terug  begin  verder
[p. 9]

Twee
Winter 1941/1942

Het volgend jaar, toen het begon te winteren, vroeg Vader Laura op een zaterdagmiddag, na school, om haar koffertje te pakken, want zij gingen voor het weekend naar de woonark. Ze had een bende huiswerk, het was bitter-koud, de boot was al maanden geleden afgesloten voor de winter; maar ze gehoorzaamde. Hij wilde blijkbaar ergens over praten en ze hoopte dat hij dat zou doen; er was iets met hem, de laatste tijd, hij deed achterbaks.

Ze gingen op de fiets; Caesar in het mandje op zijn bagagedrager, hun koffertje op de hare. Het was een twintig kilometer lange rit, en er stond een snijdende oostenwind; maar toen ze de stad uit waren en de straatweg naar het meer insloegen hadden ze de wind in de rug. Laura begon er plezier in te krijgen.

Het dorpje waar de woonboot lag leek uitgestorven; maar hier en daar kringelde rook omhoog uit de schoorsteen van een van de lage boerderijtjes, beladen met sneeuw. Er was niemand in de straten, alleen honden, die woedend tegen Caesar blaften. Die ging tekeer als een razende in zijn mandje; ze was blij dat Vader hem achterop had en niet zij.

De woonboot lag met een platte hoed van sneeuw op aan de rand van het bevroren meer. Ganzen gokkerden hoog boven hen; het geluid verdiepte de eenzaamheid van de winterdag. Vader deed de voordeur open met de sleutel, hij ging met moeite open vanwege de sneeuw. Ze haalden ieder een armvol houtblokken binnen uit het schuurtje en maakten het vuur in de open haard aan. Nadat ze een mok chocola hadden gedronken bij het vuur namen ze Caesar mee voor een wandeling rond het meer. Het was zo koud dat je de vorst kon horen kraken in de droge lucht; het landschap leek nog eindelozer nu de bomen kaal waren dan in de zomer; de strakke lijn van de horizon was overal zichtbaar tussen de wazige pluimen van de populieren. Caesar snuffelde dom naar konijnen en joeg een paar kraaien op, zwarte heksen in het witte landschap die boos krasten; Vader en zij wandelden arm in arm in stevige pas om warm te blijven; hun adem bevroor op hun mantels. Toen zij thuiskwamen tintelden haar wangen en Vader zag er vrolijker uit dan hij in maanden gedaan had.

Nu het vuur een tijdje gebrand had was het binnen warm en gezellig. Zij aten een broodmaaltijd voor het vuur, met een fles wijn die ze in de kast gevonden hadden. Ze hoopte dat de wijn zijn tong zou losmaken, maar hij zei niets.

Na het eten zaten zij voor het vuur met mokken hete koffie en hij las voor uit Winnetou's Dood van Karl May, terwijl zij naar de vlammen staarde en Caesar op zijn rug voor het vuur lag te slapen. Als kind was zij gek geweest op dit boek, maar nu leek het ouderwets en weemoedig, want zij zag zichzelf weer zoals ze toen geweest was: een mager meisje in een ijzeren bedje, dat

[p. 10]

probeerde hem zo lang mogelijk te laten blijven door aldoor te zeggen: ‘O, wat spannend, ga door, ga door!’ alleen maar omdat ze bang was in het donker.

Terwijl hij zat voor te lezen vergat ze de woorden en dagdroomde met zijn stem op de achtergrond over hoe het zijn zou als zij altijd bij elkaar zouden blijven. O, wat zou ze hem gelukkig maken, en wat zou ze zelf gelukkig zijn!...

Nadat hij klaar was met voorlezen gingen zij als vanzelf de stilte van een samenkomst binnen, voor het slapen gaan.

 

***

 

De hele dag had hij zichzelf er niet toe kunnen brengen het uit te spreken, maar toen ze zijn hand kuste bij het breken van de samenkomst zei hij ineens: ‘Laura, ik heb een Rode Kruis-bericht naar Amerika gestuurd, naar Grootmoeder.’

‘O? Wat heb je gezegd?’

‘Laura goed. Ik zelf geroepen tot een moeilijke getuigenis. Bid voor ons.’

Zij keek hem fronsend aan. ‘Wat voor getuigenis?’

Nu, het was zover. ‘Ze hebben me gevraagd me aan te sluiten bij een ondergrondse organisatie die joodse zuigelingen onderbrengt bij arische families. Ik kan je natuurlijk niet zeggen wie er verder nog deel van uitmaken, maar het is een oecumenisch iets; er zitten protestanten in en katholieken, zelfs een communist. Ik zou de enige Quaker zijn. Ik - ik voel heel sterk dat ik dit doen moet...’

Ze wilde hem in de rede vallen, maar hij ging verder: ‘Ik weet dat voor jou en voor andere mensen de oorlog zo'n beetje op de achtergrond geraakt is, maar dat is niet zo voor onze joodse buren. En ook niet voor mij. Ik - ik heb dit weekend vrij genomen om er met jou over te praten.’

Zij keek hem ernstig aan. ‘Je moet doen wat je doen moet, Vadertje,’ zei ze. ‘Je kunt op mij rekenen. Altijd.’

Hij was erdoor ontroerd. ‘Maar ik wil jou niet in gevaar brengen, Laura. Je bent pas zeventien...’

‘In maart word ik achttien.’

‘Ik kan niet iets ondernemen waar het risico in zit dat jij onbeschermd zou achterblijven. Begrijp je dat?’

Ze keek naar de vlammen en bleef zo lang stil dat hij dacht dat ze het verder aan hem overliet. Toen zei ze: ‘Maar je hebt het Grootmoeder al verteld.’

‘Ik heb het bericht geschreven, nog niet verstuurd.’

Zoals ze daar naar de vlammen zat te staren was ze erg jong. Ten slotte zei ze: ‘Je moet het niet laten vanwege mij. Ik wil je helpen, niet tot een last zijn.’

Hij nam haar hand, en opeens wilde hij dat zij zo voor altijd konden blijven zitten, buiten het bereik van de oorlog. Nu hij het haar verteld had, had hij ineens niet zoveel zin meer om zich bij de groep aan te sluiten. De taak om haar veilig door haar puberteit heen te helpen, om zowel vader als moeder voor haar te zijn, was genoeg.

[p. 11]

Ineens lichtte Caesar zijn kop op en gromde; toen hoorden zij een dof gedreun in de verte en een geronk hoog in de lucht. Niettegenstaande de avondklok gingen zij naar buiten in de donkere, vorstige nacht. In de verte, boven de fabrieken van Noorderdam, tastten de zilveren linialen van zoeklichten de hemel af, tussen het vuurwerk van ontploffende granaten. Het leek onschuldig, opwindend, een schouwspel; het was moeilijk om je voor te stellen dat er mensen werkten in die verre gebouwen en er misschien doden vielen. Zij stonden te kijken, hij met zijn arm om haar schouders; twee roerloze zwarte figuurtjes in de sneeuw, tot het voorbij was. Toen gingen zij naar bed en ontdekten dat er geen dekens waren. Laura was er erg door van streek, zij had vergeten dat ze die de vorige keer mee had genomen om te laten stomen, nu waren ze opgeborgen in de dekenkist op de vliering thuis. Hij zei dat ze dan maar samen in één bed moesten gaan liggen, met sokken en kleren aan en hun overjassen over zich heen.

Dat deden ze. Zij viel in slaap met haar hoofd op zijn schouder, net als Lily dat placht te doen. Opeens miste hij Lily ontzettend. Was het waar dat de dood alleen maar een horizon was? Hij had de oude Quaker-formule boven zijn werktafel geprikt, een paar dagen na haar dood, toen hij die in een boek had gevonden, alsof hij geleid werd. Het leven is onsterfelijk, de liefde eeuwig, de dood een horizon, en de horizon is niets anders dan de begrenzing van ons gezichtsveld. Het was een gedachte waar hij in het verleden veel kracht in gevonden had. Nu, terwijl hij daar lag met Laura's hoofd op zijn schouder, vroeg hij zich af of het geen illusie was, of Lily niet opgelost was in het niets, in de zwarte vergetelheid. Toen hij ten slotte in slaap viel hoopte hij dat hij opnieuw over Lily zou dromen, maar toen hij wakker werd kon hij zich alleen maar herinneren dat hij van eten had gedroomd.

Het was 's nachts gaan dooien; op de terugweg werden zij overvallen door regen en kwamen doorweekt aan. Caesar, half zo groot, huiverde in zijn mandje. Jacob nieste toen hij het warme huis binnenging, en die avond voelde hij dat hij verkouden werd. Dat gaf de doorslag: hij kon zich niet bij een ondergrondse verzetsgroep aansluiten zolang hij een verkoudheid had. Hij moest er nog maar eens over nadenken, niet over één nacht ijs gaan.

Laura verwende hem alsof ze op de gelegenheid had gewacht. Hij noemde haar op een gegeven moment ‘Lily’, maar ze merkte het niet. Lily had hem nooit op deze manier verwend; maar ze had het dan ook altijd erg druk gehad met het huishouden en het kind.

 

***

 

Drie maanden later, in het vroege voorjaar van 1942, kwam Laura thuis met Jaap de Mellard, een klasgenoot, en ontdekte dat Vader er nog niet was. Hij had beloofd dat hij om vier uur thuis zou zijn, maar de portretten van Margaret Fell en George Fox boven zijn bureau waren verwisseld, het afgesproken teken dat hij weggeroepen was voor een ‘opdracht’.

Laura maakte zich niet ongerust over hem, maar ze had Jaap alleen maar mee naar huis genomen om hem aan Vader voor te stellen. Die had er de laatste tijd zo over gezeurd dat zij toch eens met iemand van haar eigen leeftijd uit moest gaan, dat ze Jaap had meegebracht om haar goede wil te

[p. 12]

tonen. Nu dacht de jongen natuurlijk dat ze hem uitgenodigd had omdát Vader niet thuis was; ze had de kamerdeur nog niet dicht of hij gaf haar een kus. Hij deed het met zo'n verrassende autoriteit dat ze zich niet verweerde; toen begon ze hem terug te kussen. Ze eindigden op de canapé, maar toen hij begon te frummelen aan haar onderkleding zag ze kans hem weg te duwen en stuurde hem de deur uit.

Ze bleef alleen achter, opgewonden, een beetje in de war. Ze besefte pas hoe laat het was toen ze Caesar klaaglijk hoorde janken. Ze gaf hem een bakje voer, zette hun eigen avondeten op een laag pitje en ging op de bank liggen denken over Jaap, het leven, de toekomst. Opeens wilde ze dat Moeder er nog was, om mee te praten. Zou ze Vader over Jaap vertellen? Hij zou er wijs en kalm op trachten te reageren, maar toch niet in staat zijn om zijn jaloezie te verbergen. Hij was verschrikkelijk jaloers; niettegenstaande die praatjes dat ze met jongens van haar eigen leeftijd uit moest gaan en dat het ongezond was voor een jong meisje om almaar met haar vader opgesloten te zitten, wist ze dat hij geschokt zou zijn. Er was zelfs kans dat hij, op zijn impulsieve, malle manier, opeens zou besluiten om te hertrouwen. Had hij misschien al iemand? Was dat de reden waarom hij er de laatste tijd steeds op aandrong dat ze met jongens uit moest gaan? Wie? Iemand van kantoor? Die juffrouw Vink? Die burgertut, met dat geaffecteerde stemmetje, die uit haar bek stonk? Opeens ontdekte ze dat ze net zo jaloers was als hij.

 

***

 

Toen Jacob de hoek omsloeg en de straat wilde binnengaan zag hij dat er iets mis was bij de Cohens. Voor het huis stond een Duitse vrachtwagen; mannen in groene uniformen liepen over het gazon en probeerden de garage open te maken.

Hij wist de opwelling om te vluchten de baas te worden en bleef staan kijken. Opeens werd de voordeur van het huis opengesmeten en hij zag tot zijn ontzetting hoe de Cohens naar buiten werden gesleurd, de vrouw met de baby op haar arm die hij had moeten afhalen. De vrouw was volkomen hysterisch; van alle kanten kwamen mensen uit hun huizen aangehold om te kijken. Als hij bleef staan waar hij stond zou hij verdenking opwekken; hij voegde zich bij het groepje toeschouwers.

Terwijl ze de vrouw de vrachtwagen induwden begon een hondje woedend te keffen. Een van de mannen in de groene uniformen gaf het diertje een harde, gemene trap en riep: ‘Raus! Judenhund!’ Het hondje vloog door de lucht en smakte op straat. Daar lag het, op zijn kant, stuiptrekkend met zijn pootjes. De baby huilde in de vrachtwagen, iemand onder de toeschouwers riep: ‘Jullie moesten je schamen!’

Een officier vroeg: ‘Wer war das?’

Er kwam geen antwoord. De baby huilde, het hondje lag nu stil.

‘Identiteitskaarten!’ riep de officier.

De mannen van de Grüne Polizei mengden zich onder de menigte. ‘Schnell, schnell! Papiere!’

Het was Jacobs derde opdracht, maar de eerste keer dat hij met eigen ogen zag hoe de Duitsers de joden behandelden. Het was zo monsterachtig, met

[p. 13]

zo'n wreed geweld, dat hij zich afvroeg, voor het eerst, of zijn principiële verdraagzaamheid tegenover het onverdraaglijke niet een illusie was. Op dat moment leek het wereldvreemd om aan het goddelijke te appelleren in bruten, die een hondje dood konden trappen omdat het een jodenhondje was, en een moeder met haar zuigeling in een vrachtauto...

‘Papiere!’ Het bevel was tegen hem gericht. De Grüpo die met uitgestrekte hand voor hem stond was dezelfde die het hondje geschopt had. Een jaar of twintig, blond, blauwe ogen. Welke duivel was er in die jongen gevaren?

‘Papiere, Mensch!’

Hij zocht in zijn binnenzak naar zijn persoonsbewijs; opeens gilde een hysterische stem uit de vrachtauto: ‘Jacob! Alsjeblieft, alsjeblieft, neem m'n kindje mee! M'n kindje, Jacob! Jacob!’

Het was mevrouw Cohen, verschrikkelijk overstuur; haar man, achter haar, trachtte tevergeefs haar tot bedaren te brengen. Terwijl Jacob aan de grond genageld stond krijste zij tegen de Duitse officier: ‘M'n kindje heeft niets gedaan! Alsjeblieft, majoor, kapitein, alsjeblieft, laat hem m'n kind meenemen! M'n kindje is onschuldig!’

‘Esther!’ Haar echtgenoot sloeg zijn armen om haar heen. ‘Wat doe je, in Godsnaam?’

De officier kwam naar Jacob toe met laconieke, bijna verwijfde stappen. Zijn gezicht was gebruind, zijn ogen hadden dezelfde uitdrukking als die van de jongen. ‘Kennen Sie diese Dame?’

Jacob raakte in paniek. ‘Ja, nee, dat wil zeggen, ik ken de baby...’ Het was een idioot antwoord, maar er flitsten alleen idiote gedachten door zijn hoofd.

‘Hoe dat zo?’ vroeg de officier, op rustige gesprekstoon. ‘Bent u familie?’

‘In zekere zin...’ stamelde Jacob. ‘Ik bedoel - in zekere zin is het mijn baby...’ Het was een wanhoopssprong.

‘U bedoelt, u bent de vader?’

Hij kon geen woord meer uitbrengen. Zijn benen begonnen te beven. Opeens gilde de vrouw uit de vrachtwagen: ‘Ja ja! Hij is de vader! Mijn kind is niet joods! Kijk, kijk maar, ze is arisch! Vraag het hem maar, officier, vraag het hém, ze is arisch, het is zijn kind!’

Een ogenblik leek het of, als door een wonder, het kind nog kon worden gered, toen riep meneer Cohen uit: ‘In Godsnaam, Esther, schei toch uit! Je maakt alles alleen maar erger met die leugens! Ga naar huis, meneer Jacob, laat u ons nou maar voor onszelf zorgen! De Duitsers mogen streng zijn, maar het zijn geen beulen! Er zijn wetten, er zijn voorschriften waar ze zich aan moeten houden...’

‘Dwaas!’ gilde mevrouw Cohen. ‘Dwaas! Moordenaar! Wat kan het jou schelen of ik zeg dat hij de vader is? Ik wil m'n kind redden!’

Jacob wilde weg, zo gauw mogelijk weg. Hij was in de val gelopen. Hij had zich moeten omdraaien toen hij zag dat er Duitsers voor de deur stonden. Nu was het te laat.

‘Stapt u dan ook maar in,’ zei de officier, bedaard. ‘Dit moeten anderen maar uitzoeken. Stap in, alstublieft.’

‘Maar, kapitein...’ stamelde Jacob.

Opeens krijste de man: ‘Einsteigen, verdammter Judenfreund!’

[p. 14]

Dodelijk verschrikt klom Jacob de vrachtwagen in, struikelde, viel op zijn knieën; meneer Cohen hielp hem overeind en fluisterde: ‘Het spijt me, het spijt me ontzettend, ik...’ De klep van de vrachtwagen werd opgeklapt, een ketting rinkelde toen een Grüpo hem afsloot.

‘O, mijn God, mijn God!’ kermde mevrouw Cohen. ‘M'n kind, God, m'n kindje!’

‘Kom, Esther, kom, geef haar nou maar aan mij,’ zei haar man sussend. Maar ze keek hem aan met zo'n haat dat hij ervan terugdeinsde.

‘Moordenaar!’ gilde ze. ‘Imbeciel! Ik had Philip moeten trouwen!’ Toen overhandigde zij Jacob het kind.

‘Dank u,’ stamelde Jacob. O Laura, Laura, dacht hij, wat heb ik gedaan?

De vrachtwagen zette zich in beweging. Toen hij wegreed zong iemand onder de toeschouwers: ‘Dat 's Heren zegen op u daal.’

 

***

 

Toen Caesar begon te blaffen dacht Laura dat het Vader was, maar het was Sam Wijnhof; hij leek erg opgewonden. ‘Je vader is gearresteerd!’ hijgde hij, zodra ze de voordeur opendeed; hij was zo zenuwachtig dat hij probeerde zijn fiets naar binnen te duwen in het halletje.

‘Gearresteerd?’ Ze voelde zich opeens schuldig. Terwijl zij en Jaap de Mellard ... ‘Hoe weet je dat?’

‘Ik heb hem gezien! Ik heb hem binnen zien brengen! Ik kwam net mijn kantoor uit om weg te gaan, toen zag ik hem: samen met een man en een vrouw, hij had een baby in zijn armen. Ze werden binnengebracht door de Grüne Polizei. Wat heeft hij in Godsnaam uitgevoerd?’

Verschrikt trachtte zij Caesar tot bedaren te brengen die woedend achter haar stond te blaffen. Toen zag ze bij de Van Loons iemand achter de glasgordijnen naar hen gluren. ‘Kom binnen, vlug,’ fluisterde zij.

Sam zette zijn fiets tegen de vensterbank. Eenmaal binnen leek hij nog opgewondener. ‘Ze kunnen ieder ogenblik hier komen,’ fluisterde hij. ‘Heb je papieren of inlichtingen of lijsten, waar ze de hand op zouden kunnen leggen?’

‘Ik moet naar hem toe,’ zei ze, en ze nam haar regenjas van de kapstok.

‘Niet doen!’ riep Sam, en greep haar arm. ‘Nu niet, in Godsnaam! Ze zouden jou gebruiken om hem aan het praten te krijgen!’

‘Maar wat heeft hij dan gedaan?’

‘Ik weet het niet! Dat moet jij beter weten dan ik! Het enige dat ik weet is dat hij binnengebracht werd met een man en een vrouw met een kindje; de vrouw was aan het huilen en de man ... Waar was hij bij betrokken? Ik weet dat hij ergens bij betrokken was, wat, wat?!’

‘Iets met joodse baby's...’

‘We moeten zijn bureau doorzoeken om te zien of er ergens papieren zijn waardoor hij in moeilijkheden kan raken!’ Hij duwde haar opzij en ging de zitkamer in.

‘Maar Sam, ik weet zeker dat hij geen papieren heeft. Ik...’

‘Jij kent ze niet! Ik wel! Ik moet iedere dag met die mensen werken! Als ze eenmaal tot een huiszoeking overgaan scheuren ze het behang van de muur!

[p. 15]

Alles halen ze overhoop! Ze - kom, vooruit, laten we vlug kijken, vlug! Is die la op slot?’

Zijn paniek werkte aanstekelijk; samen trokken ze de laden uit Vaders bureau en draaiden ze om, de inhoud slordig over het tapijt verspreidend.

‘Wat hebben we hier?’ vroeg hij, in een map bladerend. ‘Brieven, in het Engels...’

‘Het zijn brieven van Oma.’

‘Verbranden!’

‘Maar waarom, Sam?’

‘Omdat ze in het Engels zijn!’ Zijn ogen waren nu vol paniek, zijn gezicht zo wit als een doek. ‘Alles wat Engels is, is sowieso verdacht in hun ogen! God-weet denken ze dat hij een spion is voor de geallieerden!’

‘Maar Sam, brieven van Oma Best, de moeder van mijn moeder! Ze is een oude Quaker...’

‘Het kan me niet schelen van wie ze zijn!’ Sam gooide de map op een stoel. ‘We moeten ze verbranden, vlug, vooruit! Verbranden!’

Ze wist dat hij overstuur was, maar ze kon zich niet aan de zuigkracht van zijn paniek onttrekken.

‘Hier!’ riep hij uit. ‘Hier, hier hebben we het!’ Hij hield een papier omhoog.

Ze wilde het van hem afnemen, maar hij vouwde het op en stopte het in zijn binnenzak. ‘Laat mij dat maar doen,’ zei hij. ‘Ik zal het zelf wel verbranden.’

‘Maar wat is het, Sam? Laat nou 's kijken!’

‘Het is de lijst van de leden van het Genootschap, met al onze namen en adressen erbij.’

‘Maar Sam...’

‘Jij weet niet waar je het over hebt! Jij kent de Duitsers niet! Nou, laten we vlug nog even kijken of er iets anders is. Wat heb je daar?’

Zij keek naar de blocnotevelletjes, door Vader beschreven, die zij uit de la had gehaald. ‘Vannacht werd ik wakker midden in de nacht omdat iemand op de rand van mijn bed ging zitten en mijn hand aanraakte.’

‘Wat is dat?’ drong Sam aan.

‘Niets.’ Zij vouwde de velletjes op. ‘Dit is persoonlijk.’

‘Laat kijken, Laura! Laat kijken! Jij kunt niet beoordelen...’

Opeens had zij er genoeg van. ‘Sam Wijnhof,’ zei ze, met rustige beslistheid, ‘je hebt gevonden wat je zocht, maak nu dat je wegkomt. Ik zal de boel hier wel opruimen.’

‘Laura, ik verzeker je...’ Maar zijn vertoon van autoriteit begaf het op slag.

‘Maak dat je wegkomt, Sam, voor ze je hier vinden,’ zei ze, zonder haar minachting te verbergen. ‘Je hebt het zelf gezegd: ze kunnen ieder ogenblik hier zijn.’

Hij stond op en stofte zijn knieën af; het was duidelijk dat hij blij was te kunnen vluchten. ‘Maar er kan nog iets anders zijn ... We weten niet wat er nog meer in die laden zit...’

‘Ik kan heus wel beoordelen wat incriminerend zou zijn voor anderen,’ antwoordde zij koel.

‘Je begrijpt me verkeerd,’ protesteerde Sam, ‘ik ben hier niet alleen maar

[p. 16]

gekomen om...’

‘Sam,’ zei ze, terwijl ze hem naar de deur duwde, ‘het kan me niet schelen waarom je gekomen bent, ik wil dat je weggaat, nu! Vooruit, ga weg!’

Caesar begon weer te blaffen.

‘Je moet niet hier blijven,’ protesteerde hij, ‘je moet mee - ik breng je naar - naar vrienden. Heb je vrienden waar je kunt logeren?’

‘Maak je geen zorgen over mij,’ zei ze, en ze opende de voordeur. ‘Ik kan voor mezelf zorgen. Goeienavond.’

‘Ik ga de anderen waarschuwen,’ zei hij, toen hij met zijn fiets bij het hek stond, ‘Ik kom aanstonds terug met de anderen, en dan houden we samenkomst...’

Ze smakte de deur dicht.

Pas toen ze alleen was drong het tot haar door wat er gebeurd was: Vader was gearresteerd. Ze had altijd geweten dat het gebeuren kon, maar ze had er nooit in geloofd. Wat hij en ‘de groep’ aan het doen waren, was volkomen onschuldig vergeleken met het opblazen van ammunitiedepots of het inbreken in gemeentehuizen om persoonsbewijzen te stelen. Hij zou wel gauw terugkomen. Het kon gewoon niet dat Vader, die door en door lieve man, door de Duitsers als een bedreiging beschouwd zou worden. Het ergste dat had kunnen gebeuren was dat ze hem betrapt hadden met een joodse zuigeling in zijn armen. De Duitsers konden dat toch niet als een misdaad beschouwen? Wie weet waren ze zelfs wel geroerd door het schouwspel van de onhandige man die probeerde baby's te verstoppen. Ze ging op de bank zitten en vouwde de blocnotevelletjes open die Vader beschreven had.

‘Ik heb nooit eerder zo iets meegemaakt. Het was beslíst geen droom. Ze was ook niet een spook of een geest. Ze zat daar, volkomen werkelijk, levend. Ik kon haar aanraken, net als toen ze nog leefde. Ik heb altijd moeite gehad met het verhaal van de Wederopstanding, ik dacht dat wat de apostelen zagen een visioen was, of een droombeeld, maar ik weet nu dat het absoluut mogelijk is dat een overledene terugkomt, ademend, warm, bezorgd, teder, precies zo als ze tijdens haar leven was, alsof ze nooit gestorven was, alsof haar afgrijselijke ziekte, haar uiteindelijke wanhoop en doodsangst de droom waren. Want daar zat ze, op de rand van mijn bed, en ze zei...’

Caesar blafte. Ze schrok zich een aap. De Duitsers? Welnee, dat was Sam Wijnhofs bange verbeelding. Ze ging moedig naar de voordeur, maar aarzelde toch voor ze die opende. Op de stoep stond een man van een jaar of veertig, zonder hoed. ‘Ik ben dokter Leenstra,’ zei hij. ‘Mag ik even binnenkomen?’

Zonder op haar toestemming te wachten voegde hij de daad bij het woord. Hij schonk geen aandacht aan Caesar, die woedend blafte; hij had een dokterstasje bij zich.

‘Mag ik u misschien vragen wat...’

‘Doe de deur dicht,’ zei hij, met rustige autoriteit. Toen de deur dicht was vervolgde hij: ‘Ik ben gekomen om u te halen. Hier...’ Hij opende het dokterstasje en haalde er een wit schort en een verpleegstersmuts uit. ‘Wilt u deze aantrekken? U bent mijn assistente. Uw naam is zuster Winters. Wij zijn op weg naar een bevalling. Mijn auto staat een paar huizen verder. Ik hoop dat deze dingen u passen.’

[p. 17]

‘Ik weet niet wat u van plan was, maar ik dénk er niet over! Ik...’

‘Juffrouw Martens,’ zei de man beslist, ‘dit is niet het ogenblik om lange verhalen te houden. Uw vader is gearresteerd. Hij kent de namen van de leden van onze organisatie. Ik ben ervan overtuigd dat hij die niet zal verraden, zelfs al zouden ze hem martelen, maar als ze ú te pakken zouden krijgen, geloof ik niet dat hij het volhoudt. Het is niet alleen om zijn bestwil of het uwe, maar om het bestwil van iedereen dat u met mij mee moet komen, nú, onmiddellijk. Vannacht logeert u bij mij thuis. Mijn vrouw zal voor u zorgen, het zal u nergens aan ontbreken. Morgen gaat u naar een onderduikadres, ergens op het platteland, waar de moffen u niet kunnen achterhalen. Nu, wilt u zo goed zijn?’

‘Maar ik kan zo maar niet weglopen! Ik bedoel: de hond...’

‘Juffrouw Martens,’ zei de man, dringend, ‘het spijt me, maar we mogen geen minuut verliezen. Maak u geen zorgen over de hond. De buren zullen zich wel om hem bekommeren, anders zal ik er morgen iemand op af sturen. Kom, doe dit uniform aan, zet de muts op en ga mee. Vlug! Ze zullen zonder twijfel onmiddellijk hier op af stuiven, zodra ze erachter komen dat hij een dochter heeft. Vlug!’

Opeens begon ze te beven. ‘Ik - ik ben zo terug...’ mompelde ze en draaide zich om, om zich te gaan verkleden in haar kamer.

‘Nee!’ zei hij, en hij hield haar tegen. ‘Doe dat ding aan over uw jurk. Zet de muts op, en méé! Vooruit!’ Ze gaf zich over. ‘Ze propte de blocnotevelletjes met het verhaal van Vaders droom in de zak van haar schort. Ze wist niet hoe ze de muts moest opzetten; de dokter bitste: ‘Laat zitten! Wat kan 't schelen! Dat doen we wel in de auto. Vooruit, vlug, vlug!’

‘Caesar, dag Caesar...’ zei ze, op het punt in snikken uit te barsten.

Caesar kwispelde toen hij haar naar de deur zag gaan; ze hoorde de dokter zeggen: ‘Af, af! Blijf waar je bent! Af!’ Hij duwde haar naar buiten en trok de deur achter haar in het slot. Hij pakte haar arm en troonde haar mee, het tuinpad af, naar de straat.

Om de hoek stond een auto geparkeerd. Toen hij het portier opendeed en haar uitnodigde in te stappen bedacht ze opeens dat ze hem niet om legitimatie gevraagd had; hij kon wel een Duitse agent zijn. Maar er hing een geur van lysol in de auto die haar geruststelde, en ze gehoorzaamde. Ze reden een tijdje in stilte, ten slotte vroeg zij: ‘Wat is er precies gebeurd?’

Het leek alsof hij op het punt stond het haar te vertellen, maar hij bedacht zich. ‘Het spijt me. U moet het me niet kwalijk nemen, maar hoe minder u weet, hoe beter. Zodra u eenmaal veilig op uw onderduikadres zit, zal ik u alles vertellen wat u weten wilt; vóór het zover is moeten we met de mogelijkheid rekening houden dat de Duitsers u te pakken kunnen krijgen.’ Hij wierp haar een snelle blik toe en glimlachte geruststellend. ‘Niet dat dat waarschijnlijk is. Mijn naam, tussen haakjes, is niet Leenstra, en ik moet u verzoeken, in uw eigen belang, om niet naar de naam op de deur te kijken als we thuiskomen. U begrijpt waarom, nietwaar?’

Zij knikte. Zij reden nog een tijdje rond in stilte. Zij maakte zich zorgen over Caesar, tot het tot haar doordrong dat zij zich eigenlijk zorgen zou moeten maken over Vader. Opeens stond haar hart stil. ‘O, mijn God!’ riep zij uit. ‘Ik heb mijn tasje achtergelaten! Alles zit erin! Mijn persoonsbewijs,

[p. 18]

bonboekje, alles!’

‘Maakt u zich maar geen zorgen,’ zei hij, sussend. ‘U krijgt een nieuw persoonsbewijs, en de rest. U mag zelf uw nieuwe voornaam kiezen. Heeft u een voorkeur?’

‘O, mijn God, nee...’

Hij glimlachte opnieuw. ‘Denk er maar eens over na. Er is geen haast bij. Het zou een naam moeten zijn waar u gemakkelijk aan kunt wennen. Een naam die zo gauw mogelijk de uwe zal worden zonder dat u erbij hoeft te denken.’

‘Maar - maar hoe lang moet ik ondergedoken blijven?’

‘Zo lang als de oorlog duurt, vrees ik. Maakt u zich geen zorgen, u wordt geen gevangene. U zult alleen in de buurt moeten blijven van - vanwaar u uiteindelijk terechtkomt.’

‘Ik weet nog niet of ik het wel doe, hoor!’ Ze zei het met een terugkeer van de beslistheid waarmee ze Sam Wijnhof de deur had uitgewerkt.

Het maakte geen indruk op hem. ‘Ik vrees dat u geen keus hebt, juffrouw Martens,’ zei hij. Toen voegde hij eraan toe: ‘Ik moet eigenlijk ophouden om u met juffrouw Martens aan te spreken. Ik moet vergeten wie u bent en waar u vandaan komt. Bedenkt u non maar een naam, dat is uw eerste taak.’

Ze zei niets, maar haar herwonnen beslistheid kreeg de overhand. Haar eerste taak was om te zien hoe ze haar onafhankelijkheid kon herkrijgen en Vader gaan helpen. Was dat nou werkelijk mogelijk, dat Moeder op de rand van zijn bed had gezeten? Opeens had zij de behoefte om de rest van die droom te lezen; het leek plotseling belangrijk.

Eindelijk hield de auto stil voor een huis in een van de buitenwijken. Ze herkende de straat niet; langer dan een jaar geleden was ze voor het laatst in deze buurt geweest, om een vriendin op te zoeken. Het was haar nu duidelijk dat hij was blijven rondrijden tot het donker werd; zij kwam in de verleiding om naar de naam op de deur te gluren, maar misschien had hij gelijk, hoe minder ze over hem wist hoe beter.

De hal was zwak verlicht door een verduisterde plafondlamp. Zij zag kinderjasjes aan de kapstok, en een driewieler achter de deur; die stelden haar op haar gemak. Toen ging een deur open en een vrouw kwam de gang in die er geërgerd uitzag maar een aardig gezicht had. ‘Waar ben je geweest? Wat was er nu weer?’

‘Dit is, eh ... een vriendin,’ zei de dokter, terwijl hij zijn jas uittrok. ‘Zijn de kinderen nog op?’

‘Natuurlijk! We hebben met het eten op je zitten wachten!’

‘Laten wij eerst haar naar boven brengen. De kinderen mogen hier niets van weten.’

Zijn vrouw keek hem fronsend aan. ‘Maar liefste...’

‘Doe wat ik zeg!’

De vrouw gehoorzaamde. Met een bezorgde uitdrukking op haar gezicht nam ze Laura bij de arm en fluisterde: ‘Kom, ik breng u even naar de logeerkamer...’ Terwijl zij de trap opklommen vroeg zij: ‘Bent u verpleegster?’

‘Nee, uw man heeft dit uniform meegebracht toen hij me kwam halen.’

‘U zult me wel niet mogen vertellen waar het om gaat, hè?’

‘Och, ik zie niet in waarom niet. Een paar uur geleden hebben ze mijn

[p. 19]

vader gearresteerd. Uw man en hij schijnen bij hetzelfde ondergrondse werk betrokken te zijn en hij heeft me hier gebracht om te voorkomen dat de Duitsers me te pakken krijgen.’

‘O, juist...’ Het klonk niet alsof ze het werkelijk begreep. ‘Hier is de logeerkamer ... het bed is nog niet opgemaakt, want de kinderen gebruiken hem als speelkamer...’

Het zolderkamertje zag er ongastvrij uit bij het licht van een naakte lamp aan de zoldering. De vrouw schoof haastig de verduisteringsgordijnen dicht. Het bed was bedekt met poppekleertjes, een teddybeer en een olifantje met flaporen dat, toen het opgepikt werd, Sinterklaas kapoentje begon te tinkelen.

‘Ziezo...’ zei de vrouw en ze trok de sprei recht. ‘Ik neem aan dat u wel trek zult hebben...’

‘O, doet u voor mij geen moeite, ik heb geen honger.’

‘Maar u moet iets eten!’ riep de vrouw uit. ‘Ik breng aanstonds een blad boven. In de tussentijd ... U heeft niets bij u, hè, geen nachtpon, niets?’

‘Nee...’

‘Dat zal ik dan aanstonds in orde maken. Het spijt me, maar de kinderen moeten zich afvragen ... we waren net begonnen met eten. We dachten dat hij wel weer opgehouden zou zijn door een patiënt; dat gebeurt vaak, weet u.’

‘Natuurlijk,’ zei Laura, ‘maakt u zich over mij geen zorgen, mevrouw eh...’

‘Van Tiel,’ zei het arme mens, argeloos. ‘Maar noem me maar Hélène.’

‘Dank je, Hélène.’ Laura voelde opeens een grote sympathie voor haar, bijna medelijden. De dokter was kennelijk net zo'n dilettant in het verzet als Vader. De hele groep leek opeens veel minder indrukwekkend en geheimzinnig; het werd haar duidelijk dat hij bestond uit vriendelijke mannen, op geen enkele wijze voorbereid op dit ondergrondse werk. Wat een knoeiboel, dacht ze, wat zitten we met z'n allen in de knoei.

‘Ik ben dadelijk terug,’ zei de vrouw, en raakte haar arm aan met een gebaar van moederlijke geruststelling. ‘Hoe heet je?’

‘Stella,’ zei Laura, zonder erbij na te denken.

‘Goed, Stella, wees maar niet bang, hoor, maak je nergens zorgen over. Ik ben ervan overtuigd dat jouw vader zó weer vrij komt. Ik weet het...’

‘Dank je,’ zei Laura.

De vrouw ging weg. Waarom had ze zich ‘Stella’ genoemd? Ze had er niet over nagedacht. Misschien was het de beste oplossing: Oma's naam. Stella Best. Daar kon ze gauw genoeg aan wennen. Ze vroeg zich af hoe het met Oma ging, toen begon ze weer over Caesar te denken, en toen pas, met opnieuw een schok van schaamte, over Vader. Hij moest zich vreselijke zorgen maken en erg bang zijn. Wat zouden ze met hem doen? Wat had die dokter ook alweer gezegd over martelen?

Ach, onzin. Het hele geval was overspannen onzin, net als de doodsangst van Sam Wijnhof. Onzin, haar weg te willen moffelen op het platteland, haar van naam te laten veranderen, Caesar achter te laten zonder iemand om voor hem te zorgen, alle lichten in het huis aan te laten, de laden van de lessenaar open, de inhoud verspreid over de grond ... Mijn God, het eten! Ze had een pan stamppot op staan, op een lage pit. Ze moest terug! Ze moest het gas

[p. 20]

afzetten, ervoor zorgen dat iemand zich met Caesar bemoeide! Het was onzin! O, die mannen, de ene was nog erger dan de andere! Ze had zich niet van de wijs moeten laten brengen, ze had een koffertje voor hem moeten pakken, zijn bril erin stoppen, zijn bijbeltje, het avondblad, en dan het gas afzetten en op de fiets naar het raadhuis gaan. Dan had de stakker tenminste een pyjama gehad, en het zou hem duidelijk geworden zijn dat zij de enige was in deze jongensknoeiboel van rovertje spelen die het hoofd koel had gehouden. Wie weet zouden ze haar zelfs permissie geven hem op te zoeken in zijn cel, op de rand van zijn bed te gaan zitten ... Ze haalde de opgevouwen blocnotevelletjes te voorschijn en las verder.

‘“Wees niet bang, Jacob, wees niet bang. Je krijgt een heel moeilijke tijd, je gaat groot gevaar tegemoet, maar wees niet bang, ik ben bij je, ik zal je beschermen. Wat er ook gebeurt en hoe eenzaam je je ook voelt, ik ben bij je, altijd.” Ze zei het zó werkelijk, zó gewoon, zo helemaal als ze was en sprak...’

Zij liet het papier zakken met een gevoel van irritatie. Het kon niet dat Moeder letterlijk op de rand van zijn bed had gezeten en al die dingen gezegd. Het was niets voor Moeder, zoals zij zich haar herinnerde: kortaangebonden, streng, met koude blauwe ogen. O ja, ze had wel eens op de rand van haar bed gezeten, wanneer ze ziek was, maar nooit op de manier die Vader beschreef. Ze deed wel moederlijk en verpleegsterachtig, maar ze had nooit haar ergernis kunnen verbergen over het extra werk, het gesjouw, trap op, trap af, dat het met zich meebracht. Misschien was het niet eerlijk om zo over haar te denken, ze moest toen al dodelijk ziek geweest zijn, ook al wisten ze het nog niet. Arme vrouw, ze moest veel pijn geleden hebben, vooral dat laatste jaar. Maar toch was er iets ongezonds aan de manier waarop Vader in de lorem raakte over die droom, iets kwee's, sentimenteels, iets - nou ja, het waren ten slotte háár zaken niet.

Ze ging het zolderkamertje verkennen om haar irritatie de baas te worden, maar het lukte haar niet. Vooral nu, onder deze omstandigheden, was het verkeerd voor Vader om zich aan zo iets onwerkelijks vast te klampen. Wat hij nodig had was een werkelijke, levende vrouw, niet een hersenschim. O, had ze maar niet naar die idioot van een Sam Wijnhof geluisterd! Had ze haar eigen intuïtie gevolgd, dan zou ze nu zelf op de rand van zijn bed zitten en zijn hand in de hare nemen, levend, werkelijk: Laura, zijn dochter, de enige die hem wérkelijk kende, die precies wist wat hij nodig had: een fles naast zijn bed omdat hij 's nachts altijd een kleine boodschap moest doen, zijn leesbril, zijn slaaptabletten.

Opeens nam ze een besluit. Ze vouwde de blocnotevelletjes op, stak ze in haar bustehouder, trok het verpleegstersuniform uit en ging naar de deur. Ze liet het licht op het zolderkamertje aan om te kunnen zien op de overloop. Ze daalde op haar tenen de trap af, aan de buitenkant van de treden om te voorkomen dat die zouden kraken. Ze zag kans om zonder een geluid te maken de hal te bereiken. Ze hoorde kinderstemmen achter een gesloten deur; ze had de hand al op de knop van de voordeur toen de kinderstemmen plotseling luider werden en er iemand de hal binnenkwam. Ze stond stokstijf, hopend dat wie het ook was niet haar kant uit zou kijken. Toen zei een kinderstem: ‘Pappie? Er is iemand in de hal...’

[p. 21]

Ze draaide zich om. De dokter verscheen in de deuropening, een servet in de hand.

‘Sorry,’ zei ze.

De dokter zei: ‘Ik kom dadelijk terug, kinderen, ik moet even deze patiënt onderzoeken. Kom, Jean-René, ga naar binnen.’ Hij duwde het jongetje de eetkamer in en sloot de deur. ‘Deze kant uit, juffrouw Martens.’

Ze liet zich gedwee meetronen naar een kamer aan de andere kant van de hal, die zijn spreekkamer bleek te zijn. Hij wees op een stoel, zij ging zitten, zelf nam hij plaats achter zijn bureau. ‘Nu, juffrouw Martens, wat heeft dit te betekenen?’

‘Ik ben tot de slotsom gekomen dat dit hele gedoe onzin is. Mijn vader heeft me nodig. Ik wil naar het politiebureau. Eerste vereiste, dunkt me, is dat ik me er zelf van ga overtuigen wat er precies met hem aan de hand is.’

‘Ik - eh - ik heb respect voor uw bezorgdheid,’ zei hij tegen een potlood waarmee zijn zenuwachtige handen speelden, ‘maar ik ben blij dat ik het op het nippertje heb kunnen beletten. Ik kan u verzekeren dat u het er niet beter op gemaakt zou hebben als u zich bij de Aussenstelle zou zijn gaan melden. Integendeel. Ik was niet van plan u dit nu al te vertellen, ik had het willen bewaren voor een geschikter ogenblik, maar nu moet het dan maar.’ Hij legde het potlood neer. ‘Mijn prognose wat uw vader betreft is niet optimistisch. De Duitsers zullen niet rusten voor ze alles uit hem hebben gekregen, vooral de namen van de andere leden van onze groep. Zij zullen hem niet met zachtheid behandelen, vrees ik. Ik weet niet of u op de hoogte bent van het werk waar uw vader bij betrokken was; in normale tijden zou het lachwekkend zijn van onschuld, maar de Duitsers denken er anders over. Op het gebied van de joden zijn ze letterlijk krankzinnig. Dit mag u nooit vergeten, juffrouw Martens. Wij hebben niet met normale mensen te maken, de nazi's zijn krankzinnig, bezeten door een destructieve drift, een sadistische moordzucht die voor normale mensen zoals u niet voor te stellen is, laat staan te begrijpen.’

‘Maar wat gaan ze dan met hem doen?’ vroeg ze, voor het eerst werkelijk bang.

‘Dat kan ik niet met zekerheid zeggen, maar op één ding moet u rekenen: vóór het einde van de oorlog zullen ze hem niet laten gaan. Er kan een proces van komen, misschien ook niet, dat weet je nooit van tevoren. Maar met of zonder rechtszaak, hij wordt zonder twijfel naar een concentratiekamp gestuurd.’

Opeens had ze weer dat gevoel van overdrijving van zijn kant, jongens die rovertje speelden. Het was onzin dat Vader naar een concentratiekamp gestuurd zou worden omdat hij baby's had trachten te redden. Zelfs de Duitsers konden zo iets onschuldigs niet straffen alsof het een misdaad was. Ze mochten krankzinnig zijn, ze bleven mensen.

De dokter raadde haar gedachten. ‘Ik weet, juffrouw Martens, dat het moeilijk te geloven is. Maar, helaas, zo is het. En nu moet ik u verzoeken naar uw kamer terug te gaan. Ik hoop dat u mij niet kwalijk zult nemen, maar in uw eigen belang en dat van anderen voel ik me genoodzaakt om de deur achter u op slot te doen.’

‘O, dat is niet nodig,’ zei ze, haastig. ‘U heeft me overtuigd.’

[p. 22]

‘Dank u.’ Hij stond op. ‘Zullen we dan maar weer naar boven gaan?’

Jammer: hij vertrouwde haar niet, ondanks haar verzekering; nadat hij de deur van het zolderkamertje voor haar had opengedaan sloot hij hem achter haar rug met de sleutel. Nu was ze óók een gevangene, net als Vader. Ze deed het licht uit, opende de gordijnen en inspecteerde het zolderraampje. Het ging gemakkelijk open. Als zij er haar zinnen op zette, zou het doodmakkelijk zijn om uit dit kamertje te ontsnappen. Opnieuw ergerde ze zich over de mannen en hun dilettantistische gedoe. Ze hadden die baby's aan vrouwen moeten overlaten zoals zijzelf. Als ze aan het begin geweten had wat ze nu wist zou ze het zelf zijn gaan doen in plaats van Vader. Maar dat was de put dempen nadat het kalf verdronken was. Nu moest ze overwegen wat haar te doen stond, op een intelligente, georganiseerde manier. Vader was opgesloten in het raadhuis. Ze zou geen kans zien hem te bereiken, dat geloofde ze nu wel. Dan maar géén pyjama, leesbril of slaappillen - dat was ten slotte maar een oppervlakkig ongemak. Het had geen zin nu uit te breken en naar huis terug te sluipen. Ze wist niet precies hoe laat het was, maar het was zeker na spertijd. Ze moest vannacht dan maar blijven waar ze was en haar tijd besteden met alles eens goed door te denken. Met welk plan ze uiteindelijk uit de bus zou komen, ze zou hem niet overlaten aan de troost van een spook.

Ze stond naar de donkerende hemel te turen en zag een station voor zich, in de sneeuw, een zwarte trein gehuld in stoomwolken, gevangenen in lompen met bundels op hun rug; zelf stond ze in een lange wintermantel, haar hoofd bedekt met een sjaal, op het punt om Vader in ballingschap te volgen. Toen herinnerde ze zich dat ze dit gezien had in een Russische film over een liefdespaar, dat naar Siberië werd verbannen. Het laatste beeld was dat van de laatste wagon van de trein, die langzaam wegtrok, in stoomwolken.

Ze deed de gordijnen dicht en knipte het licht weer aan. Wat had Moeder ook alweer tegen hem gezegd?

Ze haalde de blocnotevelletjes te voorschijn en las het hele verhaal opnieuw, van het begin af aan, hoofdschuddend, met een glimlach.

 

***

 

Het was eigenaardig, maar na het hysterische geruzie van de Cohens in de vrachtwagen gaf de onemotionele procedure in de Aussenstelle Jacob een gevoel van opluchting. Eerst werden, aan de balie, zijn naam en persoonlijke details opgeschreven door een Wachtmeister die, terwijl hij bezig was het formulier in te vullen, herhaaldelijk door ondergeschikten werd geconsulteerd en instructies gaf; het hele geval leek teruggebracht tot niet meer dan een verkeersovertreding.

Gedurende het afgelopen half uur had Jacob zich zenuwachtig voorbereid op geweld of marteling en geprobeerd de kracht op te brengen om die te doorstaan. Het geroutineerde invullen van het formulier door de Wachtmeister werkte als een geruststellende anticlimax. Toen hem gevraagd werd naar de godsdienst van de grootvaders van zijn echtgenote antwoordde hij: ‘O, dat waren Quakers.’

De Wachtmeister keek op met, voor het eerst, een blik van interesse.

[p. 23]

‘Quakers? Mijn broer en ik zijn door de Quakers gevoed na de Eerste Wereldoorlog. Aardige mensen. Fijne chocola. Nou, als u zo vriendelijk wilt wezen dit te tekenen...’ Hij draaide het formulier rond. Jacob trachtte te ontcijferen wat hij had ingevuld, maar het was in Duitse letters geschreven. Het leek verstandig om het ding toch maar te tekenen; dat deed hij dan ook. De Wachtmeister zei: ‘Nou, wilt u zo vriendelijk zijn om even daar te gaan zitten, Herr Major Stark is nog bezig, maar dat zal niet lang duren.’ Hij riep een ondergeschikte die zat te typen, en overhandigde hem het formulier. De man klopte op een deur aan het eind van de hal en ging binnen; een paar seconden later kwam hij weer te voorschijn en ging door met tikken.

Jacob zat op de bank te wachten zoals hij vóór de oorlog vaak in het belastingkantoor gewacht had of in het Amerikaanse Consulaat als hij een visum kwam aanvragen. Er zaten nog een paar mensen, op een andere bank, maar die schenen tot een andere categorie te behoren, blijkbaar hadden zij reisdocumenten aangevraagd of de een of andere Ausweis, want na verloop van tijd werden zij aan de balie geroepen, kregen iets overhandigd en verdwenen door de draaideur naar de markt. Jacob vroeg zich af wat er gebeuren zou als hij gewoon op zou staan, net als die mensen, en naar buiten lopen, want niemand leek zich voor hem te interesseren. Na een paar minuten stond hij op en slenterde achteloos de hal rond om naar de aanplakbiljetten en de officiële aankondigingen te kijken; bij de draaideur keek hij naar buiten en zag twee Duitsers in uniform de stoep bewaken. Aan de overkant van de straat stond een Duitse korporaal, die van links naar rechts keek; zodra er een officier aankwam siste hij tegen de schildwachten, die dan een ingewikkeld saluut met hun geweren uitvoerden, strak voor zich uitkijkend, als robotten. Iemand mompelde: ‘Pardon,’ en ging naar buiten door de draaideur. Toen de man de stoep afdaalde kwam de korporaal op hem af, inspecteerde een papiertje dat hem overhandigd werd, stak het in zijn zak en knikte. Dat was het dus: je kreeg een pasje aan de balie als je klaar was. Als hij naar buiten zou lopen zou hij aangehouden worden en meteen teruggestuurd, om het maar zacht te zeggen.

Hij slenterde naar zijn bank terug en ging weer zitten. Hij begon zich ongerust te maken over Laura, want hoe lang zouden ze hem hier vasthouden? Het kind zou zich zorgen maken als hij niet voor de avondklok thuis was. Misschien had ze al gehoord dat hij gearresteerd was; er was geen ander lid van de groep bij geweest, maar dokter Van Tiel, die twee straten verder in zijn auto had zitten wachten op de baby, moest begrepen hebben dat er iets misgegaan was toen hij niet kwam opdagen. Hij overwoog of hij de Wachtmeister zou vragen of hij even zijn dochter mocht opbellen, maar hij besloot dat het beter was om haar er niet bij te betrekken, waar het de Duitsers betrof.

Hij wachtte langer dan een uur. Toen kwam er een meisje in uniform uit de deur aan het eind van de hal, een van die ‘grijze muizen’ vroeg iets aan de Wachtmeister, die opkeek en hem aanwees. Zij wenkte hem, zonder glimlach, maar haar jeugdige vrouwelijkheid was toch geruststellend; het was onwaarschijnlijk dat hij in haar tegenwoordigheid gemarteld zou worden. Hij volgde haar met het hart in de keel, en kwam tot de ontdekking dat de deur toegang gaf tot een gang waar andere deuren op uitkwamen. Zij opende een

[p. 24]

ervan zonder kloppen; het bleek een kantoor te zijn.

Een man in uniform zat achter een bureau midden in de kamer, die ramen had van matglas. Het meisje wees op een stoel voor het bureau, en ging zelf achter een schrijfmachine zitten in de hoek; de man achter het bureau gaf geen blijk dat hij zich van zijn komst bewust was. Hij zat iets te lezen: het formulier dat de Wachtmeister had ingevuld. Hij had de distinctieven van majoor, maar zag eruit als een burger in uniform; hij had donkerblond haar en een snorretje, hij zou een bankklerk kunnen zijn. Achter hem, aan de muur, hing een groot portret van Hitler die er zowel streng als lankmoedig trachtte uit te zien. Het bureau zag er ordelijk uit, met een vloeiblad, ein en aus mandjes, een telefoon, een pennebakje; het leek op zijn eigen bureau.

‘Wanneer was uw laatste contact met de Amerikaanse familie van uw vrouw?’ vroeg de officier, zonder op te kijken.

Het duurde een seconde voor Jacob besefte dat hij werd aangesproken. ‘O, ik heb haar een Rode Kruis-bericht gestuurd, een maand of wat terug.’

‘Aan wie?’

‘Aan mijn schoonmoeder, mevrouw de weduwe Stella Best, Pendle Hill, Indiana.’

‘En wat stond er in dat bericht?’ De stem van de man klonk onpersoonlijk, maar zonder dreiging.

‘De gebruikelijke groeten, en de verzekering dat zowel mijn dochter als ik ons in goede gezondheid bevonden.’ Dat was niet helemaal waar. Hij had dat bericht wel tien keer herschreven om zoveel mogelijk te zeggen in vijftien woorden. Hij dacht dat hij er uiteindelijk in geslaagd was de oude vrouw te vertellen dat hij betrokken was in een Quaker-roeping. Nu vroeg hij zich af waarom hij dat eigenlijk had gedaan. Als ze dat bericht eens zouden achterhalen?

‘En uw dochter? Heeft die nog contact met haar Amerikaanse familie gehad?’

‘O nee, helemaal niet. Ik ben de enige die een bericht gestuurd heeft.’ Misschien was het onverstandig om zo zenuwachtig te antwoorden, maar zodra de man over Laura begon kreeg hij hartkloppingen. Hij moest proberen zich te beheersen, ten slotte deed de man alleen maar zijn plicht. Hij moest een officier zijn van de geheime dienst.

‘Woont zij bij u?’

‘Ja.’

‘Was zij op de hoogte van uw onwettige activiteiten?’

‘Pardon?’ Een spier in zijn rechterkuit begon opeens te bibberen.

De officier legde het formulier op het vloeiblad en keek hem voor het eerst aan. Zijn ogen waren donker en leken beschaafd, intelligent. Toch was er iets angstaanjagends aan hem. Overtuigd dat het alleen maar verbeelding was, trachtte Jacob zich de man voor te stellen onder de douche, dat leek de kortste weg om het goddelijke in hem te bereiken. Hij moest hem ontdoen van alle symbolen: het uniform, het starende portret van Hitler dat over zijn schouder tuurde; hij moest proberen het onvervangbare, unieke individu te bereiken, dat nog nooit eerder op aarde geweest was en er nooit meer...

‘Kom, kom, Herr Martens,’ zei de officier gemoedelijk. ‘U bent een intelligent man, laten we geen tijd verspillen met ontwijkende antwoorden. U wilt

[p. 25]

toch niet dat ik u behandel als de eerste de beste brutale rekel?’

Jacob vroeg zich af hoe die werd behandeld, en slikte zenuwachtig. ‘Nee nee, vanzelf...’

‘Nu dan. Wat was de reden van uw bezoek aan het huis van de jood Cohen, Herr Martens?’

‘Ik - eh - ik zag de opschudding en kwam eens kijken wat er aan de hand was.’

De bruine ogen keken hem met een onpersoonlijke blik aan. ‘De beschuldiging van die vrouw dat u de vader van haar kind zou zijn, wat is daar van waar?’

‘Niets! Helemaal niets...’

‘Waarom wilde ze dan haar kind aan u overhandigen?’

‘Ik - ik weet het niet. Misschien omdat ik er toevallig bij was. Ze leek erg overstuur, en dat valt ook wel te begrijpen.’ Hij was niet voornemens geweest zich in leugens te verstrikken, hij had de man willen benaderen op de manier van de Vrienden, maar om de een of andere reden kon hij niet helder denken, hij flapte het eerste wat hem inviel eruit, zonder nadenken. Hij ging op zijn handen zitten, want hij wilde niet dat de majoor zou zien hoe ze beefden.

‘Had u haar eerder ontmoet?’

‘Ik - ik geloof het niet...’

‘Maar ze noemde u bij de naam.’

‘O? O ja - ja. Misschien - eh - misschien ben ik het vergeten ... Ik ben bankdirecteur, weet u, in mijn vak ontmoet je zó veel mensen...’ Hij voelde zelf dat het verdacht klonk; de rustige manier waarop de officier hem gadesloeg deed zijn leugens nog stunteliger lijken. De man gaf niet de indruk dat hij erdoor geïrriteerd werd; eigenlijk waren zijn geduld en zijn hoffelijkheid indrukwekkend.

‘Herr Martens,’ zei hij, na een stilte, ‘laat ik open kaart met u spelen. Wij weten dat u ter plaatse was om het kind van de Cohens af te halen en ergens op het platteland onder te brengen, voordat de ouders zouden worden afgevoerd.’

Hij wist niet wat te zeggen; het spiertje in zijn kuit begon weer te bibberen.

‘De jood Cohen heeft ons deze inlichting gegeven, in ruil voor een speciale behandeling van hemzelf en zijn familie.’

Jacob staarde hem onthutst aan. Dat kon niet waar zijn! Maar de man had inderdaad de poging van zijn vrouw om het kindje aan hem over te dragen tegengewerkt. God wist hoe hij zelf zou handelen onder die omstandigheden. Misschien zou hij het spoedig te weten komen.

De officier zei met een glimlach: ‘Ik begrijp dat u dat schokkend vindt, dat zou ieder fatsoenlijk mens. Maar wat had u anders van een jood verwacht?’

Opeens besefte Jacob wat zo angstaanjagend was in het beschaafde geduld van de officier; er school een element van krankzinnigheid in. De hele redelijke, quasi objectieve procedure had de verkillende logica van de waanzin. Dezelfde krankzinnigheid staarde hem aan uit de ogen van het portret van Hitler, met die glazige blik van martiale bonhomie. De jood was niet menselijk, maar een verziekte tak, die afgehakt moest worden en vernietigd. Het feit dat het meisje in de hoek begon te typen, leek de krankzinnigheid nog te

[p. 26]

onderstrepen.

‘Dus, Herr Martens,’ vervolgde de officier, ‘als ik u was zou ik de feiten onder ogen zien en er verder niet omheen draaien. Het is jammer dat u het nodig gevonden heeft om uw leven en dat van uw dochter op het spel te zetten voor joden, die geen moraal hebben, geen erecode, geen normale menselijke gevoelens, maar zonder een spier te vertrekken hun eigen moeders zouden verkopen als ze daar beter van konden worden.’ Hij nam het formulier weer ter hand, maar het leek een leeg gebaar; Jacob was voorbereid op de vraag toen die kwam: ‘Wie zijn er nog meer bij deze affaire betrokken, Herr Martens?’

Jacob voelde een grote kalmte over zich komen. Om de een of andere reden verdween zijn angst; zijn gedachten werden opeens helder, en even onpersoonlijk als die van de man tegenover hem. ‘Als ik bij een organisatie betrokken was,’ zei hij rustig, ‘zou meneer Cohen u daar zonder twijfel van op de hoogte hebben gesteld.’

De officier legde het formulier terug op het vloeiblad. ‘Herr Martens,’ zei hij, zonder hem aan te kijken, ‘ik geloof niet dat u beseft hoe dwaas uw tactiek is. U heeft niet met achterlijke boerenkinkels te maken; wij hebben vrijwel heel Europa aan ons onderworpen in een kortere tijd dan enig ander volk dit ooit heeft gedaan, en niet met brute kracht alleen. Wij zijn een intelligent volk, en het wordt tijd dat u dit onder ogen ziet. U bent lid van een organisatie. Ik heb met tientallen groepen te maken gehad die zich onledig hielden met zogenaamd “vreedzaam verzet” en iedere keer sta ik weer verbaasd over de arrogantie van de dilettant.’ Hij sloeg de ogen op en keek Jacob met minachting aan. ‘Wie denkt u eigenlijk dat u voor u hebt? Meneer Cohen weet de namen van de andere leden van uw groep niet, omdat u de enige was met wie hij contact had. Ik heb alles wat de heer Cohen wist uit hem weten te krijgen en dat heeft me geen moeite gekost. Als hij méér had geweten had hij me dat ongetwijfeld verteld. Hij gaat op den duur natuurlijk proberen mij meer te vertellen, hij zal uiteindelijk onschuldige mensen gaan incrimineren omdat hij niet intelligent genoeg is om te beseffen dat er een eind is gekomen aan zijn bruikbaarheid. Ik veronderstel dat u redelijker zult zijn. Dus: wie zijn de anderen, Herr Martens?’

Jacob keek hem sprakeloos aan.

Voor het eerst klonk er een dreiging in de stem van de officier toen hij vervolgde: ‘Ik krijg die informatie natuurlijk uit u, Herr Martens, dat begrijpt u toch zeker? Waarom zouden we het elkaar niet makkelijk maken doordat u me gewoon vertelt wat u weet? Geen van de heren heeft, voor zover ik weet, militaire installaties vernield, of zich schuldig gemaakt aan obstructie van het leger. Het enige dat u gedaan heeft, op een arrogante en dwaze manier, is de wet betreffende het uitroeien van de joodse kanker in onze maatschappij te saboteren, die door de Duitse Volksvertegenwoordiging is aangenomen en door de Führer geratificeerd. U zult daarvoor gestraft worden, evenals de andere leden, maar uw straf zal lichter zijn als u meewerkt in plaats van ons te dwingen methoden te gebruiken die zowel u als ons tegen de borst stuiten. Ik moet erbij zeggen, Herr Martens, voor de vader van een jong meisje is uw houding, om zacht te zeggen, onnadenkend.’

Jacob voelde zich opeens flauw worden. Laura! Ze gingen Laura pakken.

[p. 27]

God wist wat ze met haar zouden doen om hem aan het praten te krijgen. De koude krankzinnigheid in de ogen van de ander gaf hem de overtuiging dat de man nergens voor zou terugdeinzen, dat het doel alle middelen heiligde. Hij besefte dat hij het niet uit zou kunnen houden. Ze zouden hem aan het praten krijgen. Het was al moeilijk om zijn mond te houden na deze toespeling op wat ze eventueel met Laura zouden doen. Hij zat nog steeds op zijn handen, maar nu begonnen zijn knieën zo te beven dat hij het niet verbergen kon.

De officier vroeg, alsof hij hierop had zitten wachten: ‘Wilt u nu praten, of wachten tot uw dochter erbij is?’

Jacob kon geen woord uitbrengen, alleen maar zijn schouders ophalen, als een laf uitstel.

‘Zoals u wilt.’ De officier nam de telefoon op, maar hield zijn hand op de haak en fronste tegen het meisje in de hoek; het tikken hield op. Hij vroeg naar Wachtmeister Knause. Terwijl hij het antwoord zat af te wachten en afwezig op het vloeiblad trommelde stond Jacob op het punt om te roepen: ‘Goed, goed, ik zal alles vertellen wat ik weet!’

De officier zei in de telefoon: ‘Stark hier. Ist das Fräulein Martens schon da?’ Toen trok hij de wenkbrauwen op en vroeg: ‘Wieso?’ Het klonk als een snauw. Hij mompelde wat en legde de telefoon terug. Toen opende hij een lade in zijn bureau en haalde er, vreemd genoeg, een paar handschoenen uit, die hij aantrok. Hij stond op, kennelijk op weg naar de deur, maar in plaats daarvan kwam hij naar Jacob toe en vroeg, terloops: ‘Wilt u zo goed zijn op te staan?’

Jacob gehoorzaamde. De harde stomp in zijn maag kwam als een volkomen verrassing. Een ogenblik lang had hij geen idee van wat er met hem gebeurd was, hij wankelde achteruit, naar adem snakkend, misselijk van de pijn, bonsde tegen de muur en zakte, half zittend, op de grond.

De officier kwam naar hem toe, onemotioneel, onpersoonlijk, als een dokter, en zei: ‘Opstaan, alstublieft.’

‘Nee, nee,’ hijgde Jacob. De misselijk makende pijn in zijn maag straalde uit over zijn hele lichaam; hij verloor de macht over zijn benen.

De officier boog zich over hem, balde zijn gehandschoende vuist en gaf hem een tweede wrede stomp in zijn maag. Jacob sloeg dubbel, duizelig van de schok, niet in staat adem te halen, en viel langzaam voorover in een donkere poel van angst. Hij werd bij zijn kraag overeind gesleurd en zag het gezicht van de officier, dichtbij, onpersoonlijk, de bruine ogen zonder boosaardigheid. ‘Waar is uw dochter, Herr Martens?’

Het duurde enkele ogenblikken voor Jacob besefte wat die vraag betekende: ze hadden Laura niet! Laura was veilig! Iemand moest haar gewaarschuwd hebben! Met een gevoel van dankbaarheid en vreugde keek hij in de bruine ogen van de officier en zei: ‘God zegen je, Freund, God zegen...’

De derde stomp trof hem in zijn genitaliën. Krijsend van pijn, zijn geslachtsdelen met zijn handen beschermend, viel hij op de knieën; maar terwijl hij het nog uitgilde, schopte een laars hem onder de kin. Toch groeiden die dankbaarheid en die vreugde in hem, tot alles wat er met hem gebeurde leek te baden in een onaards licht; zelfs de flitsen van pijn leken, na de eerste vlijmende schok, te veranderen in spiralen van vreugde, tederheid, liefde voor

[p. 28]

God, voor het Licht, voor de vijand, zijn broeder, gekluisterd in de buitenste duisternis. Toen hield het stompen en het schoppen ineens op. Hij had al lang opgegeven de vragen te begrijpen, hij hoorde alleen nog maar de stem. Terwijl hij half bewusteloos op de grond lag en warm bloed uit zijn mondhoek langs zijn wang voelde druipen, hoorde hij in de verte de officier zeggen, met een echo: ‘Breng hem naar de achterkamer. Maak hem klaar.’

Hij werd op de been gezet en half gesleept, half gedragen door de lange gang naar een deur aan het eind. Die bleek toegang te geven tot een gevangeniscel met een tralievenstertje, een brits zonder beddegoed, een witte muur met op hoofdhoogte een rij ijzeren ringen. Hij werd uitgekleed, geroutineerd, als door ziekenbroeders, en zag dat ze zijn kleren opvouwden voor ze die op de brits legden. Toen werden riemen om zijn polsen gesnoerd en hij werd overeind getrokken, met zijn rug tegen de muur, zijn armen gespreid, zijn polsen aan de ringen. Er werden riemen om zijn enkels gesnoerd, zijn benen werden gespreid en de riemen vastgemaakt aan ringen onder aan de muur, die hij niet had opgemerkt. De pijn in zijn polsen toen het volle gewicht van zijn lichaam eraan kwam te hangen, deed hem kermen; toch bleef die onaardse vreugde hem vullen met oneindige tederheid, voor iedereen.

Hij hoorde de deur dichtgaan en zag dat hij alleen was. Hij wist niet hoe lang hij daar moest hangen en begon weer bang te worden, maar toen dacht hij: ‘Christus. Zo moet Christus aan het kruis hebben gehangen. Jezus, Zaligmaker, dank, dank! Jezus, wees bij me, Lily...’ Maar nee, niet Lily: Jezus. ‘Zoon van God,’ bad hij, ‘laat mij Uw liefde belichamen.’ Toen werd de deur geopend.

De officier kwam binnen met twee mannen in burger; een van hen duwde een wagentje met een apparaat erop voor zich uit, alsof hij een cardiogram wilde opnemen. De officier had nog steeds zijn handschoenen aan.

‘En, Herr Martens?’ vroeg hij, niet onvriendelijk. ‘Waarom praat u nu niet, in plaats van later? Ik verzeker u dat u gaat praten. Kom, vertel het me maar; wie zijn de anderen?’

Hij wilde zeggen: ‘Gott segne dich, Freund,’ want hij voelde een grote liefde voor de man, broeder in buitenste duisternis; maar er was iets met zijn mond, die was te gezwollen om mee te praten. Hij kon alleen maar vol deernis en liefde in de bruine ogen kijken, en als een zwemmer onder water omhoogrijzen in de euforie van het Kruis.

 

***

 

De volgende morgen werd er op de deur van het zolderkamertje geklopt; het was dokter Van Tiel. ‘Wilt u uw verpleegstersuniform weer aantrekken? We gaan weg.’

‘Waar naar toe?’ vroeg Laura achterdochtig.

‘Dat kan ik u niet zeggen, maar u bent hier niet langer veilig. Kom, trek dit aan, en ga mee naar de garage. U zult op de achterbank moeten gaan liggen wanneer we wegrijden; ik zal een plaid over u heen doen. Zodra de kust veilig is kunt u naast me komen zitten. Kom, laten we geen tijd verliezen.’

‘Heeft u iets over mijn vader gehoord?’ vroeg zij.

‘Nee,’ antwoordde hij kortaf. Toen leek hij zich te bedenken en voegde

[p. 29]

eraan toe: ‘Er is niets veranderd, hij is nog steeds in de Aussenstelle. Vlug! We zullen er in de auto verder over praten.’

Maar toen ze eenmaal naast hem was komen zitten op de voorbank na eerst een tijdje op de vloer te hebben gelegen praatte hij niet over Vader. In plaats daarvan vertelde hij haar dat ze op weg waren naar een huis in de buitenwijken, waar haar volgende gids haar op zou wachten. Ze trachtte meer uit hem te krijgen, maar het enige dat hij losliet was: ‘Hij heet Hendrik en zal u naar een boerderij in de polder brengen. Hij heeft ook uw nieuwe persoonsbewijs bij zich.’

Ze wist niet waarom, maar ze kreeg de indruk dat er iets was misgegaan. De dokter leek erop gebrand zich van haar te ontdoen, ook al probeerde hij dat te verbergen. Zou er iets met Vader zijn? Iets wat hij niet wilde of durfde vertellen?

Het huis was een villa aan de rand van de stad. Er stond een oud, open vrachtautootje voor geparkeerd; toen zij stilstonden kwam er een forsgebouwde jongeman uit. Hij droeg een blauwe overall en was op klompen.

‘Trek dat uniform uit,’ zei de dokter, erg zenuwachtig; maar de jongeman die op hen afkloste was ontspannen, op het nonchalante af.

‘Is dat 'r?’ vroeg hij. Toen de dokter knikte, zei hij: ‘Oké, poes, klim maar in de kar.’

‘Achterin?’

‘Nee, je komt naast me zitten. Ik heb al je papieren bij me, dus er is geen vuiltje aan de lucht. Dag dokter, en bedankt.’

‘De dank is aan mij,’ zei de dokter. Zijn opluchting was duidelijk. ‘Dag, eh, Stella; good luck.’

‘Dank u,’ zei ze. Ze trok haar uniformjas uit, ging naar het vrachtautootje en klom in de cabine. Die rook naar schimmel; op de gescheurde zeildoeken bank lag een nummer van het Kerkbeurtenblad.

De laconieke jongen klom achter het stuur, startte de motor, trok de deur dicht en maakte die met een riempje aan de deurpost vast. Toen schakelde hij in, de vrachtauto hobbelde rammelend de laan af, de straatweg op, in de richting van de zuidpolder.

‘Kijk 's onder die krant,’ zei hij, zonder zijn ogen van de weg af te wenden, ‘daar liggen je papieren. Voor 't geval we aangehouden worden.’

Ze lichtte de krant op en vond een persoonsbewijs met versleten randen, maar met haar foto erop: een schoolkiekje uit de eerste klas van de hbs. De naam op het persoonsbewijs was ‘Anna Maria Venema’; volgens de gegevens was ze een jaar ouder dan in werkelijkheid. Haar beroep was boerin, en haar godsdienst Nederduits Hervormd.

‘Van wie hebben jullie deze foto?’

‘O, we hebben overal contacten,’ zei de jongen ontwijkend.

‘Waar gaan we heen?’

‘Naar je onderduikadres. Het zit snor, hoor: de boerderij hoort van de ouders van het meisje op je persoonsbewijs. Ze is overleden; jij gaat haar plaats innemen. Het zijn beste mensen, dat zul je zien.’

‘Hoe lang is ze al overleden?’

‘O, minstens tien jaar. Ze was een jaar of zeven, geloof ik.’

Zij reden een tijdje in stilte, toen vroeg zij: ‘Hoe heet je?’

[p. 30]

‘Hoe dat zo?’

‘Ik wil je niet uithoren, alleen maar weten hoe ik je noemen moet.’

‘Noem me maar Hendrik.’

‘Ben jij de communist?’

Hij keek haar onderzoekend aan. ‘Hoe kom je daar bij?’

‘Ik weet dat er een communist bij de groep van mijn vader was. Jij zou het kunnen zijn.’

Hij leek niet in zijn schik met de onthulling. ‘Je vader heeft je het een en ander verteld, zo te horen.’

‘Alleen maar dat er een priester, een dominee, een dokter en een communist in de groep waren.’

Hij zuchtte en schudde zijn hoofd.

‘Waarom?’ vroeg zij. ‘Wat was daar tegen? Hij moest me toch iets vertellen? Ik moest zijn eten klaarmaken, weten wanneer hij thuiskwam...’

‘Moet je 's goed luisteren,’ zei de jongen. ‘Iedereen in dit werk zet zijn leven op het spel. Niet alleen zijn eigen leven, ook dat van de anderen. Je vader had het recht niet om je dat allemaal aan je neus te hangen. Het is maar goed dat je veilig wordt opgeborgen.’

Ze begon het land aan hem te krijgen. ‘Waarom? Dacht je dat ik het aan de Duitsers zou vertellen?’

‘Nou en of,’ zei hij, grimmig. ‘Als ze je eenmaal te pakken kregen.’

‘Bedankt.’ Ze keek uit het raampje. Ze waren in de zuidpolder; bomen zoefden langs, de weilanden waren vol boterbloemen en madeliefjes, eilanden van geel en wit in de groene vlakte.

‘Je hebt er geen idee van wat de Duitsers doen om iemand te laten praten,’ zei hij, naast haar. ‘Het heeft niets te maken met moed, maar met hoeveel pijn je kunt verdragen voor je bewusteloos wordt.’

‘Je bedoelt - ze martelen mensen?’

‘Ja.’

Zij staarde hem geschokt aan. ‘Zijn ze dat met mijn vader aan het doen?’

‘Dat weet ik niet.’ De manier waarop hij het zei maakte haar duidelijk dat hij het wél wist.

‘O, alsjeblieft, alsjeblieft! Wat weet je? Wat zijn ze met hem aan het doen? Waar is hij?’

‘Hij is nog steeds in handen van de Grüne Polizei. Ze zijn nog steeds bezig met hem te ondervragen. Da's alles wat ik weet.’

‘Wat gaan ze daarna met hem doen?’

Na een stilte zei hij: ‘Als hij het overleeft, zullen ze hem wel naar een kamp sturen.’

Als hij het overleeft ... Opeens voelde ze zich misselijk. Ze wilde er niet over denken wat ze met Vader aan het doen waren. ‘Ik weet zeker dat hij hun niets zal vertellen,’ zei ze. ‘Zo is hij niet.’

‘Het hangt er niet van af hoe je bent. Het hangt ervan af op welk punt je bewusteloos wordt. Daarom vertellen we elkaar nooit iets, behalve onze voornamen. Tenminste, zo zou het moeten.’

Ze voelde zich nu erg misselijk. ‘Hij weet niets,’ zei ze, en leunde met gesloten ogen achterover.

‘Hij weet wat hij jou verteld heeft,’ zei de jongen grimmig. ‘Dat is genoeg.’

[p. 31]

Ze trachtte de misselijkheid tegen te houden die nu omhoogkroop naar haar mond. ‘Hij zal niets zeggen,’ zei ze. ‘Ze krijgen hem nooit aan de praat. Dat weet ik zeker. Hij is een fantastische vent, echt.’

‘Weet je wat,’ zei de jongen, laconiek, ‘laten we er niet verder over praten. Noch jij noch ik weet eigenlijk waar we het over hebben. Misschien is hij al op weg naar huis.’

Het klonk alsof hij haar trachtte te sussen. Ze zat, met haar hoofd achterover, haar ogen gesloten, te schudden nu de vrachtauto een ongeplaveide landweg afreed. Toen stopten zij. Hij draaide de motor af, in de plotselinge stilte hoorde ze een gestadig ruisend geluid, als een waterval. Zij opende haar ogen en zag een ouderwetse boerderij met een hoog puntdak, eenzaam in het midden van de polder. Het geluid was het ruisen van de wind in de rij linden voor het huis.

‘Nou,’ zei de jongen, ‘kom mee, dan zal ik je even voorstellen.’

Het binnenste van het huis was donker; de twee mensen van middelbare leeftijd in de opkamer waren niet toeschietelijk. Zij zaten op stijve stoelen, aan een tafel die met een tapijt was bedekt, in de groene schemering van de lindebomen. Het uitzicht op de weilanden werd belemmerd door blauwe horretjes in krullijsten. Het gesprek werd steeds onderbroken door lange perioden van stilte, waarin de bomen voor het huis ruisten. Eindelijk stond Hendrik op en wenkte haar dat ze hem volgen moest; buiten, in de wind en de oneindigheid, zei hij: ‘Nou, hier moet je dan tot nader order blijven.’

‘Wie geeft de orders hier?’

‘Ik.’

Ze moest méér weten. ‘Heb je enig idee welk kamp?’ vroeg zij.

‘O, weet ik veel...’ antwoordde hij, ontwijkend. ‘Ik weet niet eens of ze dat wel doen. Maar de mogelijkheid is er.’

‘Alsjeblieft, ik - ik wil weten wat er met hem zou kunnen gebeuren.’

‘Als ze hem naar een kamp sturen, wat niet zeker is, dan wordt het of Westerbork of Vught,’ antwoordde hij onwillig. Dat zijn allebei doorgangskampen.’

‘En daarna? Waar gaat hij dan heen?’

Hij haalde de schouders op. ‘Dat weet niemand,’ zei hij, ‘er zijn er genoeg.’ Hij liep naar de vrachtauto.

‘Kom je nog eens terug om me te vertellen wat er met hem gebeurd is?’ vroeg zij, onderdaniger dan zij had bedoeld.

Hij stond stil, dacht na, toen zei hij, nors: ‘Oké.’

Het was duidelijk dat hij niet van plan was geweest om het te doen; ze begon haar opinie over hem te wijzigen; maar het was te laat, hij klom achter het stuur, sloeg de deur dicht, bevestigde het riempje weer om de deurpost. Toen startte hij de motor en het vrachtautootje hotste rammelend het karrespoor af. Hij keek niet om.

Zij liep langzaam terug, de boerderij in. De boer en zijn vrouw zaten nog steeds in de opkamer, precies zoals zij ze had achtergelaten: kaarsrecht op de stijve stoelen, hun handen in de schoot, alsof ze in een wachtkamer zaten van een dokter of een notaris. Toen zij op het punt stond ook te gaan zitten stonden zij allebei op, en de man zei: ‘Wij staan op het punt het noenmaal te nuttigen. Wij nuttigen dat in de keuken. Dit is de zitkamer.’

[p. 32]

‘O, juist...’ Ze voelde zich erg alleen. Toen volgde zij hen, een sombere keuken in, ook halfdonker vanwege de lindebomen en de horretjes. Op een lange tafel stond een koffiemaaltijd gereed. Aan het hoofd van de tafel stond een stoel, aan de zijkanten banken. De boer ging in de stoel zitten, de vrouw en zij tegenover elkaar, ieder op een bank. ‘Wilt gij bidden in overeenkomst met uw geloof?’ vroeg de boer vormelijk.

Zij schudde het hoofd.

De boer zette een ijzeren brilletje op, opende de bijbel die naast zijn bord lag en las, kennelijk op goed geluk, een hoofdstuk over Jozef die zijn opzichter opdracht gaf een zilveren beker onder de bezittingen van zijn broers te verbergen die op het punt stonden terug te gaan vanuit Egypte naar Kanaän. Midden in het verhaal deed hij de bijbel weer dicht en bad, somber, tot God dat Hij deze spijs en drank mocht zegenen en allen die onder dit dak vertoefden, in Christus' naam, Amen.

De vrouw sneed dikke plakken brood en beboterde die uit een Keulse pot voor zij ze uitdeelde; ze deelde ook plakken kaas uit, die ze op het mes met haar duim vasthield toen ze Laura er een reikte.

Zij aten in stilte. Opeens vroeg de boer: ‘Wat zijn kwakers?’

Het duurde een ogenblik voordat Laura begreep wat hij bedoelde. Ze vertelde hem wie de Quakers waren en dat zij in het goddelijke in de mens geloofden en de overtuiging waren toegedaan dat het geloof zonder de werken dood was. De boer luisterde in een stilte die afkeurend leek.

Na de maaltijd dankte hij God voor de rijke zegen van Zijn dagelijks brood en zei op dezelfde toon als ‘Amen’: ‘Help haar met de afwas, dan zal ik je laten zien hoe je de kalveren moet voederen.’

 

Op de avond van die dag was Laura een boerin geworden in overeenstemming met haar persoonsbewijs, maar zij werd het met tegenzin. Zij lag op haar harde bed onder de lage, schuine balken, met achter het beschot het heimelijk geritsel van mussen, en was bezig plannen te maken voor haar ontsnapping, toen opeens de boerin binnenkwam met een blaker.

‘Heb je alles wat je nodig hebt, liefje?’ vroeg zij. Er was iets schuws en verdrietigs aan haar. Pas toen zij weg was besefte Laura dat dit het kamertje van haar dochtertje moest zijn geweest. Aan de muur hing een prentje van de kleine Samuel die zat te bidden, en een paar verlepte pauweveren. Zij opende de kast, daar vond ze twee ouderwetse jurkjes. Toen ze verder rommelde ontdekte ze een teddybeer met één glazen oog, een speelgoedfornuisje met twee dekseltjes eraf en een kussentje met de woorden ‘God is liefde’ erop geborduurd. Onder het kussentje vond ze een leesplank met ouderwetse plaatjes. A is een aapje dat eet uit zijn poot, B is de bakker die bakt het brood.

Wat was het allemaal verdrietig; hoe moeilijk konden mensen zich eigenlijk uiten, en wat een besluit moest het zijn geweest om erin toe te stemmen dat de naam van hun overleden kind gebruikt werd door een volkomen vreemde, die zich als haar ging voordoen.

Ze deed de kastdeur dicht en dacht aan haar eigen kast, thuis, aan alles wat ze achtergelaten had, aan Vader, aan Caesar. Wat was er met Caesar

[p. 33]

gebeurd? Zouden de Van Loons hem hebben opgepikt? Zouden zij weten dat de sleutel van de keukendeur onder de mat lag? Opeens knielde ze naast haar bed met een gevoel van schaamte dat ze zich zorgen maakte over Caesar terwijl Vader... ‘Help hem, God!’ bad ze. ‘Help hem, help hem, in Jezusnaam...’

Ze had nog nooit eerder in zulke evangelische termen gebeden, maar in deze boerderij, bij deze mensen, kwam dat als vanzelf. Na haar gebed bleef ze nog een tijdlang op haar knieën liggen, haar hoofd op de handen, en schreide.

 

***

 

Krimpend aan de voet van het kruis kermde Jacob: ‘Vader, waarom hebt U mij verlaten?’

Maar Christus was de genade deelachtig geworden om te mogen sterven; hij moest blijven leven, vol schaamte, wanhoop en schuld. De euforie van het Kruis was ondergegaan in een hel van groene en witte pijn, en hij had het niet kunnen verdragen. Hij had gefaald, gefaald...

Behoedzaam betastte hij zijn geslachtsdelen; de pijn was zo afgrijselijk dat hij smeekte om te mogen sterven. Wat hadden ze met hem gedaan? Wat voor monsterachtigs hadden ze met hem gedaan? Maar wat ze ook met zijn lichaam gedaan mochten hebben, wat zij met zijn geest gedaan hadden was erger. Hij had verraad gepleegd, hij had iedereen verraden wiens naam hij kende, en toen hij geen namen meer kende had hij hen beschreven, krijsend, krimpend in ondraaglijke marteling. Hij wist nu wat hij had moeten doen: die draaideur uithollen waar de soldaten voor stonden en zich laten neerschieten tijdens een poging tot ontvluchting. Geen mens met een gevoelig, teer lichaam kon uithouden wat ze met hem hadden gedaan. De majoor had gelijk gehad: dilettanten, kinderen die samenzweerdertje speelden...

Hij lag, rillend na zijn marteling, in volslagen wanhoop op de grond, toen hij iemand hoorde binnenkomen.

‘Herr Martens, zoudt u zo vriendelijk willen zijn dit te tekenen, alstublieft?’

De hoffelijke stem, de gepoetste laarzen - het was alsof hij wakker werd uit een nachtmerrie. Hij keek op en zag dat het de majoor was, die hem een pen en een blocnote voorhield.

‘Het spijt me dat u ons gedwongen hebt u dit aan te doen,’ zei de majoor, ‘maar u hebt ons geen keus gelaten. Hier, tekent u dit, dan bent u van alles af.’

‘Wat - wat is dat?...’

‘Een samenvatting van wat u ons verteld hebt. Kom, laten we er nu verder niet over treuzelen.’ De officier knielde naast hem; hij ving een vleug van after-shave lotion op.

‘O, mijn God, mijn God, moet ik dat?’ kreunde hij. ‘U weet het nu allemaal, moet ik dat?’

‘Dit is uw bekentenis, tenzij u hem tekent is hij niet geldig. Dus - alstublieft.’

Hij kon het niet helpen, hij begon te huilen als een kind. Schokkend van de snikken tekende hij zijn naam onder aan het papier.

[p. 34]

‘Dank u,’ zei de majoor, en stond op. Opeens voelde Jacob dat er iets warms over hem werd uitgespreid en hij besefte dat de man hem met een deken bedekt had. Het leek krankzinnig na wat ze met hem gedaan hadden, alles was krankzinnig. Maar hij kon niet ontkomen aan het afschuwelijke gevoel van schuld, het besef dat hij uit Gods genade was verstoten, dat hij niet alleen zijn vrienden, maar de Here God verraden had.

Terwijl hij daar lag, naschokkend, krimpend van de pijn, leek hij, na ogenblikken van bewustzijn, telkens door een donkere bewusteloosheid te drijven. Gedurende de ogenblikken dat hij bij zinnen was dagdroomde hij over Laura en hij na de oorlog, samen op de woonboot, in een wereld van vrede. Zij zouden bij het vuur zitten, en hij zou haar Karl May voorlezen. Maar het besef dat het een hersenschim was, werd steeds sterker, want ook al zou hij blijven leven, ook al zou hij alles wat ze nog verder met hem zouden doen overleven, hij zou haar nooit meer in de ogen durven zien, want hij was een verrader. Een verrader. O, mijn God!

 

***

 

Een paar dagen later was Laura bezig de kalveren te voederen in de stal toen ze een vrachtauto hoorde stoppen. Ze zette de melkemmer neer, veegde haar handen af aan haar schort en ging kijken wie het was.

Het was Hendrik; ze zag hem naar het huis lopen. Maar hij kreeg haar in de gaten, draaide zich om en kwam op haar toe.

‘Hallo,’ zei ze.

Hij liep langs haar heen, de donkere stal in. Zij volgde hem. Een van de kalveren was met de emmer aan het rammelen, trachtend die naar zich toe te schuiven.

‘En?’ vroeg ze. ‘Is er iets aan de hand?’

‘Slecht nieuws,’ zei hij, kortaangebonden. ‘Je vader is op transport gesteld naar kamp Schwalbenbach, in Duitsland. En ik moet onderduiken.’

‘Waarom?’

‘Ik ben bang dat onze groep verraden is. De anderen zijn allemaal gearresteerd.’

Opeens voelde ze zich weer onpasselijk worden; ze liep weg om de emmer van het kalf af te nemen voor het die om zou gooien. Hij kwam haar achterna en zei: ‘Ga maar door met voeren, we kunnen onderwijl praten.’

Ze gehoorzaamde en liet het kalf drinken met gulzige, lange teugen. ‘Heeft - heeft mijn vader ze verraden?’ vroeg ze, zonder haar ogen van het kalf af te wenden. Toen hij niet antwoordde, keek ze op. ‘Heeft hij het gedaan?’

Het leek alsof hij niet wist of hij haar de waarheid zou vertellen of niet; toen antwoordde hij: ‘Ik heb je al eerder gezegd: niemand houdt het uit als de Duitsers beginnen te martelen. Dat betekent niet dat je een zwakkeling of een lafaard bent...’

‘Dus hij heeft ze verraden.’ Ze kon het niet helpen, ze voelde een diepe teleurstelling. Het kon niet waar zijn, niet Vader, nee, niet Vader.

‘Ja,’ antwoordde hij.

In de stilte die volgde dronk het kalf met luid geslurp de emmer leeg.

[p. 35]

‘Worden - worden die anderen doodgeschoten?’

‘Nee, dat denk ik niet. Daarvoor is hun overtreding niet ernstig genoeg. De moffen zullen ze waarschijnlijk in een kamp duwen, net als hij.’

‘En - en jij?’

‘Gelukkig wist hij mijn naam niet.’

‘Maar hij kende de namen van de anderen ook niet!’

‘Hij wist dat de ene een priester was en de andere een dokter en de derde een dominee. Gemakkelijk genoeg te vinden in Westerdam. Het enige dat hij over mij wist was dat ik communist was en Hendrik heette. Nou, er zijn te veel Hendrikken in de stad om ze allemaal in één nacht te vangen, en de lijst van partijleden is allang vernietigd. Maar ik moet wel weg. Kun je het goed met de mensen hier vinden?’

‘Ik geloof het niet,’ zei ze, met tranen in haar stem. ‘Ik kán niet geloven dat Vader ... Ze moeten iets vreselijks met hem gedaan hebben. Als hij ze verraden heeft; ik ben niet zeker dat hij dat gedaan heeft. Het kán gewoon niet...’

Hij aarzelde, toen legde hij zijn hand op haar schouder. ‘Je moet hem geen verwijt maken. Dat doet niemand. We zijn allemaal nieuw in dit vak; we hadden geen idee hoe de nazi's werkelijk waren. De volgende groep zal niet eens de beroepen van de deelnemers te weten komen, alleen hun schuilnamen.’

Ze veegde haar ogen af met haar schort. De kalveren, nu ze gevoed en opgefleurd waren, begonnen te stoeien en te stommelen in hun box.

‘Wie weet kom ik vandaag of morgen nog eens terug,’ zei hij.

Ze wilde zeggen: ‘Doe geen moeite, ik denk niet dat ik hier nog ben,’ maar niemand mocht weten dat ze een ontsnappingsplan had uitgewerkt. Ook zij had, triest genoeg, geleerd van Vaders falen. ‘Oké,’ zei ze, ‘dat zou leuk zijn.’

Hij aarzelde. ‘Nou, dan ga ik maar. Hou je taai, en maak je geen zorgen. Deze mensen hier zijn absoluut te vertrouwen, dat moet je zelf al ontdekt hebben.’

‘Ja,’ zei ze, ‘dat heb ik.’

Hij reikte haar de hand. Het was de eerste keer dat ze hem aanraakte, zijn hand was hard en eeltig. ‘Dag, Hendrik. Aardig dat je gekomen bent.’

‘Tot je dienst.’ Hij liep naar de lichte deuropening; daar draaide hij zich om en zei: ‘Je moet het hem echt niet kwalijk nemen. Het zijn vakmensen, ze kunnen iedereen aan de praat krijgen als ze er hun zinnen op gezet hebben.’

Ze wilde hem vragen wat ze precies met Vader hadden gedaan, maar ze hief haar hand op en zei: ‘Hou je taai.’

‘Dag.’ Hij draaide zich om en liep weg.

Toen ze alleen in de stal was achtergebleven drong het tot haar door dat ze, nu ze wist waar Vader heen werd gebracht, haar plan ten uitvoer zou moeten brengen. Ze was niet voorbereid op het gevoel van onzekerheid dat haar overviel. Het had niets te doen met angst of lafheid, maar met de Venema's, want die zouden zich ongerust maken wanneer ze ineens weg was. Maar ze kende ze niet lang genoeg om zich echt schuldig te voelen; en Hendrik, dat wist ze zeker, zou het begrijpen. Er was geen twijfel aan wat ze moest doen; ze had iedere avond in haar eentje samenkomst gehouden en het

[p. 36]

voor God gebracht, en telkens weer had zij heel duidelijk gevoeld dat ze het door moest zetten. Ze pakte de lege emmer en ging naar de deur. Hoe gewoner ze zich nu gedroeg hoe beter, want ze mochten er geen lucht van krijgen dat ze iets in haar schild voerde.

Het was niet makkelijk, omdat ze aldoor met Vader bezig was. Hoe zou het met hem zijn? Als hij op transport gesteld was naar een kamp dan moest hij in ieder geval nog in staat zijn om te lopen, hij kon niet ziek zijn of erge pijn hebben. Maar ze kende hem voldoende om te weten dat hij verteerd moest worden door schuldgevoel; hij was zo'n lieve man, die overal zo zwaar aan tilde. Het feit dat die beulen hem gemarteld hadden tot hij zijn vrienden verried maakte het dubbel nodig dat zij hem op ging zoeken. Ze wist precies hoe hij zich nu moest voelen; gedurende een akelig ogenblik, in de stal, toen ze het nieuws voor het eerst hoorde, had ze zich net zo gevoeld; maar nu, nadat ze erover had kunnen nadenken, was ze het met Hendrik eens. Van niemand kon verwacht worden het uit te houden tegen bruten die van folteren een beroep maakten. Wat een monsters! Toch wist ze dat Vader geprobeerd moest hebben om het goddelijke in die beulen te bereiken; in zijn plaats had ze dat nooit kunnen doen. Ze wist dat hij het wel gedaan had, want hij had veel meer vertrouwen in de mensen dan zij. Ze wilde niet stilstaan bij wat ze hem precies hadden aangedaan; ze had een vaag idee van splinters onder nagels en tanden die zonder verdoving werden getrokken, dat had ze ergens gelezen. Maar één ding stond vast: ze moest naar hem toe.

De Venema's merkten blijkbaar toch dat ze gepreoccupeerd was. Misschien had Hendrik hun verteld wat er gebeurd was, want nadat hij een hoofdstuk uit de bijbel had gelezen voor het avondeten bad de boer: ‘En, God, help Anna's vader, geef hem kracht in zijn beproeving. O God, schenk Anna de kracht om haar eigen beproeving te dragen, in het besef dat zij die haar omringen het begrijpen. Amen.’

Het was aandoenlijk, juist omdat het zo nors klonk; ze kwam een ogenblik in de verleiding hun te vertellen wat ze van plan was. Als ze niet geweten had wat er met Vader gebeurd was zou ze het misschien hebben gedaan; nu wachtte zij zich ervoor, zouden de moffen hen ooit te pakken krijgen dan wisten ze tenminste niets dat hen medeplichtig maakte.

Hoewel de avond bijna voorbij was, leek het eindeloos te duren voor zij, naar bed kon gaan zonder argwaan te wekken. Ze deed net of ze las in oude nummers van Het Leven en De Prins; maar ze keek alleen naar de plaatjes, de woorden drongen niet tot haar door. De keukenklok begon steeds langzamer te tikken, tot ze een paar keer opkeek omdat ze dacht dat hij stilstond. Eindelijk gaapte boer Venema, zoals hij altijd deed vlak voor hij opstond om naar bed te gaan, sloeg zich op de knieën en zei: ‘Nou, morgen is er weer een dag.’ Zijn vrouw zette de koffiekommen in elkaar, Laura hielp haar met de afwas en dekte de ontbijttafel. Toen ze op het punt stond naar bed te gaan legde vrouw Venema opeens haar hand op de hare en vroeg: ‘Is alles goed, kind?’

Het gaf blijk van zo'n verrassend inzicht dat Laura alleen maar kon kniknen, en zeggen: ‘Ja, ja - dank u...’ en de trap opvluchten, overrompeld door een plotseling gevoel van besluiteloosheid.

Maar toen ze eenmaal alleen in haar kamertje stond ergerde ze zich over

[p. 37]

vrouw Venema's bezorgdheid; want nu moest ze wachten tot ze er zeker van was dat het brave mens naar bed was gegaan, ze kon best eens terugkomen om haar te bemoederen. Ze ging op de rand van haar bed zitten, haar handen in de schoot, en luisterde naar de geluiden in het huis. Eindelijk hoorde ze het toilet beneden voor de tweede keer doorspoelen en wist dat vrouw Venema naar bed was gegaan. Het ogenblik was gekomen.

Voor ze begon knielde ze naast haar bed. Maar zij kon alleen maar denken in gemeenplaatsen; ze was er met haar hoofd niet bij, vanwege het dringende gevoel dat ze zo gauw mogelijk moest maken dat ze wegkwam, zo ver mogelijk weg, voor ze