De karavaan van huifkarren stond opgesteld op het schoolplein: zeventien wagens, elk getrokken door een span van vier muilezels, met twee reservemuilezels erachter. Het plein wemelde van de mannen, vrouwen en kinderen die afscheid kwamen nemen van verwanten en vrienden, misschien voorgoed. Het ongeorganiseerde gebied binnen te trekken om een nieuwe nederzetting te beginnen was een riskante onderneming, en het zou zeker een half jaar duren voor er een postverbinding tot stand kwam met hen die achterbleven.
Uria Martin stond toe te kijken achter het raam van Abners studeerkamer; zijn gezicht glom van zweet. Hij trachtte Will te vinden onder de krioelende mensen daarbeneden; hij had nooit eerder beseft hoe hij aan zijn mismaakte broertje gehecht was. Ze hadden elkaar hun leven lang gekend, vaak ruzie gemaakt, maar ze waren nooit eerder gescheiden geweest. Uria had een intense behoefte aan veiligheid; die werd van hem weggenomen nu kleine Will op het punt stond te vertrekken, het was alsof een deel van hemzelf werd losgemaakt. Toen hij de koetsiers op de bok zag klimmen kreeg hij het te kwaad. Hij móést met Will mee, het leven zonder hem leek onmogelijk. Wie zou zijn zwakheden verdoezelen? Wie kon hij in ogenblikken van besluiteloosheid om raad vragen? Wie zou hem opbeuren en weer zelfvertrouwen geven nadat de jongens hem weer eens geplaagd hadden? Will, Will! Hij opende het raam, ook al wist hij dat de koude herfstlucht gevaarlijk was voor zijn delicate constitutie. ‘Will!’ riep hij, met een hoge stem, ‘Will! Will!’ Maar er was zo'n herrie op het plein dat Will hem niet hoorde. Hij zou er zelf heen moeten gaan! Toen sloot iemand die achter hem stond het raam.
Het was Saraetta. Zij stond glimlachend in het winterse licht. Haar glimlach maakte dat hij zich een beetje beter voelde, minder eenzaam en berooid. Hij wilde nog steeds naar Will, maar Saraetta ging op haar tenen staan en kuste zijn kin, hoger kon zij niet reiken. Toen nam zij zijn hand en zei: ‘Kom 's ... ik heb wat voor je.’
Hij wist niet wat zij in haar schild voerde, hij vertrouwde haar niet. Toch liet hij zich meetronen, de gang af, de trap af, naar de keuken. Er was niemand; Penny Higgins was op het voorplein. Saraetta trok hem mee naar het fornuis, deed de deur van een van de ovens open en zei: ‘Ruik 's!’
Hij boog zich voorover en zag een taart staan, piepklein, voor niet meer dan zes kinderen. Hij rook de verrukkelijke geur van appelgebak.
‘Voor jou, Uria, helemaal voor jou!’ Ze deed de oven weer dicht en stak haar arm door de zijne. ‘Nu zijn alleen jij en ik nog over van onze familie: wij tweetjes.’ Zij haalde een brokje kandij uit de zak van haar schort. ‘Mond open!’ zei ze.
Hij gehoorzaamde en liet haar het snoepgoed in zijn mond stoppen, maar er was iets in haar ogen wat hij niet vertrouwde. Zij drukte zijn arm innig tegen zich aan en zei: ‘Kom, we gaan kijken hoe ze weggaan. Samen. Van nu af aan doen we alles samen.’
Zij leidde hem de trappen op naar de eerste verdieping, de gang af, terug naar de studeerkamer. Toen ze de deur opendeed zagen ze Abner voor het raam staan. ‘O,’ zei ze. ‘Wij gaan even naar onze woning, liefste. Kom je bij ons zodra je kunt?’
Zonder op zijn antwoord te wachten sloot ze de deur en leidde Uria naar de zitkamer, die ook uitkeek op het voorplein.
Daar, achter de glasgordijntjes, zagen zij kleine Will vertrekken. Uria zoog op zijn kandij, de pendule tikte, de kanarie trillerde in zijn kooitje.
‘O, wat zullen wij het gezellig hebben!’ zei Saraetta.
Beneden, op de bok van de zevende wagen, zat kleine Will, zijn voetjes van de vloer. Uria staarde naar hem tot hij hem niet meer zien kon van de tranen.
***
Toen Abner Saraetta in de deuropening had zien verschijnen met Uria wist hij onmiddellijk wat ze in haar schild voerde. Het was hem de afgelopen dagen opgevallen hoe zij haar dikke broer met argusogen in de gaten hield. Vóór de nacht waarin Sara en hij herenigd waren geworden zou hij bedroefd zijn geweest over de manier waarop zij haar broer strikte; maar sindsdien had hij leren begrijpen wat haar dreef: zij zocht wanhopig naar een plaatsvervanger voor Vestal aan wie zij haar opgekropte moederliefde kwijt zou kunnen. Hij vroeg zich af wat zijn eigen toekomst inhield; het baantje van stalknecht zou voorlopig alles zijn wat de ketterjagers bereid waren hem te gunnen. Natuurlijk zou hij Saraetta adviseren, die niet opgewassen was tegen de taak van directrice, maar hoe lang zou het duren voor het schoolbestuur erachter kwam dat hij de grijze eminentie was achter Saraetta?
Terwijl hij stond te kijken naar de verwanten en buren die elkaar voor het laatst omhelsden op het voorplein, viel hij ten prooi aan melancholie. Een ogenblik dacht hij erover naar zijn woning te hollen, Sara bij de hand te nemen en mee te slepen, het voorplein op, om de laatste karavaan naar de vrijheid niet te missen, voor het hek voorgoed werd gesloten. Maar hij wist dat Sara zich zou verzetten, en ze had gelijk: zij was te zwak, te teer voor de ontberingen van de tocht. Bovendien had hij afstand gedaan van dat visioen van het beloofde land toen hij besloten had de rest van
zijn leven aan zijn vrouw te wijden. Iedereen had een taak in zijn leven; de zijne was om de gevangenisstraf met zijn vrouw te delen, aan wie hij in de tegenwoordigheid Gods beloofd had een trouwe en liefhebbende echtgenoot te zullen zijn tot de dood hen scheidde.
Er werd op de deur geklopt.
‘Ja!’
Himsha Woodhouse kwam binnen. ‘Meester Abner,’ zei ze met gespannen stem, ‘ik heb een roeping.’
‘En wat is die, Himsha?’
‘Ik wil met de expeditie mee. Niet vanwege mezelf, maar vanwege hen. Die mensen hebben er geen notie van hoe de Indianen werkelijk zijn! Zij zullen nooit, nooit het vertrouwen van de Shawnees kunnen winnen, tenzij ik met ze meega.’
‘Maar jij bent toch een Huni, Himsha?’
Ze keek naar hem met haar zwarte ogen, ondoorgrondelijk als die van een wilde coyote. ‘Zelfs de Shawnees weten dat ik een godin ben,’ antwoordde zij.
Er klonk een diepe minachting voor de Shawnees in haar stem; hij besefte plotseling dat hij tegenover een wereld stond die hem volkomen onbekend was, een oerwereld vol wreedheid, bijgeloof en vrees. Het was alsof hij een glimp opving van de menselijke wildernis die de anderen, beneden, op het punt stonden binnen te trekken. ‘Het spijt me, Himsha,’ zei hij. ‘Je bent minderjarig, en ik ben verantwoordelijk voor je. Ik kan het niet toestaan.’
Voor zij hem van repliek had kunnen dienen werd er opnieuw geklopt; Obadja Woodhouse verscheen in de deuropening. Zonder een woord draaide het meisje zich om en liep de kamer uit.
‘Neem me niet kwalijk...’ zei Obadja. ‘Ik kom even goeiendag zeggen.’
Nóg een echtgenoot wiens toekomst beslist was door zijn vrouw. ‘Ik vind het verdrietig om je te zien vertrekken, Vriend Obadja,’ zei hij.
‘Ik ben er ook niet zo gelukkig mee,’ bekende de ander, maar voegde er haastig aan toe: ‘In zeker opzicht dan. In ander opzicht ben ik ervan overtuigd dat dit de juiste oplossing is.’
‘O, zeker,’ antwoordde Abner hulpvaardig. ‘Maar je zult je moeten aanpassen. Jij en ik zijn geen stoere woudlopers.’
‘Niet bepaald.’
Abner keek naar het fijnbesneden gezicht, de smalle handen. ‘Vaarwel Obadja,’ zei hij, hem de hand reikend, ‘God zij met je.’
Nadat Obadja vertrokken was ging Abner naar zijn woning en voegde zich bij Sara en Uria, die achter de vitrages naar de karavaan stonden te kijken. De koetsiers zaten op hun bokken. Het escorte van ruiters had zich opgesteld aan de kop van de stoet.
***
Bonny zag dadelijk dat Himsha bot had gevangen toen ze terugkwam en zich weer bij hen voegde in het zolderraam, waar Charles Delatour en hij omlaag stonden te gluren naar de speelgoedwagentjes en de krioelende mieren in de diepte.
Charles vroeg: ‘En? Wat zei hij?’
Zij liet een wind met haar lippen, maakte ruimte tussen hen met haar ellebogen en ging op de vensterbank leunen met de kin in de handen.
‘Zei hij erbij waarom niet?’ vroeg Bonny.
‘Natuurlijk niet. Hij is een schijtlaars.’ Na een ogenblik voegde ze eraan toe: ‘Maar de dag zal komen dat hij er spijt van zal hebben als haren op zijn hoofd, dat weet ik zeker.’
‘Wat een onzin,’ zei Charles schamper. ‘Hoe kun je dat nou weten?’
Bonny kende haar voldoende om te voelen dat het uitkijken was geblazen; maar Charles had het niet in de gaten, die kende haar niet zo goed als hij.
Zij antwoordde, met een kalmte die niet veel goeds voorspelde: ‘Ik weet die dingen omdat ik toevallig een godin ben. Goden zijn helderziend.’
Charles' mond viel open. ‘Ha!’ schaterde hij. ‘En wat, madame la déesse, ziet gij in mijn toekomst?’
‘Niet veel zaaks,’ antwoordde Himsha, nu zo laconiek dat Bonny zijn hand op de hare legde. ‘Er komt oorlog,’ ging ze verder, ‘jij gaat een uniform dragen en op een paard zitten en je raakt gewond en wint een medaille en je zult de rest van je leven hinken, en er nog prat op gaan ook.’
‘Wat, geen meisjes?’ vroeg Charles.
‘Nee,’ antwoordde zij onverschillig. ‘Je blijft alleen, in een groot huis, tot je ouwedag.’
‘Charmant,’ mompelde Charles, onder de indruk tegen wil en dank. ‘En Bonny?’
‘Hij en ik gaan trouwen. Hij zal weigeren om te vechten in die oorlog en daarom komt hij in de gevangenis terecht.’
‘Tjonge,’ schamperde Charles, ‘geef mij dan maar dat grote huis, met of zonder meisjes.’
‘Natuurlijk,’ zei Himsha minachtend. ‘Je krijgt die dingen omdat je ze hebben wilt.’
‘En hij, wat krijgt hij? Een stralenkrans? Of mag ik daar soms niet over praten?’
‘Nee,’ zei ze.
Bonny was al lang niet meer onder de indruk van haar spookverhalen, ze was er gek op om mensen de stuipen op het lijf te jagen met een gezicht van ouwe lappen. Maar de ware Himsha was anders, lief, erg alleen.
‘Als je het met alle geweld weten wilt,’ zei ze, ‘voor kinderen wordt het
een nare tijd. Niet alleen voor de onze: alle kinderen. Die van Meester Obadja en Juffrouw Charity, van Meester Abner en Juffrouw Saraetta...’
Onwillekeurig vroeg Bonny: ‘Abner en Saraetta? Maar hun dochtertje...’
‘Ze krijgen nog een kind,’ zei Himsha, die nu recht voor zich uit staarde alsof ze het voor haar ogen zag gebeuren, ‘ze...’
Zij werd afgeleid door het rumoer van de menigte beneden. Het ruiterescorte was in beweging gekomen en dribbelde op schichtige paarden de oprijlaan af naar het hek. Eén voor één zetten de logge huifkarren zich in beweging. Terwijl zij de oprijlaan inreden, wuifde iedereen en riep: ‘Daag, daaag!’ Het klonk opgewekt, maar het deed Bonny pas goed beseffen dat zij deze mensen misschien nooit meer te zien zouden krijgen.
Het gejuich werd schel met het gegil van kinderen, die mee gingen hollen met de wagens. Toen begon iemand beneden met een basstem te zingen: ‘Dat 's Heren zegen op u daal’. De eenzame stem trok anderen aan, het werd een koor. Bonny besefte dat hij getuige was van een historisch ogenblik.
‘Zijn licht uit Zion u bestraal...’
Het koor bleef zingen tot de laatste huifkar uit het gezicht was verdwenen.