terug  begin  verder
[p. 251]

Vier

Obadja Woodhouse dacht dat zijn vrouw het malle idee om Lydia en Mordechai Monk achterna te gaan uit haar hoofd had gezet, maar een week later begon ze er weer over.

Het was zondagmorgen; ze waren bezig zich aan te kleden om naar samenkomst te gaan; hij was aan het frunniken met de rij haakjes en oogjes op de rug van haar jurk. Ineens zei ze: ‘Ik kan het niet helpen, ik moet aldoor aan Lydia en Mordechai denken. Jij niet?’

‘Nee,’ antwoordde hij, ondiplomatiek, maar hij was bezig zich te concentreren op de haakjes.

‘Helemaal niet?’ vroeg zij, onthutst. ‘Niet één keer?’

‘Ach, natuurlijk wel,’ antwoordde hij, ‘om de haverklap. Sta stil!’

Zij gehoorzaamde.

‘Moet je met alle geweld zo diep ademhalen?’ vroeg hij. ‘Die haakjes zijn moeilijk genoeg zonder dat je je staat op te blazen van verontwaardiging.’

‘Ik ben niet verontwaardigd,’ zei zij, ‘ik ben teleurgesteld.’

‘Waarom? Omdat ik geprobeerd heb een gevestigd bestaan voor ons te vinden, in plaats van te mediteren over Lydia en Mordechai Monk? Zij hebben hun Licht gevolgd, ik volg het mijne. Tenminste, dat probeer ik. Sta toch stil!’

Na een korte stilte, waarin hij bijna haar kraagje bereikte, zei ze: ‘En ik dacht nog wel dat jij op haar verliefd was!’

‘Wat krijgen we nou?’

‘Daarom ben ik destijds gekomen. Om wat jij in die brief schreef, over haar.’

‘Wanneer, in vredesnaam?’

‘Ik herinner me woordelijk wat je schreef: “Een boeiend, moedig, en ik moet toegeven opvallend knap meisje.”

‘Nou, en?’

‘Jammer dat je dat boeiende, opvallend knappe meisje nu uit je hoofd hebt gezet zonder er ook maar een ogenblik bij stil te staan wat er allemaal met haar kan gebeuren, op de prairie, onder die wilden.’

Hij zuchtte. De eerste week van hun huwelijk was hem meegevallen, maar hij betwijfelde of hij ooit zou kunnen wennen aan de vrouwelijke hebbelijkheid een man over te halen om iets te zeggen en hem er dan de mantel voor uit te vegen. Ze was een hartstochtelijk schepseltje, en inder-

[p. 252]

daad: het kon hem geen lor schelen wat er met Lydia Best gebeurde, die nu de gevolgen van haar eigengereidheid onder ogen moest zien. ‘Als ik niet aan haar gedacht heb, dan was dat omdat ik met mijn gedachten elders was,’ zei hij galant, en kuste de haartjes in haar nek.

Maar het compliment viel in het water. Ze riep verontwaardigd uit: ‘Dat is nou typisch voor een man!’

‘Hoor, hoor: de stem van de ervaring!’ Ze moest die haakjes zelf maar verder doen, hij ging zijn schoenen aantrekken.

‘Goed dan,’ zei ze, scherp, ‘laat ik er niet omheen draaien: ik heb dat argument van jou overwogen en ik vind het niet steekhoudend.’

Hij staarde haar aan, zijn schoenen in de hand. ‘Welk argument, voor den donder?!’

‘Doe mij het genoegen niet in mijn tegenwoordigheid te vloeken! Als je zó gaat doen, heeft het geen zin er verder over te praten. Ik zal je van mijn besluit in kennis stellen zodra het ogenblik gekomen is.’

Opeens voelde hij de opwelling haar over zijn knie te leggen en een pak op haar broek te geven. Hij zag kans het te verbloemen. ‘Je hebt het maar voor het zeggen, lieve schat. Het zou natuurlijk prettig zijn als ik wist waar je het over had.’ Hij ging zitten om zijn schoenen aan te trekken en wilde dat ze dit gesprek weer van voren af aan konden beginnen. Hij had het land aan ruzies, ze maakten hem zenuwachtig en om de een of andere reden kreeg hij er altijd dorst van.

‘Het argument dat ik zwanger zou kunnen zijn.’

‘Je bedoelt toch niet dat je - dat je...’

‘Doe niet zo mal! We zijn amper een week getrouwd. We moeten wachten tot - nou ja -’ Ze hield op, verlegen, want hij zag haar blozen, wat haar bijzonder begeerlijk maakte.

Maar dit keer was hij de kluts kwijt. O, wat waren vrouwen toch gecompliceerd, onberekenbaar! Misschien was ze inderdaad zwanger. Hij had horen verluiden dat vrouwen in die conditie lichtgeraakt werden.

‘Ik wou alleen maar zeggen,’ vervolgde zij, ‘zou ik inderdaad in verwachting zijn, dan is dat een reden te meer om Lydia en Mordechai achterna te gaan. Ik geef mijn kind liever een voorbeeld om na te volgen dan een “gevestigd bestaan”. Ik wil dat mijn kind trots op zijn ouders zal zijn, niet zich voor ons zal schamen, zoals nu.’

Hij staarde haar verbijsterd aan. Het was alsof er uit de cocon van het kinderlijke, humeurige schepseltje dat hij aanbad een soort kenau was verschenen, waar geen haar op zijn hoofd over gedacht zou hebben om mee te trouwen. Opeens had hij het gevoel dat hij verraden was. ‘Poes,’ zei hij, met een geforceerde glimlach, ‘dat is een mooie, nobele gedachte, die mij ervan overtuigt dat je zwanger bent.’

Nu was het haar beurt hem verbijsterd aan te staren. ‘Mag ik vragen waarom je opeens zo neerbuigend tegen me doet?’

Het scheelde maar een haar of zijn zelfbeheersing was bezweken. ‘Omdat

[p. 253]

dit hele idiote gesprek typisch is voor een zwangere vrouw!’ Hij trok zijn andere schoen aan en ging zijn vest halen.

‘O, nú begrijp ik het!’ Zij klonk zo vals dat zijn mond ervan samentrok. ‘Je bedoelt dat ik onevenwichtig ben?’

‘O, mijn goeie, goeie hemel!’ Hij greep zijn jas. ‘Ik bedoelde: een opgewonden standje.’

‘Gek hè, dat we onze mond vol hebben over Quaker-heiligen zoals Margaret Fell, maar wie het waagt haar voorbeeld te volgen noemen we “een opgewonden standje”.’

‘O, doe toch niet zo mal!’ Hij knoopte boos zijn jas dicht. ‘Je volgt niemands voorbeeld! Jij hebt het in je hoofd gezet dat we ons halsoverkop in het avontuur moeten storten, buiten bereik van de beschaving, buiten bereik van alle medische hulp, terwijl er alle kans op is dat je zwanger bent! Je kunt dat kind net zo goed op de maan ter wereld brengen als op de prairie. Ons kind! Ik ben er ook verantwoordelijk voor! Ik ben zijn vader, en ik vertik het! Ik laat zijn leven niet in de waagschaal stellen om - om - weet ik veel! Een avontuur, een experiment! Het kan me niet schelen hoe heilig het experiment is!’

Tot zijn verrassing veranderde zij opeens in het meegaande vrouwtje dat hij liefhad. ‘O, Obadja,’ riep zij, met het stemmetje dat ze altijd opzette als ze verliefd was, en ze sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem en vlijde haar hoofd tegen zijn borst. ‘Vergeef me, ik weet dat ik onredelijk ben. Maar ik moest je toch vertellen dat ik zo ontzettend met ze bezig ben, aldoor? Ik kan ze echt niet vergeten, echt niet.’

‘Natuurlijk niet, liefste, natuurlijk niet.’ Hij streelde haar haren. Hij was al ervaren genoeg als echtgenoot om dat voorzichtig te doen, anders zou ze bang zijn dat haar kapsel in de war zou raken voor de samenkomst. ‘Ik begrijp het, heus. Maar we moeten ons niet alleen door onze gevoelens laten leiden. We steken tot over onze oren in de schuld. We hebben drie jaar voorschot van de school gekregen om ons aandeel in het losgeld voor de slaven te betalen. Ook al zijn we nu ontslagen, die schuld is een verantwoordelijkheid waar we niet onderuit kunnen, al zouden onze beweegredenen nog zo nobel zijn. Want dat zou betekenen dat wij anderen voor onze getuigenis zouden laten betalen.’ Hij vond dat zelf een goed argument. ‘Nu,’ vervolgde hij, ‘ik zal dus blijven zoeken naar een gevestigd bestaan voor ons drieën, en je moet eens een beetje op jezelf gaan letten. Je niet altijd zo opwinden.’

Zij antwoordde niet. Hij had haar kennelijk overtuigd. Hij kuste haar haren. ‘Kom, liefste. We moeten niet te laat komen voor samenkomst.’

‘O, Obadja, wat zou ik zonder jou moeten beginnen?’ Ze keek naar hem op met ogen vol liefde.

Hij kuste haar en zei: ‘Draai je om, ik wil even zien of dat kraagje dicht is.’

Zij gehoorzaamde.

[p. 254]

***

 

De zakenvergadering van de vrouwen, die zondagmiddag, was een saaie beweging. Het tussenschot was neergelaten; aan de andere kant, die van de mannen, kon Charity de lijzige stem van een Vriend horen getuigen. In de vrouwenhelft was de beurt aan Amanda Tucker, medevoorzitster van het schoolbestuur, en haar driemaandelijks rapport. Het begon met een loftuiting op Mordechai Monk, heilige, zelfopofferende Vriend, die, zich, hoewel blind als gevolg van een vreselijke marteling, bij de Indianen had gevoegd als getuigenis van Christelijke liefde. Het feit dat het misselijke mens met geen woord over Lydia repte, maakte Charity woedend. ‘Een rapport’ noemde ze dat! Het was een lofzang op Mordechai Monk, met als fel contrast de schande deze Maandvergadering aangedaan door de leerkrachten van de Rebekka Baker Kostschool, die niet alleen waren ontslagen maar door de Jaarvergadering uitgestoten. Het was allemaal zó scheefgetrokken en zó vinnig, dat Charity zou zijn opgesprongen om te protesteren als zij niet het jongste lidmaat van de Vergadering was geweest, en nog geëxcommuniceerd bovendien. Zij was wel de laatste die zich dat kon veroorloven.

Ze zat met stijgend ongeduld te wachten tot iemand anders op zou staan en het mens vertellen dat ze gif stond te spuiten onder het mom van kwezelachtig meeleven, maar niemand deed zijn mond open. De oude vrouw naast haar, die minstens tachtig of negentig moest zijn, was onmiddellijk na het begin van de Vergadering in slaap gevallen en zat nu te snurken. Aan haar andere kant zat een boerin met eeltige mannenhanden en haar op de kin, die kennelijk wel wijzer zou zijn dan haar gevoelens onder woorden te brengen, wat die ook mochten zijn.

Toen Amanda Tucker in de gaten begon te krijgen dat niemand het in haar hoofd haalde om te protesteren, kwam ze eerst recht op dreef. ‘Ik wil geen namen noemen,’ kweelde zij, ‘maar het moet een ieder duidelijk zijn dat een daad van mensenliefde, zoals die van Mordechai Monk, niet voldoende is om de betrokkene heiligheid te verschaffen. Er zijn mensen die hetzelfde hebben gedaan als hij, maar die niet door de liefde Gods werden bewogen, niet bezield waren door de gedachte: “Voorwaar, zeg Ik u: voor zoveel gij dit één van deze minsten gedaan hebt, zo hebt gij het Mij gedaan.” Nee, nee, nee! Men kan zich ook, zoals een recent voorbeeld ons bewijst, dermate in de nesten hebben gewerkt dat er geen andere uitweg overblijft dan zich te storten in, niet een daad van mensenliefde, maar een wanhopig avontuur...’

Hoe durfde ze?! Hoe durfde dat mens Lydia te belasteren? Charity herinnerde zich de eerste keer dat ze Lydia gezien had, in de kelder van de school, tijdens de wervelstorm. Zij herinnerde zich hoe Lydia op dat ogenblik, nog vóór ze haar kende, de verpersoonlijking van tederheid en

[p. 255]

mededogen had geschenen. Hoe durfde deze slang Lydia's getuigenis te gebruiken om tweedracht te zaaienin de Vergadering?

Ze werd zich ervan bewust dat ze zat te beven als een riet. Ze vouwde haar handen, stijf, om het sidderen te bedwingen; maar met een gevoel van schrik werd ze opeens gedwongen om op te staan. Zij hoorde zichzelf uitroepen, met de hartstocht van de wanhoop: ‘Alsjeblieft, alsjeblieft, lieve Vriendin! Bezoedel de getuigenis van die twee Vrienden niet door tweedracht onder ons te zaaien! Ik smeek je, Vriendin Tucker, met alles wat goed en liefdevol in me is: stop! Het is niet waar, dat alleen Mordechai Monk de heiligheid heeft bereikt door met de Indianen mee te gaan. Hetzelfde geldt voor Lydia Best! Zij mag dan uitgestoten zijn door de Jaarvergadering, maar ze is nog altijd onze vriendin, onze geliefde vriendin! Alsjeblieft, alsjeblieft, Amanda Tucker; ik weet dat ik de jongste ben, ik weet dat ik óók uitgestoten ben door de Jaarvergadering, maar ik smeek je, laat de theologie geen verdeeldheid onder ons brengen! Laat ons verenigd worden in dienstbaarheid, zoals Mordechai Monk en Lydia Best, die eens als vijanden tegenover elkander stonden! Laat ons God bidden dat wij hun voorbeeld mogen volgen en tegenover de vloek van de verdeeldheid een getuigenis stellen als de hunne: een gebaar van liefde, niet van haat! De keus is aan ons; laat ons kiezen! Nu!’ Ze greep de rugleuning van de bank voor haar vast om zich op de been te houden, want ineens was ze duizelig. Ze had het gevoel dat ze wartaal had staan uitslaan. Toen, tot haar verbijstering, stond de hele Vergadering op.

Zij stond met open mond om zich heen te kijken toen Amanda Tuckers querulante stem tot haar doordrong. ‘Heeft onze welbespraakte jonge Vriendin een constructief voorstel te doen? Zo ja, misschien wil ze dan zo vriendelijk zijn en op het podium komen om het aan de Vergadering voor te leggen? Ja? Mocht dat niet zo zijn, laat ons dan verder gaan met het volgende punt op onze agenda.’

Alles wat week en lafhartig in haar was trachtte Charity ervan te weerhouden om voet te zetten op een weg waarop zij misschien nooit meer zou kunnen omkeren; maar dezelfde onweerstaanbare drang die haar gedwongen had om op te staan en te spreken dwong haar nu om de rugleuning van de bank los te laten en tegen de oude vrouw naast haar te fluisteren: ‘Pardon...’ De vrouw schrok wakker en Charity begon zich langs haar te wurmen. Ze was bijna voorbij toen ze opeens voelde dat haar rok werd beetgepakt. De ogen van de oude vrouw, nat van seniele tranen, staarden naar haar omhoog; een gebarsten stem fluisterde: ‘Niet doen, niet doen!’ De hand die haar rok had beetgegrepen trok eraan, in een poging haar te dwingen weer te gaan zitten.

Een ogenblik stond Charity in twijfel, toen fluisterde ze: ‘Het spijt me, ik kan niet anders.’ De hand liet haar rok los; met knikkende knieën liep ze het gangpad af naar het podium, waar Amanda Tucker op haar stond te wachten. ‘God,’ bad zij, terwijl ze liep, ‘God, laat me het niet doen,

[p. 256]

alsjeblieft, alsjeblieft, ik heb het zo niet bedoeld! Die keren dat ik erover nagedacht heb en er met Obadja over gepraat, meende ik het niet echt, het was zo maar een gedachte...’ Maar de kracht, die haar in zijn macht had, deed haar het trapje naar het podium beklimmen. Zij fluisterde: ‘Dank je’ tegen Amanda Tucker, en wendde zich tot de Vergadering, een zee van witte gezichten. Ze begon, met vaste stem: ‘Ik stel voor dat deze Vergadering twee Vrienden zal uitzenden om Mordechai Monk en Lydia Best te volgen, en een school zoals de onze te stichten in het Shawnee-reservaat, voor Indiaanse kinderen.’

Amanda Tuckers stem zei, naast haar: ‘Welke Vrienden had je daarvoor op het oog, Charity Woodhouse?’

‘Ikzelf,’ zei ze, ‘en mijn man.’

In de stilte die volgde herinnerde zij zich wat Obadja gezegd had over de schuld die zij bij de school hadden; daarom vervolgde ze, haastig: ‘Ik stel voor dat de nieuwe school onder de hoede van het schoolcomité van deze Vergadering wordt geplaatst, want dat zou betekenen dat wij van de wijsheid, de ervaring en de liefdevolle doorzettendheid van Amanda Tucker zouden kunnen profiteren.’.

Met een zucht, waarvan zij niet kon uitmaken of het er een van teleurstelling of opluchting was, ging de Vergadering weer zitten.

‘Mag ik de Leiding van de Vergadering op dit voorstel vernemen?’ Amanda Tucker leek de enige wie de schandelijke vleierij niet was opgevallen. Charity's gevoel van twijfel werd dieper toen zij de vrouw eraan toe hoorde voegen: ‘Laat mij, als medevoorzitster van het schoolbestuur, verklaren dat ik ontroerd ben door het voorstel van onze jonge Vriendin. Het lijkt mij het beste dat wij een delegatie sturen naar de mannenvergadering, met het verzoek dat zij een tweetal gewichtige Vrienden uit hun midden benoemen als vertegenwoordigers om met ons over dit voorstel te beraadslagen. Wij willen nu daden, Vriendinnen, niet alleen maar woorden!’

Hoe is het mogelijk, dacht Charity, uit het veld geslagen. Want er kon geen twijfel aan bestaan: met haar ongoddelijke flikflooierij had zij doorgestoten tot het goddelijke in Amanda Tucker.

 

***

 

Na het mislukken van haar poging om Charity Woodhouse te beletten zich in haar ongeluk te storten, luisterde Abby McHair-Baker met verbittering naar het onwereldse geleuter van de vrouwenvergadering. Het kind op het podium was aangestoken door het soort godsdienstwaanzin waarvan alleen Quakers het slachtoffer werden; Abby vroeg zich af wat God eigenlijk bezielde, steeds maar weer deze mensenoffers van het Genootschap der Vrienden te eisen. Daar ging er wéér een! Zij had zelf kinderen gebaard in de wildernis; het arme schaap had er geen notie van wat dat betekende.

[p. 257]

Zij had geen notie van de ontberingen, de eenzaamheid, de doodsangst die haar te wachten stond. Ze zag op dit ogenblik alleen maar dat God haar gekozen had om Zijn werk voor Hem te doen. ‘De enige die Hij heeft ben jij.’

Terwijl Abby met een half oor zat te luisteren herinnerde zij zich de vorige gelegenheden waarbij zij Quakers, dronken van God, zich in het ongeluk had zien storten: haar vader, toen hij de vrijlating van hun slaven aankondigde tijdens de begrafenissamenkomst voor Caleb Martin; Becky, die als antwoord op de oproep ‘Willen de kinderen Baker naar voren komen?’ haarzelf en Cleo meetroonde naar het podium, om het negermeisje aan de Vergadering voor te stellen als hun zuster. En wat was er met Vader en Becky gebeurd? Ze kon dat onnozele kind hun graven laten zien, hier, op het kerkhof, naast het Vergaderingsgebouw. Ze kon haar vertellen over de verschrikkingen die zij hadden doorgemaakt, de martelingen die zij hadden ondergaan, de afgrijselijke pijn die zij hadden geleden, hun bittere einde. Maar zij kon zich de moeite besparen; want had God zich eenmaal van iemand meester gemaakt, dan dwong de Quaker-traditie die ongelukkige om te volharden op zijn noodlotsweg.

Het ene kletsgrage vrouwmens na het andere stond op om haar instemming uit te drukken met het besluit dat Charity en Obadja Woodhouse Lydia en Mordechai achterna zouden gaan. Natuurlijk maakte iedereen beloften en kwam met voorstellen; griezelig, hoe aanstekelijk religieuze vervoering was. Abby kwam tot de slotsom, aan het eind van haar lange leven, dat zij minder van God begreep dan ooit. Waarom hunkerde Hij naar de gewelddadige dood van al die menselijke offerdieren, te beginnen met Zijn eigen Zoon? Wie was het geheimzinnige, bloeddorstige Opperwezen waaraan zij zich allen in zo'n hemelse vervoering onderwierpen? Sommigen onder hen deed God zo nu en dan gedurende enkele ogenblikken oplaaien tot menselijke grootheid, waarna ze weer uitdoofden en de rest van hun leven sleten gepijnigd door berouw en wanhoop, en hun ogen uit hun hoofd huilden op de graven van hun kinderen. Misschien had haar bitterheid met haar leeftijd te maken, misschien was het moeheid omdat ze alles al eens eerder gehoord had, misschien het gevoel van hulpeloosheid terwijl ze zat toe te kijken hoe een onschuldig kind het allemaal opnieuw doormaakte. O, ze wilde dat ze de macht had Charity de ogen te openen, dat ze haar de lessen kon bijbrengen van al die anderen die haar waren voorgegaan op de weg naar Golgotha! Terwijl ze naar dat kind zat te staren, dat verwarde, kwetsbare kind, ten prooi aan het goddelijke in haar, herinnerde zij zich hoe Becky naast haar was opgestaan en was gaan getuigen over de Indianen die bescherming hadden gezocht bij de Quakers in Philadelphia, toen de Paisley-jongens bezig waren dorpen vol Shawnees af te slachten. Arme Becky, dat was het ogenblik geweest waarop ze haar lot bezegeld had, en niet alleen dat van haar maar ook dat van Vader en Cleo, en haarzelf. O, als zij toen geweten had wat ze nu wist!

[p. 258]

Ze zou Becky hebben tegengehouden, ze zou de ramp die volgde hebben weten te vermijden, ze zou opgestaan zijn en tegen de Vergadering hebben gezegd: ‘Wat betekent dit? Waarom staan jullie dit kind en haar vader en haar zusje toe om ongewapend en onvoorbereid de wildernis in te trekken? Wat zijn we? Zondebokken?’ Ja, dat waren ze geweest; ze waren de woestijn ingestuurd, beladen met al de zonden van de Philadelphiase Jaarvergadering.

Opeens werd zij zich ervan bewust dat haar handen beefden op haar schoot. Ze was de laatste tijd aldoor aan het beven, maar nu was het ineens erger. Toen besefte ze: het is nog niet te laat. Ik heb nog de kans om het noodlot van dat kind af te buigen. Het zal niet lang duren, misschien nog een paar minuten, maar gedurende die minuten ben ik de enige onder al deze vrouwen die een herhaling van de ramp kan voorkomen die mijn familie getroffen heeft. Wat kon ze doen? Opstaan? Getuigen? Zij, een machteloze oude vrouw, met een krasstem, die in geen jaren tijdens samenkomst was gehoord?

Ze werd opgeschrikt door het pralende gekwaak van Amanda Tucker. ‘Als medevoorzitster van het schoolbestuur zal ik Charity Woodhouse vergezellen als onze afgezante naar de mannenvergadering. Ik heb nog één Vriendin nodig om het voorgeschreven aantal voor een officiële delegatie rond te maken. Mag ik de Vergadering verzoeken zich te beraden wie zij, behalve Charity en mijzelf, wil afvaardigen? Zijn er vrijwilligsters?’

Voor ze het wist stond Abby bibberig op en zei: ‘Ach ja, laat mij maar gaan, Amanda Tucker ... als de Vergadering daar geen bezwaar tegen heeft...’ Ze was verrast door de stilte die haar gekras teweegbracht.

Amanda antwoordde op een toon van eerbied die haar van nature vreemd was: ‘Ik weet zeker dat de Vergadering zich vereerd zal voelen, Abigail McHair.’ Zij keek schijnheilig om zich heen. ‘Mag ik misschien de Leiding van de Vergadering horen wat betreft de delegatie zoals die nu is voorgesteld?’

Iemand riep: ‘Akkoord!’ en zag kans het religieus te doen klinken. De kreet werd gevolgd door een gemompeld koor van instemming.

Toen Abby het middenpad afschuifelde zag zij haar dochter Esther opstaan om haar te ondersteunen, maar Amanda Tucker en het meisje Charity waren haar voor. Ze namen ieder een arm en Abby liet zich leiden, broos, bibberend, geen negentig meer maar honderd. Ze constateerde in het voorbijgaan dat iedereen haar met ontzag aanstaarde. Waarom had ze daar niet eerder van geprofiteerd? Het feit dat zij negentig was, enige overlevende van het gezin van de Stichter, gaf haar een macht in de Vergadering die zij al die jaren braak had laten liggen. Toen ze, bevend, voor de deur in het schot stond te wachten dacht ze: ‘Als mijn macht te danken is aan het feit dat ik oud en der dagen zat ben, dan zal ik ze eens wat ouds en zats laten zien.’

‘Voorzichtig, Abigail McHair,’ fluisterde Amanda met overdreven be-

[p. 259]

zorgdheid, ‘er is hier een drempeltje...’

‘Drempeltje?’ kraste zij, maar ze moest het niet te bont maken. ‘Waar?’

‘Hier, Abigail...’

‘Aa, o, daar, ja daar, dank je hoor, dank je. Dag!’

Met wankele stap ging zij de mannenvergadering binnen.

 

***

 

Het kwam als een verrassing voor Obadja toen hij de tussendeur naar de vrouwenvergadering hoorde opengaan en Charity over de drempel zag stappen. Zij loodste de oeroude Abigail McHair naar binnen, gevolgd door Amanda Tucker. Het drietal schuifelde het middenpad op naar het podium, waar de klerk van de Maandvergadering, Harlan Tucker, tussen de ouderlingen zat, even verrast als hij.

Aan de voet van het podium riep Amanda Tucker met een stem alsof ze haar echtgenoot, drie akkers ver, binnenriep voor het eten: ‘De vrouwenvergadering van Pendle Hill heeft ons opgedragen jullie een voorstel voor te leggen!’

Harlan Tucker kon weinig anders doen dan zijn echtgenote zuurtjes uitnodigen het podium te beklimmen om de mannen in kennis te stellen van wat de vrouwen hiernaast hadden zitten bekokstoven. Bij nader inzien was deze interruptie niet onwelkom, want de mannenvergadering had op het punt gestaan om in twee fracties uiteen te vallen, vanwege die vermaledijde school en de excommunicatie van de leerkrachten.

Amanda Tucker haalde diep adem, stond een ogenblik naar de mannen te kijken alsof zij een knollenveld waren dat zijzelf had gezaaid, toen zei ze, met bazige stem: ‘Onze jonge vriendin, Charity Woodhouse, heeft de vrouwenvergadering ervan in kennis gesteld dat zij en haar echtgenoot, Obadja Woodhouse, besloten hebben om Mordechai Monk en Lydia Best te volgen naar het Shawnee-reservaat in Kansas, met de bedoeling een school te stichten voor Indiaanse kinderen.’

Obadja zat een ogenblik met open mond naar het mens te staren, toen werd hij zo ontzettend kwaad dat hij zich nauwelijks kon beheersen. Hij keek met ransel in de ogen naar Charity die er wel voor zorgde dat hun blikken elkaar niet kruisten. Hoe durfde ze! Hoe durfde ze zijn bezwaren opzij te vegen, hem zonder voorkennis te dwingen aan deze waanzin te beginnen! Er was geen sprake van! Het was een misdadig idee! Hij balde de vuisten; zodra dat trompetterende vrouwmens klaar was zou hij opstaan en in het openbaar verklaren dat hij niets van het plan afwist, en niet voornemens was zich door zijn echtgenote te laten ringeloren.

Maar de oude Abigail McHair was hem vóór. Hij had gedacht dat ze alleen maar decoratief deel uitmaakte van de delegatie; het feit dat ze haar mond opendeed om iets te zeggen bracht hem een ogenblik van zijn stuk. Met krassende stem begon ze het verhaal op te hangen van de stichting

[p. 260]

van Pendle Hill. Hoewel Obadja het verhaal kon dromen, werd hij tegen wil en dank geboeid door de gruwelijke details van die rampspoedige episode, verteld door iemand die de ontberingen en de moord op haar zuster zelf had meegemaakt, als kind. Misschien was het omdat zij na iedere paar woorden naar adem snakte en haar hand op haar borstbeen drukte, maar na de eerste ogenblikken van eerbiedige aandacht werd hij wantrouwend. Hij had niet voor niets maandenlang met Mordechai Monk opgetrokken; hij kon aanstellerij op een kilometer afstand ruiken. Het duurde niet lang of hij raakte ervan overtuigd dat hij te maken had met een negentig jaar oude toneelspeelster, die geen effect ongebruikt liet. Zoals alle slechte actrices, overdreef ze schandelijk. Niemand kon zó oud, zó beverig, zó zwak zijn en op de laatste rij verstaanbaar blijven. Toen zij, met bevende stem en de hand op haar borstbeen, vroeg of alsjeblieft het tussenschot opgehaald zou kunnen worden, zodat zij de volle Vergadering zou kunnen toespreken, stemde Harlan Tucker onmiddellijk toe. Maar voor Obadja was er geen twijfel meer aan: ze was bezig de kluit te beduvelen. Ze deed niet voor Mordechai Monk onder: één van de mannen trachtte haar een vraag te stellen, zij hakkelde, begon te wankelen met gesloten ogen, geen wonder dat de Vergadering verontwaardigd ‘Ssst!’ siste om de man het zwijgen op te leggen. Zij vervolgde, fluisterend: ‘We moeten deze kinderen niet alléén de wildernis insturen, zoals de Philadelphiase Jaarvergadering het met Becky en Cleo en mijzelf heeft gedaan. We moeten een karavaan organiseren van minstens een dozijn huifkarren en tientallen gezonde, sterke mannen en vrouwen. We moeten alles van tevoren overleggen, een plan opmaken, zodat we op alles voorbereid zijn. Dat is de enige manier waarop wij het roekeloze voornemen van dit meisje en haar man kunnen veranderen in een verantwoorde getuigenis. Wie doet er mee?’

Het ene gemeentelid na het andere stond op om zich aan te melden, mensen waarvan Obadja het nooit zou hebben verwacht: kleine Will, Henry Yarnall, die de koeien het gerechtsgebouw had ingejaagd, Ruby en Cletus Brown. De Vergadering, die op het punt had gestaan in twee vijandige helften uiteen te vallen, werd herenigd door deze gemeenschappelijke roeping. Zij keurde een notule goed waarin de Shawnee Kostschool voor Indiaanse kinderen officieel onder haar hoede werd geplaatst.

In de besprekingen die volgden gaven zij die achter zouden blijven bijdragen en giften voor de schoolexpeditie, die nu al vierentwintig deelnemers telde. Boeren gaven huifkarren, muilezels, tuig; Ben Walton, die de jurken had vervaardigd waarmee de tien slaven waren vermomd, bood aan om alle kleren voor de eerste klasjes Indiaanse kinderen te naaien; toen kwam hij tot de slotsom dat hij eigenlijk net zo goed zelf mee zou kunnen gaan, en vroeg of er iemand geïnteresseerd was in een goed beklante kleermakerswerkplaats. De timmerman, de smid, de paardentrainer, drie pelsjagers boden hun diensten aan; een boer die bekendstond om zijn

[p. 261]

gierigheid schonk acht paarden, een aannemer de bouwmaterialen voor het eerste schoolgebouw, de kruidenier beloofde de expeditie voedsel te verschaffen. Maar de climax kwam toen Harry Bascomb, de eigenaar van het Pendle Hill-logement, een ‘natte’ Quaker waarvan gezegd werd dat hij de kat in het donker kneep, matrassen en dekens beloofde, niet alleen voor de expeditie maar voor de school zelf.

Obadja begon te beseffen dat Charity met haar stapelgekke plan de Vergadering het enige middel had bezorgd om het schisma te voorkomen dat een uur tevoren onvermijdelijk had geschenen. De mensen waren zo kwaad geworden en de tegenstellingen zo scherp aangezet dat een breuk onvermijdelijk had geschenen, tenzij een van de twee partijen het veld ruimde. In zekere zin was dat nu gebeurd: onder het mom van deze roeping gaven de vrijzinnige Vrienden er de voorkeur aan te emigreren, en daarmee de Vergadering en al haar problemen over te dragen aan de orthodoxen. Slechts, één prominente vrijzinnige bleef in de leeuwekuil achter: Abner Best, die doodsbleek naast zijn vrouw bleef zitten, hand in hand. Arme pantoffelheld; hij had als voorland het vernederende baantje van stalknecht in zijn eigen school, terwijl zijn vrouw met de post van directrice ging strijken. Hij was niet Saraetta's enige slachtoffer: haar broer Uria, de dikzak, wilde kleine Will volgen, maar Saraetta hield met haar andere vogelklauwtje zijn pafferige hand beet, en, net als haar echtgenoot, onderwierp de slappeling zich aan haar zwijgende bevel.

Nu, dacht Obadja, er schijnt niets anders over te schieten dan maar mee te gaan. Hij was nog steeds woedend op Charity omdat ze hem erin had laten lopen, en vastbesloten haar de les te lezen zodra ze alleen zouden zijn. Maar hij begon zin te krijgen in het avontuur; toen hij na afloop van de samenkomst zijn vrouw te pakken kreeg op het kerkhof naast het Vergaderingsgebouw, was zijn verontwaardiging ietwat bekoeld. Zij wierp zich in zijn armen alsof ze bescherming bij hem kwam zoeken, vlijde haar hoofd tegen zijn borst en riep: ‘Obadja, o, wat hebben we gedaan...?’

Hij leidde haar sussend naar een bank tussen de zerken en dwong haar met zachte drang te gaan zitten. Daar zaten ze, zijn arm om haar schouders, haar hoofd tegen zijn borst gedrukt, en hij fluisterde: ‘Stil maar, kind, stil maar, je was in de kracht des Heren.’

terug  begin  verder