Pierrelouchant werd een teleurstelling voor Lydia. Zij had een dorp verwacht, met huizen, straten, een kerkje, in ieder geval minstens een fort; ze had zich erop verheugd om, na drieënzestig dagen als Shawnee-squaw, weer eens blanke mensen te zien.
Maar Pierrelouchant bleek niet meer dan een stoppelveld te zijn, bezaaid met de wrakken van huifkarren. Geen huis, zelfs geen schuurtje; het enige dat in deze onherbergzame verlatenheid door mensen was gemaakt, was een primitieve steiger aan de oever van de brede rivier. Gemeerd aan die steiger lag de stoomboot die hen naar Kansas zou vervoeren.
Het schip zag er onguur uit. Ze had zich een driedekker voorgesteld, zoals ze die in de krant had gezien, met versierde raderkasten; het vervallen lompe ding dat op hen lag te wachten had maar één dek, met een vierkante bovenbouw zonder ramen of patrijspoorten; de rest van het dek was open. Boven op de bovenbouw stond een schoorsteen met een hutje ervoor dat, veronderstelde zij, het stuurhuis moest zijn. Er waren geen raderkasten, maar één groot rad, helemaal achteraan; de versplinterde bladen hingen vol met algen en afval. De bemanning was ook niet geruststellend: een troep angstaanjagende kerels die, over de reling geleund, naar de squaws stonden te loeren en elkaar dingen toeriepen waar ze van bloosde. Behalve die kerels was er niemand te bekennen, noch op het schip, noch aan de wal. Het was een vorstige dag met een koude, strakke hemel; iedereen liep te bibberen. De rivier blonk in het lage zonlicht als tin; het landschap was onherbergzaam en troosteloos.
Terwijl Lydia bezig was de huiverende kinderen in groepjes te verdelen, klampte de negerbediende haar aan met de boodschap dat de kapitein haar dringend moest spreken. Het ergerde haar dat de man die gedurende drieënzestig dagen de alleenheerser van haar wereld was geweest, haar op het nippertje nog even naar zijn pijpen wilde laten dansen, maar ze volgde gehoorzaam de negerbediende door de menigte Indianen, die bezig waren hun wagentjes af te laden en hun paarden uit te spannen voor ze zich in zouden schepen naar de toekomst.
Ze trof de kapitein aan op de galerij van zijn commandotent, die opgeslagen was op een heuvel, met uitzicht op de rivier. Hij had zich voor de gelegenheid in een parade-uniform gestoken, met witte vangsnoeren en gouden krullen op de mouwen. Hij stond op om haar te verwelkomen.
‘Ga zitten, juffrouw Best.’ Hij wees op de stoel aan de andere kant van
de tafel. ‘U en ik moeten eens ernstig met elkaar praten. Wat mag ik u aanbieden? Thee? Koffie?’
‘Dank je, Vriend Stewart, op het ogenblik liever niets.’ Zij zwaaide het mandje met de kleine Abner met een geroutineerd gebaar van haar rug en legde hem op haar schoot.
‘Misschien iets voor het kind?’ vroeg de kapitein. ‘Een kopje chocola?’
De baby was, zoals altijd, onmiddellijk na de maaltijd in slaap gevallen en zou niet wakker worden voor de honger hem wekte, tegen zonsondergang. ‘Dank je. Waarom wilde je me spreken?’
Voor een man die zo martiaal was uitgedost leek hij onzeker van zichzelf. ‘Juffrouw Best, ik weet dat wat ik ga zeggen u een beetje, hoe zal ik het zeggen, koud op uw dak zal vallen, maar laat ik de koe bij de horens grijpen en - eh...’ Hij wendde de ogen af.
‘En?’
Hij keek haar aan, de baard vooruitgestoken. ‘Ik heb de eer u om uw hand te verzoeken.’
‘Mijn - mijn hand?’
‘Ten huwelijk.’
Zijn verlegenheid was zo duidelijk, niettegenstaande zijn krijgshaftige toon, dat ze iets moest zeggen. ‘Ik ben, natuurlijk, bijzonder vereerd...’ De manier waarop hij haar aankeek deed haar er haastig aan toevoegen: ‘maar ik moet tot mijn spijt nee zeggen.’
‘Mag ik vragen waarom?’
‘Omdat ik op mij genomen heb bij deze mensen te blijven.’
‘Onzin!’ zei hij bruusk. ‘Kijk eens naar het rapalje daar op dat schip! Kijk! Dat is het soort mannen dat op u staat te wachten wanneer u in Kansas aankomt! En daar is geen Cavalerie om u te beschermen.’
‘Dat weet ik,’ zei ze rustig, ‘maar -’
‘Kijk naar die kerels, juffrouw Best. Kijk nou eens! Ze staan zich gewoon de lippen af te likken! Vergist u zich niet: voor hen bent u niet meer dan een squaw. Voor mij bent u een - een dame. Een Christin. De enige waarachtige Christin die ik ooit ben tegengekomen.’
Hij leek te goeder trouw. Ze vermoedde dat hij het parade-uniform speciaal voor haar had aangetrokken; hij had er zelfs een paar witte handschoenen bij, al waren ze in zijn riem gestoken. ‘Dank je voor het compliment, Vriend,’ zei ze, ‘maar je idealiseert me.’
‘Waar ziet u me voor aan?’ Hij begon kwaad te worden. ‘Ik ben niet een van uw flikflooiende stadsvriendjes! Het is niet mijn gewoonte om iedere vrouw die ik tegenkom ten huwelijk te vragen! U bent de eerste persoon die ik om haar hand vraag!’
Zij kwam tot de slotsom dat haar getuigenis het goddelijke in hem had opgewekt. ‘Ik ben diep getroffen, Vriend,’ zei ze, ‘maar ik kan je aanbod niet aannemen. Ik moet mij aan deze mensen wijden, want dat verlangt God van mij.’
‘Juffrouw Best, het wil er bij mij niet in dat God van iemand zou verlangen dat zij zich blootstelt aan verkrachting en moord. Hoe kunt u die Indianen helpen als u waarschijnlijk aan boord van het schip al wordt gegrepen? Kom tot uzelf! U hebt genoeg gedaan. Ga met mij mee, terug naar de bewoonde wereld, naar Washington. Daar kunt u méér doen voor de Indianen dan in Kansas, gelooft u me.’
Zij stond op en zwaaide het mandje met de kleine Abner weer op haar rug. De kapitein keek toe met een nors gezicht; ze moest iets erkentelijks zeggen. ‘Onder normale omstandigheden zou ik er ernstig over gedacht hebben, Vriend. Maar ik kan helaas niet anders; ik ga mee met dit konvooi.’
Hij was er de man niet naar om nog verder aan te dringen. ‘Als ik u niet tegen kan houden, juffrouw Best, trekt u dan in ieder geval die Indianenkleren uit en doe uw eigen jurk aan, voor u aan boord gaat.’
‘Maar die is helemaal verkreukeld!’
‘Ga aan boord als een Quakeres, niet als een Indiaanse squaw. Het is uw enige bescherming.’
‘Maar - maar mijn zoontje dan?’ Toen ze dat zei werd haar eerst recht duidelijk hoe dwaas zijn aanzoek geweest was. Een man als hij zou nooit een Indiaan als zijn kind erkennen.
Het was alsof hij opnieuw haar gedachten geraden had. ‘Ik zou het als mijn plicht hebben beschouwd hem mijn naam te geven,’ zei hij.
Een ogenblik stonden zij zwijgend tegenover elkaar; toen zei ze: ‘Dank je, Vriend. Ik wilde dat je met ons mee kon gaan.’
Hij glimlachte wrang. ‘Wie had ooit kunnen denken dat de dag zou komen waarop ik uitgenodigd zou worden om verder te gaan met een konvooi?’
‘Vaarwel,’ zei ze, wendde zich om en stapte van het vlondertje.
Terwijl ze terugliep naar Mordechai door de zenuwachtige, onrustige Indianen, besloot ze de raad van de kapitein in de wind te slaan en haar identiteit als squaw te bewaren. Het was ten slotte alleen nadat zij één van hen was geworden dat zij in staat was geweest iets voor hen te doen, hoe weinig dan ook. Zijn waarschuwing was oprecht gemeend, daar twijfelde ze niet aan. Zij voelde, met een huivering, dat de loerende kerels op het dek van de stoomboot het speciaal op haar gemunt hadden met hun ge- ginnegap, net als destijds de drijvers. Zij werd ineens bang, zette het op een lopen en besloot die jurk dan toch maar aan te trekken.
***
Mordechai zag Lydia aan komen hollen na haar bezoek aan de kapitein; maar voor hij haar had kunnen vragen wat er aan de hand was werd hij zelf door de negerbediende aangesproken.
‘Kapitein Stewart verzoekt u onmiddellijk bij hem te komen, Dominee.’
‘Waar gaat het over?’ fluisterde hij tegen Lydia.
Ik weet niet waarom hij jou zien wil,’ antwoordde zij, buiten adem. ‘Hij heeft mij een aanzoek gedaan.’
‘Een wat?’
De neger zei, dringend: ‘Dominee,’ en wees naar de commandotent.
Mordechai vergezelde de man, het hondje achter zich aan. Toen hij tegenover de kapitein stond, die uitgedost was in een parade-uniform, was hij de schok nog steeds niet te boven.
‘Meneer Monk,’ begon de kapitein, ‘ik heb mijn best gedaan om juffrouw Best ervan terug te houden zich in te schepen. Ik wil de zaken niet zwarter voorstellen dan ze zijn, maar heeft u er enig idee van wat haar te wachten staat?’
‘Ach...’ begon hij.
‘Blijkbaar niet,’ zei de kapitein kortaf. ‘Laat ik u op de hoogte brengen. Kansas is een wetteloos niemandsland. Kolonisten die zich daar vestigen kunnen niet de regering of het leger te hulp roepen; iedereen kan er doen en laten wat hij wil tot hij iemand tegen het lijf loopt die sneller zijn pistool kan trekken dan hij. De Indianen zijn overgeleverd aan de genade of ongenade van wie er op hen staat te wachten als ze aankomen. Ik heb er rapporten over; de jakhalzen die op deze wilden loeren zijn erger dan de slavenhouders in het Zuiden. Ik heb in die rapporten gelezen dat de vrouwen onmiddellijk na aankomst verkracht worden door het schorem wat er staat, en daarna van de klip af in de rivier gesmeten. Ook al zouden die verhalen overdreven zijn, één ding staat als een paal boven water: de Volksvertegenwoordiging mag Kansas aan de Indianen hebben toegewezen, het blanke uitvaagsel dat er woont peinst er niet over. Op den duur zal Washington gedwongen zijn er de Cavalerie heen te sturen om de Indianen te beschermen, maar zover is het nog niet. Meneer Monk, u kunt met uw eigen leven doen wat u wilt, maar het is uw plicht juffrouw Best van zelfmoord te weerhouden. Ik heb mijn best gedaan haar te overtuigen, nu is het uw beurt.’
‘Ik vrees dat ik weinig invloed zal hebben,’ zei hij, verontrust door de kennelijke oprechtheid van de man. ‘Ik geloof niet dat iemand haar tot andere gedachten kan brengen wanneer ze eenmaal iets in haar hoofd heeft.’
De kapitein bekeek hem, van de schedel met horens tot de uitgetrapte mocassins. ‘Meneer Monk,’ zei hij, met ingehouden woede, ‘ik geloof dat het ogenblik gekomen is waarop ik u eens haarfijn moet vertellen wat ik van u denk.’
Mordechai voelde de huid van zijn kuiten verstrakken, net als na de eerste zweepslag, die nacht, toen het allemaal begonnen was.
‘Ik weet waarom u haar niet wilt overhalen,’ vervolgde de kapitein. ‘Wat mij betreft bent u geen zier beter dan de drijvers, die al deze weken achter haar aan hebben lopen kwijlen en haar gepikt zouden hebben in het
gras, als ze niet geweten hadden dat ze door mij persoonlijk zouden zijn neergeknald.’
‘Vriend, in Godsnaam...’
‘Als ik u was, zou ik God er maar buiten laten, meneer! U heeft uw lippen lopen aflikken over juffrouw Best vanaf de dag dat ik u voor het eerst onder ogen kreeg. Dat waren destijds mijn zaken niet...’
‘Dat zou ik hopen!’
‘Maar nu zijn het mijn zaken! Ik heb twee maanden lang de verantwoordelijkheid voor haar gedragen. Laat me u daarom vertellen, meneer: als u die vrouw aan boord van dat schip laat gaan, dan bent u een moordenaar! Het is uw plicht haar tegen te houden, haar met mij mee naar huis te sturen. En als u dat niet van zichzelf gedaan kunt krijgen, dan moet u beseffen waarom niet: omdat u haar hebben wilt, dood of levend.’
‘Waarde Vriend,’ zei hij, ‘je vergist je. Ze gaat met die Indianen mee, of ik erop aandring of niet. Ook al zou ik zelf niet meegaan, dat zou geen verschil maken. Zij - zij is in de kracht des Heren.’
De koude, blauwe ogen keken hem aan. ‘Goed. In dat geval is er één oplossing, maar of die haar beschermen zal is de vraag. Het is de laatste troef.’
‘Wat?’
‘U moet haar trouwen, voor zij voet aan boord zet.’
Mordechai staarde hem met open mond aan.
‘Jullie Quakers kunnen toch jezelf trouwen? Als zij met alle geweld aan boord wil gaan, laat haar dan duidelijk maken aan dat schoelje dat u een geestelijke bent en zij mevrouw Monk. Het zal ze er op den duur wel niet van weerhouden, maar ze zullen zich tenminste twee keer bedenken voor ze zich aan haar vergrijpen. Ik heb haar al gezegd dat ze haar Quaker-jurk moet aantrekken; ik zou u aanraden om dat bizonvel en die amuletten weg te gooien, en die schedel met horens, en uw geklede jas weer aan te doen.’ Hij trok zijn handschoenen uit zijn riem en ging ze aantrekken. ‘Of u mijn raad opvolgt of niet, ik ga dat stelletje verkrachters vertellen dat u man en vrouw bent, dominee en mevrouw Monk. Goeiendag.’ Hij draaide zich om, met rinkelende sabelketting, en beende naar het schip.
Mordechai liep langzaam door de menigte naar Lydia terug, het hondje op zijn hielen. Toen hij haar bereikte zag hij dat ze zich al verkleed had in haar bruin-en-grijze jurk, die er verfomfaaid uitzag. Ze was bezig haar haren in haar muts te stoppen. Ze droeg het mandje met het kind op haar rug. ‘Wat had hij?’ vroeg zij.
‘Eerst vraagt hij jou ten huwelijk; nu suggereert hij dat ik met je trouw.’
‘Waarom in vredesnaam?’
‘Teneinde je in staat te stellen om als getrouwde vrouw aan boord van die stoomboot te gaan.’
‘Wat een onzin!’ riep ze uit. ‘Hij doet alsof heel Kansas bevolkt is door misdadigers!’
‘Ik moet zeggen, naar zijn inlichtingen te oordelen...’
‘Het kan me niet schelen wat voor inlichtingen hij heeft! We gaan er niet heen als kolonisten, maar in de kracht des Heren!’
‘Zeker, zeker,’ zei hij sussend.
Zij keek hem onderzoekend aan. ‘Of ben je soms bang om verder te gaan, Vriend Mordechai?’
‘Natuurlijk. Als ik niet bang was zou ik een onverantwoordelijke idioot zijn. Maar we gaan verder. In de kracht des Heren. We moeten ons alleen wél bewust zijn dat de enige bescherming waarop we kunnen hopen de Zijne is.’
‘Hopen? Daar zijn we toch zeker van! Zonder die zekerheid zou ik die mannen niet onder ogen durven komen!’ Zij knikte in de richting van de smerige oude stoomboot die nu zwarte rook uitbraakte uit zijn schoorsteen. De bemanning hing nog altijd over de reling, loerend naar de squaws. ‘Nu,’ zei ze, ‘we moesten maar eens aan boord gaan om naar de accommodatie te kijken. Het zal vannacht wel koud zijn op de rivier, en ik wil ervan overtuigd zijn dat de kinderen hutten hebben. Wil jij even mijn jurk dichtmaken?’
Zij draaide zich om en lichtte haar mutsje op, daarbij haar donzige nek ontblotend. Hij knoopte de haakjes dicht, frummelend boven het hoofd van de baby, die met open mond in zijn mandje hing te slapen, als een reiziger in een diligence. Misschien was het de kwetsbaarheid van haar nek, misschien het slapende kindje, maar opeens wist hij dat de kapitein gelijk had. Dit door te zetten zou zelfmoord zijn. ‘Lydia,’ zei hij, ‘als je mij vraagt moeten we teruggaan.’
Zij draaide zich om.
‘We moeten niet aan boord van dat schip gaan. Het is levensgevaarlijk.’
Zij sloot de ogen. Even dacht hij dat zij zelf ook tot die conclusie gekomen was en dankbaar dat hij het had uitgesproken. Maar toen zij haar ogen weer opende zonk hem het hart in de schoenen. ‘Vriend,’ zei ze, ‘als jij er zo over denkt, moet je teruggaan. Ik voor mij kan deze mensen niet in de steek laten.’
‘Lydia, God heeft ons niet alleen moed gegeven, maar ook verstand, een gevoel voor verantwoordelijkheid. Ik zou niets liever doen dan samen met jou aan boord van dat stoomschip gaan, wat ons voorland ook moge zijn, maar het is zelfmoord. Ik weet het.’
‘Dat wist Jezus óók, in de hof van Gethsemane. Wat zou er met ons gebeurd zijn als Hij zich toen door Zijn verstand had laten tegenhouden?’
‘Lydia, wij zijn niet goddelijk, zoals Hij. Wij zijn stervelingen...’
‘Dat mag jouw interpretatie van Christus zijn, Vriend; voor mij was Hij sterfelijk zowel als Goddelijk, net als wij allemaal, op voorwaarde dat wij ons laten leiden door het goddelijke in ons.’
Hij besefte met een gevoel van noodlot dat haar besluit vaststond.
‘Zoals je wilt, Lydia,’ zei hij. ‘Zullen we aan boord gaan?’
‘Mordechai, jij moet niet gaan, tenzij God je dat zegt!’
Was dit het ogenblik om haar te bekennen dat God hem nooit iets gezegd had, behalve in de Heilige Schrift? Dat hij nooit een stem gehoord had, of een visioen gezien? Dat hij alleen zeker was van zijn onherroepelijke zondigheid, en dat zijn enige hoop op verlossing van die zonde het bloed was van het Lam? ‘Vooruit, we gaan,’ zei hij.
‘Waarom, Mordechai? Waarom, als je er niet werkelijk in gelooft?’
Hij glimlachte en antwoordde: ‘Omdat ik van je hou.’
‘Maar dat is niet genoeg!’ riep zij uit. ‘Je moet een roeping voelen! Je moet van God houden!’
‘Ik weet het, ik weet het, lieve Vriendin. Maar dat is niet iedereen beschoren. Laten we ophouden met redetwisten en gaan kijken wat ons vaartuig ons te bieden heeft. Maar ik zal me eerst vermommen als wijlen Mordechai Monk, afgezant van de Londense Jaarvergadering.’
In de beschutting van hun sheltertje trok hij zijn streepjesbroek aan, die eruitzag als een harmonika, zijn gescheurde, gekreukelde hemd waar de bloedvlekken nog inzaten, en de pandjesjas die doordringend naar de oude squaw rook, het laatste spoor dat zij op aarde had nagelaten. Hij zette de schedel met de horens af en voelde zich ineens naakt en weerloos. Jammer dat hij zijn hoed was kwijtgeraakt, die eerste avond, maar daar was niets aan te doen. Hij moest erop vertrouwen dat zijn uitgestreken gezicht en zalvende toon voldoende zouden zijn om de bruten op het schip ervan te overtuigen dat hij een bonafide predikant was. Toen herinnerde hij zich de zendbrief van de Londense Jaarvergadering, die hij aan de klerk van iedere Maandvergadering te lezen had gegeven voor hij de boel kort en klein ging slaan. Hij vond het verfrommelde papier nog altijd in de zak van het rechter pandje van zijn jas; de oude squaw had het blijkbaar als een amulet beschouwd. Het epistel verzocht een iegelijk Vriend Mordechai Monk, geregistreerd voorganger van de Londense Jaarvergadering van het Genootschap der Vrienden, behulpzaam te zijn bij het volvoeren van zijn pastorale plichten.
Lydia stond hem op te wachten met het slapende kindje op haar rug. Hij nam haar arm en leidde haar, met afgemeten tred, naar de loopplank. De zeerover die hen verwelkomde loerde haar aan. ‘En, wat kunnen wij voor jullie doen, buurtjes?’
Mordechai zei met herderlijke strengheid: ‘Ik ben dominee Monk, dit is mevrouw Monk, en hier hebt ge mijn legitimatiebewijs.’ Hij hield de man de brief van de Londense Jaarvergadering voor. ‘Wij zijn Quaker-zendelingen, die de Shawnee Indianen begeleiden. Wij wensen de accommodatie te bezichtigen voor wij deze passagiers toestaan aan boord te gaan.’
‘Accommodatie? Je bedoelt waar ze motten keveren? Nou, ga maar kijken. Wat uzelf betreft, wil u zeker uw eigen knuffelhutje even zien?’
‘Nee, eerst die van onze gemeente.’
De man haalde zijn schouders op en zei: ‘Ga je gang maar. Eerste deur links, dominee.’
Hij drukte Lydia's arm. ‘Zullen we?’
Zij stapten aan dek en schreden zedig naar de deur die de man had aangewezen, op de hielen gevolgd door het hondje.
***
Lydia had verwacht dat de accommodatie voor de Indianen primitief zou zijn, maar ze was onvoorbereid op wat zij te zien kreeg: een leeg ruim met rijen kooien, boven elkaar, als open kisten. De vloer was bedekt met vodden, smerig stro, gebroken potten; de kooien en hun ruw afgewerkte steigerwerk waren besmeurd met wat op het eerste gezicht bloed leek. Maar de stank die haar tegemoetsloeg deed haar beseffen dat in de meeste van die kooien doodzieke mensen hadden gelegen die de macht over hun lichamelijke functies hadden verloren. Nog nooit van haar leven was haar zo'n duivelse atmosfeer tegemoetgeslagen. Zij deinsde achteruit. ‘Hier - hier kunnen geen mensen in slapen! Zeker de kinderen niet...’
Hij sloeg een arm om haar schouder. ‘We vinden er wel wat op,’ zei hij sussend.
‘Wat moeten we doen? Wat kúnnen we doen?’
‘Om te beginnen gaan we een plekje zoeken voor de baby,’ zei hij, ‘dan ga ik onze bagage halen.’
Ze liet zich naar het voordek van het schip leiden. In de boeg vonden zij een rond Indiaans bootje gemaakt van huiden. Mordechai legde kleine Abner in de boot; daarna ging hij de wal op en kwam terug met het grondzeil, hun sheltertje en hun dekens. Hij legde die om het kindje heen, tot het in een soort nest lag op de bodem van de boot. Het hondje krabbelde tegen zijn been, kwispelstaartend; hij pikte het op en zette het ook in het bootje, waar het zich, zoals iedere avond, zo dicht mogelijk bij het kindje oprolde.
Opeens klonk er gestommel en ze hoorden stemmen schreeuwen. Op de loopplank was een van de zeelui bezig een Indiaan af te rossen, die blijkbaar zijn uitgemergelde paard mee had willen nemen aan boord. ‘Sodemieter op met die rotknol!’ brulde de zeeman, ‘flikker op met die hengst!’ Het paard stond, zenuwachtig en wankel, op de loopplank; achter het schichtige dier stuwden de squaws.
‘Stop!’ riep Mordechai. ‘Stop! Niet dringen!’
Het was te laat. De Indiaan viel van de loopplank in het water; het paard trachtte achteruit de plank af te dalen, duwde een van de squaws omver en trapte op haar. De vrouw krijste, het paard raakte in paniek, viel van de plank, krabbelde de wal op en sloeg op hol, dwars door de menigte.
Lydia en Mordechai holden naar de gewonde vrouw; toen Lydia naast
haar knielde hoorde zij het opperhoofd zeggen: ‘Dat stomme mens! En u hebt haar nog zó gewaarschuwd!’
‘Ik?’ vroeg Mordechai.
‘Natuurlijk,’ zei het opperhoofd. ‘Weet u niet meer? Nadat ze voor u op de grond gespogen had. “Pas op voor paarden” zei u.’
***
Mordechai keek neer op het bebloede hoofd van de vrouw. Het feit dat de voorspelling, die hem destijds zo maar ingevallen was, nu was uitgekomen deed hem de angst om het hart slaan. Als hij inderdaad in Gods ondoorgrondelijk raadsbestel de toekomst had gezien nadat hij zich het ambt van sjamaan had toegeëigend, dan moest hij ook de andere voorgevoelens ernstig nemen, die hij in de afgelopen weken ervaren had. Zoals die nacht, bij het graf van de oude squaw, aan de voet van de klepperende windmolen. O, mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan. Hij zou het aankunnen als hij voet had gezet op dit spoor van tranen in navolging van Christus. Maar, wat hij aanvankelijk ook gedacht mocht hebben, hij was dit moeras ingelokt door het dwaallicht van de liefde: niet liefde voor God of de lijdende mensheid, maar voor haar. Nu, aan het eind van de weg, bleef zij even onbereikbaar als aan het begin.
Hij keek naar de koude rivier, de eindeloze steppe, de ondergaande zon waarvan de weerspiegeling wemelde op het water. Mijn God, mijn God, wat was de zin van dit alles? Hij wist met iedere vezel van zijn lichaam dat hij ten dode opgeschreven was; en hij niet alleen, iedereen. Het was een dodenschip; als zijn leven hem lief was moest hij zich nu omdraaien en de benen nemen en teruggaan met de kapitein.
‘Vriend Mordechai?’ Ze keek naar hem op met het bloedende hoofd van de squaw op haar schoot.
Wat had zij bereikt met haar liefde, haar deernis? ‘Ja, Lydia?’
‘Wil je me helpen haar aan boord te dragen? We zullen haar neerleggen bij het bootje, voorop, en haar met een deken toedekken. Ik weet niet wat we nog meer voor haar kunnen doen.’
‘Goed,’ zei hij.
Zij droegen de levenloze vrouw naar het voordek, bedekten haar met een deken; hij trok zijn hemd uit en scheurde het aan repen; Lydia verbond haar hoofd.
Toen hij, met alleen zijn pandjesjas aan, de kraag dichthoudend tegen de koude wind, naar de oever keek, zag hij verlaten wagens, loslopende paarden, her en der verspreide bagage. In de verte, op een heuvelrug, was een groep ruiters verschenen. Het waren Indianen, dezelfde die hen de laatste weken hadden begeleid en iedere avond de vier dode bizons het bivak ingesleept. Nu stonden ze daar te staren; er was iets huiveringwekkends in hun roerloze afwachting. Hij knielde naast Lydia, legde een
arm om haar schouders.
Zo zaten zij, zijn arm om haar heen, toen de stoomfluit loeide en de trossen werden losgesmeten.
***
Vanaf de voorgalerij van de commandotent sloeg kapitein Stewart het vertrek van de stoomboot gade. Bij vorige gelegenheden had hij opluchting gevoeld omdat hij weer een horde smerige wilden kwijt was; hij had zich verheugd op de rit terug naar de beschaving. Dit keer werd hij zich bewust van de overladen dekken, de onmenselijkheid waarmee dat tuig de Indianen behandelde.
Opnieuw brulde de stoomfluit, een schor, langgerekt geloei. Het schip leek te sidderen, de schoorsteen braakte zwarte rook en vonken uit, het scheprad begon te ranselen met een witte pluim van schuim. Het vaartuig zette koers naar het midden van de rivier; de kapitein gaf aan een opwelling gehoor en salueerde om de twee dwazen vaarwel te zeggen. Terwijl hij zo stond, de hand aan de hoed, zag hij een verblindende flits; het hele schip leek uiteen te spatten; hij hoorde een donderende slag. De ketel was gesprongen!
Lichamen, planken, kratten, bundels spatten uit het hart van de ontploffing; langzaam, tuimelend, vielen zij naar de rivier terug. Een seconde lang stond de kapitein verstijfd, toen holde hij naar zijn paard, sprong in het zadel en stormde de heuvel af naar de oever.
Langer dan een uur reden zijn manschappen en hij langs het water heen en weer, roepend, trachtend overlevenden te onderscheiden onder het wrakhout dat langzaam draaiend wegdreef met de stroom; maar er kwam geen antwoord op hun geroep, en geen wonder: in dat ijskoude water ging iedere drenkeling binnen enkele minuten onder. Achter hun rug begonnen de Indiaanse aasgieren, onverstoorbaar, de buit die de doden hadden achtergelaten op te pikken en op hun paarden te laden. Kapitein Stewart stond op het punt om de heuvelrug weer te beklimmen toen zijn negerbediende riep: ‘Kapitein!’ en naar de rivier wees. Hij stond stil, en hoorde een dun, hoog gekef in de verte. ‘Waar komt het vandaan?’
De neger antwoordde: ‘Daar, kapitein, daar! Dat ronde bootje!’
Te midden van het wrakhout was een Indiaans bootje te zien, gemaakt van huiden. De kapitein luisterde, opeens voegde zich een gekrijt bij het gekef van het hondje: het huilen van een baby. Hij rukte zijn paard om, dwong het de ijskoude rivier in te waden en naar het bootje te zwemmen. Alleen een cavaleriepaard kon dit; hij klopte het dier op de hals en zei: ‘Goed zo, goed zo, prima, prima, je doet het geweldig. Goed zo, goed zo.’ Snuivend van angst, het hoofd hoog opgeheven tussen het wrakhout, zwom het paard naar het bootje. Eindelijk bereikten zij het; hij vond er een hondje in dat keffend met zijn staartje zwiepte en zijn hand likte toen
hij naar het mandje met het kind graaide; hij kon het niet bereiken. ‘Koest beest, koest, koest!’
Maar het hondje bleef keffen terwijl het paard, snorkend van inspanning, terugzwom naar de wal, het bootje op sleeptouw. De zon ging onder in een gloed die vlammen uit de rivier sloeg.
Toen de kapitein eindelijk aan wal waadde, het bootje op het droge trok en het kind in zijn armen nam, was de zon verdwenen.