terug  begin  verder
[p. 262]

Vijf

 
‘Komt, laat ons voortgaan, kind'ren!
 
Want d'avond is nabij,
 
Het stilstaan kan licht hind'ren,
 
In deze woesterij...’

Mordechai was net aan het eerste gezang van de dag begonnen, nog doezelig van de slaap en met een kleis in zijn keel, toen hij op de schouder werd getikt. Hij draaide zich om teneinde de oneerbiedige de volle laag te geven, toen ontdekte hij tot zijn verbazing: het was het opperhoofd.

‘Man,’ zei het opperhoofd, zijn Mongoolse gezicht zo uitdrukkingloos als een masker. ‘Oude man. Hij doodgaan. Oude man vragen naar sjamaan. Kom. Oude man hij doodgaan, vlug.’

Mordechai kon zijn oren niet geloven. Een week lang had hij voor schut gelopen, met horens op zijn hoofd en de stinkende bizonvacht om; de enigen die hem als hun geestelijke leider accepteerden waren de zes oude vrouwen die aan de eerste samenkomst hadden deelgenomen, het hondje dat niet van hem af te slaan was, en sinds eergisteren de oude squaw met het kind op de arm die hij, in het grijs verleden, zijn pandjesjas om de schouders had gelegd. Ze droeg die nog steeds, alsof hij overleden was en de zigeuners van de prairie zijn garderobe onder elkaar hadden verdeeld. Dat was hij dan ook: Mordechai Monk de evangelist was zo dood als een pier. Wat was ervoor in de plaats gekomen? Een charlatan, een carnavalssjamaan. Nu stond daar ineens het opperhoofd met het verzoek of hij een stervende wilde bijstaan.

Onder normale omstandigheden zou hij een uitvlucht gezocht hebben, want hij was hier totaal niet op voorbereid. Maar het was voor het eerst dat het opperhoofd of wie dan ook onder de mannen hem te hulp riep als sjamaan, hij mocht deze kans niet laten voorbijgaan. Terwijl hij de rijzige Indiaan volgde tegen de stroom van de stoet in, voelde hij zich niet langer voor gek lopen met die schedel op zijn hoofd en die staak met bizonkiezen. Zelfs het gevoel van heiligschennis wanneer hij met het kruis op de stok zwaaide verdween. Als hij een stervende Indiaan bij moest staan als sjamaan, moest hij eerst in zichzelf geloven. ‘Kom, Mordechai,’ dacht hij, ‘kom, Chief Oude Bizonkies, laat je er niet door afschrikken dat de stervende een Indiaan is, zo vreemd als het mannetje op de maan. Alle zielen zijn gelijk voor God; dit is de kern van je getuigenis. Nu is dan het ogen-

[p. 263]

blik gekomen om je vrome praatjes waar te maken. Nu ben je op weg naar een ziel in nood, die om je bijstand gevraagd heeft.’ Hij hoopte dat Lydia hem zag, want die was de laatste dagen met haar neus in de wind gaan lopen omdat zij kans had gezien een soort kleuterklasje te vormen na de dagmars, terwijl hij er nog altijd bijliep als een karikatuur, met een schertsgemeente van zeven ouden van dagen en een hondje.

Halverwege de colonne bereikten zij een platte wagen, getrokken door een paard met ingevallen schonken, dat voortsukkelde zonder dat iemand de leidsels hield. Het opperhoofd zei: ‘Man,’ en wees op een lichaam, gewikkeld in een deken, dat op de platte kar lag te schokkeren. Hij hielp Mordechai op het rijdende vehikel te klimmen; het hondje bleef meelopen, en ook het opperhoofd, kennelijk nieuwsgierig hoe hij het zou aanpakken.

De Indiaan was oeroud. Zijn gezicht, met hoge jukbeenderen, was zo gerimpeld dat het eruitzag als een gebarsten aarden pot. Zijn neus stak eruit alsof hij er eigenlijk niet bijhoorde; zijn spleetogen waren zwart en dof. Toen hij Mordechai's silhouet afgetekend zag tegen de hemel strekte hij een knokige hand naar hem uit; even leek het alsof zijn ogen zich op hem instelden, toen werden ze weer dof en staarden naar de hemel. Mordechai keek op en zag gieren boven hen cirkelen.

Wat moest hij tegen de stervende zeggen? Het was duidelijk dat de man in geestelijke nood verkeerde. Om althans iets te doen nam hij zijn amuletten en zwaaide die bezwerend heen en weer boven de oude man, al was het alleen maar om zijn aandacht van de gieren af te leiden. De doffe spleetogen leken zich weer op hem in te stellen; de mond ging open als een barst in de pot, hij gaf een schor keelgeluid.

‘Hem zeggen: regen,’ vertaalde het opperhoofd, behulpzaam. ‘Regen, donder.’

‘Och kom,’ zei Mordechai.

De gebarsten lippen bewogen; nog meer keelklanken; de knokige hand strekte zich weer naar hem uit.

‘Hem zeggen: veel regen. Donder. Kinderen spelen, schreeuwen,’ vertaalde het opperhoofd.

‘Ah juist,’ zei Mordechai; maar hij begreep er niets van.

De zwarte spleetogen staarden hem aan; een onthutsende grijns daagde op het gerimpelde gezicht, Mordechai kon niet uitmaken of het een glimlach was of een grimas van pijn. Weer klonk er een reeks keelgeluiden; de hand maakte een speels gebaar in zijn richting, alsof de stervende hem weg wilde duwen, maar alleen in schijn.

‘Hem spelen in regen,’ legde het opperhoofd uit. ‘Hem spelen met naakte jongetjes, in regen, in oerwoud. Donder. Veel donder. Alle jongetjes schreeuwen.’

‘Ie-ieee,’ piepte de Indiaan; het oude gezicht kreeg, niettegenstaande de groeven en de rimpels, een kinderlijke uitdrukking.

‘Jongetjes schreeuwen: ie!’ verduidelijkte het opperhoofd.

[p. 264]

‘Juist,’ zei Mordechai. De woorden begonnen een beeld bij hem op te roepen: een open plek in het oerwoud, een wolkbreuk, een troep naakte jongetjes die elkaar uitgelaten achternazaten door de plassen, met modder gooiden, schreeuwend: ie-ieee! Het beeld was zo duidelijk dat hij geneigd was te zeggen: ‘Ja, nu zie ik het!’ Hij nam de hand, die nog steeds vaag rondzwaaide, in de zijne.

De hand was koud en klam, en zo vreemd als de poot van een dier. Nauwelijks had hij hem beet of de oude man ontspande zich met een sissende zucht, bijna een gefluit. Het was alsof, door die hand, een dodelijke angst Mordechai beving en zo'n hartbrekend verdriet dat hij zonder erbij na te denken aandrong: ‘Speel verder, Vriend, speel verder! De donder rolt. De regen valt met bakken uit de hemel. De jongetjes rollen en spartelen in de modder. Ie-ieee!’ Hij verwachtte dat het opperhoofd het zou vertalen, maar dat bleek niet nodig. De zwarte ogen staarden in de zijne, de gebarsten glimlach keerde terug, alsof de stervende inderdaad dat visioen voor zich zag. Mordechai riep opnieuw: ‘Ie-ie-ieee!’ Daarbij zag hij de naakte jongetjes rondspringen in de regen en in de modder rollen, door het dolle heen; hij hoorde het geschreeuw van hun stemmetjes boven de donder uit, die daverde in de spelonken van het woud. ‘Speel verder, speel verder,’ fluisterde hij, vol deernis voor de oude bosindiaan, verdwaald in de prairie, die op de rand van de dood over zijn kindertijd lag te dromen. ‘Speel verder,’ fluisterde hij, en streelde de hand, ‘speel verder, lieve Vriend...’

‘Ieee...’ piepte de stem, zacht, als in de verte. ‘Ieee...’ Toen gingen de spleetogen langzaam dicht, de grijns bevroor op het gezicht, de hand werd stil en zwaar. Behoedzaam legde Mordechai de hand op de borst van de dode. Toen maakte hij een zegenend gebaar boven het lijk met zijn amuletten, daarna met het kruis. ‘Rust in vrede, lieve Vriend,’ zei hij. ‘Rust in vreugde, en in het eeuwige Licht.’ Op zijn hurken op de schokkende wagen, naast het lichaam van de dode Indiaan, verzonk hij in eenzame samenkomst, terwijl het paard zonder benul door bleef sjokken. Hij voelde de Tegenwoordigheid; het deed er blijkbaar niet toe of wat hij gedaan had heidens of Christelijk was, het was Gode welgevallig geweest. God had hem inderdaad gebruikt om Zijn liefde aan de stervende door te geven.

Hij zat lang in gebed verzonken op de hotsende kar; toen hij ten slotte zijn oog weer opende zag hij dat hij omringd was door Indianen, die allen met hem meeliepen, mannen zowel als vrouwen. Zij keken naar hem op met een nieuwsgierige en tegelijkertijd eerbiedige blik. Hij voelde zich genoopt om te zeggen: ‘Dat was ik niet, Vrienden; wij waren vergaderd in Zijn naam.’ Hij voelde hun behoefte aan een symbolisch gebaar zijnerzijds; hij zegende hen plechtig met zijn stok met amuletten en daarna met de staak met het kruis. Toen zei hij tegen het opperhoofd naast de kar: ‘Laat het konvooi halt houden. We gaan deze mens begraven.’

[p. 265]

Het opperhoofd staarde hem uitdrukkingloos aan.

‘Halt,’ herhaalde hij, ‘deze mens moet begraven worden.’

‘Geen halt,’ zei het opperhoofd. ‘Nooit halt. Mens - hoeps!’ Hij maakte een gebaar van wegwerpen.

‘Maar we kunnen de man toch niet zo maar in het gras gooien, en hem overlaten aan de wilde dieren?’ riep Mordechai verontwaardigd uit.

‘Geen halt,’ herhaalde het opperhoofd. Toen keek hij om en maakte een gebaar met zijn duim in de richting van de achterhoede van de colonne. ‘Hem geen halt. Hem nooit halt.’

Mordechai staarde naar de kapitein in de verte, die met zijn ruiters in keizerlijk zelfvertrouwen het konvooi volgde. Zonlicht flonkerde op zijn epauletten.

Mordechai stond op, niettegenstaande het schokken van de wagen, greep met één hand het ijzeren leuninkje vast van de lege bok en zwaaide met de andere het kruis. ‘Halt!’ riep hij, ‘in naam van God: halt!’

Tot zijn verbazing stonden de Indianen die de wagen begeleidden onmiddellijk stil. Iemand greep het paard bij de teugel en bracht het tot stilstand. Hij verloor bijna zijn evenwicht, maar zag kans op de been te blijven. Toen de wagen tot rust gekomen was liet hij het leuninkje los en hief ook de stok met de amuletten op in een bezwerend gebaar. Het opperhoofd keek bang om. De hele colonne was tot stilstand gekomen. De achthonderd ontmoedigde mensen, die wekenlang werktuiglijk hadden voortgesjokt, leken te ontwaken.

Daar kwamen de drijvers, krijsend, vloekend, knallend met hun zwepen. ‘Vort! Vort! Vort, verdommese rotzakken! Vort! Vort!’ De zwepen knalden, maar de Indianen bewogen niet. Ze bleven staan zonder op of om te kijken, in stilzwijgend verzet. ‘Heb jij dat gedaan, vuile ouwe aasgier?!’ gilde een van de drijvers tegen Mordechai. Het was de schele man, die hem gegeseld had.

‘Wij moeten een dode begraven,’ zei Mordechai. ‘Roep de kapitein.’

‘Ben je nou helemaal belazerd? Wie denk je dat je voor je hebt?!’ De man stond op het punt hem opnieuw met de zweep te lijf te gaan toen opeens vier, zes Indianen hem besprongen, als roofdieren, hem van zijn paard sleurden, de zweep uit zijn handen rukten en die wegwierpen in het hoge gras.

‘Doe hem geen pijn, doe hem geen pijn!’ riep Mordechai verschrikt, maar het was niet nodig. Zij gaven het paard van de drijver een klap op het achterste, zodat het briesend zonder ruiter naar de kop van de stoet galoppeerde. Voor de versufte man op de grond tot zijn positieven was gekomen waren de daders verdwenen in de roerloze menigte.

De andere drijvers kwamen, krijsend als bezetenen, aandraven met opgeheven zwepen om hun kameraad te wreken. Maar voor zij de man bereikten werden zij ingehaald door de Cavalerie. Een scherp bevel; daar was de kapitein, omringd door zijn lijfwacht van soldaten. Zijn interventie

[p. 266]

was volkomen onemotioneel, een technische manoeuvre, indrukwekkender dan de krijsende woede van de drijvers. ‘Halt,’ zei hij tegen de woestelingen. ‘Terug naar je plaatsen. Laat dit aan mij over.’

De mannen mopperden, maar gehoorzaamden.

De kapitein staarde Mordechai aan, die nog steeds, zijn stok met amuletten en zijn kruis omhooggeheven, naast het lijk van de oude Indiaan op de wagen stond.

‘Is dit uw werk, meneer Monk?’

‘Ik heb het konvooi verzocht om halt te houden opdat wij onze dode kunnen begraven,’ antwoordde Mordechai; maar hij voelde zijn pas gewonnen autoriteit wegebben.

‘Wij houden niet stil voor begrafenissen,’ zei de kapitein, bedaard. ‘En ik adviseer u de Indianen niet aan te zetten tot insubordinatie, anders zal ik u moeten neerschieten.’ Hij zei het zonder animositeit.

Mordechai voelde zich teruggebracht tot machteloze oude man met twee bijgelovige stokken. Gedurende enkele seconden besefte hij tot in zijn merg wat het betekende om Indiaan te zijn: overgeleverd aan de genade of ongenade van de blanke. Opeens welde haat in hem op, machteloze woede. Hij liet amulet en kruis vallen, en met twee vingers van iedere hand maakte hij een belachelijk, machteloos tovenaarsgebaar in de richting van de kapitein. ‘Puisten!’ siste hij. ‘Pus, pus! Puisten! Pestilente puisten!’ Toen spoog hij op de grond voor het paard van de kapitein en ging, na de bizonvacht om zich heen te hebben geslagen, op de hurken naast de dode zitten mokken.

De Indianen waren onder de indruk, zelfs de drijvers. Niemand bewoog, niemand maakte een geluid, allen staarden strak voor zich uit, wachtend op wat komen zou.

Maar de kapitein bleef er onverschillig onder. ‘Ik dacht dat uw getuigenis een Christelijke was, meneer Monk,’ zei hij. ‘Vreemde vertoning voor een Quaker-zendeling, moet ik zeggen. Konvooi! Voorwaarts - mars!’

Gehoorzaam begonnen de Indianen weer te schuifelen; binnen de minuut leek het alsof het incident nooit had plaatsgevonden. De stoet was weer op gang, in doffe wanhoop. Het paard sjokte werktuiglijk voort zonder dat iemand de teugels hield. De drijvers reden het gras in om het paard van hun gevallen kameraad te vangen; zij brachten het terug, hij klom beteuterd in het zadel en reed verder, zonder zijn zweep.

Mordechai zat op de hurken naast het lijk van de oude Indiaan; het schokkerde alsof het nog leefde. Hoe was het mogelijk dat hij, na dat ogenblik van genade, opeens vervallen was tot spuwende haat? Het leek alsof de ervaring van de Tegenwoordigheid volkomen tenietgedaan was door zijn machteloze woede ten opzichte van de kapitein; binnen het bestek van enkele minuten had hij zowel de werkelijkheid Gods als die van de duivel aan den lijve ervaren, en het laatste had ontegenzeglijk het eerste ongedaan gemaakt. De wagen hotste door een kuil, hij greep het

[p. 267]

leuninkje van de bok weer vast; opeens hoorde hij naast zich een stem die zei: ‘Dit was niet wat ik bedoelde, Vriend Mordechai, toen ik zei dat we ons met de Indianen moesten vereenzelvigen. Dit was in strijd met het beginsel van de geweldloosheid.’

Hij had Lydia niet herkend onder de menigte; er was dan ook geen verschil meer tussen haar en de anderen behalve haar ogen, en die stonden nu vol verwijt.

Ze had gelijk, maar al kon hij dat tegenover zichzelf toegeven, hij verdroeg het niet van een ander. ‘Vriendin Lydia,’ zei hij, met de stem die hij tegen de kapitein gebruikt had, de stem van de sjamaan, ‘hou jij je bij je luiers en je snotneusjes en laat dit aan de mannen over.’

‘Mannen!’ zei ze, vol verachting, draaide zich om en liep weg. Hij was te neerslachtig om zich nog verder te laten gelden.

Toen het konvooi stopte voor de noenrust maakten de Indianen van de gelegenheid gebruik de dode te begraven. Hij nam aan dat hij verondersteld werd aanwezig te zijn om een paar rituele gebaren te maken boven het graf met zijn stokken. Hij deed dit, zonder overtuiging; toen sprak hij de tekst: ‘En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der maan van node hebben, want de Here God verlicht hen.’ Hij betrapte zichzelf erop dat hij de woorden galmde alsof het een bezwering was, en daar zagen de Indianen het dan ook ongetwijfeld voor aan.

Die middag marcheerde hij weer aan het hoofd van de stoet, psalm-zingend en luidkeels biddend, maar zijn hoofd was er niet bij, noch zijn hart. Hij had het gevoel dat hij er niemand mee overtuigde behalve het hondje. Misschien hadden ze genoeg hocus-pocus gezien voor één dag.

Maar dat bleek niet het geval. Die avond, toen de gebruikelijke vier bizons het bivak werden binnengesleept door de vrije Indianen die hun geknechte broeders met minachting behandelden, sneed het opperhoofd de buik van het eerste beest open, hakte een handvol darmen af en wierp die aan Mordechai's voeten. Toen knielde hij voor hem, en zei: ‘Toekomst.’

Mordechai staarde hem aan. ‘Pardon?’

‘Zullen squaw en ik in nieuw land rijk worden? Het aan onze kinderen schenken?’

Hij besefde wat er van hem verwacht werd, maar wist niet hoe hij het moest aanpakken. In arren moede staarde hij naar het smerige strengetje natte darmen aan zijn voeten en vroeg zich af of dit niet het ogenblik was om een Christelijke getuigenis tegen het bijgeloof te maken. Maar het was ten slotte de eerste dag waarop hij als sjamaan voor vol werd aangezien, daarom galmde hij: ‘Vriend, Gij en uw squaw zullen het lot van ons allen delen.’ Het sloeg nergens op; het enige resultaat was dat hij zich bezoedeld voelde, alsof hij nu eerst recht omlaaggetrokken was in hun primitieve wereld vol duivels en demonen en daadwerkelijk sjamaan geworden: half ziener, half pieskijker, één met de heidenen die in duisternis leefden.

[p. 268]

Het opperhoofd stond op, boog diep, mompelde een paar woorden van dank, toen kwam de volgende klant: een jonge vrouw, die hem boud aankeek en toen aan zijn voeten spoog. Hij schrok, maar kon zich haar gevoelens indenken.

‘Squaw wil ook toekomst weten,’ legde het opperhoofd uit.

Haar de toekomst voorspellen uit haar speeksel? Het was kennelijk de bedoeling. Hij keek om zich heen, zag Lydia onder de menigte staan; de manier waarop ze naar hem keek bracht hem in de verleiding om te zeggen: ‘Wil jij dit misschien van me overnemen, Vriendin Lydia?’ In plaats daarvan schraapte hij zijn keel en flapte er het eerste uit dat hem inviel: ‘Zeg tegen de squaw dat zij op moet passen voor paarden.’ Dit werd te gek; hij stapte haastig over het glinsterende kluitje darmen heen en maakte zich uit de voeten vóór anderen het orakel konden raadplegen. Lydia was verdwenen; hoewel hij nog altijd kwaad op haar was ging hij haar zoeken. Ze was in geen velden of wegen te bekennen; maar waar hij ook ging maakten de Indianen eerbiedig ruimte voor hem. Ten slotte ging hij naar hun kampvuurtje om haar op te wachten.

Toen zij op kwam dagen met de vleespot was zij in een beter humeur. ‘Vanavond geloof ik dat ik een mals stukje te pakken heb,’ zei ze. ‘Voor het eerst hebben de squaws me een stuk laten uitzoeken in plaats van dat ik ervoor moest vechten.’

‘Dat heb je dan waarschijnlijk aan mij te danken,’ zei hij snibbig. Hij had met stijgend ongeduld op haar zitten wachten; nu ze er eenmaal was werd hij weer kwaad op haar.

‘Dat zou inderdaad kunnen,’ antwoordde ze eerlijk. ‘Ik ben het met je heidense getuigenis volkomen oneens, maar helaas blijkbaar wél bereid er de vruchten van te plukken.’

Hij glimlachte wrang. ‘Dat is in de beste Quakerlijke traditie, lieve. De Vrienden uit Pittsburgh vluchtten voor de Fransen binnen de wallen van Fort Pitt, maar weigerden zelf een wapen ter hand te nemen.’

Zij keek hem aan; toen zei ze: ‘Dat je de colonne stil hebt willen laten houden om die man te begraven, kan ik me voorstellen. Maar waarom moest je de kapitein bedreigen met het boze oog?’

‘Ik deed dat niet als Quaker, lieve, maar als de sjamaan van deze vernederde mensen.’

‘Je hebt me destijds gewaarschuwd voor de zuigkracht van de oertijd, of hoe je dat noemde. Ik zou zelf maar oppassen, als ik jou was. Hun kleren aan te trekken om hun vertrouwen te winnen betekent niet dat we ophouden Quaker te zijn. Dat is niet onze roeping.’

Het feit dat hun rollen ineens waren omgedraaid ergerde hem. ‘Lieve Vriendin,’ zei hij, ‘in de geschiedenis van het Genootschap hebben de vrouwen altijd met zwachtels en zuigflessen getuigd, terwijl de mannen, te beginnen met George Fox, zich gekant hebben tegen de oorzaken van de wonden, de honger. Het is niet voldoende de slachtoffers te verzorgen, wij

[p. 269]

moeten getuigen tegen de daders die hen tot slachtoffers hebben gemaakt.’

‘Door die “pus” en “puisten” toe te wensen en het teken van het boze oog te maken? Ik kan me niet herinneren dat George Fox dat ooit gedaan heeft.’

Ze had gelijk; maar hij kon zich er niet toe brengen dat toe te geven. Hij liet het bij een pijnlijke glimlach, alsof hij iets vies rook.

‘Hier,’ zei ze, ‘proef dit eens.’

Hij nam het lapje vlees van haar aan, maar had geen honger; hij voelde zich somber en gedrukt. Waarom? Hij had toch een doorbraak beleefd? Hij was hun sjamaan geworden! Terwijl hij zat te kauwen op het taaie, bijna rauwe vlees, kwam hij tot de slotsom dat zij de sleutel was. De Indianen konden hem niet schelen, het ging om haar. Zij was zijn werkelijke gehoor; als hij zong, zong hij voor haar. Nu had hij de Indianen gewonnen, maar haar verloren.

‘Lekker?’ vroeg ze.

‘Mmm mmm,’ zei hij.

Het werd donker. De nacht leek groter, de eenzaamheid om hen heen dieper. In de verte huilde een prairiewolf, zijn langgerekt gejank klonk als de stem van de oertijd, een wereld zonder besef van goed en kwaad, waar het begrip ‘zonde’ nog geen betekenis had. Voor het eerst sinds hun vertrek was hij bang.

Voor het slapen gaan hielden zij samenkomst. Wat hem betrof was het dit keer een dode rite; maar dat gold blijkbaar niet voor haar. Nog nooit had zij hardop getuigd sinds zij de bewoonde wereld hadden verlaten; nu klonk opeens haar stem:

 
‘Ik weet niet waar de levensstroom
 
mij uiteindelijk doet belanden...
 
Ik weet alleen dat ik nimmermeer
 
kan drijven buiten het bereik
 
van Zijn liefdevolle handen...’

Hij wist niet wat het was: het geluid van de vrouwenstem, de woorden van het gedicht, maar opeens voelde hij zich niet bang meer. Wat God ook met hem voorhad, hij was weer vol tederheid, en liefde.

 

***

 

Die nacht werd Lydia wakker geschud toen zij in haar deken gerold lag te slapen; een stem fluisterde in het donker: ‘Pusil! Pusil! Vlug, kom, Pusil!’

‘Wat - wat is er?’

‘Kom, kom, kind ziek, kom, vlug, vlug!’ Het was de vrouw van het opperhoofd, die naast haar op de hurken zat, haar silhouet zwart tussen de sterren. Lydia stond op, trok haar jurk aan en volgde de vrouw die, met de ogen van een uil, haar weg vond tussen de slapende lichamen en de donkerrood nagloeiende kampvuren. Het was koud; de sterren flonkerden

[p. 270]

als diamanten in het zwarte zwerk.

De vrouw leidde haar naar een afdakje op staken, waar een groep squaws in flakkerend toortslicht over iets gebogen stonden. Toen zij haar aan zagen komen gingen zij eerbiedig opzij; Lydia zag een baar waarop een jongetje lag te woelen, een van de vrouwen trachtte tevergeefs hem te sussen. Het was duidelijk dat hij ijlde.

Bij het zien van het zieke kind raakte Lydia haar zekerheid kwijt. Het was alsof ze terug was in de slaapzaal tijdens de epidemie; de onuitsprekelijke gruwel van de stervende kinderen, die ze na al die jaren nog niet van zich had kunnen afschudden, maakte zich opnieuw van haar meester. De vrouwen verwachtten dat zij het jongetje zou aanraken of onderzoeken, maar ze was er niet toe in staat. Zij was verlamd door dat visioen uit het verleden; ze had al haar wilskracht nodig om niet te vluchten. Waarom, waarom moest het steeds weer gebeuren? Wat wás de ware aard Gods, dat hij onschuldige kinderen pijnigde met al de martelingen van de hel, hen naar adem liet snakken, hun ogen opengesperd in doodsangst?

Zij wist dat ze, door niets voor het kind te doen, de vrouwen teleurstelde, die haar dezelfde magische kracht toedichtten als Mordechai Monk. Als ze ook maar iets met Margaret Fell of Gulielma Woodhouse gemeen had, zou ze zich nu minstens over het jongetje buigen en trachten hem te sussen. Maar zij stond aan de grond genageld, niet in staat de hallucinatie af te schudden van de stervende kinderen tijdens de epidemie. Zij sloot haar ogen en bad: ‘God, help me, God, God...’ Maar er kwam geen antwoord uit het heelal, geen goddelijke liefde manifesteerde zich tussen de sterren.

De vrouwen stonden met uitdrukkingloze gezichten naar haar te staren. Het jongetje woelde, kermde, alsof hij op een folterrad gebroken werd. Zij kon het niet langer aanzien; ze viel op de knieën bij de baar en bedekte haar gezicht met de handen. Zo lag ze, zonder gedachten, zonder besef van tijd, terwijl de tranen in haar handen liepen.

Ze wist niet hoe lang ze daar gelegen had toen zij besefte dat er iets veranderd was. Het kind was rustiger; ze hoorde een gefluister. Ze keek op. Iemand moest Mordechai Monk hebben gehaald, want daar stond hij, in het toortslicht, aan de andere kant van de baar. Hij had zijn schedel met horens op, zijn bizonmantel om, en zijn amuletten en het kruis bij zich, die hij, zonder de ogen van het jongetje af te wenden, aan een van de vrouwen reikte. Hij knielde naast de baar en greep een van de handjes die koortsig aan de vodden lagen te plukken waarmee het kind bedekt was.

‘Vriendje,’ vroeg hij, in het Engels. ‘Hoor je me, vriendje? Ik ben het, de sjamaan.’

Het jongetje trachtte, hijgend, zijn hand los te trekken, maar Mordechai hield hem vast en begon te praten. Lydia had verwacht dat hij tot God bidden zou en Hem smeken het jongetje te sparen, zoals zij geprobeerd had te doen, maar hij praatte tegen het kind. ‘Vriendje,’ fluisterde hij, ‘we

[p. 271]

gaan iets avontuurlijks doen. We gaan naar een land met grote bomen en gekleurde vogels, die “oekoe oekoe” roepen. Er is een troep jongetjes, net als jij. Ze zijn naakt, want het is warm, en het waait, en de bladeren ruisen: “ssjjj, ssjjj”. De jongetjes kijken omhoog naar de wolken. De donder rolt: “roemboem, roemboem, boem”, en met een groot geklater begint het te regenen, te regenen - regenen - regenen. Plassende, sissende regen: “ssjjj, sssjjjj”, wapperende gordijnen van water die omlaagklateren. De jongetjes roepen: “ieie-ieeee-ieieee!”, rollen in de plassen als varkentjes, gooien elkaar modder naar het hoofd, spartelen en trappelen; de regen klatert, en de donder rolt: “boemboem, boemboem”, en de bomen schuimen, en hun ouders roepen: “Neenee! Kom binnen! Kom binnen! Niet in de modder rollen! Niet in de regen spelen! Pas op het onweer!” Ze roepen terug: “Nee, laat ons nou” en ze rollen in de modder en jij bent er ook bij, en je gooit modder naar het hoofd van je vriendjes en zij gooien modder terug. “Ieiee-ieieeee!” De regen klatert, de regen, de regen: “ssjjj ssjjj”. De regen. Regen. Regen...’

Het jongetje was gaandeweg stil geworden onder het verhaal, hoewel hij er geen woord van kon begrijpen, behalve misschien de geluiden. Lydia zag het kind zich ontspannen, rustiger ademen, luisteren naar de stem, de regen in het oerwoud, het kindergejuich, de donder, de wind die in de bomen bruiste. Maar het was niet de Mordechai die zij kende, die het jongetje betoverde; er ging een tederheid van hem uit die zij nog nooit eerder in hem gevoeld had.

Het jongetje sloot de ogen, afgemat; hij viel in slaap. Mordechai, de hand van het kind in de zijne, werd stil. Zweet biggelde langs zijn voorhoofd; toen het kind sliep liet hij de hand los, en bedekte het met de vodden. Hij stond met moeite op, zij hielp hem. Hij fluisterde: ‘Dank je.’

Zij leidde hem terug naar hun sheltertje. Toen hij naast het vuur ging zitten was zijn gezicht zo bleek, dat ze zich zorgen maakte. ‘Wil je niet gaan liggen, Vriend Mordechai?’ vroeg ze, ‘zal ik je bed opnieuw opmaken?’

Hij keek op, het duurde een ogenblik voor hij haar ontwaarde. Toen zei hij: ‘Ja, dank je, dat is goed.’

‘Ik vond het wonderbaarlijk wat je gedaan hebt,’ zei ze. ‘Ik wist niet dat je zoveel tederheid in je had.’

Hij staarde haar aan, afwezig, vermoeid. Toen zei hij: ‘Dat was Gods tederheid, niet de mijne.’

‘Maar je moet die in je hebben, anders kon God er geen gebruik van maken.’

Hij sloot zijn oog. ‘Lydia,’ zei hij, ‘ik ben moe. Is er nog wat te eten, misschien?’

Maar ze moest dit uitpraten. ‘Weet je,’ zei ze, ‘ik wilde dat God mij ook gebruikte. Ze hebben me nu zogenaamd hun vertrouwen geschonken. Ik loop al dagen onder ze rond; ik speel met de kinderen om ze aan me te

[p. 272]

laten wennen voor ik ze les ga geven; maar ik heb het gevoel dat ik ze niet werkelijk bereik. Dat ik alleen maar ik ben. Dat God mij niet gebruikt zoals Hij jou vanavond gebruikt heeft. Ben ik Zijner niet waardig?’

Hij glimlachte mat. ‘Vergeleken met mij ben je een engel van zuiverheid. Ik ben een schurk, die liegt en bedriegt, en met God sjachert. Het heeft niets met Zijner waardig zijn te maken.’

‘Maar waarmee dan wel? Waarom werd jij gebruikt als Zijn werktuig, terwijl ik er al tien minuten bij stond en niets anders kon doen dan met mijn handen voor mijn ogen te huilen? Mis ik iets wat God nodig heeft?’

Hij keek haar een ogenblik aan, toen zei hij: ‘Misschien.’

‘Wat? Zou je dat kunnen zeggen?’

‘Misschien ontbreekt jou de liefde.’

Zij fronste haar wenkbrauwen. ‘Ik begrijp je niet.’

‘Ik ben vol liefde, maar niet voor God, Lydia. Voor jou. Als ik jou zie raak ik vol tederheid en vreugde. God heeft zich van mijn liefde voor jou bediend om die oude Indiaan en dat jongetje te bereiken.’

Het gaf haar ineens een gevoel van onbehagen. ‘Ik zal eens gaan kijken of er nog wat te eten is,’ zei ze, en ging de pot met het stukje gebraden vlees zoeken dat ze van hun avondmaal hadden overgehouden.

 

***

 

‘Goeienavond, meneer Monk,’ zei kapitein Stewart, een week later. Hij stond van tafel op, nam zijn servet uit zijn boord en veegde zijn baard af. ‘Wilt u er niet bij gaan zitten?’ Hij wees op de lege stoel aan de andere kant van de tafel.

‘Dank, Vriend,’ zei Mordechai. Hij was geïrriteerd door de summiere manier waarop de kapitein hem ontboden had, maar onder de indruk van de orde en de netheid van 's mans wereld, een eiland in het stenen tijdperk.

Zij hadden bivak gemaakt bij de ruïne van een boerderij. Ze waren er meer tegengekomen; gebroken muren, een verkoolde wagen, een moestuin die weer door het gras overwoekerd was. De bouwval van vanavond had iets van een spookhuis vanwege het geratel van een ijzeren windmolen, die soms even klepperde in de nachtwind. De reden waarom de kapitein hier bivak gemaakt had was de put die bij de molen hoorde, maar hij bleek droog te zijn.

Mordechai ging zitten. Hij hoorde een gejank; het hondje wilde op het vlondertje getild worden. ‘Ksst!’ zei hij, ‘af! Ga naar Lydia!’ Hij legde de totem en het kruis op de tafel en vroeg: ‘Wat kan ik voor je doen, Vriend?’

‘Ik zie dat u de sierselen van uw ambt hebt meegebracht,’ merkte de kapitein op, en glimlachte als een boer die kiespijn heeft.

‘Ik sta op het punt om de begrafenisdienst te leiden voor een oude vrouw die vandaag gestoren is, dus ik zou graag ter zake komen.’

‘O. Nou...’ Met een grimas van pijn maakte de kapitein de kraag van

[p. 273]

zijn tuniek los. ‘Ik wou dat u eens naar de negenoog in mijn nek keek,’ zei hij. ‘Ik heb er verdomde last van. Ik heb er van alles aan gedaan, zonder resultaat. Ik heb u een paar keer een soort handoplegging zien doen voor de Indianen...’

‘Maar, waarde Vriend, je bent toch geen Indiaan?’

‘Dat heeft er niets mee te maken! Een voorganger die zich bezighoudt met het geestelijk welzijn van zijn gemeente heeft soms het vermogen zieken te genezen. Dat is geen heidens bijgeloof, maar een Christelijke waarheid; het Nieuwe Testament staat er vol van.’

Het verzoek van de kapitein ergerde Mordechai. ‘Het spijt me, Vriend,’ zei hij kortaf, ‘maar ik denk er niet over.’

‘En waarom niet, als ik vragen mag?’ riep de kapitein kwaad uit. ‘Ben ik soms niet goed genoeg voor die hocus-pocus?’

‘Ik heb tot die “hocus-pocus” mijn toevlucht genomen om het vertrouwen van de Indianen te winnen. Ik bezit niet de minste gave om zieken te genezen. De Indianen hebben er nu eenmaal behoefte aan, zelf geloof ik er niet in.’

‘Maar u geneest ze dan toch maar!’

‘Pure suggestie.’

‘O ja?’ De kapitein stak zijn baard vechtlustig uit. ‘U hebt die negenoog in mijn nek er met suggestie op gekregen, haal hem er dan maar met suggestie weer af!’

Mordechai staarde hem ongelovig aan. ‘Je wilt toch niet zeggen, waarde Vriend, dat je die hebt opgelopen door wat ik destijds tegen je gezegd heb?’

‘Natuurlijk! “Puisten! Pus! Pus! Pestilente puisten!”’ De kapitein herhaalde het gebaar dat hij, tot zijn eeuwige schande, zelf tegen de man gemaakt had. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven een negenoog gehad! Ik heb nog nooit van mijn leven iets gehad! En daar komt ineens een schijnheilige ouwe Quaker met horens op zijn hoofd, steekt vier vingers naar me uit en zegt: “Puisten, puisten, pus” en: bens! Twee dagen later kan ik mijn hoofd niet meer omdraaien. Het is er niet één, er komen er nog meer! Kijk!’ Hij toonde de rest van zijn nek; inderdaad: hij had één karbonkel, en er waren er meer op komst. Zijn nek en schouders zagen er bruut uit, bedekt met rode krulhaartjes als een soort vacht. Wanneer een man met zulke schouders geen genoegdoening van zijn huistovenaar ontving, kwamen er moeilijkheden. Mordechai nam de stok met de amuletten om die op het abces te leggen.

De kapitein hoorde de bizonkiezen rammelen en zei: ‘Niet dat bijgelovige ding; je kruis! Ik ben een Christen!’

De man stond er zo vervaarlijk bij, met gebalde vuisten en zijn baard vooruitgestoken, dat Mordechai eieren voor zijn geld koos. Hij nam het kruis, legde het op de vuurrode zweer in de stierenek, en galmde: ‘Ik raak u aan, de goede God zal u genezen.’ Toen nam hij het kruis weer weg.

[p. 274]

‘Is dat alles?’ vroeg de kapitein, achterdochtig.

‘Dat is alles.’

‘U belazert me toch niet, hè?’

‘Die woorden, waarde Vriend, zijn eeuwenlang eens per jaar in Westminster Abbey in Londen uitgesproken door de regerende vorst om zieken te genezen.’

‘Hielp dat?’

‘Zeker. Het heeft vierhonderd jaar lang geholpen.’

‘O,’ zei de kapitein. Hij deed de kraag van zijn tuniek weer dicht. ‘Mag ik u iets aanbieden? Een glas wijn?’

‘Niet nodig. Je dankbaarheid is mijn beloning.’

Ironie was blijkbaar niet 's kapiteins sterke punt. ‘Vooruit dan maar,’ zei hij. ‘Ga dat ouwe mens maar begraven.’

Mordechai stond op. ‘Ben je daar weer?’ zei hij tegen het hondje, dat hem uitbundig verwelkomde toen hij van het vlondertje afstapte. Zijn totems voor zich uitdragend liep hij met de plechtige tred van de sjamaan naar de overwoekerde moestuin aan de voet van de windmolen. De Indianen hadden die als begraafplaats voor de oude squaw uitgekozen omdat er een hek omheen stond dat, misschien, de prairiewolven zou beletten haar op te graven als het konvooi vertrokken was. Toen hij aankwam was het graf al gedolven; het lijk, in een witte doek gewikkeld en bedekt met een zwarte lap, lag ernaast op de grond; een groep vrouwen zat er omheen gehurkt; mannen kwamen nooit naar een begrafenis of het moest die van hun moeder zijn. Hij zei tegen het hondje: ‘Af! Blijf!’ Hij deed het roestige hekje open en weer achter zich dicht. Het hondje, teleurgesteld, begon te janken.

Hij naderde de cirkel van de squaws. Zij zaten in de schemering gehurkt als uitwassen van de aarde, waaraan een van hen op het punt stond weer te worden toevertrouwd. Hij rammelde met zijn amuletten, hief het kruis op en maakte een gebaar van zegen. Toen hurkte hij op de plaats die ze voor hem hadden opengelaten, naast Lydia, tegenover het graf, en hij galmde: ‘Vrienden, wij zijn hier verzameld om toe te vertrouwen aan het stof vanwaar zij gekomen is onze Vriendin...’

‘Anhinga,’ fluisterde Lydia.

‘Anhinga. Voor wij haar ziel vaarwel wensen op zijn grote reis naar ons eeuwig tehuis, laat ons de Grote Geest oproepen, de Vader van ons allen, in stille samenkomst.’

Bij vorige gelegenheden, toen hij net als nu in een kring van squaws had gezeten voor een begrafenis, had hij de Tegenwoordigheid ervaren. Dit keer kon hij zich niet van zijn omgeving losmaken. Er was iets dreigends in de bloedrode zonsondergang, de primitieve schepsels die om de kuil geschaard zaten. Misschien kwam het door het klepperen van de molen bij ieder vleugje wind. In de verte begon de eerste prairiewolf zijn langgerekt weemoedig gehuil; in het hoge gras twitterde en tsjilpte de zwerm trek-

[p. 275]

vogeltjes die kort tevoren was neergestreken, een wolk van duizenden, die zich nu ritselend en sjirpend gereedmaakte voor de nacht. Londen, Philadelphia, zelfs Pendle Hill leek een wereld van hem verwijderd. In die wereld van vroeger zou zijn liefde voor het meisje dat naast hem zat als zondig zijn beschouwd; hier in het wuivende gras met de ritselende vogeltjes, luisterend naar de prairiewolf die huilde tegen de maan, leek zijn liefde deel te zijn van de natuur, van de wolken, de ondergaande zon, de rijzende maan, de wind over de prairie.

Hij werd zich ervan bewust dat iemand naar hem zat te staren. Hij keek op en zag het hondje, kopje opzij, door het hek naar hem gluren. Toen het zag dat hij het gezien had, begon het hoopvol te kwispelstaarten. ‘Ksst,’ fluisterde hij. ‘Af!’ Maar het hondje gaf een schel kefje dat een antwoord ontlokte aan een ander dier, vlak bij het graf. ‘Kefkef! Kef kef kef!’ blafte het hondje; het andere dier antwoordde met een hoog gekrijt. Hij besefte dat het geen dier was, maar een zuigeling. Het zwarte hoopje aan de voeten van het lijk was hem niet opgevallen toen hij ging zitten; nu begreep hij dat het de baby was die de oude vrouw op haar rug gedragen had.

Hoe barbaars, om het kind daar neer te zetten! Ze waren toch niet van plan het met het lijk te begraven? Het bleef krijten; hij fluisterde tegen Lydia: ‘Doe wat aan dat kind!’ Zij stond op en liep naar het graf. Toen ze het mandje oppikte gebeurde er iets onverwachts: opeens begonnen alle vrouwen in de cirkel te kirren, te kwelen, een vreemd, voorhistorisch gezang, dat rouw of smart scheen uit te drukken. Hun gekir nam in kracht toe terwijl Lydia naar haar plaats terugliep met het kind in haar armen en ging zitten; toen stond de vrouw van het opperhoofd op. Het geheimzinnige gekweel verdubbelde in kracht; de squaws begonnen in de handen te klappen. Hun applaus maakte duidelijk wat er gebeurd was: Lydia had het kind, door het op te nemen, geadopteerd.

Hoe kwam ze daar in vredesnaam onderuit? Hij zag haar verward om zich heen kijken terwijl de betekenis van het applaus tot haar doordrong. Maar in plaats van schrik zag hij een blijde verrassing dagen op haar gezicht.

 

***

 

Toen Anhinga stierf had Lydia zich afgevraagd wie de zorg voor de zuigeling op zich zou nemen die de oude squaw met zich meegetorst had. Nu, omringd door de applaudisserende vrouwen, drong het tot haar door dat zij dit zelf gedaan had. ‘Maar hoe kan dat?’ vroeg ze zich af. ‘Ik ben niet getrouwd!’

Ze kreeg de tijd niet zich te bedenken. De squaws begonnen haar aan te raken; dit was, had ze ontdekt, een teken van genegenheid. De vrouw van het opperhoofd nam haar bij de arm en troonde haar weer mee naar de wigwam. Het kindje krijste wanhopig in haar armen, doodsbang zonder de

[p. 276]

oude vrouw die het, wie weet hoe lang, had verzorgd. Van dichtbij bleek het een lelijk kind, met een grote rode mond en kleine verfrommelde vuistjes waarmee het wild zwaaide. Ze wist niet of het een jongen of een meisje was.

In de wigwam werd ze weer op de stapel huiden neergezet; de squaws hurkten om haar heen. Het moesten er op zijn minst dertig zijn, meer konden zich niet naar binnen persen; de rest bleef buiten staan. Het was een gekwetter van jewelste; de arme zuigeling werd er radeloos van. Toen zij het kindje op het voorhoofd kuste en tegen zich aandrukte om het gerust te stellen zuchtten de squaws: ‘Aaah!’ De vrouw van het opperhoofd verscheen met een schaaltje in de hand; de overeenkomst met haar vorige bezoek was zo geruststellend dat Lydia niet voorbereid was op wat er gebeurde: twee vrouwen stonden op, één nam haar het kind af, de andere begon haar leren jak over haar hoofd te trekken. Zij stribbelde tegen; het kind krijste, krijste; maar de vrouw was sterker dan zij, en daar zat ze: met ontbloot bovenlijf te midden van de gefascineerde menigte. De vrouw van het opperhoofd doopte twee vingers in het schaaltje en begon zalf op de tepel van haar linkerborst te smeren. Ondertussen waren ze bezig ook het kind uit te kleden; toen de vrouw van het opperhoofd het haar teruggaf zag ze dat het een jongetje was.

Het gevoel van het naakte lijfje van het kind tegen het hare maakte het opeens de natuurlijkste zaak van de wereld dat ze met een baby in de armen zat waarvan ze tien minuten geleden nog niet eens het gezichtje gezien had. Het kind scheen er net zo over te denken, want het gekrijs hield op, en het begon met zijn mondje naar haar linkerborst te zoeken. Toen het die beet had, begon het hard te zuigen, persend met zijn knuistjes. De squaws klapten weer in hun handen.

De hulpeloosheid van het kind, zijn hartbrekende kwetsbaarheid, namen haar laatste twijfel weg. Er was niemand anders in de wereld bij wie dit jongetje bescherming kon vinden. Ze keek omlaag op de zwarte pluk haar, de knuistjes die haar borst masseerden, en werd er week van.

Opeens nam de vrouw van het opperhoofd het kind weer weg. Hij zette een keel op van jewelste; Lydia wilde hem vasthouden; maar de vrouw stond erop dat zij haar jak weer aantrok. Zodra ze dat gedaan had kreeg ze het kind terug; ze stopte het spartelende lijfje in haar leren hemd, zoals ze het andere squaws had zien doen. De vrouw van het opperhoofd maakte haar borst weer bloot en zalfde die opnieuw; het jongetje begon hongerig te zuigen. Zij werd overeind geholpen en naar de deur geleid; zelfs toen ze zich bukte om naar buiten te gaan liet het zuigende kind niet los.

Buiten had zich een grote menigte verzameld, gelukkig allemaal vrouwen. Zij voelde zich verlegen en liep, zo snel als ze kon zonder het kind aan het schrikken te maken, naar hun sheltertje, vergezeld door kakelende squaws als door een koppel ganzen. Ze zag Mordechai Monk, op zijn hurken naast het kampvuur, met open mond naar haar staren; vóór ze kon

[p. 277]

uitleggen wat er gebeurd was sprong hij overeind en nam de benen, de schedel met horens met beide handen vasthoudend. Ze ging zitten, en fluisterde tegen het kind: ‘Nou, we hebben hem wat je noemt de stuipen op het lijf gejaagd, de stakker!’

Eigenlijk had ze nog altijd het gevoel alsof het een avontuur was; pas bij het vuur, alleen met het kind, begon ze ten volle te beseffen wat ze zich op de hals had gehaald. Het warme lijfje lag dicht tegen haar aan, de hongerige mond had haar borst losgelaten, het kind sliep, zijn eenzaamheid uitgebannen, zijn honger naar geborgenheid gestild. Maar hoe stond het met zijn werkelijke honger? Wat kon ze hem te eten geven, nu de zalf van de vrouw van het opperhoofd hem tot bedaren had gebracht? Enfin, dat zouden de squaws haar wel vertellen.

Opeens schokte het jongetje weer wakker en begon te wriemelen in het warme holletje van haar jak; zijn mond begon haar borst weer te zoeken. Zij doopte twee vingers in het schaaltje dat de vrouw van het opperhoofd bij haar had neergezet, smeerde haar andere borst in, draaide het kindje om; onmiddellijk sloot de mond zich weer over haar tepel en begonnen de sterke knuistj es haar borst te kneden. Hij zoog zo hard dat het zeer deed, maar toch vervulde het haar met een gevoel van welbehagen. Ze boog zich over het kindje heen en drukte het aan haar hart. Het zoog en smakte, haar ogen schoten vol tranen; het vuur veranderde in een verbrijzelde regenboog, een caleidoscoop van kleuren. Opeens beleefde zij een opperste vervoering, een euforisch ogenblik van pure liefde. Toen zij weer tot zichzelf kwam was het kindje ingeslapen. Zij knuffelde het; op de een of andere manier had dat extatische ogenblik hen dichter bij elkaar gebracht, het leek nu alsof het lichaampje in haar armen niet het kind van een ander was, maar het hare. Zij bedekte het losjes met haar jak en drukte het snoetje met de natte open lippen tegen haar borst.

Het ogenblik van vervoering maakte haar een beetje ongerust. Er kon geen twijfel aan bestaan: het was een ogenblik van vleselijke vervoering geweest, en dat gaf het een vaag zondig aspect. Maar toen ze weer naar het slapende gezichtje gluurde verzette alles wat vrouwelijk in haar was zich tegen het idee dat haar belevenis iets met zonde te maken zou hebben gehad. Zonde was destructief, en het was een ogenblik geweest van zuivere liefde, bijna van goddelijkheid.

Het was nooit eerder bij haar opgekomen dat een sensuele ervaring ook goddelijk zou kunnen zijn. Terwijl ze neerkeek op het slapende kind kwam voor het eerst de gedachte bij haar op dat lichamelijke liefde tussen man en vrouw, of tussen moeder en kind, iets te maken kon hebben met de oneindige oceaan van licht en liefde. Misschien was het alleen maar omdat ze tijdens samenkomst net zo stil zat als nu, maar terwijl ze het jongetje beschermend tegen zich aandrukte had ze opeens het gevoel van de Tegenwoordigheid, Kon het zijn dat alle liefde in wezen dezelfde was, die voor God, een man of een baby? Maar ze hield nog niet van hem, dat kon niet,

[p. 278]

ze had hem pas gekregen. Ze opende haar jak en gluurde weer naar het slapende wezentje dat aan haar borst lag. Hoe zou ze hem noemen? Abner?

 

***

 

Mordechai Monk stond te gluren in de duisternis achter het vuur. Daar zat ze, met dat Indianenjong tegen zich aangedrukt! Hoe kwamen die dwaze mensen erbij om haar, steedse juffer die nergens van af wist, een zuigeling op te dringen? Wat een onzin, dat mormel aan haar borst te leggen alsof ze een natte min was! Wat kocht dat kind ervoor, behalve het plezier?

Toen pas drong het tot hem door dat zijn reactie niet altruïstisch was. Hij was, tot een uur geleden, de enige man voor haar geweest in deze oerwereld. Zoals hij aan het begin van de reis voorzien had was hun verhouding steeds meer verinnigd. Hij dacht dat hij de laatste dagen iets in haar ogen gezien had wanneer ze naar hem keek, iets afwezigs, wat hem deed concluderen dat ze zich voor hem als man begon te interesseren. Op zijn terloopse mededeling dat hij haar liefhad had zij gereageerd door op te springen en weg te hollen; ze had niet gezegd: ‘Ik hou ook van jou, Mordechai,’ zoals in zijn dagdromen, maar je kon niet verwachten, op je negenenzestigste, dat een jong ding van nog geen dertig zich zwijmelend tegen je aan zou vlijen. Hij zou ervoor moeten werken, maar het was niet langer de hersenschim van een aftandse grijsaard.

Nu, binnen het bestek van enkele minuten, was hij zo grondig gewipt alsof ze een deur voor zijn neus had dichtgeslagen. Een Indiaans mormel had zich meester gemaakt van de maagdelijke borsten waar hij van had gedroomd vanaf de eerste keer dat hij haar zag. Hij voelde de jammerlijke opwelling het speenvarken bij het nekvel te pakken en uit het nest te slingeren. Maar toen het vuur begon te doven en zij leek in te dutten met het slapende kind onder haar jak kwam hij voldoende tot zichzelf om te beseffen dat het niet de zuigeling was die hem de voet had dwars gezet, noch de dwaze maagd, maar God. Hij besloot Hem ter verantwoording te roepen, het met Hem uit te spreken zonder er doekjes om te winden. Net als Mozes en David, oog in oog met de Almachtige, zou hij Hem vragen wat dit te betekenen had.

De enige plek waar hij ongestoord kon bidden, zonder lastig gevallen te worden door rondwarende oude vrouwen die niet slapen konden en iedere nacht onrustig maakten, was in de verwilderde moestuin waar ze de squaw hadden begraven. Als hij een toorts meenam om op het graf te plaatsen en er overheen zwaaide met zijn amuletten, zouden ze aannemen dat hij bezig was haar eeuwige zielerust te verzekeren en ze zouden hem niet storen.

Hij vond een groep squaws bij het hekje; zij maakten ruimte om hem

[p. 279]

door te laten. Hij opende het en sloot het nadrukkelijk achter zich; misschien legde hij het er een beetje dik op, maar hij zong, terwijl hij met afgemeten passen naar het graf schreed: ‘Stille rustplaats van Gods doden! 'k Denk aan u met zoete vreugd!’ Toen hij de toorts in de grafheuvel wilde planten ontdekte hij dat die bedekt was met de zwarte doek; toen hij de doek wilde verwijderen zag hij dat het zijn pandjesjas was, die ze over het graf gespreid hadden, blijkbaar omdat het de kostbaarste bezitting van de overledene was geweest. Het vinden van zijn jas op dat ogenblik versterkte het gevoel dat God hem een poets had gebakken. Toen hoorde hij gekef bij het hek, keek om en zag het hondje naast de gehurkte gedaanten door het hek gluren. Iets in het beeld kwam hem bekend voor - toen besefte hij wat God in Zijn schild gevoerd had.

De tuin, de slapende gedaanten achter het hek, het hondje dat op zijn terugkeer wachtte - zo had hij het, met overtuigend realisme, beschreven in al die preken van Philadelphia tot Pendle Hill. Als hij hier in de prairie tegenover een gemeente had gestaan zou hij deze attributen gebruikt hebben: het geklepper van de windmolen in de nacht, het gehuil van een verre prairiewolf, de slapende gedaanten bij het hek, alleen het hondje wakker, hunkerend naar de terugkeer van zijn Baas.

Wat was Gods opzet om hem op dit ogenblik te confronteren met de toneelattributen uit zijn preken, die de Blijde Boodschap hadden veranderd in een eenmansopera? Hij had het af en toe te bont gemaakt in zijn oprechte poging om de mensen tot Jezus te brengen, maar was die pekelzonde deze massieve interventie van de Almachtige waardig? Dat zou de Majesteit Gods vernederen, te veronderstellen dat Hij Zijn tijd zoekbracht met het mat zetten van oude schelmen. Dat zou inhouden dat hij alleen maar onder de Indianen was gezonden, sjamaan geworden, stervende kinderen had doen herleven en negenogen genezen om vanavond in het Goddelijk ootje genomen te worden. Dat was een belediging van de adembenemende glorie des Heren.

Maar wat kón Gods bedoeling zijn? Moest hij hieruit soms een bepaalde conclusie trekken? Een openbaring deelachtig worden? Welke zin school er achter deze overeenkomst van de werkelijkheid met zijn preken over Jezus in Gethsémané?

Hij hief het hoofd op en staarde naar de hemel. Dunne wolken joegen langs de maan. De wind deed de molen klepperen.

‘O, mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan...’

Hij fluisterde de woorden zonder erbij na te denken; opeens leek het alsof ergens een deur openging. Hij vroeg: ‘Welke beker, God? Wat gaat er met me gebeuren?’ Het leek of hij een glimp opving van de toekomst. Zou er van hem gevraagd worden zijn kruis op zich te nemen en Hem te volgen, de weg naar Golgotha zelf af te strompelen, om aldaar als daad van verzoening gekruisigd te worden? Bij dat besef laaide plotseling de

[p. 280]

Tegenwoordigheid rondom hem op, als vuur.

Maar net als Mozes, toen die het brandende braambos ontwaarde, kon hij de werkelijkheid Gods niet onder ogen zien. Hij trachtte in een gebed te vluchten; in plaats daarvan zonk hij terug in de afgeleefde dagdroom over Lydia en hemzelf, mei en december. Wat deed het ertoe dat zij nu een kind had? Misschien was het een gunstige ontwikkeling: iemand met haar achtergrond zou het kind pas werkelijk bij zich kunnen houden als ze het ook een vader geven kon. Nog een paar weken, dan zou het nieuwtje eraf zijn; dan kon hij, misschien tijdens: samenkomst, haar hand nemen en langs zijn neus weg vragen: ‘Lydia, waarom trouwen wij niet, op de wijze van de Vrienden, om der wille van het arme schaapje?’

Viezerd, dacht hij. Geniepige oude viezerd! Wat zit je nu weer te bekokstoven? Maar hij dacht het vriendelijk, met begrip. Zoals God over hem denken zou als Die hem zo zag zitten: met horens op zijn hoofd, bij flakkerend toortslicht, rammelend met een staak met amuletten, ver, ver van huis.

terug  begin  verder