terug  begin  verder
[p. schutblad voor]


illustratie

[p. schutblad voor]


illustratie

[p. I]

[Deel 4] De oorlog van het lam

[Woord vooraf]

[p. V]

Nu Het Koninkrijk van de Vrede onze eigen tijd heeft bereikt, wil ik de lezer verzekeren dat de in dit boek voorkomende figuren niet gebaseerd zijn op levende personen. Ook de ‘Quaker Ambulance Dienst’ en de ‘Meeting for Sufferings’ zijn fictief. Er bestaan Quaker-organisaties die er overeenkomst mee vertonen, zoals de ‘Friends Ambulance Unit’ tijdens de Tweede Wereldoorlog en de ‘American Friends Service Committee’. Maar teneinde de gevoelens van terughoudendheid te ontzien van Vrienden die aan de beschreven gebeurtenissen hebben deelgenomen, herhaal ik dat de organisaties en de personen in ‘De Oorlog van het Lam’ fictief zijn.

 

j. de h.

[p. VII]

Nederland-Duitsland
1940-1942

[p. 1]

Een

Toen het Duitse leger Westerdam binnentrok, in mei 1940, stond een blond meisje van een jaar of zestien met een fiets onder de toeschouwers op de markt.

De legertros bestond uit tanks, transportvoertuigen en kanonnen; hij reed de markt op met een oorverdovend lawaai van ratelende rupsbanden en ronkende motoren. Een aantal toeschouwers wendde zich af en liep weg, sommige met tranen in de ogen, maar het meisje bleef kijken. De kudde stalen monsters stelde zich op voor het raadhuis. Het ronken van de motoren hield op, het getinkel van het carillon van de hervormde kerk werd hoorbaar. Toen hield het carillon ook op; de soldaten die uit de tanks en de transportvoertuigen te voorschijn waren gekomen stonden in het gelid voor hun machines. In een stilte die dieper werd door het zoeven van een vlucht duiven werd de Nederlandse driekleur op het raadhuis omlaag gehaald, en een rode vlag met een hakenkruis ervoor in de plaats gehesen.

Dat was het ogenblik waarop het blonde meisje haar fiets uitdagend langs de stramme soldaten duwde naar een bloemenverkoopster op de hoek van de markt. ‘Goeiemiddag,’ zei ze, luid. ‘Prachtige dag, hè?’

De oude vrouw op haar krukje achter de bloemen keek met betraande ogen naar het meisje op en zei: ‘Nee, juffrouw, 't is helemaal, geen prachtige dag.’ Zij snoot haar neus; achter de rug van het meisje bevestigden twee soldaten een bord aan een lantaarnpaal dat naar het raadhuis wees, met het opschrift kommandantur.

Het meisje kocht een grote bos oranje tulpen, bond die op haar bagagedrager, sprong in het zadel en fietste de Nieuwstraat in, rinkelend met haar bel. Er hing een sfeer van onheil en angst in de stad; alleen jonge vrouwen, leek het, bleven er onverschillig onder. Voor het winkelraam van de bakker stond een forse jonge meid op een trapje, bezig de ruit af te zemen; de manicuriste in de schoonheidssalon was bezig aan de nagels van de bibliothecaresse. Elders stonden groepjes mensen van middelbare leeftijd te fluisteren, alsof zij bang waren dat de Duitsers hen af konden luisteren. Zij keken het meisje na dat voorbijfietste, haar blonde haren fladderend in de wind, de bos oranje bloemen op haar bagagedrager.

Aan het eind van een straat in nieuw-Zuid stapte zij af, opende het hekje van de laatste villa en duwde haar fiets naar het schuurtje, terwijl achter de gesloten voordeur het geblaf van een hond haar verwelkomde. Met haar arm vol bloemen ging zij naar de keukendeur, viste de sleutel uit haar tas, deed de deur open en riep: ‘Nee, Caesar! Af!’ De hond, een bruine lobbes zonder ras, sprong verrukt tegen haar op.

Zij was bezig de bloemen in een vaas te schikken toen hij opnieuw begon te blaffen. Zij holde naar de voordeur om de man te verwelkomen die net was

[p. 2]

aangekomen, ook op de fiets. ‘Laura?’ zei hij, ‘ik dacht dat je op school was.’

‘We hebben vanmiddag vrij,’ antwoordde ze. ‘Meneer Haversma zei dat wij wel behoefte zouden hebben aan een middag van rouw en contemplatie. Is de bank ook dicht?’

‘Ja,’ zei de man. Hij trok zijn jas uit en volgde haar de keuken in zonder aandacht te schenken aan de hond. Toen zag hij de bloemen. ‘Je schijnt de gevoelens van meneer Haversma niet te delen,’ zei hij.

‘Heus wel!’ antwoordde ze. ‘Ik heb ze aan zien komen voor het stadhuis, en de vlag neer zien halen. Nou, ik kon kiezen tussen in tranen uitbarsten of bloemen kopen. Ze waren niet duur, hoor.’

Hij legde een arm om haar schouders. ‘Ik vind 't prachtig, kind,’ zei hij. ‘Je moeder zou hetzelfde hebben gedaan.’

‘Echt?’

‘Ze haalde altijd bloemen in huis. Iedere keer als ze uit de stad terugkwam had ze wat bij zich. Herinner je je dat niet meer?’

‘Ik herinner me dat we altijd bloemen hadden.’

‘Ja,’ zei hij. ‘Altijd.’

Pas toen hij aan de keukentafel was gaan zitten werd hij zich bewust van het welkom van de hond. Hij klopte het dier op de kop. ‘Braaf, Caesar, braaf, braaf.’ Toen zei hij: ‘Ik heb de Vrienden uitgenodigd hier te komen, morgenavond. Daar heb je toch geen bezwaar tegen?’

‘Waarom zou ik?’

‘Het betekent thee en koekjes.’

‘O, koekjes genoeg. Maar ik zal voor alle zekerheid nog wat kopen. Ik neem aan dat de winkels wel open zullen zijn, ook al zijn de bank en de school dicht.’

‘Wij moeten, als Quakers, overleggen wat wij gaan doen. Het is nog nietdringend, maar we moeten op alles voorbereid zijn.’

Ze glimlachte. ‘Wat zou de Vergadering in vredesnaam kunnen doen, Vadertje? Ik heb de Duitsers aan zien komen. Geen wonder dat ons leger geen schijn van kans maakte. Wat kunnen zeven oude mensen tegen die keiharde rotmoffen beginnen?’

‘Ik denk niet in termen van gewapend verzet, Laura,’ zei hij rustig. ‘Bovendien is dat niet de manier om over je medemensen te praten, wie ze ook mogen zijn. Wat zou je zeggen van een kopje chocola?’

Zij haalde het cacaoblikje te voorschijn. Terwijl ze stond te rammelen met kroezen en lepeltjes zei ze: ‘Ik méén het, Vader. Wat zou de Vergadering kunnen doen?’

Hij krabde de kop van de hond, die zwijmelend naar hem opkeek. ‘Om te beginnen verkeren onze joodse landgenoten in ernstig gevaar.’

‘O - o ja...’ Terwijl zij de chocola tot een papje roerde probeerde zij te bedenken welke joden zij kende. Ze had tot dusver nooit over hen als ‘joden’ gedacht; daar moest je een rot- een mof voor zijn.

‘Hoe dan ook,’ besloot haar vader, ‘meneer Haversma had gelijk. Wij hebben een paar dagen nodig om te treuren en te mediteren. De oceaan van dood en duisternis heeft ons land overweldigd.’

Zoals altijd wanneer hij George Fox of een andere Quaker-heilige aanhaalde, trok Laura een stichtelijk gezicht en voelde zich een oplichtster. Als

[p. 3]

kind had ze al het land gehad aan de zure man op de ets boven haar vaders bureau. Ze had haar leven lang over zichzelf gedacht als een Quaker; maar vanmorgen, toen ze de Duitsers had zien binnenmarcheren, had ze zich afgevraagd of het beginsel van de geweldloosheid eigenlijk niet wereldvreemd was. Ze had de opwelling gevoeld die hondse mannen met hun arrogante bakkesen in het gezicht te spuwen, vooral die ene officier met de monocle, in dat zijspan. Hoe durfden ze! Hoe durfden ze dit vredige, gastvrije landje te overweldigen dat hun totaal geen kwaad gedaan had...

‘Laura,’ zei Vader, ‘je staat die chocola op een onquakerlijke manier te roeren.’

‘O - sorry...’ Weer schrok ze ervan hoe goed Vader haar kende; het leek soms of hij haar gedachten kon lezen.

‘Het zal niet makkelijk zijn om verdraagzaam te blijven tegenover het onverdraaglijke,’ zei hij. ‘Toch moeten we dat zien klaar te spelen.’

Zij ging naar hem toe, duwde de hond opzij, ging op zijn schoot zitten en sloeg haar armen om zijn hals. ‘O, dat zullen we! Dat zul je 's zien! Echt, hoor, écht!’ Ze kuste zijn oor en drukte zijn hoofd tegen haar schouder.

‘We zullen ons best doen,’ zei hij, met een glimlach. ‘Hè, Caesar?’

De hond kwispelde dom.

 

De Westerdamse Maandvergadering van het Religieus Genootschap der Vrienden hield de volgende avond samenkomst in de zitkamer van de familie Martens. De aanwezigen waren stil en gedrukt, want die middag was Rotterdam door Duitse vliegtuigen gebombardeerd. Het gerucht wilde dat meer dan dertigduizend inwoners van de stad hun leven hadden verloren in het bombardement en in de vuurstorm die erop volgde. Een proclamatie van het Duitse opperbevel was uitgezonden over de radio en op de muur van het stadhuis aangeplakt, die de bevolking adviseerde rustig te blijven, alle daden van verzet na te laten en de orders van de autoriteiten stipt te gehoorzamen. De verduisteringsmaatregelen bleven van kracht, verder moest alles zoveel mogelijk zijn normale beloop behouden. Er mocht vooral niet gehamsterd worden, er was volop.

De gordijnen waren dichtgetrokken voor de samenkomst begon, alleen een lamp met zwarte kap op het bureau was aan. Zo zaten de negen Vrienden te schemeren, in de stilte van de eredienst.

Laura zat naar hen te kijken. Er was geen verschil tussen nu en de gebruikelijke zondagssamenkomsten. Mevrouw Pietersen zat te knikkebollen met haar ogen gesloten; meneer Frank staarde voor zich uit; het gehoorapparaat van meneer Heiland begon zijn hoge, heimelijke gefluit dat Caesar de oren deed spitsen en gespannen naar hem kijken. Alleen al het feit dat zeven zachtaardige mensen hier gekomen waren om plannen te bespreken voor hun verzet tegen de Duitse bezetting was belachelijk. De enige onder hen die de Duitsers, misschien, au sérieux zouden nemen was Vader. Hij zat met de ogen gesloten, zijn gezicht intens bedroefd. Laura vroeg zich af of hij aan Moeder zat te denken.

Kom, ze moest mediteren, bidden. Maar in plaats daarvan zat ze te denken: misschien zal hij nu eindelijk eens ophouden met over hertrouwen te

[p. 4]

piekeren om mijnentwil. Lief van hem, maar ik heb helemaal geen behoefte aan een nieuwe moeder. Ik heb genoeg aan hem. Maar heeft hij genoeg aan mij? Nou, we zullen het allemaal wel zien. Oorlog. Het is oorlog. Of nee, eigenlijk is de oorlog voorbij, nu krijgen we de bezetting. Hoe zou die uitvallen? Zou er distributie komen? Nieuwe gordijnen voor zijn slaapkamer, bijvoorbeeld: zou ze de stof daarvoor nog kunnen krijgen? Welke andere dingen zouden schaars worden? Suiker? Koffie? Thee? Moest ze gaan hamsteren? Zo zat ze te mijmeren, de ogen gesloten, de handen in de schoot, roerloos tussen de roerloze Vrienden, verenigd in Zijn naam.

 

***

 

De hele dag al was Jacob Martens achtervolgd door visioenen van het bombardement van Rotterdam. Het was alsof hij het gejammer van levend begraven mensen hoorde, de gigantische rookwolk zag, de stank rook van de brandende stad. Nu, in de stilte van de samenkomst, kon hij het niet langer voor zich houden. Hij stond op en begon, schor van emotie: ‘Vrienden! Terwijl wij hier zitten zijn duizenden, tienduizenden mensen in Rotterdam bezig te sterven, in doodsangst, wanhoop, pijn. Hier zitten we, in de luxe van onze meditatie; daar liggen zij: krijsend, stervend, waanzinnig van angst. Waarom zij en niet wij? Waarom mogen wij hier zitten in de zelfgenoegzaamheid van het uitverkoren volk, terwijl zij aan het kruis worden genageld? Waarom? Wij kunnen het mysterie van Gods raadsbestel niet doorgronden. Het enige dat wij kunnen zien is het feit dat wij gespaard zijn en die anderen niet. Heeft God ons met opzet behouden? Werden wij gespaard omdat Hij ons nodig heeft, omdat wij deel uitmaken van Zijn plan voor de wereld? Daarom, voor wij erover gaan praten wat wij als Vrienden kunnen doen nu ons Vaderland door de oorlog is verpletterd, moeten wij eerst getuigen van onze bereidheid om Zijn wil te doen. Laat ons bidden dat God ons moge gebruiken om, uiteindelijk, de oneindige oceaan van licht en liefde te doen triomferen over de oceaan van dood en duisternis. Wij kunnen niet verwachten dat we nu, op dit ogenblik, door God geroepen worden, dat we nu al geleid worden om tot daden over te gaan. Maar wij moeten getuigen dat wij, wanneer wij geroepen worden, bereid zijn om aan Zijn bevel gehoor te geven. Wij smeken God dat Hij ons moge gebruiken. God, God, almachtige God, gebruik ons om Uw liefde te belichamen!’

Hij ging zitten. Het was jaren geleden dat hij voor het laatst met zo'n hartstocht getuigd had. Hij zat met zijn hoofd in de handen te wachten tot het trillen van zijn lichaam bedaard zou zijn. Toen drong het domme gefluit van Henk Heilands gehoorapparaat tot hem door. Het vervulde hem met een dergelijk gevoel van eenzaamheid dat hij zijn handen van zijn gezicht nam en om zich heen keek. De gezichten leken gesloten, onbereikbaar. Antje Pietersen zat langzaam te knikken, alsof zij naar hemelse muziek zat te luisteren. Zelfs Laura leek onaangedaan door zijn getuigenis; ze zat met gesloten ogen, een vage glimlach op haar gezicht, jong, mooi, onschuldig, maar onaangedaan. Hoe was het mogelijk dat zelfs zij? ... Toen besefte hij wat hem dat gevoel van eenzaamheid gaf: hij zat te wachten op een hand op de zijne: Lily's hand. Vroeger had hij altijd, zonder het te weten, namens haar gespro-

[p. 5]

ken als hij getuigde tijdens de samenkomst; de enkele keren dat zij zelf sprak was het altijd alsof zij hem de woorden uit de mond nam. Hij boog zijn hoofd en bedekte zijn gezicht weer met de handen, want het leek alsof de Tegenwoordigheid van hem was weggetrokken, afgestoten door zijn egocentrische verdriet. Hij moest de anderen de kans geven om te verwerken wat hij gezegd had, voor hij verwachtte dat zij zouden reageren.

Maar hoe hij ook wachtte, niemand reageerde. Toen eindelijk de samenkomst beëindigd werd doordat zij elkander de hand schudden, sprong Laura op en holde naar de keuken. Daar had ze dus aan zitten denken: de thee en de koekjes.

Henk Heiland was de eerste die wat zei. ‘Wat we ook doen, Vrienden,’ begon hij, op de afgemeten toon die hij altijd bezigde als het om ‘geestelijke dingen’ ging. ‘Wij moeten ons dienstbaar maken aan beide partijen in dit conflict. Natuurlijk, wat de Duitsers met Rotterdam gedaan hebben is volgens menselijke begrippen onvergeeflijk. Maar het is niet aan ons mensen om te oordelen...’

‘Kom nou, Henk,’ gromde Karel Holtman, ‘ik weet wel dat we hier zouden moeten zitten vol liefde voor de Duitsers, maar doe nou even gewoon. Mijn achterneef en -nicht wonen...’

‘O, ik weet het!’ riep Antje Pietersen uit. ‘Het is ontzettend moeilijk om op dit ogenblik liefde in onze harten te voelen voor de Duitsers, maar Henk heeft gelijk. We moeten álles doen om de tederheid in ons, die des Heren is, te redden: de tederheid tegenover hen die ons vernederen, en slaan, en hun de andere wang toekeren...’

Op dat ogenblik kwam Laura binnen met de koekjes. Iemand gaf de schaal aan Jacob door en hij zag dat het de groene was, in de vorm van een pompeblad, die hij Lily cadeau had gedaan voor hun zestiende trouwdag. O, mijn God, waarom had zij moeten sterven? Was dát waarover hij had staan getuigen? Was het Lily geweest die onder de puinhopen had liggen krijsen, op de manier waarop zij gekrijst had, in haar laatste uren, toen de kanker ... ‘O, mijn God,’ bad hij, ‘verlos me.’ Dankbaar nam hij een koekje, Laura glimlachte, een glimlach van verstandhouding. Zijn hart ging naar haar uit.

‘In ieder geval is één ding duidelijk,’ zalfde Karel Holtman, ‘wat we ook doen, we mogen onder geen beding betrokken raken in gewapend verzet.’

‘Maar dat zullen de Duitsers alles noemen, welke vorm van verzet dan ook!’ riep Sam Wijnhof uit. ‘Dat zeggen ze toch zélf, in die proclamatie van vandaag, die overal aangeplakt is?’ Hij was het jongste lid van de Vergadering, een vrijgezel, ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Op zijn rechterslaap had hij een blauwe vlek, omdat hij gewend was zijn kroontjespen achter zijn oor te steken.

‘Laten we het om te beginnen eens over de joden hebben,’ zei Jacob. ‘Het is alleen maar een kwestie van tijd voor de Duitsers ons dezelfde rassenwetten gaan opleggen als aan ieder land dat ze bezet hebben. Wij moeten erop voorbereid zijn dat de Hollandse joden het lot zullen delen van die in Oostenrijk, Tsjechoslowakije...’

‘Nou, dat weet ik nog zo net niet!’ zei Sam Wijnhof. ‘Voor zover ik het begrijp zullen de Duitsers ons toestaan onszelf te regeren, net als altijd, op voorwaarde dat we hun militaire operaties niet saboteren. De Wehrmacht is

[p. 6]

niet van plan zich in onze burgerlijke zaken te mengen.’

‘Ik heb ze gisteren de vlag op het raadhuis neer zien halen,’ zei Laura met haar heldere meisjesstem. ‘Ze hesen er een hakenkruisvlag voor in de plaats. En dat waren militairen.’

‘Dat weet ik, dat weet ik,’ gaf Sam toe, ‘maar dat was een symbolische daad. Ze moeten toch op een of andere manier hun autoriteit symbolisch uitdrukken?’

‘Sam,’ zei Sheila, ‘je denkt net als een nazi.’

‘Dát neem ik niet,’ antwoordde Sam, kwaad. ‘Alleen maar omdat ik probeer te voorkomen dat we de zaken nodeloos dramatiseren...’

De ketel begon te fluiten in de keuken.

Na drie kopjes thee en een uur delibereren nam de Maandvergadering van Westerdam een notule aan waarin werd vastgelegd dat Quakers in deze tragische tijden het als hun eerste plicht zagen hun vriendschap en begrip voor alle mensen te behouden. Na het voor God te hebben gebracht, had de Maandvergadering besloten te wachten met het maken van concrete plannen tot God duidelijk had gemaakt welke taak Hij voor hen had weggelegd. Hierna ging iedereen haastig naar huis, vanwege de avondklok die om tien uur begon.

Alleen achtergebleven tussen de vuile theekopjes en de lege schalen, bepraatte Jacob de samenkomst met zijn dochter. Misschien was het niet fair om kwaad op hen te zijn; zes onder hen waren bejaarden, de zevende, Sam, leed aan de beroepsziekte van ambtenaarlijke muggezifterij. Jacobs verwachting dat hij hen zou kunnen inspireren met heilig vuur was, op de keper gezien, nog wereldvreemder dan de notule die zij hadden aangenomen. Maar Laura was jong, intelligent, hij moest haar ogen openen voor de onmenselijkheden die hen te wachten stonden onder de nazi-bezetting. ‘Nazi’, niet ‘Duitse’; de Maandvergadering had besloten de bezettende macht niet als Duitsers te definiëren, want dat was een onoirbare generalisatie. Quakers zouden van nu af aan alleen het woord ‘nazi’ gebruiken.

Terwijl zij de vaat stonden af te wassen in de keuken vertelde hij Laura over dingen die hij met eigen ogen gezien had bij zijn bezoeken aan Duitsland: de nacht van het gebroken glas, toen doodsbange joodse gezinnen opgejaagd werden door de straten van München nadat de ramen van hun winkels en hun huizen waren ingegooid; de jonge jood die hij had getracht te helpen aan een Hollandse verblijfsvergunning, maar die op het station Oldenzaal met de ketting over de grens was teruggesleurd door de Nederlandse marechaussee en aan de wachtende SS-ers uitgeleverd, terwijl de radio in de stationswachtkamer een toespraak van eerste-minister De Geer uitzond, die eindigde met het versje: ‘De mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest, maar dat nooit op komt dagen.’ Niemand in de Maandvergadering had er enig idee van wat de Hollandse joden te wachten stond. De joden zelf bleken even goedgelovig en vol vertrouwen; hij had vanmorgen met zijn collega Brandeis gepraat en het was hem gebleken dat de man pathologisch optimistisch was: ‘De Duitsers zijn ten slotte een volk met respect voor de wet’ - en hij had vijf kinderen.

‘Maar Vadertje,’ zei Laura, ‘kan het niet zijn dat hij domweg bang is? Hoe zou jij je voelen als je net als Brandeis jood was, en de Duitsers hadden

[p. 7]

Holland bezet? Zou je ook niet proberen jezelf wijs te maken dat het zo'n vaart niet zal lopen? Wat kan hij anders doen? Waar kan hij naar toe?’

Hij keek haar aan, de handdoek in één hand en een theekopje in de andere. ‘Ja,’ zei hij, ‘je hebt gelijk.’ Hij droogde het theekopje af en zette het bij de andere in de kast. ‘Ik kan het niet helpen. Ik ben ondersteboven, vandaag. Ik weet dat God iets van mij wil, maar ik weet niet wát.’

Ze droogde haar handen af en sloeg haar armen om zijn hals. ‘Ik geloof dat je God de tijd moet geven. Wees niet zo ongeduldig.’

Opeens werden de spanning en de eenzaamheid van die dag hem te machtig. Hij kon zijn tranen niet langer bedwingen. Zij nam hem mee naar zijn stoel en dwong hem te gaan zitten; de hond legde zijn kop op zijn dij en kwispelstaartte vol verwachting.

‘Zie je wel,’ zei ze, alsof hij een kind was, ‘hij wil óók op je schoot gaan zitten. We willen allemaal op je schoot gaan zitten.’

‘O, Lil- Laura...’ snikte hij, en hij kuste haar hand. ‘Wat zou ik zonder jou moeten beginnen?...’ Bijna praatte hij over Lily, maar hij wist dat als hij het er nu uit zou flappen, hij Laura belasten zou met zijn wanhoop en zijn eenzaamheid, en het kind zou niet weten hoe ze die moest hanteren. Ze leek wel volwassen, maar ze was ten slotte pas zestien. Zij eindigden met gemeenschappelijke samenkomst te houden, hand in hand; de hond ging met een teleurgestelde zucht naast de stoel liggen en viel in slaap. De stilte was vol tederheid; veel dingen die hij niet kon uitspreken leken erin uitgedrukt te worden. Toen kuste hij haar hand, zij kuste de zijne, ze wensten elkander welterusten en gingen naar bed. Gewoonlijk liep hij een blokje om voor het slapen gaan om de hond uit te laten, maar dat kon nu niet meer vanwege de avondklok. Hij liet Caesar uit in de achtertuin, wachtte tot hij terugkwam en grendelde de keukendeur. Toen draaide hij de lichten uit en ging naar zijn slaapkamer. Hij verwachtte dat hij lang wakker zou liggen, maar viel vrijwel onmiddellijk in slaap. Het leek alsof hij maar een paar minuten had geslapen toen iemand op de rand van zijn bed ging zitten, zijn hand zocht en fluisterde: ‘Jacob?’

Hij opende zijn ogen. ‘Wat - wie is daar?’

‘Ik ben het Jacob, stil...’

Hij besefte met een schok wie het was. ‘Lily? Wat doe je hier?’

‘Sst, liefste, sst!’ zei ze, en streelde zijn hand. ‘Ik ben alleen maar even gekomen om je te vertellen dat je niet bang moet zijn. God zal je gebruiken voor Zijn eigen doel, maar je moet niet bang zijn.’

‘Lily!...’

‘Ssst...’ Zij streelde zijn hand, sussend, op de manier waarop ze het vroeger zo dikwijls had gedaan, toen ze nog leefde. ‘Wat er ook gebeurt,’ zei ze, ‘wees niet bang. Ik ben bij je. Ik ben altijd bij je. Nu, ga maar weer lekker slapen. Kom...’

‘Lily!’ Hij graaide naar haar hand, maar kon die niet vinden. Zij was weg.

Hij knipte het licht aan. Het was een duidelijke droom geweest, duidelijker dan hij ooit gedroomd had. Hij bleef lang zitten staren naar de plaats waar zij gezeten had, naar zijn hand. Geen twijfel aan: ze wás bij hem geweest. Daar had zij gezeten, dáár, op de rand van het bed. Was het wel een droom geweest? Hij stond op, deed zijn sloffen en zijn kamerjas aan en ging naar

[p. 8]

beneden om, aan zijn werktafel, alles neer te schrijven.

Hij schreef langer dan een uur. Het begon als een rapport, maar het werd een brief aan Lily, waarin hij haar vertelde over zijn eenzaamheid, zijn twijfel, zijn verlangen, zijn hunkering om met haar herenigd te worden, de last van zijn verantwoordelijkheid voor Laura, die hij nu alleen moest voorbereiden op het leven. Hij vertelde haar hoe hij erover had gedacht een geschikt iemand te trouwen, om het kind een moeder te geven, maar dat hij het niet kon, zelfs niet voor Laura. Als Laura er niet was geweest, zou hij een eind aan zijn leven hebben gemaakt.

‘Lily! Ik kan niet zonder je, lieve schat. Ik kan het niet, ik kan het niet! Maar het moet, vanwege Laura. Ik moet je ook vertellen dat ze de laatste tijd erg lief, erg wijs, erg volwassen geworden is, alsof ze probeert je plaats in te nemen, zoals ik probeer jouw plaats voor haar in te nemen. O, Lily, liefste, ik kan je niet zeggen wat je bezoek voor mij betekend heeft. Het heeft me nieuwe levenskracht gegeven. O, liefste, liefste schat van me...’

Hij bleef schrijven, terwijl de hond aan zijn voeten zachtjes jankte in zijn droom.

terug  begin  verder