogen! Maar wat had ze met die kapitein zitten te bekonkelen, de hoer? Het geweld dat in hem ontketend werd benam hem de adem. Was zijn wedergeboorte dan een illusie geweest, zelfbedrog? Had niet God hem op
deze weg gezet, maar de duivel? Was de ware drijfveer zijn eigen geilheid, vermomd door schijnheilige frasen? Gedurende enkele seconden leek alles wat hij tot dusverre gevoeld had vals, zondig, godslasterlijk...
‘O, mijn God, mijn Vader, mijn Vriend...’ Hij staarde naar de hemel, waarin kleine, koude schapewolkjes dreven. ‘God, God, mijn Vader, mijn Vriend, red me, red me! Zeg dat het niet waar is! Ik ben Uw dienaar, ik ben Uw schildknaap, ik ben veranderd, ik ben herboren!’
Maar er kwam geen antwoord uit de leegte achter de wolken. Was er dan niets goddelijks in de vervoering geweest die hij ervaren had? Was het hunkeren naar haar als medepelgrim een inblazing Satans geweest, een banvloek waarmee God hem besmeten had? Hij trachtte in zichzelf iets te vinden wat waar was, zuiver, oprecht. Maar het enige oprechte, op dat ogenblik, was de woede waarmee hij dat slanke, heupwiegende figuurtje achterna wilde hollen, bij de haren grijpen, op de grond smakken ... O, mijn God, mijn God, Emily! Emily, wat is er met me aan het gebeuren...?
Allemaal aanstellerij. Hij begeerde Lydia Best. Hij had haar begeerd vanaf het eerste ogenblik dat hij haar gezien had. Het was niet God die hem verleid had om blindheid voor te wenden, maar zijn eigen wellust. Hoe had hij de brief van Jacobus kunnen vergeten? ‘Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna, de begeerlijkheid ontvangen hebbende, baart zonde; en de zonde, voleindigd zijnde, baart de dood.’
Hoe kon hij zich zo door de oude Adam, die dubbelganger in zijn gespleten ziel, hebben laten beheksen? Noch God, noch de Heilige Geest, noch de Heiland had hem vervuld met die kracht, die vreugde, dat gevoel bergen te kunnen verzetten, waarover hij aan het hoofd van de stoet had gejubileerd. Hij had het niet voor God gedaan maar voor haar, die slet, die sloerie, dat stuk huisvuil, dat ... O, Lydia! Lydia! Met haar aan zijn zijde had hij zich jong gevoeld, vol licht, deernis, tederheid...
‘Mordechai,’ dacht hij plotseling, ‘waarom heb je dat niet dadelijk ontdekt? Je bent niet bekeerd: je bent verliefd.’
Onzin! Het bestond niet dat vleselijke liefde zo'n geestelijke vervoering teweeg kon brengen, zo'n gevoel van eenheid met God, zo'n besef van de Tegenwoordigheid, zo'n zekerheid het werktuig te zijn van Zijn liefde ... Of kon het zijn dat alle liefde aan dezelfde bron ontsprong? De liefde van de knaap voor het maagdje, van de grijsaard voor de jonge vrouw, van de moeder voor haar kind, de vader voor zijn dochter, de mysticus voor God, de Zoon des mensen voor de zondaren die krioelden als maden in de wonden der aarde? Was er geen essentieel maar alleen een gradueel verschil tussen zijn begeerte voor die deerne en zijn hartstochtelijke liefde voor God?
‘Mordechai,’ dacht hij, ‘ik zou maar ophouden met die praatjes, want
nooit van je levensdagen heb jij voor God gevoeld wat je nu voelt voor Lydia Best.’
Daar moest hij eens rustig over nadenken, en zich dan voor de kop schieten. Een ogenblik lang zweefde het beeld hem voor van een oude zondaar die zich offerde op het blok Gods, maar het was te theatraal. Zelfs zijn dood bleef een marskramersgebaar, en na haar bezoek aan de kapitein had hij tabak van dikke woorden, dat boerenbedrog. Die kaffer met zijn baard! Hoe kon een redelijk, zedelijk wezen naar zo iets gluren met haar hoofd opzij? O, oho, wat een onzin! Moest ze naar hem zelf gluren, soms? Hij was veertig jaar ouder dan zij! Hij stonk een uur in de wind, hij grijnsde naar haar met gebarsten lippen en één siepoog, hij had wit haar, dat uit zijn oren en zijn neusgaten groeide als bij een everzwijn! Hoe kon hij het in zijn hoofd halen dat zij ooit zijn liefde zou beantwoorden? Maar het was dan ook geen liefde, het was hu. En daar lag de zwaardveger Gods, geveld door een waarheid van twee letters.
Somber, de armen boos gevouwen, de saterkop tussen de schouders, staarde hij naar de squaws die zich om het vuur verdrongen. Hij probeerde haar tussen hen te onderscheiden, maar het was onmogelijk. Honderden wijven wemelden om dat vuur, allemaal op twee benen, met twee borsten en één mond en ... Waarom zíj? ‘Heer,’ bad hij, stuurloos, ‘Heer, ontferm U mijner!’
Maar God luisterde niet meer naar aanstellerij, hemelse vervoering of zelfbeklag. Alleen de waarheid kon hem nog vrijmaken.
***
Nadat Lydia haar rantsoen van het karkas gescheurd had, met onchristelijk ellebogenwerk, smeet zij de stukken in de pot, liep naar het vuur en perste zich tussen de vrouw van het opperhoofd en een andere squaw. Als ze haar niet zagen, moesten ze haar maar niet voelen ook.
Oef! Wat stonken die vrouwen. Hun zweetlucht was sterker dan de braadstank van het bizonvet, dat als een walm om het vuur hing. Ze besefte dat ze geen trek had, en al dagenlang niets gegeten. Ze dacht: ‘Als je niet gauw beweging weet te brengen in die ingewanden van je, kun je nog zo kakelen en koeren van zedige verontwaardiging, maar dan is de kapitein je laatste kans.’ Zijn onbeschofte openhartigheid was tenminste eerlijk. Andere mannen zouden gezegd hebben dat ze de tent gingen ontruimen, om een paar nachten later op te komen dagen en te vragen of ze lekker lag. O, kon ze het maar met een andere vrouw bepraten! Een vriendin, zoals Sara! Ze keek de gezichten af rond het vuur. Nog altijd deden de squaws of ze haar niet zagen, maar haar komst had wel een eind gemaakt aan de conversatie. Ze zaten erbij alsof ze met zijn allen hun tong hadden verloren. Voor ze wist wat ze deed hoorde ze zichzelf zeggen: ‘Hoor eens, dames, waarom begraven wij de tomahawk niet, of hoe het
heet? Ik ben een vrouw, net als jullie. Kijk eens naar me. Ik ben een vrouw, en ik heb hulp nodig!’
Doodse stilte. Niet één keurde haar een blik waardig. Waarom zouden ze ook? Ze hadden er natuurlijk geen woord van verstaan. Na een plotseling besluit stond ze op, zette de pot neer en liep terug naar het sheltertje om het woordenboek te halen dat Jesse had meegebracht. Mordechai Monk lag op zijn rug, zijn handen onder zijn hoofd, zijn gezonde oog gesloten. Toen zij het pak openrolde en het boek eruit haalde, draaide hij zijn hoofd om; ze liet hem links liggen, bladerde in het woordenboek en kwam tot de ontdekking dat het woord ‘constipatie’ er niet in stond. Geen wonder. Het was met de hand geschreven, oorspronkelijk samengesteld door dokter Gulielma Woodhouse, in 1819 door een student gekopieerd. In stijgende wanhoop sloeg zij de bladen om, zocht onder de ‘H’ naar het woord ‘Help’ - ‘Pusil’. Zij stond op. Toen zij wegliep hoorde zij Mordechai roepen: ‘Lydia, waar ga je heen?’ Ze trok zich er niets van aan.
Bij het vuur perste ze zich opnieuw tussen de vrouwen, op de plaats waar haar pot stond. Ze richtte zich tot de squaw van het opperhoofd, die aan haar linkerkant zat, en zei: ‘Pusil!’
De vrouw bleef star in het vuur staren.
‘Pusil!’ herhaalde zij, ‘pusil, pusil!’ Ze schudde het mens bij de arm; het gevoel van het zachte, vrouwelijke vlees bracht haar opeens van haar stuk en zij barstte in snikken uit. Vertwijfeld bedekte zij haar gezicht met de handen.
Ze zat te grienen als een kind toen ze voelde dat iemand haar schouder aanraakte. Een ogenblik dacht ze dat het de kapitein was die haar te hulp was gekomen; toen ze opkeek zag ze dat het de vrouw van het opperhoofd was. Alle squaws zaten nog steeds in het vuur te staren. Het bruine gezicht was volkomen uitdrukkingloos, maar de hand die op haar schouder rustte was een moederlijke hand.
‘Pusil,’ zei ze nog eens, ‘kramp!’
De hand werd teruggetrokken en liet zo'n gevoel van eenzaamheid achter dat ze hem beetgreep en op haar buik legde. ‘Au!’ riep zij. ‘Au! Ai, ai! Au!’ De vrouw draaide langzaam het hoofd naar haar toe en keek haar aan. Haar ogen waren zwart en uitdrukkingloos.
‘Help me,’ riep zij. ‘Pusil, pusil! Alsjeblieft! Ik heb pijn!’
Eindelijk. Het stenen gezicht ontspande zich, de vrouw fronste de wenkbrauwen, maakte een veelbetekenend gebaar voor haar buik en vroeg: ‘Papoose?’
‘O, nee!’ dacht Lydia, ‘ze denkt dat ik zwanger ben!’ De andere vrouwen bekeken haar belangstellend, ze was niet langer onzichtbaar. ‘Nee, nee, geen papoose! Au, au!’ Op de een of andere manier moest ze hun aan het verstand zien te brengen wat er met haar aan de hand was. Met gebarentaal? Ze begon met beide handen op haar buik te drukken en ‘au, au!’ te jammeren. Toen maakte ze het gebaar van zwangerschap en schudde het
hoofd. ‘Geen papoose!’ Ze herhaalde haar pantomime van pijn; zij sloegen haar gefascineerd gade, maar begrepen er kennelijk niets van. Het gezicht van de vrouw van het opperhoofd drukte bezorgdheid uit.
Lydia wees op de pot met vlees en deed alsof ze at. Toen volgde ze met haar vinger het voedsel, eerst naar haar maag, toen naar haar buik, en ze riep: ‘Au, Au!’ Als ze het nú nog niet begrepen...
Zij keken naar haar met volslagen onbegrip, als geiten.
Er zat niets anders op of zij moest het hele geval grafisch voorstellen. Zij ging op haar hurken zitten en speelde, alsof het een charade was, hoe zij in het gras had gezeten en hoe de drijver haar opgejaagd had. Ze eindigde met opnieuw buikkramp uit te beelden en te roepen: ‘Pusil! Pusil!’
De vrouw van het opperhoofd begon met de anderen te praten. Opeens spraken ze allemaal tegelijk. Het klonk als een vogelkooi. Zij keek gespannen van het ene gezicht naar het andere en probeerde te begrijpen wat ze aan het vertellen waren. Tot haar verbijstering wees één van hen naar de hemel, waar de gieren cirkelden, die wachtten tot de honden klaar waren om daarna de skeletten van de bizons kaal te pikken. Alle squaws keken naar de lucht en om de een of andere reden gilden ze allemaal van het lachen. Toen stond de vrouw van het opperhoofd op, nam haar bij de hand en wees naar de wigwam van haar man.
Hand in hand liepen ze daarheen, door een starende menigte Indianen, die, dat besefte zij opeens, haar gênante pantomime ook moesten hebben gadegeslagen. Bij de wigwam aangekomen liet de vrouw haar hand los, bukte zich en verdween achter een kralen gordijn. Zij bleef buiten staan wachten tot de ander weer te voorschijn zou komen, maar opeens werd er een hand door de kralen gestoken, die haar wenkte. Na een aarzeling bukte zij zich en ging naar binnen.
Het binnenste van de wigwam was aardedonker en er hing een stank om te snijden. Ze dacht dat ze vrouwen hoorde die druk aan het kwebbelen waren, maar toen haar ogen aan het donker begonnen te wennen, ontdekte zij dat de vrouw van het opperhoofd op haar eentje al die kwetterende geluiden maakte. Zij werd naar een stapel huiden geleid, die als divan dienst deed; de vrouw beduidde haar dat ze erop moest gaan zitten. De primitieve rustbank gaf haar een gevoel van luxe, na al die nachten op de harde grond; ze hunkerde ernaar zich uit te strekken maar de vrouw, die bleef kwebbelen, bood haar opeens een beker aan. Wat er ook in zat, het stonk walgelijk. De vrouw maakte een gebaar van drinken, wreef toen op haar buik, vertrok haar gezicht in een grimas van pijn, kreunde: ‘Aaah!’ Toen, met een gebaar van ontploffing achter haar, riep zij: ‘Ploef! Aaah!’ met een theatrale opluchting.
Een laxeermiddel? Als het hielp zou het haar veranderen in een hulpeloze prooi voor de schele drijver. Alsof de vrouw haar gedachten raadde schudde zij het hoofd en wees naar boven. Lydia had er geen idee van wat ze bedoelde; maar ze moest ten slotte iemand vertrouwen, het was haar
enige hoop. Ze sloot de ogen; het drankje in de beker stonk zo afschuwelijk dat ze haar neus moest dichtknijpen voor ze het kon drinken.
Het smaakte minder kwalijk dan het rook. Zoet, rins, als vloeibare appelstroop. Ze gaf de vrouw de lege beker terug en zei, met een wrange glimlach: ‘Nou, daar hangen we dan tussen de haag en de gracht, lieve Vriendin.’
De vrouw zuchtte van voldoening. Toen Lydia op wilde staan hield ze haar tegen. ‘Oeno, oeno,’ zei ze, ‘akiwale aneeko.’ Toen Lydia gehoorzaamde en op het bed van huiden ging liggen, scharrelde ze weg; een paar minuten later kwam ze terug, knielde aan het voeteneind en begon de kapotte laarsjes los te knopen, die er nu in vellen bijhingen.
‘Alsjeblieft, doe dat niet,’ zei Lydia, ‘als ik ze eenmaal uit heb krijg ik ze nooit meer aan!’ Toen hield de vrouw haar uitnodigend een paar mocassins voor.
Ze nam er een van in de hand. Het schoentje was zacht en soepel, pure luxe. De nijvere handen van de vrouw knoopten de laarsjes los en begonnen haar voeten te masseren. Ineens werd de deuropening met de kralen donker, Lydia dacht dat het het opperhoofd was en bedekte haar voeten met haar rok. Maar het was de squaw die aan haar andere kant had gezeten bij het vuur. Zij kroop naar binnen, ging naast de vrouw van het opperhoofd op haar hurken zitten en maakte een bundeltje kleren open dat zij had meegebracht. Ze hield de inhoud uitnodigend omhoog: een leren rok, een blouse, ook uit leer gemaakt, met franje aan de mouwen en bestikt met kralen. Nog voor Lydia goed en wel besefte wat ze in hun schild voerden, waren ze al bezig haar uit te kleden. Ze stribbelde tegen, Het ze toen maar begaan. Het was een vreemde sensatie om haar jurk, haar onderjurk en haar kamizooltje af te leggen, een laatste afscheid van de oude wereld. Toen zij alleen nog maar in haar directoire stond, gebaarde de vrouw van het opperhoofd dat ze weer moest gaan zitten en haalde een fles te voorschijn, waarvan ze de inhoud over haar hoofd goot. De vloeistof beet in haar huid; ze stond op het punt te protesteren toen het tot haar doordrong dat de vrouw gemerkt moest hebben dat ze luizen had. Het was jachtwater.
De nijvere handen die haar voeten gemasseerd hadden begonnen nu haar hoofdhuid te masseren; het werkte zo ontspannend dat ze er doezelig van werd, een loom gevoel van welbehagen. Toen moest ze weer gaan liggen en de twee vrouwen begonnen de rest van haar lichaam te masseren, haar kuiten, haar schouders, haar buik; ze stond op het punt in slaap te vallen toen ze haar weer overeind trokken en haar haren begonnen te vlechten, op de manier van de squaws: twee vlechten met een lint erdoor. Het was alsof ze niet alleen van wereld, maar ook van ras verwisselde. De mocassins, de kleren, de manier waarop zij hun haar droegen, al deze dingen moesten het eindresultaat zijn van een eeuwenlange evolutie, waarin deze nomaden zich aangepast hadden aan het leven dat zij nu met
hen deelde. Ze kon de twee vrouwen wel omhelzen, maar bleef met gesloten ogen verzaligd achteroverleunen. Ze liet zich vertroetelen, masseren, kammen; de twee vrouwen namen door die urenlange behandeling alle gespannenheid en afmatting van haar weg. ‘God,’ dacht ze, ‘dank, dank! Vergeef me dat ik aan U getwijfeld heb!’
Ze begon de eerste kramp in haar ingewanden te voelen toen buiten de wigwam een luid tumult van stemmen begon. Het klonk niet agressief, er was een vrolijkheid in de stemmen die ze nog niet eerder had gehoord onder de Indianen. De vrouwen trokken haar haastig de mocassins, de rok en de blouse aan en troonden haar mee naar buiten. Toen zij zich bukte en de kralen langs zich voelde strijken dacht ze: ‘Daar komt Pusil, de nieuwe Shawnee-squaw.’
De eerste die zij herkende toen ze in het zonlicht stond was de schele drijver, die haar met open mond aan zat te staren op zijn paard; tabakssap droop langs zijn kin. Toen begonnen ergens vrouwen te gillen en te joelen en zijn aandacht werd afgeleid. Alle squaws waren te hoop gelopen in de buurt van de nu spierwitte skeletten van de bizons; zij stonden in een kring om iets heen dat op de grond lag. Zij zongen en klapten in hun handen en begonnen te dansen; toen er een opening in de cirkel kwam zag Lydia een vogel op de grond liggen, een reusachtige gier, die hulpeloos klapwiekte. Er kwamen nog meer vrouwen aangehold, met linten in de hand; voor Lydia begreep wat er gaande was kreeg ze een steek in haar buik waar ze dubbel van sloeg.
De vrouw van het opperhoofd greep haar bij de arm om haar te steunen. Het gejuich werd luider; van alle kanten kwamen Indianen aanhollen om te zien wat er aan de hand was. Terwijl ieders aandacht op de gier was gevestigd, leidde de vrouw haar heimelijk naar de rand van de open plek, het gras in, verder dan zij er ooit zelf in had durven door te dringen. Toen zij het gejoel van de stemmen alleen nog maar in de verte kon horen, gaf de vrouw haar een klopje op de rug, alsof ze een kind moed insprak, en verdween uit het gezicht.
Het kwartier dat volgde was afschuwelijk. Ze had het gevoel alsof haar lichaam in stukken werd gescheurd. De pijn werd zo erg dat ze het uitgilde, met haar handen op haar buik. Toen het, eindelijk, voorbij was, en zij slap als een vatdoek uit het gras te voorschijn kwam, zag zij iedereen omhoogkijken. Boven het bivak cirkelde een reusachtige gier, zijn vleugels gefestonneerd met wapperende linten, een levende vlieger. Het dier zwierde hoger en hoger, aangespoord door het ijle gejuich van de squaws.
Zij bleven juichen tot de vogel uit het gezicht was verdwenen.
***
Toen Lydia kwam opdagen, verkleed als squaw, compleet met vlechten, staarde Mordechai haar met open mond aan. Zij ging bij het vuurtje zitten
dat hij tegen de horzels had gestookt, met gekruiste benen zoals de Indianen, en begon in de zak met lijfgoed te rommelen.
‘Waar was je, in vredesnaam?’
‘Het spijt me dat ik even opgehouden ben,’ zei ze, ‘ik vrees dat een hond er met ons vlees vandoor is gegaan terwijl ik weg was. We moeten vanavond maar vasten.’ Ze zei het zo onverschillig dat zijn verbijstering in ongerustheid omsloeg; toen haalde ze de dictionaire te voorschijn, zocht een woord op, eerst in de Engels-Shawnee afdeling, daarna in de Shawnee-Engelse. Opeens smeet ze het boek in het vuur.
‘Lydia!’ riep hij ontsteld uit.
Ze keek hem aan. Haar goudbruine ogen leken lichter te zijn geworden van kleur nu de zon en de wind haar huid gekoperd hadden. ‘Dat woordenboek is waardeloos,’ zei ze. Ze pookte met een stok in het vuur.
‘Maar - maar dat was onze enige brug naar de Indianen! Hoe moeten we ze nu bereiken?’
‘Door naar hen te luisteren. Door naar dingen te wijzen en dan te vragen wat het woord ervoor is. Ik weet al één woord dat absoluut essentieel is.’
‘Wat dan?’
‘Pusil.’ Ze pookte opnieuw in het vuur, met een fontein van vonken.
‘Wat betekent dat?’
‘In de Engels-Shawnee afdeling van het woordenboek: “Help”. In de Shawnee-Engelse afdeling: “Aan boord”. Stel je voor dat er in het hartje van de prairie iemand op je afkomt met ogen als schoteltjes die gilt: “Aan boord!” Geen wonder dat die vrouwen me aankeken of ik gek was.’
‘Lydia,’ zei hij, ‘besef je wel dat je in een ernstig geestelijk gevaar verkeert?’
‘Ik word er koud van.’
Haar toon ontstelde hem. Ze zag er niet alleen uit als een squaw, ze was bezig deel te worden van de wereld van de prairie. ‘Het grootste gevaar voor iedere zendeling die zich onder de wilden waagt,’ zei hij, ‘is de zuigkracht van hun heidense cultuur. Wij moeten ons vastklampen aan onze waarden en beginselen, want het gaat letterlijk om ons leven, Lydia. Als wij ook maar één ogenblik onze geestelijke standaard loslaten, worden we omlaaggezogen naar hun niveau. Dan worden wij wat jij nu op het punt staat te worden: Indianen. Achterlijke inboorlingen zonder God of gebod, zonder Heiland, zonder hoop.’
Zij keek hem onderzoekend aan, toen zei ze: ‘Mordechai, als je wilt dat wij samen verder gaan ons met die Indianen te bemoeien, in plaats van ieder op zijn eigen houtje, dan zullen we om te beginnen eerlijk met elkaar moeten zijn. Ik vind jouw manier om de Indianen te bereiken onzin. Aan het hoofd van de stoet te marcheren, te bidden en te zingen in een taal die ze niet kunnen begrijpen, jezelf op te zwepen tot een religieuze extase die, wat hen betreft, nergens op slaat, heeft totaal geen zin. Ik weet niet wat jij
je voorstelt dat ze van je denken, maar als je mij vraagt zien ze je voor een kindse oude man aan die in zijn eigen wereld opgaat, en die voor hen uit huppelt als een dorpsidioot.’
‘Dorpsidioot?!’
‘Neem me niet kwalijk. Dat is overdreven. Laten we zeggen: een man die in de lorum is en die die malle dingen alleen doet voor zijn eigen bevrediging.’
Niettegenstaande zijn groeiende vrees haar te verliezen werd hij opeens des duivels. Een dorpsidioot! Hoe durfde ze! Hij voelde de opwelling om haar die goddeloze kleren van het lichaam te scheuren, dat heidense hemd, die inboorlingenrok ... Met een gevoel van verdoemenis zag hij, als een hallucinatie, haar naakte lichaam voor ogen. ‘Wat - wat stel jij dan voor dat we doen?’ vroeg hij, schor.
‘Ik ben van plan om me aan de kinderen te wijden. Ik wil proberen klasjes te beginnen, 's avonds, al was het alleen maar om hun taal te leren. Dan ga ik me overdag met de colonne bemoeien, heen en weer lopen, eens kijken of er wat te doen is. Ik ben ervan overtuigd, nu ze me eenmaal geaccepteerd hebben, dat ik allerlei dingen zal ontdekken waarmee ik ze behulpzaam kan zijn. Dus...’ Zij gaf hem een glimlach die hem koud om het hart sloeg. ‘Je zult mij als geleidehond moeten missen, met ingang van morgen. Het zal geen verschil maken; ik geloof dat het de Indianen lood om oud ijzer zal zijn of jij met of zonder mij voor hen uit danst als een hansworst. Ze accepteren je als een natuurverschijnsel, net als de gieren.’
Hansworst! Er was maar één manier waarop hij aan de verleiding kon ontkomen om haar een muilpeer te geven: ‘Vriendin Lydia,’ zei hij, met opeengeklemde tanden, ‘ik geloof dat wij beiden samenkomst hard nodig hebben.’
‘Vriend,’ zei ze, ‘als jij samenkomst wilt houden, dan doe je dat maar alleen. Ik heb genoeg van die preken. Jij noemt dat stilte, maar je moest jezelf eens horen. Dus, als jij samenkomst wilt houden, veel succes. Ik zie je aanstonds wel.’ Voor hij had kunnen protesteren was zij opgestaan en liep weg. Binnen enkele seconden was zij verdwenen onder de Indianen; ze was nu helemaal niet meer te herkennen.
Hij bleef verbijsterd achter, met een gevoel van finaliteit, terwijl het besef in hem daagde dat hij haar verloren had. Ze was ontsnapt. Misschien had ze hem nooit toebehoord, misschien had hij al die tijd in een waanwereld geleefd, in de dwaze droom van een verliefde oude man. Hij sloot zijn ogen, vouwde zijn handen en bad: ‘God, lieve God, Vader, doe me dit niet aan! Ik wil Uw werk doen, ik wil Uw dienaar zijn, maar Ge weet dat ik het niet kan zonder haar. O God, breng haar naar mij terug! Leid mij, leid mij, o, ik heb Uw Leiding nodig...’
In de stilte die volgde leek het alsof er langzaam een antwoord in hem oprees. Even voelde hij weer die vreugde, die moed, die ontembare energie waarmee zij hem vervuld had. Mét haar kon hij bergen verzetten,
zónder haar was hij een mekkerende oude bok in de wildernis, op stramme poten, met steken in de lendenen waterzucht, oudebeestenangst, die de dood in zijn ingewanden voelde knagen en de maden slurpen van de levenssappen in zijn darmen. Nee, als hij die illusie van jeugdige kracht, die zelfbetovering van de liefde wilde volhouden, dan moest hij haar volgen. Maar hoe? Zij was, dat was duidelijk, vastbesloten een squaw te worden. Tot dusverre hadden ze haar de kans niet gegeven, door te doen alsof ze niet bestond. Dat was nu veranderd. De hemel wist hoe of waarom, maar het was veranderd. Zij had de sleutel gevonden, nu was de deur open, en hij had haar door die deur zien verdwijnen. Hij moest haar volgen. Maar hoe? Kon hij zichzelf óók in een Indiaan veranderen? Al zou hij dat willen, zouden ze hem als gelijke accepteren? Hoe kon hij, gewichtige Vriend, lidmaat van de Londense Jaarvergadering, één worden met die stinkende troep wilden uit het stenen tijdperk? Hij kon genade voor hen afsmeken van de Almachtige God, hij kon namens hen bidden, psalmodiëren, de Tegenwoordigheid aanroepen terwijl hij aan het hoofd van de colonne liep. Maar zich onder hen mengen? Met veren op zijn hoofd en een bizonvacht om zijn schouders? Hij moest er niet aan denken. Bovendien, als Lydia gelijk had en hij in hun ogen een hansworst was, die kukelend en jodelend voor hen uit huppelde, zouden ze het voor een nieuw symptoom van krankzinnigheid aanzien als hij ineens tussen hen verscheen in de vermomming van een Indiaan. Als ze hem al een blik waardig keurden, zouden zij zich de buik vasthouden van het lachen. Toch was er geen andere oplossing. Hij zou zich vernederen, kruipen in het stof, zijn eigen uitwerpselen eten als hij haar daarmee vast kon houden. Om haar te volgen zou hij werkelijk deel moeten gaan nemen aan het Indianenleven, niet alleen hun ontberingen delen.
Waar bestond dat leven uit? Hij had het zich nooit eerder afgevraagd. Zij strompelden maar wat aan, de vrouwen met pakken en zakken beladen; aan het eind van de dag vielen ze neer waar ze stonden, gingen dan hun proviand halen, water, het halfgekookte vlees, sliepen, een paar van hen bleken de volgende ochtend dood te zijn en werden aan de rand van het bivak begraven. Maar zij waren een gesloten boek voor hem. Hoe kon hij zich een plaats veroveren in hun stam? Dat was onzin, want ze vormden geen stam, dat had hij wel begrepen. Ze waren niet anders dan een stel willekeurige nomaden die door de Cavalerie bij elkaar geharkt waren en in een kamp opgesloten. En hun opperhoofd was niet hun opperhoofd, maar iemand die door de kapitein als zodanig benoemd was. Een sjamaan, of medicijnman, hadden ze helemaal niet.
Sjamaan? Hun sjamaan worden? Onzin! Of niet? Het feit dat ze geen sjamaan hadden betekende niet dat ze geen behoefe hadden aan geestelijke leiding, op hun eigen, heidense manier. Als hij nu eens een symbool kon bemachtigen dat ze herkenden: een ratel, een stok met amuletten ... Wat hadden Indiaanse sjamaans eigenlijk voor attributen? Daar kon hij wel
achter komen. Gesteld dat hij aan het hoofd van de colonne zou marcheren met een totem, of wat dan ook, dan zouden ze tenminste begrijpen dat zijn gespring en gezang een religieuze betekenis had. Maar zouden ze hem accepteren als hun geestelijke leider?
Hij dacht er lang over na en besloot: dat is in Gods hand. Het was in Gods eigen belang: teneinde Zijn werk onder hen te kunnen doen moest hij op de een of andere manier kans zien om tot hen door te dringen. Tot dusverre was zijn poging om een afgezant Gods te zijn op een mislukking uitgelopen; God moest zich ernstige zorgen maken hoe hij deze mensen in hun verstrooiing kon bereiken. Mozes had niet alleen maar aan het hoofd van de colonne Joden gemarcheerd, of op een heuveltje gestaan met zijn armen in de lucht tijdens veldslagen, hij had zich onder het volk bewogen als één van hen, maar tevens als vertegenwoordiger des Heren. Waarom zou hij niet een Mozes voor deze onsamenhangende horde kunnen worden? Als God inderdaad een weg zocht naar de harten van deze Indianen, dan moest Hij hem wel in hun sjamaan veranderen. God had geen keus. God moest roeien met de riemen die Hij had. ‘Vader,’ bad hij, ‘ik zal mijn best doen, meer kan ik niet beloven.’ Vreemd genoeg voelde hij een plotselinge terugkeer van die moed, die blijheid, die energie. Ineens wist hij: het kan, ik speel het klaar! Zonder zich verder te bedenken stond hij op om haar te gaan zoeken.
Tot zijn verrassing zag hij haar op enkele passen afstand op haar hurken zitten, met haar rug naar hem toe. Zo intiem was ze nu blijkbaar ook weer niet met de Indianen. Het zien van haar eenzame figuurtje in de vallende avond gaf hem nieuwe moed. Hij ging achter haar staan en vroeg: ‘Weet jij misschien wat de attributen zijn van een Indiaanse sjamaan?’
Zij keek om, maar antwoordde niet.
‘Ik heb mijn zwakheid en mijn vertwijfeling voor God gebracht, en een antwoord ontvangen. Als wij aan onze roeping gehoor willen geven, moeten we ons niet afzijdig van de Indianen houden, maar trachten één met hen te worden. Ik zie wat mij persoonlijk betreft geen andere mogelijkheid om dit te bereiken dan dat ik mijzelf benoem tot hun sjamaan.’
Zij fronste en zei: ‘Doe niet zo gek.’
Hij vervolgde, op waardige toon: ‘Ze hebben geen sjamaan; het is Gods wil dat ik in die leemte voorzie. Jammer dat je de dictionaire in het vuur hebt gegooid, nu zal ik mij met gebarentaal moeten behelpen. Nu jij het vertrouwen van de Indianen hebt en je vrij onder hen kunt bewegen, moet je zien een totem of een stok met amuletten voor mij te bemachtigen. Als je niets te pakken kunt krijgen, moet ik er zelf maar een maken.’
Zij staarde hem aan alsof ze voor de mal werd gehouden.
Hij ging naast haar op de grond zitten; samen keken zij naar de Indianen in de schemering. Toen hij haar zo dicht naast zich voelde dacht hij: ‘Dwaas, verliefde dwaas! Je staat op het punt horens op je kop te zetten, je gezicht te verven en rond te springen in een bizonvacht, alleen
maar omdat je niet zonder haar kunt! Man Gods? Een bezetene ben je, slaaf van je stervende vlees! Je staat op het punt je laatste kans op verlossing te verwerpen om haar in haar verdoemenis te volgen!’ Maar het idee haar te laten verdwijnen onder de Indianen, voorgoed buiten zijn bereik, was ondraaglijk. Ook al zou dit plan een ingeving van de duivel zijn, hij kon zonder haar domweg niet verder. Hij moest dan maar op Gods genade vertrouwen, ook al wist hij dat hij verdorven was in hart en nieren. ‘Lieve Vriendin,’ zei hij, ‘George Fox heeft gezegd dat wij de Tegenwoordigheid alleen kunnen beleven indien wij onszelf aanvaarden zoals we zijn. Dat valt in mijn geval niet mee, maar er zit niets anders op. Ik zal proberen me aan te stellen als een sjamaan, in de hoop dat God mijn lege huls vullen zal met Zijn kracht. Bovendien moet ik jou beschermen; ik kan je niet op je eentje in die wereld van vóór de zondvloed laten verdwalen. Ik zal je volgen, je beschutten met de vleugels des Heren en met mijn eigen gebrekkige liefde.’
Zij staarde hem een ogenblik aan; toen wendde zij het hoofd af en zei: ‘Ik ben, kan ik je wel zeggen, door een wonder gered. Maar er moet heel wat gebeuren voor ik mezelf kan aanvaarden zoals ik ben.’
‘Vriendin,’ zei hij, ‘laten we nu die samenkomst maar houden. Daarin ligt onze laatste hoop.’
Gehoorzaam boog zij het hoofd en vouwde de handen.
Hij volgde haar voorbeeld, maar wachtte zich wel te getuigen. Het werd hun eerste stille samenkomst sinds hun vertrek.
***
De volgende morgen, toen de trompet schalde en zij, net als de Indianen, uit de grondnevel verrezen in de koude dageraad, was het eerste dat Mordechai zei: ‘Nu, Lydia, vergeet niet: die talisman, of totem, of wat dan ook. Ik wil er geen gras over laten groeien.’
Ze had niet gedacht dat hij zijn dwaze plan inderdaad ten uitvoer zou brengen. ‘Dat meen je toch niet?’
‘Wel degelijk!’ Zijn gezonde oog keek haar fel aan. ‘Hun Grote Geest en onze God zijn Dezelfde. Maar ze zijn nog niet op de hoogte van de verlossing die ons geboden wordt door Christus' plaatsvervangend lijden; het zal mijn taak zijn hun dat bij te brengen. Ik kan dat niet zonder deel te worden van hun wereld, net als jij. Dus ik blijf aan het hoofd van de stoet marcheren, ik blijf mijn gebeden zeggen, mijn psalmen en gezangen zingen, maar zodra je mij die amulet verschaft hebt zal ik die in mijn linkerhand houden en in mijn rechterhand een kruis.’
‘Nu,’ zei ze, laconiek, ‘je kunt alvast beginnen met onder je linkerarm de dekenrol te dragen en onder je rechterarm de zak met spullen.’
Hij keek haar aan en zei, op gedragen toon: ‘Vriendin Lydia, ik dacht dat jij een squaw wilde worden? Als je mij die pakken laat dragen breng je
een onderscheid teweeg tussen jou en de anderen. Kijk om je heen! Alleen de vrouwen lopen met pakken.’
‘Het is mijn roeping dat te gaan veranderen,’ zei ze, met een stalen gezicht. ‘Christelijke mannen gebruiken hun vrouwen niet als lastdieren.’
Ze stond op voor hij er wat op had gevonden; ze ging de vrouw van het opperhoofd opzoeken. Ze was niet van plan om een totem of wat dan ook te vragen. Ze was van plan hem voor te liegen, voor de verandering, en te zeggen dat ze er geen had kunnen vinden.
Een uur later voegde ze zich bij hem aan het hoofd van de stoet. Zodra hij haar in het oog kreeg, vroeg hij: ‘Waar zijn mijn amuletten? Ik ben klaar met het andere attribuut van mijn nieuwe ambt.’ Hij het haar een stok met een ruw kruis zien, dat hij tijdens het lopen uit twee beenderen en een staak van hun afdakje had gemaakt.
‘Ik - ik zal nog eens gaan navragen,’ zei ze.
Misschien had hij haar aarzeling bespeurd. Die middag, halverwege de stoet, werd haar aandacht getrokken door een commotie onder de Indianen. Er was kennelijk iets gaande aan de kop van de colonne. Zij versnelde de pas; toen zij Mordechai naderde zag zij een schouwspel dat haar een gevoel van heiligschennis gaf. Want daar liep hij, aan het hoofd van het konvooi, met in de ene hand de stok met het kruis en in de andere een staak met witte dingetjes eraan, die hij gebruikte als een rammelaar. Zwaaiend met kruis en rammelaar zong hij, galmend: ‘Wij treên een nieuwe tijdkring in...’ Hij had ergens een bizonschedel langs de weg gevonden en het ding met horens en al op zijn hoofd gebonden. Hij zag eruit als een carnavalspop. Toen ze zich bij hem voegde, zag ze dat de witte dingetjes aan de rammelaar bizonkiezen waren.
‘Mordechai,’ zei zij, dringend, ‘dit wordt te gek! Dit - dit kán niet!’
‘Wacht maar,’ zei hij, zelfvoldaan. ‘Je zult zien, binnenkort maak ik mijn eerste bekeerling.’
‘Waarachtig, je hebt gelijk,’ zei ze. ‘Kijk!’
Hij keek om, vol verwachting; ze wees op een jong hondje, dat ze iedere avond hulpeloos bij de bizonkadavers had zien rondhangen en dat nu, aangetrokken door het geratel van zijn rammelaar, aan kwam hollen, struikelend, met flaporen.
‘Spot niet, Vriendin Lydia,’ zei hij streng. ‘Ik mag een zondaar en een schelm zijn, maar het oog des Heren rust op mij.’
Een tijdje sjokten zij in stilte voort, terwijl het hondje, verrukt en onervaren, achteruit voor hen uit trachtte te huppelen met kinderlijk gekef. Toen zei ze: ‘Mordechai, laten we dit afspreken: als je inderdaad volgelingen krijgt met dit gedoe zal ik me er verder niet tegen verzetten. Maar als er vanavond niemand ingevlogen is, dan doe je het verder maar alleen.’
Ze dacht dat hij zou protesteren, maar hij zei: ‘Zo zij het, Vriendin Lydia. Je beseft natuurlijk dat je deze voorwaarde niet aan mij hebt
opgelegd, maar aan de Here Here.’ Toen hervatte hij zijn gezang: ‘Gij, Gij verandert nimmermeer; met Vaderliefd' en trouw, o Heer! Bestuurt Gij onze lotgevallen!’
Op dat moment drong het pas tot haar door dat hij de dekenrol en de zak niet bij zich had. ‘Mordechai Monk, waar is onze bagage?’
Hij antwoordde niet voor het gezang ten einde was. Toen keek hij glimlachend op haar neer en zei, rammelend met zijn amuletten: ‘Die heb ik aan de kant van de weg laten staan.’
‘Het is niet waar!’
‘Sjamaans lopen er niet bij als pakezels. Ik had te kiezen tussen mijn nieuwe roeping en onze wereldse bezittingen.’
‘Maar man! Waar moeten we dan vanavond op slapen? Waar moeten we onder slapen; wat...’
‘Komt, laat ons voortgaan, kind'ren,’ zong hij uit volle borst, ‘want d'avond is nabij!’ Daarbij zwaaide hij met kruis en totem.
Ze was zo verontwaardigd dat ze zich omdraaide, met het vaste voornemen hem verder in zijn sop te laten gaar koken. Maar ze was nog geen tien stappen teruggelopen of ze hoorde onder de voortschuifelende Indianen een schril, beverig gezang, kennelijk een Indiaanse versie van wat Mordechai liep te zingen. Zij zag een oude squaw naar de kop van de stoet hollen zo snel als haar stramme benen haar konden dragen, met twee pakken op haar rug, die zij pas toen de stakker voorbijkwam herkende als de hunne. Aan het gezicht van de vrouw zag zij dat Mordechai niet alleen zijn eerste bekeerlinge had gemaakt, maar tevens een nieuw lastdier had gevonden. Er kon geen twijfel aan bestaan dat het mens in een staat van vervoering was. Het had een van de vrouwen in het Atheneum kunnen zijn.
Die avond, nadat ze bivak hadden gemaakt en de gieren boven hen wachtten tot de honden klaar zouden zijn met de karkassen van de bizons, schreed Mordechai Monk naar het midden van de open plek, waar de wigwam van het opperhoofd stond, op de hielen gevolgd door het jonge hondje. Hij schudde zijn staak met bizonkiezen, hief het kruis op met de andere hand en galmde: ‘Samenkomst! Willen Vrienden zich hier verzamelen voor samenkomst?! Samenkomst! Samenkomst!’
Tot haar verbazing zag Lydia een stuk of zes oude squaws naderbij komen. Ze konden er geen idee van hebben wat hij bedoelde; ze kwamen alleen maar op het geluid af, omdat het een religieuze klank had. Met tegenzin voegde Lydia zich bij hen. Toen hij haar in het oog kreeg fluisterde Mordechai: ‘Laat ze in een cirkel gaan zitten. Zeg dat ze stil moeten zijn.’ Hij bleef met zijn amuletten schudden, met het kruis zwaaien en galmen: ‘Samenkomst! ... Samenkomst!’ Het blaffende hondje danste naast hem.
Toen het duidelijk werd dat er niet meer dan zes bekeerlingen in het net zouden zwemmen ging hij zitten en bracht het mormeltje tot zwijgen. Lydia legde de vinger op de lippen om de gemeente duidelijk te maken dat ze stil moesten zijn, vouwde haar handen in haar schoot, boog haar hoofd en bad: ‘God, vergeef ons deze lastering...’
Maar ze voelde de stilte dieper worden, net als tijdens samenkomst. Het hondje rolde zich op naast Mordechai. Toen ze daar zaten, in een steeds dieper wordende stilte, klonk er ineens een luid sissend geluid. Een wolk trekvogeltjes ruiste over het bivak en streek neer in het gras, vlak bij, met een duizendvoudig gesjirp en gekwetter, dat langzaam minder werd tot eindelijk de stilte weerkeerde.
De kleine kring voor de wigwam van het opperhoofd bleef langer dan een uur vergaderd. Toen schudde Mordechai Lydia de hand; de squaws volgden onwennig hun voorbeeld. Hij stond op, maakte een gebaar van zegen over de gemeente, eerst met zijn stok met kiezen, toen met het kruis, en schreed naar hun afdakje in de verte met het hondje op de hielen. Lydia staarde hem na, alsof ze water zag branden. Want ze had iets gevoeld wat haar lang niet was overkomen: de ondefinieerbare, onmiskenbare tegenwoordigheid Gods.