Twee weken later veranderde de eerste vorst de groene vlakte van de prairie in een fonkelend witte. Iedere grashalm was beladen met rijp, die flonkerde in het licht van de ondergaande zon.
De huifkarren van de schoolexpeditie waren opgesteld voor de nacht, als de spaken van een wiel, het kampvuur in het midden. Dokter Rossini stond op het punt zijn ronde te gaan doen toen hij het geroffel van hoeven nader hoorde komen uit de eenzaamheid. Hij stond stil en luisterde. Indianen?
Hij was iedere dag op hun komst voorbereid geweest; nu was dan het ogenblik gekomen om het onwereldse Quaker-beginsel van de geweldloosheid in praktijk te brengen. Zijn eerste opwelling was naar zijn wagen te hollen om zijn geweer te halen, maar dit zou een zonde zijn in de ogen van het Uitverkoren Volk, wiens lot hij nu deelde. Een paar mannen kwamen te voorschijn uit hun wagens; geen van hen had een geweer bij zich.
Het doffe geroffel groeide en daar stormden ze het bivak binnen: een stuk of zes ruiters. Rossini zag tot zijn opluchting dat het geen Indianen waren maar soldaten, met het vaantje van de Cavalerie.
Een officier met een baard wit van de rijp liet zich van zijn paard glijden en kwam met rinkelende sporen op Rossini af. Hij droeg iets op de arm; pas toen Rossini een klaaglijk gekrijt hoorde besefte hij dat het een baby was.
‘Mijn mesties zegt dat jullie Quakers zijn,’ zei de officier, en er viel rijp uit zijn baard.
Rossini had niet beseft dat zij bespied waren. Wie weet hoe lang al. Het gaf hem opnieuw een gevoel van kwetsbaarheid. ‘Hoe is het ermee, kapitein Stewart?’
De kapitein fronste; er viel nu ook rijp uit zijn wenkbrauwen. Toen herkende hij hem. ‘Dokter!’ riep hij uit. ‘Wat doet ú hier?’
‘Ik ga met deze karavaan mee tot de Missouri.’
Van alle kanten kwamen mannen met breedgerande hoeden en vrouwen met Quaker-mutsen nader en voegden zich bij hen.
‘Ik heb een kind bij me dat ik hier wilde laten,’ zei de kapitein. ‘Een van jullie mensen heeft hem geadopteerd voor ze doodging. Een vrouw met de naam van Lydia Best. Het is een Indianenjong.’
Er viel een stilte, waarin de baby klaaglijk krijtte. Een vrouw mompelde: ‘O God...’ Het was Charity Woodhouse.
‘Wat is er met haar gebeurd?’
‘Het waren er twee. Meneer Monk en juffrouw Best. Ze hebben zich ingescheept, samen met de Indianen, op een rivierstoomboot die ze naar Kansas zou brengen en het ding is voor de wal in de lucht gevlogen. Het was de eerste niet; alleen waren er dit keer geen overlevenden behalve dit kind. In dat ijskoude water maakte niemand een kans. We hebben ons best gedaan het in leven te houden, maar legerrantsoenen zijn niet geschikt voor een zuigeling. Hij zal beter af zijn bij jullie. Waar gaan jullie heen?’
‘Wij zijn op weg naar Kansas,’ antwoordde Charity. ‘Wij wilden ons aansluiten bij onze Vrienden en een school stichten voor Indiaanse kinderen.’
De kapitein keek van de een naar de ander. Met zijn bevroren baard en de stoom uit zijn neusgaten zag hij er afschrikwekkend uit. ‘Is het niet genoeg dat twee van jullie hun leven hebben gegeven voor de Indianen? Geloof me, er is geen schijn van kans...’
Rossini viel hem in de rede. ‘Laat mij eerst naar de zuigeling kijken, kapitein.’
‘O,’ zei hij, ‘ja...’ Hij hield Rossini het kind voor, maar Charity was degene die het aannam. Zij drukte het tegen haar borst en bedekte het met haar shawl.
Een andere vrouw vroeg: ‘Is Mordechai Monk ook...?’
‘Geen overlevenden,’ herhaalde de kapitein. ‘Alleen deze zuigeling.’
‘Kom,’ zei Rossini tegen Charity. ‘Ga mee naar mijn wagen.’
Zij volgde hem naar de dokterskar. Hij hielp haar het trapje op, klom zelf naar binnen en liet de achterflap zakken.
Het bleek een mager scharminkel te zijn, een jongetje van een maand of zes, in deplorabele toestand. Medicijnen konden hier niet veel baten, voedsel was ook niet genoeg; wat het schaap nodig had was de beschuttende liefde van een moeder. Terwijl Rossini de zuigeling onderzocht, kon hij de gedachte aan Lydia Best en Mordechai Monk niet van zich afschudden. Had het, nu zij waren omgekomen, eigenlijk nog wel zin om door te gaan met deze expeditie?
‘Dokter?’ vroeg een stem, buiten. Het was de kapitein.
‘Nu, Charity,’ zei Rossini, ‘neem jij het kind mee en houd het in je wagen. Vertroetel het een beetje. Vertel hem maar eens hoe mooi hij is, en hoe sterk. Ik kom aanstonds kijken.’
De jonge vrouw nam het kind in de armen. De kapitein hielp haar hoffelijk bij het afdalen van het trapje, toen vroeg hij: ‘Kan ik even een woord met u wisselen, dokter?’
‘Natuurlijk, natuurlijk, kom binnen.’
De kapitein, nog steeds met witte wenkbrauwen en bevroren baard, bukte het warme hokje van de huifkar binnen.
‘Ga zitten, kapitein, daar op die kist. Ik hoef u wel niet te vertellen dat ik geen comfort kan aanbieden.’
‘Nee nee, dat is goed.’ De kapitein legde zijn hoed naast zich op de kist en knoopte zijn cape los. ‘Heeft u wat onder de kurk, dokter, of kan dat niet vanwege deze mensen? In dat geval heb ik wel wat, hoor.’
‘Nee, ik heb wat hier. Maar dan zult u even moeten opstaan.’ Hij haalde een fles uit de kist en twee kroezen, vulde ze tot de rand en reikte er een aan de kapitein. ‘Nu, proost. Op onze volgende ontmoeting.’
‘Proost.’ De kapitein dronk, wiste zich de mond af met de rug van zijn hand; kruimels rijp vielen op de grond. ‘Laten we hopen dat er een volgende ontmoeting komt, dokter. U gaat toch zeker niet met die mensen mee naar Kansas?’
‘Het was niet de bedoeling, nee. Ik heb een praktijk, ik moet weer terug.’
‘Dat had ik ook niet anders verwacht, van een verstandig mens. U zult toch toegeven dat het offer van die twee dwazen volslagen voor niets geweest is?’
‘Bij onze vorige ontmoeting dacht u er anders over,’ antwoordde Rossini. ‘Zij doen het niet alleen voor hun eigen zieleheil, zei u, maar voor het uwe en het mijne, voor de ziel van Amerika. Weet u nog?’
De kapitein gromde. De rijp in zijn wenkbrauwen begon te ontdooien, hij wreef zich het water uit de ogen. ‘Weet u wat het vervelende is, dokter: zo dacht ik er inderdaad over toen die mensen met hun zogenaamde getuigenis begonnen. Maar na twee maanden dacht ik er anders over. Hun inspiratie, zal ik maar zeggen, was goed, maar ze hebben me in de praktijk teleurgesteld. Ik weet niet precies wat ik van ze verwachtte, maar toch in geen geval dat ze zelf Indianen zouden worden, in letterlijke zin. Dat is namelijk gebeurd. Nog geen veertien dagen, en er was van hun Quakerdom, hun beschaving geen fluit meer over. Zij is door de squaws opgevangen en werd er zelf een; hij werd, geloof het of niet, medicijnman. Weet u nog hoe hij erbij zat, die avond dat u mij kwam opzoeken op de verzamelplaats, vlak bij Pendle Hill? Een heilige, meneer! Het was alsof je Christus zelf zag zitten: bebloed, gegeseld, vol wonden. Voor mij was die man op dat ogenblik de belichaming van een geloof dat ik zelf nooit in praktijk had kunnen brengen. Deze zelfde man, dokter, liep veertien dagen later met horens op zijn hoofd en een stinkende bizonvacht om, met een totem in de ene hand en in de andere een kruis, en vóór je ja en nee kon zeggen was hij bezig politiek te bedrijven.’
‘Politiek?’
‘Reken maar: politiek! Op een gegeven moment word ik geroepen. Hij heeft de hele colonne stil laten houden en zegt: “Ik sta erop dat de doden tijdens de rit begraven worden.” Nou, dat doen we nooit, dan kan je wel aan de gang blijven. We kunnen niet voor iedere Indiaan die erbij neervalt stilstaan, dan komen we er nooit. Nou, ik zeg: “Vooruit, niet kinderachtig zijn, meneer Monk, opschieten.” En daar geeft-ie me het teken van het boze oog: zó...’ De kapitein pookte naar Rossini met twee vingers.
‘“Puisten!” riep-ie, “puisten, pus, pestilentie,” weet ik veel. Dokter, laat ik u vertellen, ik stond op het punt om hem van die wagen te zwiepen en hem een hengst te geven voor zijn ouwe - nou ja. U mag het geloven of niet: twee dagen later had ik een negenoog in mijn nek, en geen kleintje ook. Ik had zo iets nog nooit eerder gehad. Hij was niet alleen veranderd in een Indiaan, maar in een bonafide medicijnman. Hij was een heidense tovenaar geworden; er was van zijn hele Christendom geen spaan meer over.’
‘Merkwaardig...’
‘U heeft zeker nooit met Indianen gewerkt? Ik wel, jaren en jaren. Ik kén ze. En inderdaad: zo gaan medicijnmannen te werk. En het is niet bij mijn steenpuist gebleven, hij deed alles wat sjamaans doen. Hij genas zieken door handoplegging. Hij voorspelde de toekomst uit bizondarmen en kwalsters in het zand. Als sjamaan was hij eersterangs. Maar als Christen? Ik weet niet hoe u erover denkt, dokter, maar de gedachte is bij me opgekomen, tijdens deze terugrit, dat het eigenlijk maar gelukkig is voor die twee mensen dat de boot in de lucht is gevlogen. Want al waren ze heelhuids in Kansas aangekomen, en al hadden de bandieten daar dat meisje niet verkracht zoals ik zeker weet dat ze wél gedaan zouden hebben, en al hadden ze die oude snuffel niet aan een kruis genageld, wat ze gedaan hebben met medicijnmannen die als leiders optraden, toch waren die mensen verloren geweest. Ik heb het eerder zien gebeuren: onze beschaving houdt geen stand tegen het heidendom zodra we ons, op ons eentje, onder de Indianen begeven. In Kansas waren ze, na een maand of wat, in de oertijd ondergegaan.’
‘Het meisje ook?’
‘Reken maar!’ zei de kapitein. Water droop uit zijn baard; hij wrong hem uit om eraf te zijn, het plaste op de houten vloer van de huifkar. Hij gromde: ‘Neem me niet kwalijk, dokter, ik wilde niet knoeien.’
‘Doet er niet toe, het is schoon water. Maar vertel me: hoe stond het met haar?’
‘Weet u,’ antwoordde de kapitein, bedachtzaam, ‘zij was een nobel mens, begrijpt u wel? Dat was die Monk niet. Dat was een schurk. Maar zij was een nobel mens, en ik neem aan dat ze een nobele squaw geworden zou zijn. Maar een Christin? De squaws hadden haar een kind aangesmeerd en in hun ban gevangen, en daar kwam ze nooit meer uit. Want, dokter, de Indianen laten je óf doodvallen, óf ze absorberen je en veranderen je in een Indiaan, en dan helpt er geen lieve vader of moeder meer aan. Nou, ze hebben hun zin, die twee. Ze zullen wel met hun zootje afgebeulde wilden ergens op de eeuwige jachtvelden rondwaren. Maar in de hemel? Nee, dokter. Ik wil God niet de woorden uit de mond nemen, maar de hemel van ons Christenen? Die hadden ze al verspeeld toen ik ze aan boord van dat schip zag gaan.’
‘Het is triest,’ zei Rossini, en nam een teug uit zijn glas. In zijn hart moest hij de kapitein gelijk geven. Het offer van Mordechai Monk en
Lydia Best, hoe goed ook bedoeld, was voor niets geweest. Hij had een gevoel van verspilling en verlies.
‘En dit stelletje Quakers? Waar gaan die nou heen?’ vroeg de kapitein, glas in de hand. Zijn baard dampte nu als een bezweet paard.
‘Het is de bedoeling dat ze naar Kansas gaan om daar een school te stichten voor de Indianen. Maar ik heb zo'n gevoel dat deze ontwikkeling hen wel aan het wankelen zal brengen. Dat doet hij mij tenminste. Ook al was ik niet van plan om met ze mee te gaan.’
‘Ik zou het hopen!’ riep de kapitein uit. ‘Dokter, totdat Washington ons order geeft om de Missouri over te steken en forten te stichten blijft het een niemandsland. Alles wat rapalje is - veedieven, kinderverkrachters, slavenjagers, pooiers, moordenaars die aan de strop hebben weten te ontsnappen - heeft zijn heil gezocht in Kansas.’ Hij dronk weer. ‘Deze mensen hier hebben natuurlijk geen geweren of iets bij zich?’
‘Nee, u kent het beginsel van de geweldloosheid.’
‘Beginsel m'n pet!’ riep de kapitein uit, met een begin van alcoholische heftigheid. ‘U kunt nagaan wat er met die vrouwen gebeurt, als ze eenmaal aan de overkant komen!’
‘Ach, laten we maar hopen dat het zo'n vaart niet zal lopen.’ Rossini zei het zonder overtuiging.
De kapitein besteedde er dan ook geen aandacht aan. ‘Ik heb destijds tegen die vier kwezels gezegd die mij kwamen vragen om Monk in de boeien te slaan en terug te brengen naar Pendle Hill, dat ik het verdomde om als hun plaatsvervanger geweld te gaan plegen. Als hun geloof hun verbood om geweld te gebruiken, zei ik, dan moesten ze het niet aan een ander vragen. Maar laat ik u vertellen, dokter, daar ben ik van teruggekomen. Quaker zijn is erg mooi, maar je maakt totaal geen kans tenzij het leger je beschermt. Als deze mensen in Kansas landen, is het met ze gedaan. Het schorem aan de overkant heeft zo in de gaten dat ze ongewapend zijn. Die zien Quaker-hoeden en neepjesmutsen, en ze weten meteen hoe laat het is. De vrouwen gaan op de rug; de kerels worden over de kling gejaagd, hun voorraden pikken ze in. Tenzij...’
‘Tenzij wat?’
‘Tenzij de Indianen ineens wakker worden. Die kans heb je, want het barst al van de Shawnees aan de overkant. En die weten alles al, hoor, daar kunt u donder op zeggen. Hoe ze het weten, weten ze het, maar ze weten dat twee bleekgezichten meegetrokken zijn met een konvooi en met de hele zwik in de lucht gevlogen. Als deze expeditie aankomt in Kansas en het blanke uitvaagsel zich aan hen zou vergrijpen, kon het best eens zijn dat de Indianen ineens wakker worden. En dan krijg je een bloedbad, dokter, waarbij vergeleken de Bartholomeusnacht een kriebelkuil was. En hoe zouden deze Quakers zich voelen als zij erachter kwamen dat zij door hun aankomst ter plaatse ineens het verscheurende dier in de Indianen hadden losgeslagen? Want laat ik u vertellen: als die Indianen eenmaal beginnen
word je er koud van. Levend villen, ogen uitsteken, ophangen aan eigen darmen - ga zo maar door. En dan? Wat blijft er dan over van het beginsel van de geweldloosheid, dokter?’
‘U moet dat niet aan mij vragen,’ zei Rossini. ‘Ik ben een katholiek, die alleen maar is meegegaan om deze mensen op weg te helpen. Er zijn zwangere vrouwen bij, ik wil ze helpen hun kind te krijgen en daarna moeten ze het zelf maar uitzoeken.’
‘Uitzoeken, onzin!’ gromde de kapitein. ‘We moeten 't hun uit hun hoofd praten, dat is het enige dat erop zit.’
Rossini hief zijn glas op en zei: ‘Proost!’ Maar hij gaf de kapitein gelijk.
Een uur later verzamelde iedereen zich rond het kampvuur voor samenkomst, de soldaten inbegrepen. Zij zaten, een dubbele cirkel van roerloze gestalten, in de ontzaglijke leegte van de prairie. Opeens stond kleine Will op, nam zijn hoedje af en bad met hoge kinderstem: ‘Vader, wij zijn vergaderd in Uw naam, in de schaduw van de dood. Twee geliefde Vrienden, bij wie we ons hoopten aan te sluiten aan het eind van onze reis, zijn omgekomen. Hun dood heeft ons een ogenblik aan het wankelen gebracht. Niet omdat wij hun leiding zouden missen, maar omdat wij plotseling geconfronteerd werden met de schijnbare zinneloosheid van hun getuigenis. Volgens de maatstaven van de wereld is het offer van Lydia Best en Mordechai Monk voor niets geweest. De Indianen die ze hebben willen redden zijn dood. Zij zelf zijn dood. Hun getuigenis schijnt zinneloos. Maar het is een beginsel van de Vrienden dat de zinneloosheid van andermans lot of getuigenis omgezet kan worden in zinvolheid door middel van hen die achterblijven. Als wij ons zouden laten overhalen om te keren en naar huis te gaan, dan zouden wij daarmee de zinneloosheid van Mordechai's en Lydia's dood bestendigen. Als wij echter de expeditie voortzetten en de school stichten onder de Shawnees, dan zal de dag komen waarop het nageslacht zal kunnen zeggen: “Als Lydia Best en Mordechai Monk niet waren omgekomen op de Missouri, zou al dit goede nooit tot stand gekomen zijn.” Daarom worden wij, als zo dikwijls tevoren in de geschiedenis van ons Genootschap, teruggedreven tot de kern van ons geloof: dat God liefde is, dat Hij inwonend is in alle mensen, en dat wij het Innerlijk Licht moeten volgen. Daarom, Vader: laat hun dood ons bezielen, ons helpen de ontberingen van deze tocht te dragen, de koude, het heimwee, de angst voor wat ons te wachten staat. O God, van Wie wij zo hovaardig aannemen dat Gij ons verkozen hebt als Uw Uitverkoren Volk, help ons, leid ons, en laat hun voorbeeld ons leiden zoals Uws Zoons voorbeeld hen heeft geleid.’
Hij ging zitten in doodse stilte.
Toen Rossini naar de gezichten keek in het schijnsel van het vuur, voelde hij dezelfde bewondering als destijds, toen hij deze mensen de plaag
van de grote epidemie met zoveel waardigheid had zien dragen. Hij voelde opeens dat de dood van Lydia en Mordechai ook voor hem beslissend was. Het was niet voldoende de expeditie te vergezellen tot de Missouri en daar om te keren en weer terug te gaan naar zijn praktijk in Pendle Hill. Wat er van hem verwacht werd was hetzelfde besluit dat de anderen op dit ogenblik bezig waren te nemen: door te reizen naar Kansas en daar een nieuw leven te beginnen. De kapitein had misschien gelijk in zijn prognose van wat hen in Kansas wachtte, maar het gebed van kleine Will had zo'n weerklank in hem gevonden dat hij besloot het lot van de Vrienden ook verder te delen. Het betekende dat hij de droom terug te zullen keren naar het land van zijn jongenstijd moest opgeven; het was het einde van het woonscheepje op de bayou, de cipressen van Arcadië, de nachtegaal in het vloedwoud. Maar een dieper verlangen dreef hem naar het westen, naar de hachelijke toekomst van een wildernisdokter onder berooide Indianen. Waarom? Wat dreef hem, tegen beter weten in, met dit gevoel van bevrijding? Misschien zou hij het nooit te weten komen.
Achter zich hoorde hij het gekrijt van het Indiaanse kindje, maar hij zag dat Charity bezig was het te sussen. Wat moesten ze met het jongetje beginnen? Hem mee te nemen en bloot te stellen aan de ontberingen van deze winterse tocht door de prairie kon hem het leven kosten. Liefderijke ouders, een veilig tehuis...
Cletus Brown, de oude negerboer, stond op om te getuigen. Hij preekte, zangerig, over de dierbare nagedachtenis van de twee Vrienden die waren omgekomen. Terwijl hij bezig was, kwam uit de prairie een uitgemergeld hondje te voorschijn, tong uit de bek, wankel van uitputting. Het zocht onder de soldaten, de roerloze Quakers, tot het zijn doel bereikte: de zuigeling op de schoot van Charity Woodhouse. Daar zakte het in elkaar, terwijl Clerus Browns bevende stem begon te zingen: ‘Een vaste burg is onze God.’
Toen de Vrienden mee begonnen te zingen, viel het Rossini in wat er met het kind moest gebeuren.
***
Abner was bezig de paarden te voederen in de stal toen hij een groep ruiters hoorde aankomen op het voorplein. Hij zette zijn hooivork in de hoek, haastte zich naar buiten en werd in de staldeur bijna omvergeworpen door Adam Higgins, die opgewonden riep: ‘Abner! Abner! De Cavalerie is hier! Een officier met een kindje! Hij zegt dat het van Lydia is!’
O hemel, weer zo'n misselijk grapje. Hun stadsgenoten in Pendle Hill hadden geen gelegenheid voorbij laten gaan de Quakers bij de neus te nemen, na de ontsnapping van de slaven. Berustend ging Abner naar buiten en zag een patrouille soldaten, bezweet na een geforceerde rit, bezig
hun paarden vast te maken aan de tuipalen aan de voet van Becky Bakers standbeeld. Er was een officier met een baard onder die inderdaad een kind op de arm had. Abner vergat dat hij eruitzag als een dagloner en ging naar hem toe. ‘Ja?’ vroeg hij, ‘wat kan ik voor je doen, Vriend?’ Hij wist nu wie het was: de commandant van het konvooi waar Lydia en Mordechai zich bij hadden aangesloten.
De officier echter herkende hem niet. ‘Wilt u zo goed zijn mij even naar het hoofd van deze school te brengen?’ vroeg hij.
‘Ik placht het hoofd van deze school te zijn.’ Hij besefte opeens hoe hij eruitzag. ‘Wat hoor ik over een kindje, dat - dat van mijn zuster zou zijn?’
De baby staarde hem met twee gitzwarte spleetoogjes aan.
‘O, was ze uw zuster?’
‘Was? Ze - ze...’ Abner kon niet verder.
‘Dan moet ik u helaas condoleren,’ zei de officier, nors van verlegenheid. ‘Kunnen wij hier ergens rustig praten?’
Abner slikte. ‘Is ze - is ze dood?’
‘Ja, helaas. De stoomboot waarop zij ingescheept was vloog in de lucht bij het vertrek. Het spijt me.’
‘O...’ Hij begreep er niets van, wat bedoelde de man? Het moest een vergissing zijn. Hij keek verward om zich heen. ‘Weet u wat, laten we hier even naar toe gaan...’ Hij wees op de stal.
De officier volgde hem de stal in; daar, terwijl de hongerige paarden bonsden in hun boxen, vertelde hij wat er gebeurd was: hoe Lydia het Indiaanse kind had geadopteerd, de tragedie in Pierrelouchant, het advies van dokter Rossini om het kind mee te nemen naar de school.
Abner luisterde nauwelijks. Wat zou het bericht van Mordechai Monks dood Saraetta aandoen? Na zijn vertrek had zij zich geworpen op een roeping: een blindeninstituut, dat naar haar idool genoemd zou worden, de enige manier, zei ze, om aan zijn afschuwelijk lijden zin te geven. Nu moest hij haar vertellen dat hij dood was. ‘Ik moet het eerst aan mijn vrouw gaan zeggen,’ zei hij tegen de officier. ‘Ik bedoel, ik moet het haar vertellen voor ze het van iemand anders te horen krijgt. Je blijft toch vannacht bij ons?’
‘Om u de waarheid te zeggen,’ zei de officier, ‘was ik alleen van plan om even het kindje af te leveren.’
‘Wij hebben logeerkamers, wij hebben alles; alsjeblieft, ga niet weg! Weet je wat, geef mij het kindje, ik zal eerst even naar mijn vrouw gaan; ik - ik ben dadelijk terug.’
De officier overhandigde hem het kind. Hij nam het in de armen en haastte zich naar de school. Hij kwam de hal binnen op het ogenblik dat de klassen wisselden; in een oogwenk was hij omringd door dringende kinderen, die vroegen wat de soldaten daar deden, wie z'n kindje het was, of ze het mochten zien, of ze het mochten vasthouden. Tientallen handen werden uitgestrekt naar het kind; het begon te brullen, verschrikt door het
kabaal in de galmende hal. ‘Oppassen, oppassen!’ riep hij. ‘Stil! Wees stil, alsjeblieft! Blijf hier!’
Uria kwam aangewaggeld uit de aula; Abner vluchtte de trap op, het krijsende kind in de armen. Hij struikelde, maar zag kans zijn evenwicht te bewaren en liep de gang in naar zijn studeerkamer. Het kind, als de dood voor de echo van zijn eigen gekrijs in de holte, leek een stuip te krijgen, de deur van de studeerkamer werd opengerukt en daar stond Saraetta, haar bril op haar neus. ‘Wat is er aan de hand?’
‘O liefje, alsjeblieft,’ zei hij, ‘je moet iets doen! Ik weet niet wat er met hem aan de hand is, maar je moet iets doen...’ Hij overhandigde haar het kind.
‘Van wie is het?’ vroeg Saraetta, verbluft.
‘Van Lydia. Ik zal...’ Toen hij haar gezicht zag, zei hij haastig: ‘Kom, laten we naar binnen gaan, alsjeblieft...’
‘Van Lydia?’
Hij duwde haar de kamer in en sloot de deur achter hen. Het kindje krijste, krijste; Sara nam het in de armen. ‘Kom dan, kom dan...’ Zij wiegde het en suste het. ‘Alles is goed, mijn beestje, alles is goed, klein diertje, ja natuurlijk, stil maar, stil maar...’
Terwijl hij haar gadesloeg drong het tot Abner door dat de verstikkende huilbui van het kind een zegen was. Zij hield in haar armen de enige bescherming tegen het nieuws dat hij haar moest brengen.
‘Sara!’ zei hij, boven het geblèr van het kind uit, ‘ik heb je iets te vertellen! Ik vrees: slecht nieuws...’
Maar haar aandacht was bij het kind. ‘Wat zei je over Lydia?’ Zij wiegde de baby in haar armen.
‘Zij is dood. Mordechai ook. Ik - het spijt me.’
Ze staarde hem met wijdopen ogen aan.
‘Het schip is ontploft. Zij, Mordechai, de Indianen, iedereen behalve dit kindje. Lydia had het geadopteerd, daarom heeft die officier het hier gebracht. Het - het is een Indiaans kindje...’
‘O mijn God...’ Zij sloot de ogen.
Hij wilde haar ondersteunen, maar het kind begon weer te krijsen; zij draaide zich om en ging achter het bureau zitten, het kind op schoot. ‘Stil, diertje, stil toch, lief diertje,’ zei ze, terwijl de tranen langs haar wangen liepen. ‘Stil, stil mijn schatje, stil maar, alles is goed, je bent nu veilig, alles is goed...’ Zij streelde het zwarte haar en drukte het hoofdje tegen haar borst.
Abner zei: ‘Ik - ik moet even met die kapitein gaan praten...’ Want opeens was het werkelijkheid voor hem geworden: Lydia was dood.
Buiten, in de gang, stond hij stil. Hij kon de drukte van de kinderen op dit ogenblik niet verdragen. De enige plaats waar hij alleen kon zijn was de zolder. Hij liep de gang af, opende de deur en beklom de donkere trap.
Voor het zolderraam, met het uitzicht op de winterse bomen en daar-
achter het blinkende meer, viel hij ten prooi aan een verdriet zoals hij nog nooit eerder gekend had. ‘Lydia, Lydia!’ Hij barstte in snikken uit.
Hij wist niet hoe lang hij daar stond te huilen; eindelijk kalmeerde hij. Hij moest naar beneden, terug naar Sara, ze was hulpeloos zonder hem.
Hij opende het raam en ademde de vorstige lucht in. Hij staarde naar de hemel; een vlucht ganzen trok over de school naar het zuiden. De horizon was leeg en wit. Achter die horizon was Lydia verdwenen, voor altijd. Onvoorstelbaar, dat al die tederheid, die liefde die ze haar leven lang verspild had aan mensen die het niet waard waren, zoals hijzelf, voorgoed verdwenen zouden zijn. Het kon niet, dat dit het einde was van dat onvervangbare wonder van tederheid dat Lydia was geweest. Waar het ook was, zij was nu waar die anderen waren: Margaret Fell, Becky Baker, Cleo Baker, Gulielma Woodhouse, al die vrouwen wier levens het voortbestaan van het Genootschap der Vrienden hadden verzekerd.
Maar hij vond geen troost in die gedachte, alleen berusting. Misschien, dacht hij, terwijl hij naar de witte einder stond te staren, mocht hij niet meer verwachten, aan deze zijde van de dood, dan de overtuiging van de Vrienden dat de liefde eeuwig is, het leven onsterfelijk, de dood een horizon, en de horizon niet meer dan de grens van ons gezichtsveld.
Hij sloot het raam en wendde zich af. Hij zag het uitgeputte hondje niet, dat de oprijlaan af kwam hinken en in elkaar zakte tussen de paarden, aan de voet van het standbeeld, onder het opschrift: ‘Laat ons nu zien wat de liefde vermag.’