terug  begin  verder
[p. 39]

Drie

Op een zonnige morgen kwam de groep gevangenen aan op de binnenplaats van kamp Schwalbenbach en de deuren van de vrachtauto werden opengesmeten. Jacob Martens voelde zich te ziek om bang te zijn.

Niet dat het kamp op het eerste gezicht angstaanjagend was. Alleen de prikkeldraadomheining en de wachttorens gaven blijk dat dit een gevangenkamp was; binnen de omheining leek het op een tijdelijke nederzetting in een van de nieuw ontgonnen polders van de Zuiderzee. Een wit kiezelpad tussen twee perken gele narcissen leidde naar een bungalow met een voorgalerijtje, waarop dekstoelen stonden. De barakken waren groen geschilderd; het geheel was zo goed onderhouden en leek zo vredig dat Jacob gedurende een ogenblik in de hallucinatie geloofde.

Maar die werd abrupt verbroken door de gebrulde bevelen van twee mannen in gestreepte gevangenispakken met armbanden om die uit een van de barakken te voorschijn waren gekomen. De gevangenen struikelden de vrachtwagens uit en gingen, gehoorzaam, stram in het gelid staan.

Zo bleven ze staan, langer dan een uur. Wie wankelde werd onmiddellijk door een van de mannen in de gevangenispakken onder handen genomen en genadeloos afgeranseld. De meeste gevangenen waren van middelbare leeftijd of ouder, sommigen waren gearresteerd vanwege ‘misdrijven tegen de staat,’ anderen alleen maar omdat zij joods waren. Het was een verdrietig stelletje; hun leven lang hadden ze een beschut bestaan geleid, ze waren niet gewend aan geweld of zelfs onheusheid; de meesten van hen lieten zich, net als Jacob, met doffe gelatenheid toeschreeuwen, slaan, opdrijven, in steeds dieper wordende vertwijfeling. Het leek een nachtmerrie, de sadistische fantasie van een zieke geest. Geen van hen had ooit kunnen denken dat mensen andere mensen op deze wijze konden behandelen, dat er menselijke wezens waren die bevrediging vonden in geweld en snauwende minachting. Die bevrediging moest er zijn, er was geen andere verklaring voor de boosaardigheid van hun kwelgeesten. Tot dusverre waren zij het slachtoffer geweest van Gestapo- en Ordnungspolizei-officieren, zoals de majoor die Jacob ondervraagd en gemarteld had, of leden van de SS, onder wier commando zij getransporteerd waren; nu leerden zij een nieuw soort sadisten kennen: de mannen in de gestreepte pakken. Het moesten zelf gevangenen zijn, uitgekozen om hun medegedetineerden te sarren en te mishandelen. Waar waren de andere gevangenen? Er was niemand te zien op de binnenplaats behalve hun eigen rijen, stram in de houding in het stralende zonlicht, voor de bungalow met de narcissen en de dekstoelen.

Jacob vroeg zich af hoe lang het duren zou voor hij begon te wankelen. Tot dusver had hij kans gezien om stram in de houding te blijven staan, pink op de naad van de broek; maar hij voelde zich vandaag zo ziek, zo zwak dat

[p. 40]

hij ieder ogenblik zijn evenwicht kon verliezen, zoals een paar oude stakkers om hem heen die op hun benen stonden te zwaaien of dubbelvouwden van de kramp in hun maag. Een paar van hen werden geslagen tot zij er bewusteloos bij neervielen; Jacob voelde dat hij op het punt stond hetzelfde te doen toen hij opeens werd opgeschrikt door een rauwe Duitse stem.

Voor hun gelederen was een SS-officier verschenen, in een smetteloos uniform met glimmend gepoetste laarzen, zijn pet op één oor, zijn handen in de zij. Hij brulde hen toe in het soort Duits dat, voor de oorlog, Hollandse komieken in cabarets zo graag hadden nagedaan. Hij brulde over Ordnung en Kadavergehorsam en over de genadeloze gestrengheid waarmee iedere insubordinatie onmiddellijk zerschmettert zou worden. Dat was een woord waarop de SS bijzonder gesteld leek te zijn.

Terwijl Jacob de krijsende man beschouwde vroeg hij zich opnieuw af wat voor ziekte het Duitse volk had getroffen. Zonder zijn uniform, zonder de machtsdronken pocherij zou hij een klerk kunnen zijn, zo iemand als de assistent-kassier in zijn eigen bank in Westerdam. Welke duivel was er in deze man gevaren, die hem van ontevreden burger veranderd had in dit bloeddorstige beest, dat hongerde naar geweld, moord, bloed? Niettegenstaande zijn gebral leek de man koud, objectief, zich bewust van het effect dat zijn gekrijs had op hun zelfrespect, dat al vrijwel verdwenen was onder de nimmer aflatende vernederingen waaraan zij waren blootgesteld. Jacob voelde dat hij op het punt stond flauw te vallen. Hij sloot zijn ogen, trachtte met zijn laatste krachten stram overeind te blijven staan; toen brulden de bruten met de armbanden een bevel, de gevangenen maakten rechtsomkeert en marcheerden in de richting van de barakken.

Het feit dat hij zich mocht bewegen gaf Jacob even respijt, maar toen zij in het duister van een van de barakken werden binnengedreven werd hij getroffen door de onpasselijk makende stank van honderden ongewassen, zieke lichamen. Hij wankelde en steunde zich aan de post van een van de rijen kooien, in het donker. Hij wachtte met gesloten ogen tot hij geslagen zou worden; in plaats daarvan vroeg een beschaafde stem in het Duits: ‘Voelt u zich niet wel?’

Zonder zijn ogen te openen schudde hij het hoofd. Hij was ervan overtuigd dat de stem een nieuwe variant was van het nimmer aflatende sarren; ieder ogenblik konden de slagen vallen. Hij trachtte zich ertegen te wapenen.

‘Gaat u naar de Krankenbau, ik zal u aanstonds even onderzoeken,’ zei de stem.

Hij opende zijn ogen. Voor hem stond een man in een smerig dokters-hansop. ‘Krankenbau?’

‘Daar, aan het eind van deze gang, waar u die deur ziet. Ik ben dokter Wassermann, als een van de Kapo's u tegen wil houden dan zegt u maar dat ik u bevolen heb zich te melden in de Krankenbau.’ Zonder op antwoord te wachten draaide de man zich om en liep weg, om een ander zielig, wanhopend slachtoffer aan te spreken dat uitgeput tegen de muur geleund stond.

Duizelig, onpasselijk, maar aangetrokken door een sprankje hoop, schuifelde Jacob het gangpad af naar de deur die de dokter had aangewezen. Hij verwachtte ieder ogenblik tegengehouden te zullen worden door een van de mannen met de armbanden, maar hij zag kans de deur ongemolesteerd te

[p. 41]

bereiken. Hij klopte op de deurpost; toen er geen antwoord kwam ging hij naar binnen.

Wat hij zag deed hem terugdeinzen. Het schemerdonkere vertrek stond vol bedden, dicht op elkaar; in ieder bed lag een gedaante, sommigen rusteloos, anderen roerloos. De stank was vrijwel niet te verdragen, onder de bedden stonden spoelkommen en ondersteken vol vuilnis. Hier en daar klonk gekerm, ijlend gekwebbel. Een gestalte in een van de bedden kwam langzaam overeind, een skeletachtige arm werd naar hem uitgestrekt en een stem riep: ‘Broeder ... broeder...’

De naakte gedaante, de holle, koortsige ogen, de griezelige stem gaven Jacob de opwelling om te vluchten. Toen antwoordde iets binnen in hem op het smeken van dat skelet, iets wat schuld en wanhoop, angst en zwakheid te boven ging, een tederheid die uitging naar de vertwijfelde, uitgemergelde mens die om hulp riep. Hij ging naar de man toe, nam diens hand in de zijne en vroeg: ‘Wat is er, vriend?’

‘Water ... water...’ De stank van de adem was walgelijk, de hand zo gloeiend dat het onmogelijk leek dat een menselijk lichaam zo'n temperatuur kon bereiken zonder zichzelf te verteren. Maar er was zo iets hulpeloos in die ogen, zo iets eenzaams dat hij antwoordde: ‘Ik zal eens gaan kijken of ik water kan vinden. Waarom gaat u niet rustig liggen en een beetje rusten? Ik kom dadelijk terug.’

Hij trachtte zijn hand los te maken, maar de koortsige klauw van de ander hield hem vast. ‘Broeder...’ fluisterde de stem. ‘Broeder...’

‘Stil maar, stil,’ zei Jacob. ‘Ga liggen, rust een beetje. Als u wilt blijf ik even bij u zitten. Wilt u dat?’

De zieke zakte met een zucht achterover; Jacob kon nog net op tijd zijn hoofd ondersteunen voor hij neerviel.

Hij stond naast het bed van de man, nog steeds met die gloeiende hand in de zijne, toen de Duitse stem achter hem vroeg: ‘Bent u een ziekenbroeder?’

Hij keek om en zag de dokter achter zich staan.

‘Nee, maar hij riep...’

‘Nou,’ zei de dokter, onverschillig. ‘Laat die man maar liggen; kom, laat me eens naar ú kijken.’

Jacob maakte voorzichtig zijn hand los, fluisterde tegen de man in het bed: ‘Ik kom dadelijk terug...’ en volgde de dokter, die hem met een kortaange-bonden gebaar duidelijk maakte dat hij zich moest uitkleden en op een smerige onderzoektafel gaan zitten.

‘Open.’ Hij gluurde met een zaklantarentje in zijn mond. ‘Hebben ze die tanden gebroken?’

Jacob knikte.

Koele, competente handen tastten zijn lichaam af; toen hij ineenkromp bij het aanraken van zijn testikels vroeg de dokter, zakelijk: ‘Trappen, of elektrische schok?’

‘Allebei.’

De hand tastte voorzichtig verder; toen schreeuwde hij het uit van pijn.

‘Ik kan u daar iets voor geven,’ zei de dokter. ‘Maar het enige dat dit genezen kan is de tijd. Pijn bij het urineren?’

‘Ja.’

[p. 42]

De dokter gromde. Toen vroeg hij, nog steeds op die zakelijke toon: ‘Hebben ze u weten te breken?’

De vraag overrompelde Jacob; hij weifelde; maar ach, wat voor verschil kon het nog maken? ‘Ja,’ antwoordde hij. Hij trachtte het rustig te zeggen, maar zijn stem beefde.

‘Namen genoemd?’

‘Ja.’

De dokter klopte hem onverwacht op de schouder en zei, op dezelfde zakelijke toon: ‘Maakt u zich geen verwijt.’ Hij begon zijn borst te bekloppen, te luisteren, zijn koude oor tegen Jacobs huid. Ten slotte zei hij: ‘U bent niet geschikt voor zwaar werk. Wat wilde die man van u?’

‘Wie?’

‘Meneer Vos, in bed nummer zes?’

‘Hij wilde water.’

‘Nooit water geven aan een patiënt zonder het mij eerst te vragen. U zou hem uit medelijden kunnen vermoorden. Maar deze patiënt mag drinken, dus ga uw gang. De kraan is in de hoek, de mok hangt erbij. Wanneer u ermee klaar bent, moet u de mok weer op het haakje hangen.’ Hij draaide zich om en liep naar een van de bedden, waarin een roerloze gestalte lag.

Jacob trok zijn kleren weer aan, vond de mok, vulde die met water en bracht hem naar meneer Vos in bed nummer zes. ‘Meneer Vos,’ zei hij, ‘hier heeft u wat water. Kan ik u helpen drinken?’ Hij wurmde zijn hand onder het hoofd van de uitgeputte man.

De man opende zijn ogen. Zij trachtten zich op hem in te stellen, toen opende hij zijn gebarsten lippen en fluisterde: ‘Broeder...’ Het leek alsof hij glimlachen wilde, maar zijn hoofd zakte opzij. Jacob riep: ‘Dokter!’ Hij trachtte de paniek in zijn stem te onderdrukken. ‘Dokter! Wilt u even hier komen, alstublieft?’

Dokter Wassermann voegde zich bij hem. ‘Wat is er aan de hand?’

‘Ik weet het niet ... Ik denk dat meneer Vos...’

De dokter boog zich over het roerloze lichaam, lichtte een ooglid op, voelde de pols, en zei: ‘Ja, u hebt gelijk. Leg hem maar af, dan zal ik hem laten weghalen.’

‘Afleggen? Hoe?’

‘Leg hem op die baar, daar, in de hoek. Haal zijn bed af, draai de matras om, en maak het bed opnieuw op. U vindt lakens dáár, op die stapel in de hoek. Geef me die mok terug, voordat we hem kwijtraken.’

Jacob trachtte het slappe lichaam op de baar te sleuren toen opeens een Duitse stem achter hem vroeg: ‘Wat doet die man hier?’

Hij liet het lichaam terugvallen op de matras, in de onwillekeurige afwachting van pijn.

‘Hij heeft aangeboden mij te helpen, Herr Hauptsturmführer,’ antwoordde dokter Wassermann. ‘Broeder! Geef acht!’ Hij riep het in een perfecte imitatie van de Duitse bevelstoon.

Jacob draaide zich om, in de houding, pink op de naad van de broek, en stond oog in oog met een blonde SS-officier met lichtblauwe ogen. Naast hem zat een herdershond met de tong uit de bek te hijgen. De officier nam hem rustig op, in tegenstelling met de anderen leek hij bijna een normaal

[p. 43]

mens. Maar zijn smetteloze uniform, de uitdrukking van koude minachting op zijn gezicht, gaven Jacob voor het eerst sinds hij met de SS te maken had een gevoel van minderwaardigheid. Het was belachelijk, er lagen in de barak professoren, kunstenaars, musici, leraren, maar onder de koude blauwe ogen van deze blonde edelgermaan leken zij, voor het eerst, werkelijk te zijn waarvoor zij werden aangezien: menselijke straathonden.

‘Bent u een beroepsverpleger?’ vroeg de officier.

Jacob dacht dat hij dokter Wassermann zag knikken, maar de superioriteit van de man in zijn smetteloze uniform dwong hem de waarheid te spreken.

‘Nee, Herr Hauptsturmführer,’ antwoordde hij.

‘Hoe komt u er dan bij om met zieke mensen te gaan knoeien?’

Hij moest op de een of andere manier zijn waardigheid herwinnen, het enige dat hij grijpen kon was zijn geloof. ‘Omdat God dat van mij wil, Herr Hauptsturmführer.’

Het gezicht van de officier verried niets. Hij bleef naar hem kijken met die koude, blauwe ogen, toen zei hij: ‘Dokter Wassermann?’ Het feit dat hij een gevangene aansprak met ‘dokter’ was een gebeurtenis; maar zijn onemotionele minachting was op de een of andere manier vernederender dan het gebrul van de Kapo's of het gekrijs van de commandant.

‘Jawohl, Herr Hauptsturmführer?’

‘Wie is deze man?’

‘Ik ken hem niet, Herr Hauptsturmführer. Maar hij schijnt met patiënten te kunnen omgaan. Hij is in geen geval geschikt om zwaar werk te doen; als u hem wilt doorzenden, kunt u in dat geval iemand anders aanstellen om hier te helpen? Ik heb achtendertig patiënten, mijn twee verplegers zijn eergisteren...’

‘Dat is genoeg, Wassermann,’ zei de officier, rustig, maar iets in zijn stem deed de hond dreigend opstaan.

‘Jawohl, Herr Hauptsturmführer,’ antwoordde dokter Wassermann onderdanig.

De officier keek Jacob weer aan met die ontzielende minachting, toen vroeg hij: ‘Wat bent u? Katholiek?’

‘Nee, Herr Hauptsturmführer. Quaker.’

‘Ach so,’ zei de officier, zonder interesse. Toen richtte hij zich tot Wassermann: ‘U zult moeten wachten tot het volgende konvooi. Misschien is daar een beroepsverpleger bij. Komm, Siegfried.’ Hij liep weg, de hond op de hielen.

Jacob ontspande zich, maar het was alsof de minachting van de officier hem zijn laatste kracht had ontnomen. ‘Zal ik dan maar weggaan, dokter?’ vroeg hij. ‘Of zal ik eerst nog even meneer Vos...’

Dokter Wassermann legde een hand op zijn arm, keek om zich heen, en fluisterde: ‘Jij moet zelf besluiten. Hij is nieuw hier, ik ken hem nog niet voldoende om te weten of hij het inderdaad meent dat je weg moet gaan of niet. Als ik jou was zou ik het erop wagen; maar als hij kwaad wordt, de volgende keer dat hij je ziet, dan krijg jíj de schuld, niet ik. Vraag me niet waarom, dat gaat je niet aan ook. Besluit jij maar of je het wilt riskeren.’

Jacob keek om zich heen naar de gore bedden, de hulpeloosheid van de roerloze gestalten. ‘Ach,’ zei hij, ‘laat ik maar blijven.’

[p. 44]

‘Zoals je wilt. Leg het lijk op de baar, maak het bed op, ik ga de volgende patiënt halen. Ik heb er zevenentwintig op de wachtlijst staan. Hoe heet je eigenlijk?’

‘Jacob,’ antwoordde hij.

 

***

 

Die avond, tijdens het diner in de officiersmess, zei Hauptsturmführer Schmidt, de kampdokter, tegen Obersturmführer Kroll, de kampcommandant: ‘Het ziet er naar uit dat ze ons een religieuze fanaticus op ons dak hebben gestuurd.’

‘Verzeihung?’ Kroll keek op van het menu dat de Unterscharführer hem had overhandigd.

‘Een Quaker,’ herhaalde Schmidt. ‘Uit Holland.’

‘Waar bent u die tegengekomen?’

‘Op mijn ronde door de Krankenbau. Ik zag een van de gevangenen bezig met de zieken, typisch een dilettant. Ik vroeg hoe hij het in zijn hoofd haalde om zich met zieken te gaan bemoeien en hij zei: “Omdat God het van mij wil.”’

‘Ach,’ zei Kroll, en reikte hem het menu.

‘Weer Knödel?’ verzuchtte dokter Schmidt.

De Unterscharführer lachte onderdanig. ‘Nee, Herr Hauptsturmführer. Vandaag hebben we Schweinsbraten mit Sauerkraut.’

‘Te zwaar,’ zei Kroll. ‘Geef mij maar twee gebakken eieren, vier plakjes spek, goed doorgebakken, en aardappelcroquetten. En breng nog wat bier.’

‘Jawohl, Herr Obersturmführer.’ De onderofficier sloeg zijn hakken tegen elkaar.

‘Jood?’ vroeg Kroll.

‘Nee. Politieke gevangene.’

‘Ach.’ Kroll nam het zoutstrooiertje, schudde een paar korreltjes op de rug van zijn hand en likte die af.

‘Goed,’ zei Schmidt tegen de onderofficier. ‘Geef mij de Schweinsbraten dan maar. En de soep.’

‘Jawohl, Herr Hauptsturmführer.’

Kroll begon de broodkruimels op het tafellaken op een hoopje bij elkaar te vegen. ‘Heeft u de man toestemming gegeven in de Krankenbau te blijven werken?’

De manier waarop Kroll hem aankeek deed Schmidt antwoorden: ‘Ja.’

‘U zei dat u hem daar aantrof. Had Wassermann u toestemming daarvoor gevraagd?’

Daar had je het weer, de terloopse ondervraging. Om niets eigenlijk, de kat en de muis. ‘Ja, inderdaad. We hebben gisteren zijn twee ziekenbroeders doorgezonden. Hij heeft de man blijkbaar gekozen omdat hij geen jood is maar een politieke gevangene, in de hoop dat hij daarom langer zal blijven.’

‘En heeft hij daar gelijk aan?’

Schmidt haalde de schouders op. ‘Och, de man is fysiek zwak. Ik denk niet dat hij een blijvertje is.’

‘Vergis u niet, Herr Doktor,’ zei Kroll, met een dunne glimlach. ‘Als hij de

[p. 45]

kans krijgt zal hij ons allemaal overleven. En weet u waarom? Omdat hij gelooft dat hij beter is dan wij.’ Hij veegde het hoopje kruimels van het tafellaken op de palm van zijn hand.

‘Ik heb ze letterlijk naar de executiemuur zien hollen, opgetogen bij het vooruitzicht dat ze op het punt stonden hun God te ontmoeten.’

‘Quakers?’

‘Jehovagetuigen. Maar ze zijn allemaal hetzelfde. Allemaal denken ze dat ze beter zijn dan wij.’ Kroll wierp de kruimels naast zich op de vloer. ‘Er is maar één manier om die arrogantie de nek te breken: de man te tonen wat hij werkelijk is, eine Bestie. Een verscheurend dier. Net als u en ik.’ Hij zei het op een manier die Schmidt deed beseffen: ik moet op mijn tellen passen.

De onderofficier kwam met gebakken eieren voor Herr Obersturmführer en Schweinsbraten voor Herr Hauptsturmführer. Er werd niet meer over de Quaker in de Krankenbau gerept, maar Schmidt had er nu spijt van dat hij Kroll op de man attent had gemaakt. Waarom had hij het eigenlijk gedaan? Om Kroll gerust te stellen dat hij geen slappe burger in uniform was? Merkwaardig hoe je omgeving, of je wilde of niet, bepaalde reflexen opriep. Nee, geen twijfel aan: hij deugde niet voor deze post, wat zijn vader ook mocht schrijven.

Na de maaltijd liep hij terug naar zijn bungalow, op de hielen gevolgd door de Duitse herder. De narcissen aan weerszijden van het tuinpad leken lichter in de schemering dan het kiezelpad zelf. Hij klom het trapje op naar de voorgalerij, opende de voordeur en liet de hond binnen. Het was een onpersoonlijk vrijgezelleninterieur: verduisterde schemerlamp, kalender met naakt die zijn voorganger had achtergelaten, koekoeksklok en krantenrek met Der Stürmer en Völkischer Beobachter, allebei een week oud. Het was er ordelijk, de deprimerende ordelijkheid van de hut van een scheepsdokter, die door een messroomjongen is opgeruimd. Hij haalde een half flesje champagne uit de ijskast en gaf Siegfried de varkensbotten die de onderofficier voor hem had ingepakt, op een bord. Hij dronk de champagne met zijn voeten op een stoel, stak een sigaar op en en herlas de brief van zijn vader.

‘Lieve jongen. Je laatste brief heeft mij tot nadenken gestemd. Ik geloof onmiddellijk dat het kamp een afschuwelijk oord is, waar zowel de gevangenen als de bewakers aan menselijkheid inboeten. Je moet goed beseffen dat ik de weerzinwekkendheid van je nieuwe omgeving niet onderschat. Maar het heeft geen zin, volgens mij, om je nu te gaan afvragen of je er verkeerd aan hebt gedaan toen je je als student bij de SS meldde. Je weet net zo goed als ik dat je je studie niet zo snel had kunnen voltooien als je dat gebaar niet gemaakt had. Kijk maar naar je studievrienden: Helmuth is leraar geworden, Franz werkt op een kantoor, alleen maar omdat zij weigerden de politieke realiteit onder ogen te zien. Jij hebt dat wel gedaan, met als gevolg dat je nu vier jaar lang veel mensen tot zegen bent geweest als dokter. Ik ben er zelfs nu van overtuigd dat je, in je huidige positie, een belangrijke taak hebt. Als je ergens kunt helpen, werkelijk helpen, dan is het in dat concentratiekamp zoals je het beschrijft. Ik ben er dan ook van overtuigd dat je je post niet moet opgeven, dat je de weerzinwekkende werkelijkheid tegemoet moet treden en trachten zoveel mogelijk goed te maken wat aan anderen wordt misdaan. Ik zou deze raad niet aan veel mensen durven geven, maar aan jou wel. Je hebt

[p. 46]

een sterk karakter, een nobele geest, een edele ziel, je bent, kortom, een waardig lid van de familie Schmidt, die al eeuwenlang in Zweibrücken de menselijke waardigheid tracht te belichamen, in welke sociale functie dan ook. Denk aan Sint-Vincent en de galeien, denk aan het licht dat hij in die duisternis bracht. Als hij zich had afgewend, zou onze wereld nu, eeuwen later, er moreel slechter aan toe zijn dan zij het is. Dus: wees moedig, blijf op je post, en vertegenwoordig in die mensonterende omstandigheden de menselijke waardigheid van het Duitse volk.’

Het was een nobele brief, van een nobel mens. Maar hij had geen kans gezien Vader bij te brengen wat hij vreesde: dat zijn menselijkheid, zijn begaanheid met de stakkers die hij dagelijks onder ogen kreeg, niet bestand zouden blijken tegen de druk van zijn omgeving. Te zeggen: ‘je kunt nergens zoveel goed doen als hier’ was onpraktische dromerij. Om hier te kunnen functioneren moest hij zich onderwerpen aan de doelstelling van het concentratiekamp: het uitwieden van uitgeputte arbeidskrachten en die doorzenden naar het Vernichtungslager. Iedere dag opnieuw moest hij, als een engel des doods, het lot van tientallen mensen bezegelen door ze met een gebaar te bevelen zich op te stellen in de linker colonne, die van de dood. Hoeveel hij er ook tijdelijk kon redden, door ze te verwijzen naar de rechter colonne, het was alleen maar uitstel van executie. Dus ‘die mensen helpen’ hield in ieder geval niet in dat hij hen het leven kon redden. Wat hij misschien kon doen, heel misschien, was hun lot enigermate verzachten, en dat dan nog alleen maar in de Krankenbau. Elders had hij niets in te brengen, dat was het domein van Kroll en zijn handlangers, want anders kon je ze niet noemen. Het lazaret was een aanfluiting, een schande voor iedere medicus, maar vanavond had hij weer eens kunnen voelen hoe Kroll zou reageren als hij zou proberen verbetering te brengen in de toestanden daar. Nee, het was lief van Vader, en hij had ook niet anders van hem verwacht, maar wie zich eenmaal ondergeschikt maakte aan de rangorde van de SS trok de gevangenisdeur vrijwillig achter zich dicht. Kadavergehorsam, net als de hond aan zijn voeten. Hij had het dier overgenomen van zijn voorganger, hoewel hij niet van honden hield, omdat die zei: ‘Af en toe moet hij eens geoefend worden op een gevangene. Er krijgt wel eens iemand een bevlieging tijdens het appèl, gaat ineens gillen en hard weglopen; dan laat je de hond op hem los. Op die manier blijft het dier in training.’ Hij had zich heilig voorgenomen: nooit zou deze hond op zijn bevel een mens opjagen. Dat was althans iets wat hij doen kon, in deze mensonterende wereld van geweld en sadisme. O! Kon hij er nog maar uit, uit dit vervloekte kamp! Maar wat was het alternatief? Terug naar het front, waar hij al een keer een zenuwinstorting had gekregen? Hij wist dat hij het daar niet kon uithouden; als hij terugging naar het front was het binnen de maand met hem gedaan. O, kon hij maar terug naar zijn burgerpraktijk, terug naar de onvermoeibare, deernisvolle dokter, die nooit aandrong op betaling, op handen gedragen door zijn patiënten! In Zweibrücken was hij een engel van deernis, in Schwalbenbach een engel des doods. En hij kon er niets aan veranderen: hij had zijn lot bezegeld toen hij lid was geworden van de SS om zijn studie te kunnen voltooien. Had hij dit kunnen voorzien? Hadden Helmuth en Franz de weg gezien die van Heidelberg naar Schwalbenbach leidde?

[p. 47]

Met zijn voeten op de stoel, somber starend naar het naakt op de kalender, dacht hij aan naakte oude mannen die opgetogen naar de executiemuur holden, hunkerend naar hun God.

 

***

 

Vanaf het ogenblik dat ze de boerderij verliet had Laura opgezien tegen het oversteken van de grens tussen Nederland en Duitsland. Dat was het kritieke punt; daarna moest het vrij eenvoudig zijn om Vader te vinden. De reis zelf was goed verlopen, eigenlijk beter dan ze verwacht had: haar voorbereidingen waren typisch geslaagd, want niemand scheen iets bijzonders te vinden aan het blonde meisje dat voorbijfietste met een aktentas op haar bagagedrager. Het enige dat mensen soms even deed omkijken, althans een paar van hen, was het feit dat ze zwanger was. Maar na een blik wendden ze zich al af, niet langer geïnteresseerd; de enigen die twee keer keken en fronsten waren vrouwen, alsof ze op het punt stonden haar te vertellen van die fiets te stappen om de baby niet in gevaar te brengen. Het slapen in de open lucht was makkelijker gebleken dan ze verwacht had. De regenjas bleek een uitstekend idee en gelukkig waren de nachten zoel. Het was wassende maan, dus zelfs het gepiep en geritsel in het nachtdonkere bos werd allengs minder griezelig. Voor zover zij zien kon was het enige werkelijke gevaar het oversteken van de grens.

Ze bereikte de grenspost laat in de middag. Het douanekantoortje leek leeg; de slagboom stond omhoog; alles was stil. Ze ging aan de rand van de weg zitten om een boterham te eten, zoals ze zich had voorgenomen. Af en toe kwam er iemand voorbij, te voet of op de fiets, die de grens overstak zonder aangehouden te worden; er was geen douane te bekennen. Allengs drong het tot haar door dat ze zich voor niets zorgen had gemaakt. Natuurlijk! Hoe had ze zo dom kunnen zijn? De Duitsers beschouwden Nederland nu als deel van het Derde Rijk; er was geen douane meer!

Toch was ze zenuwachtig toen ze haar fiets terugduwde op de weg, in het zadel sprong en naar het douanekantoortje peddelde. Toen ze voorbijreed keek ze opzij en zag, in het hokje, twee Duitse grenswachten kaartspelen. Ze had verwacht dat het leeg zou zijn en viel bijna van haar fiets van de schrik. Een van de mannen zag haar en wuifde. Met een hautaine uitdrukking die, dat hoopte ze tenminste, er niet uitzag als doodsangst, zwabberde ze verder omdat ze bijna de macht over haar stuur verloor. Maar ze herstelde zich, en fietste, met het hart in de keel, de rechte weg af, Duitsland in.

 

De anticlimax van het oversteken van de grens bracht haar in de war. Ze had zich zo lang op dit kritieke ogenblik voorbereid dat ze nu pas besefte dat ze te weinig aandacht had besteed aan wat ze nu moest doen. De grens was een soort bergrug geweest waar ze niet overheen had kunnen kijken, nu had ze maar een vaag idee wat ze hier, aan de andere kant, zou aantreffen. Maar ze had tenminste de kaart bestudeerd, het stadje waar ze nu op af fietste moest Schwalbenbach zijn, want dat lag vlak over de grens. Het kamp zou toch wel ergens in de buurt zijn? Maar wat deed ze, wanneer ze het

[p. 48]

eenmaal gevonden had? Hoe moest ze proberen om Vader te bereiken?

Even over de grens was een bosje aan de kant van de weg, omringd door korenvelden. Het leek een goede plek om even te rusten en haar bestek op te maken. Ze keek rond, er was niemand te zien. Zij stapte van de fiets en duwde die het bosje in. Net als de andere bossen waarin ze tot dusverre had overnacht was het schemerdonker, maar vol leven. Vogels sjilpten, dieren ritselden in het struikgewas, de wind lispelde in de kruinen van de bomen. Het waren kastanjebomen, ze klonken anders dan de ruisende linden voor de boerderij of de suizende dennen waaronder zij de nacht tevoren geslapen had. Zij duwde haar fiets zo ver mogelijk het struikgewas in, zodat hij niet vanaf de straat te zien zou zijn; toen liep ze verder het bosje in en ging aan de voet van een boom zitten, van waaruit ze de korenvelden kon overzien. Het was een prachtige dag, witte wolken dreven statig door de blauwe hemel. In de verte lag een kleine nederzetting, een groepje barakken rond het rode vaantje van een vlag die aan een hoge mast fladderde. Een karrespoor voerde door de velden naar de barakken; hier en daar zag ze boerderijen aan de horizon, beschaduwd door bomen, net als in Holland. Het landschap leek vertrouwd en vredig.

Ze voelde zich zo vol dankbaarheid dat ze, in haar eentje, samenkomst hield. Het lover fluisterde boven haar; vogels sjilpten; een hommel gonsde dichtbij en streek ergens neer, om kort daarna weer weg te gonzen. Ze was er nu zeker van dat ze het goede had gedaan; nog maar even, en zij zou Vader bereiken en kon beginnen hem te vertroetelen, te steunen in zijn afschuwelijke beproeving. Ze zou een baantje moeten zoeken in dat stadje, want ze had geld nodig om van te kunnen leven. Maar ze zou hem iedere dag gaan opzoeken en voedsel meebrengen en boeken en tijdschriften en zijn kleren wassen en verstellen. ‘Een kamp’ klonk minder afschrikwekkend dan ‘een gevangenis’, misschien kreeg hij iedere week een middag vrij om naar de stad te gaan, dan konden ze samen ergens gaan eten. Het was mogelijk dat het feit dat ze haar persoonsbewijs ‘verloren had’ moeilijkheden zou opleveren, maar niemand zou echt streng zijn tegen een zwanger jong vrouwtje. De paar Duitse soldaten die ze tegen was gekomen hadden geglimlacht en gewuifd. Dat kussentje was wat je noemt een inspiratie geweest, maar nu moest ze eens nuchter nadenken over wat haar te doen stond. Zij ging terug naar haar fiets, haalde de aktentas van de bagagedrager en opende die om haar landkaart te zoeken. Opeens werd ze opgeschrikt door een rauwe stem, vlakbij, die in het Duits een bevel brulde. Ze hoorde het geluid van doffe voetstappen die op de maat marcheerden; de stem bleef bevelen en verwensingen brullen; ze gluurde behoedzaam door het struikgewas en zag een colonne mannen voorbijmarcheren langs het karrespoor, in de richting van de nederzetting met de vlag: mannen in blauw en wit gestreepte gevangenispakken, met spaden over de schouder alsof het geweren waren. De kerels die de bevelen brulden zagen eruit als medegevangenen, want zij droegen ook gestreepte overalls, maar zij hadden stokken in plaats van spaden en die gebruikten ze tot haar afgrijzen om de marcherende gevangenen mee te slaan, zonder enige reden leek het, terwijl zij brulden: ‘Marsch! Marsch! Schneller, venerische Schweinhunde! Schneller, Judengeziefer!’ Zij zat doodstil, terwijl de colonne voorbijmarcheerde; ten slotte hoorde ze het geluid van een motor;

[p. 49]

achter het laatste gelid waggelde een open militaire vrachtwagen, vol soldaten met geweren, gevolgd door een motorfiets met zijspan, waarin een officier zat met een stofbril op.

Wie waren deze gevangenen? Zouden zij bij het kamp horen? Was die nederzetting in de verte het kamp? Was Vader onder hen geweest? De moed zonk haar in de schoenen bij die gedachte. Hij was niet sterk, als hij gedwongen was om in het open veld te werken met een spade, zoals deze mannen kennelijk deden, onder die bullebakken met hun stokken, dan zag het er niet naar uit dat hij iedere week een middag vrij zou krijgen. Misschien werden er zelfs geen bezoekers toegelaten in het kamp. Opeens leek haar hele plan een hersenschim. Maar ze weigerde om het op te geven. Ze had tot dusverre ongelooflijk geluk gehad. Het had geen zin om nu ineens bij de pakken neer te gaan zitten, alleen maar omdat ze voor de eerste keer met eigen ogen de beestachtige manier had gezien waarop de nazi's hun gevangenen behandelden. Er zat niets anders op, zij zou haar plan moeten aanpassen aan wat ze gezien had.

Het bosje leek een goede plek om de volgende stap uit te werken. Ze moest er maar blijven overnachten. Waarschijnlijk zouden de gevangenen morgenochtend terug komen marcheren; als ze Vader wilde herkennen zou ze hoger moeten zitten, hoog in een boom. Als ze die uitkijkpost eenmaal gevonden had kwam de rest later. Ze moest geloven, ze moest blijven geloven. God zou uitkomst geven.

 

***

 

Het lijk van meneer Vos was weggehaald en naar een crematorium gebracht dat aan het kamp verbonden scheen te zijn; zijn plaats werd ingenomen door een kind, een jongetje, uitgemergeld, met grote donkere ogen, wiens hoofd en armen omwikkeld waren met een bloeddoordrenkt verband. Het kind leek koorts te hebben, zijn lippen waren gebarsten van de droogte, maar Jacob dorst hem geen water te geven zonder dokter Wassermanns toestemming. Toen de dokter voorbijkwam, vroeg hij: ‘Wat heeft dit kind? Mag ik hem water geven?’

De dokter antwoordde: ‘Ja,’ zonder om te kijken.

Het lazaret was overvol; twee nieuwe patiënten waren binnengebracht, één was op de grond gelegd en de andere op de verrijdbare draagbaar waarop het lijk van meneer Vos was weggereden. Drie mensen leken stervende te zijn in het sombere, stinkende kamertje; dokter Wassermann praatte een tijdje met ieder van hen, stelde hen vragen en schreef hun antwoorden neer op een blocnote. Toen Jacob water ging halen voor het jongetje wierp hij in het voorbijgaan een blik op die blocnote. Het drong niet dadelijk tot hem door wat hij las: een getal van zes cijfers met een dollarteken ervoor en een paar initialen erachter. Pas toen hij naast het bed van het jongetje zat besefte hij dat de initialen die van een bank waren. Het leek merkwaardig dat een dokter onder deze omstandigheden financiële notities zou maken, maar hij dacht er verder niet over na; de wereld waarin hij was verdwaald was zo vol groteske tegenstellingen en inconsequenties dat hij het van zich af zette en zich ging wijden aan het kind.

[p. 50]

Toen hij de kleine, hete hand in de zijne nam voelde hij opeens weer die tederheid in zich opwellen. Hij zag hoe het kind zich leek te ontspannen in zijn rustige, vertroostende tegenwoordigheid, net als meneer Vos. De ogen die hem met zo'n doodsangst hadden aangestaard werden slaperig, de oogleden sloten zich, het jongetje leek weg te doezelen met zijn handje in de zijne; van tijd tot tijd werd het door een huivering bevangen die het echter niet wakker maakte. Op een gegeven moment voegde dokter Wassermann zich bij hen en vroeg: ‘Hoe gaat het met hem?’

‘Ik weet het niet,’ fluisterde Jacob, ‘wat heeft hij?’

‘Toegetakeld door de hond van dokter Schmidt,’ antwoordde dokter Wassermann. ‘Het kind holde over de appèlplaats. De hond dacht dat het vluchten wilde, of misschien heeft Schmidt het dier opgehitst. Hoe dan ook, het kind werd gevloerd en op de gebruikelijke manier toegetakeld. De hoofdzaak is het psychische trauma. Het zou me verbazen als hij het haalt.’

Jacob staarde naar het jongetje met een gevoel van gruwel. Maar toen het kermde in zijn slaap en zijn handje uit de zijne wilde lostrekken, concentreerde hij zich opnieuw, bewust, op die tederheid die in hem opwelde, en die door verontwaardiging of haat leek te worden verjaagd.

Hij wist niet hoe lang hij daar gezeten had toen hij opeens opgeschrikt werd door een snauwende Duitse stem die zei: ‘Nanu! Is dit onze heilige?’

Jacob sprong op, pink op de naad van de broek. Hij zag dat het niet dokter Schmidt was maar de commandant. De wrede ogen namen hem van het hoofd tot de voeten op, de dunne lippen leken verstard in een glimlachje; de man stond, de benen gespreid en de handen in de zij, in dezelfde houding als toen hij de gevangenen op de binnenplaats had toegebruld. Dokter Wassermann stond vleierig naast hem. ‘Dit is de nieuwe ziekenoppasser, Herr Obersturmführer.’

‘Name?’ blafte de commandant.

‘Martens, Jacob, Herr Obersturmführer,’ antwoordde Jacob, op de afgebeten manier die de juiste toon scheen te zijn waarop een gevangene een officier moest antwoorden.

‘Ik hoor dat je een Quaker bent.’

‘Ja, Herr Obersturmführer.’

‘Wat zijn jullie dogma's?’

De vraag werd op snauwende toon gesteld; Jacob bereidde zich voor op een uitbarsting van geweld.

‘Wij geloven dat ieder mens het goddelijke in zich heeft,’ antwoordde hij. Hij trachtte de oude, vreedzame woorden afgebeten te doen klinken, maar het lukte niet.

‘Pantheïsme!’ blafte de officier, laatdunkend.

‘Nee, Herr Obersturmführer’, zei Jacob, nog altijd in de houding, ‘pantheïsme ziet het goddelijke in alles, Quakers alleen in mensen.’

Dokter Wassermann, achter de officier, schudde waarschuwend van nee; de commandant moest ogen in zijn achterhoofd hebben, want opeens draaide hij zich om en snauwde: ‘Hou op met de gevangenen tekens te geven, Wassermann! Ga weg! Raus!

Dokter Wassermann maakte zich uit de voeten; de officier wendde zich opnieuw tot Jacob. ‘Je ziet het goddelijke dus ook in mij?’ vroeg hij.

[p. 51]

Jacob slikte en antwoordde: ‘Ja, Herr Obersturmführer.’ Zonder waarschuwing sloeg de man hem met de vuist in het gezicht. Het was een harde, geroutineerde slag, Jacobs hoofd knakte opzij. Hoewel hij op iets dergelijks voorbereid was geweest verloor hij zijn evenwicht en viel tegen het bed. Het kind kermde, Jacob kwam weer op de been en stelde zich, onopvallend naar hij hoopte, tussen de officier en het kind op.

De commandant keek hem met belangstelling aan. Hij leek volkomen onemotioneel; maar toen hij sprak was het op die zelfde, snauwende toon. ‘En hoe staat het met de duivel?’ vroeg hij, alsof er geen onderbreking in hun gesprek was geweest. ‘Geloven jullie Quakers dat wij ook het duivelse in ons hebben?’

‘Ja, Herr Obersturmführer.’

‘Dus de Quakers wedden op twee paarden, hè?’ schamperde de officier. ‘Zij erkennen zowel de elementaire slechtheid als de goedheid in de mens. Heel handig.’

Jacob wist niet wat te zeggen. Hij stond daar maar, in de houding, het jongetje beschermend.

De commandant bekeek hem met zijn hoofd opzij. ‘Maar uiteindelijk overwint het goede natuurlijk. Nietwaar?’

‘Ja, Herr Obersturmführer.’

De glimlach werd een snier. ‘Jullie schijnheilige sentimentalisten maken me misselijk,’ zei hij, op een toon die opeens menselijk klonk. ‘Besef je dan niet dat je je die patronerende goedheid alleen maar kunt permitteren dank zij een stom toeval?’

Jacob wist niet wat te antwoorden. De tederheid die hij voelde scheen zich nu naar de snauwende man tegenover hem uit te strekken. Voor het eerst besefte hij dat er, ergens binnen in deze beul, een bang kind verscholen was.

Het scheen alsof de officier zijn gedachten had geraden. Hij staarde hem met halfgeloken ogen aan, toen gromde hij: ‘Ik zou maar niet frech worden als ik jou was. Anders gaan we die heiligheid van jou eens op de proef stellen. Wassermann!’

‘Jawohl, Herr Obersturmführer...’ Dokter Wassermann dook onmiddellijk naast hem op.

‘Nog inlichtingen voor me?’

‘Ja, Herr Obersturmführer...’ Met rare, zijdelingse buiginkjes vergezelde de dokter de officier naar de lessenaar in de hoek, waar hij hem de blocnote overhandigde. De commandant wierp een blik op wat hij had geschreven, scheurde het blad af, vouwde het op, borg het in zijn linkerborstzak en marcheerde zonder een woord weg. Toen de deur achter hem dichtknalde ging Wassermann op de rand van zijn lessenaar zitten, met gesloten ogen. Toen opende hij ze en keek Jacob aan. ‘Kom jij 's hier,’ zei hij.

Jacob gehoorzaamde.

‘Waarom ben je in Godsnaam met de commandant gaan bekvechten? Besef je niet dat je het beter tegen een ratelslang kunt opnemen dan tegen zijn soort?’

Jacob voelde zich opeens moe. Op dat ogenblik wilde hij niets liever dan ergens gaan zitten en zijn ogen sluiten.

‘Je bent hier niet in de beschaafde wereld. Je bent in de hel, en een van

[p. 52]

de hoofdregels in de hel is dat de verdoemden niet met de duivel redetwisten. Als de Obersturmführer zegt dat God niet bestaat, dan spring jij in de houding en zegt: ‘Jawohl, Herr Obersturmführer.’ Waarom heb je 't in Godsnaam gedaan? Heb je dan geen benul?’

‘Ik - ik kon niet anders...’ fluisterde Jacob.

‘Je kon niet anders!’ herhaalde de dokter en schudde het hoofd. ‘Martens, weet jij wat je bent? Een godvergeten dwaas.’ Hij keek om zich heen, en fluisterde: ‘Luister! Waarom denk je dat ze me toestaan om deze mensen te blijven helpen? Omdat ik meewerk. Als er iemand stervende is, probeer ik uit hem te krijgen waar hij zijn geld, zijn waardepapieren of zijn juwelen verborgen heeft. Die inlichtingen geef ik aan de Obersturmführer door; dat is zijn prijs, daarom word ik niet op transport gesteld. Zodra ik het in mijn hoofd zou halen om over God te gaan wauwelen, of over moraliteit, of de waarheid, of de eeuwige normen van de beschaving, ben ik de sigaar. Begrijp je dat?’ Hij zuchtte. ‘Nou - haal meneer Muller in 17 dan maar van zijn ondersteek af. Daar heeft hij al drie uur op gelegen, terwijl jij dat jongetje gebruikte om jezelf een gatje te geven.’

Jacob draaide zich om en ging meneer Muller van zijn ondersteek af helpen. Hij leegde die, waste hem uit, bracht hem naar een andere patiënt; toen vroeg iemand om water, en de man ernaast had zijn behoefte niet binnen kunnen houden en moest verschoond worden. Het leek uren te duren voor hij weer naar het jongetje terug kon keren.

Tot zijn opluchting zag hij dat het kind lag te slapen. Hij voelde zich opeens zo slap dat hij de verleiding niet kon weerstaan om op het krukje naast het bed te gaan zitten, een ogenblikje maar, tegen de muur te leunen, en zijn ogen te sluiten. Onmiddellijk zonk hij weg in een schemerige wereld, een droomachtige caleidoscoop van de woonboot, zijn fiets, mussen op de vensterbank van de keuken, de deurbel, toen blafte Caesar. Hij werd wakker; het was het jongetje dat hoestte. Hij nam de hand van het kind en voelde dat die gloeiendheet was. Hij veegde, behoedzaam, het voorhoofd van het jongetje af, nat van het zweet. Dat was misschien een goed teken.

Hij leunde weer tegen de muur en doezelde weg. Hij zag de woonark; Laura en hij kwamen aan op hun fietsen. De sneeuw was wit en maagdelijk, de winterse plas had een onaardse, zuivere schoonheid. Hij voelde de sneeuw knerpen onder zijn voeten toen hij naar de deur waadde. Maar hij kon die niet opentrekken, omdat de sneeuw te hoog was. Hij moest de sneeuw eerst met zijn voet opzijschuiven. In zijn halfslaap herinnerde hij zich ieder beeld, ieder geluid, iedere geur van die onvergetelijke avond.

 

***

 

Laura bracht de nacht door zoals gewoonlijk: op het rubber grondzeiltje, het zwangerschapskussentje onder haar hoofd, haar regenjas over zich heen, haar japon op een hanger aan een boomtak. Het was koud; het heldere maanlicht hield nachtdiertjes wakker die rusteloos ritselden en roetsten in het struikgewas. Eens werd ze met een schok wakker omdat iemand strak naar haar stond te staren in het maanlicht; het duurde even voor zij besefte dat het een ree was. Ze bleven allebei strak naar elkander staren, minutenlang;

[p. 53]

toen liep de ree weg.

Tegen zonsopgang zoefde een uil vlak over haar heen en ging op de tak zitten waaraan zij haar jurk had opgehangen. Ook de uil staarde haar strak aan en bewoog daarbij zijn kop, horizontaal, van de ene kant naar de andere, alsof hij probeerde om een hindernis heen te kijken. Toen leek ook hij genoeg te hebben gezien; hij vloog weg, geruisloos; de vogeltjes sjilpten nog lange tijd daarna.

Ze probeerde verder te slapen, maar het lukte niet. De dageraad zette het bosje in een schemerig blauw licht. Ze stond op, hing haar jurk in de struiken zodat die niet te zien zou zijn als iemand binnen mocht dringen in het bosje, rolde haar grondzeiltje en haar regenjas op en stopte die in de aktentas. Daarna klom ze lenig in de boom die ze de avond tevoren uitgezocht had. Op een tak, heel hoog, van waaruit zij het karrespoor tussen de korenvelden duidelijk kon zien zonder zelf gezien te worden, installeerde zij zich en wachtte.

De zon ging op in een gouden waas boven de akkers. Leeuweriken stegen op in de lege blauwe hemel; het klonk alsof het er tientallen waren. Zij kwinkeleerden, hoger en hoger, met uitbundig, jubelend getjuik. Toen zag zij in de verte de colonne gevangenen uit het kamp te voorschijn komen. Opnieuw hoorde zij de ruwe kreten van de bewakers, het groeiend geronk van de motor, het ploffen van marcherende laarzen in het rulle zand. Toen de eerste rijen in zicht kwamen zag zij, met één oogopslag, dat ze Vader nooit zou kunnen herkennen ook al was hij onder hen. In hun gestreepte uniformen, met hun uitgemergelde gezichten en gemillimeterde hoofden, leken de gevangenen zó op elkaar dat hun gelijkvormigheid hun individualiteit volkomen had overweldigd. Gedurende de eerste minuten zag ze wel vijf mannen die Vader zouden kunnen zijn, daarna gaf ze het op. De colonne marcheerde voorbij; toen kwam het open vrachtwagentje met de Duitse soldaten en de motorfiets met in het zijspan de officier met de stofbril. Het stof dwarrelde in wolken neer op het lege karrespoor en het wuivende koren; het schorre gekrijs van de bruten met hun stokken loste op in stilte. Na een tijdje stegen de leeuweriken weer op, alsof er niets gebeurd was. Hun getjuik steeg hoger, steeds hoger, tot ook hun gekwinkeleer oploste in stilte.

Zij klom omlaag uit haar schuilplaats en ging aan de voet van de kastanje zitten. Het feit dat ze Vader niet had kunnen herkennen was de eerste tegenslag. Ze was ervan overtuigd geweest dat ze hem herkennen zou, uit duizend mannen; nu wist ze niet of hij met die colonne mee was of in het kamp achtergebleven. Ze moest wachten met naar het kamp te gaan tot de colonne terugkwam, als zij er zeker van wilde zijn Vader te zullen aantreffen.

Ze bracht de dag in het bosje door. Ze dacht erover na hoe ze het zou moeten aanleggen om een kamer en een baantje te vinden in het stadje in de verte. Ze sprak goed Duits, schools, maar heel behoorlijk; ze zou zeker een baantje kunnen vinden in een fröbelschooltje, of een kinderbewaarplaats, zonder dat haar veel vragen gesteld werden. Ze zou zeggen dat ze onderweg haar tas was kwijtgeraakt, met haar persoonsbewijs erin. Ze zou haar eigen naam moeten opgeven; alleen als ze de kampautoriteiten vertelde dat ze zijn dochter was maakte ze een kans om Vader te zien.

Later op de dag werd ze hongerig. Ze had nog maar twee sneetjes grijs

[p. 54]

brood en een klein stukje kaas over, maar ze had opeens zo'n trek dat ze alles opat, heel vlug, zonder ervan te genieten. Daarna probeerde ze een dutje te doen op het mos, met het zwangerschapskussentje onder haar hoofd, maar de vliegen, de bijen en de hommels waren zo in haar oren geïnteresseerd dat zij er de brui aan gaf en weer opstond.

De middag leek eindeloos te duren, want er was totaal geen verkeer. Eén hele boerenkar, getrokken door twee Friese paarden, kwam voorbij. Op het warmst van de dag kregen twee mussen ruzie; na een boos gesjilp vlogen zij elkaar aan en vielen samen omlaag, een kluwentje fladderende vleugels en krabbende klauwtjes. Ze verwachtte dat ze op de grond zouden smakken, maar vlak voordat ze die raakten stoven ze uit elkaar en fladderden sjilpend weg. Ze probeerde samenkomst te houden, maar zodra ze haar ogen dichtdeed en probeerde de stilte te zoeken werden de geluiden om haar heen storend. Ten slotte trachtte ze de tijd te verdrijven door liedjes te zingen, en te proberen stukken uit Winnetou's Dood te reciteren. Ze ontdekte dat ze zich hele episoden herinnerde, letterlijk, alsof ze het boek voor zich had. Zij dacht aan die avond bij het blokkenvuur, aan boord van de ark, met die prachtige sneeuw buiten, toen Vader haar voor het eerst verteld had over zijn werk met de joodse kindertjes. Die nacht dat ze samen in één bed hadden geslapen, onder hun overjassen, zij met haar hoofd op zijn schouder. Ze dacht aan Moeder, en trachtte zich haar voor te stellen, maar het was te lang geleden. Het enige dat ze zich kon herinneren was haar stem, die zei: ‘Kind, het is niet de bedoeling dat ik je huiswerk voor je doe. Ik zal je vertellen waar je het antwoord kunt vinden, maar dat moet je zelf gaan opzoeken.’ Ze vroeg zich voor de zoveelste keer af of die droom van Vader werkelijkheid was geweest of alleen maar verbeelding. Had Moeders geest echt op de rand van zijn bed gezeten? Hij was ervan overtuigd. Wie weet had hij haar sindsdien nog eens teruggezien. Ze had in die droom gezegd dat als hij haar nodig had ze weer bij hem zou komen. Wat een onzin! De arme man had natuurlijk niets anders om hem op te beuren dan het waanidee dat Moeder bij hem was. Nu, binnenkort zou hij een echte, levende beschermengel hebben die over hem zou waken.

Het moeilijkste zou zijn om de cipiers van het kamp, of de directeur die het bevel had, zover te krijgen dat hij haar toeliet. Zou ze het zwangerschapskussentje weer onder haar jurk stoppen? Of was het beter om te proberen een beetje met hem te flirten? Een zwanger meisje dat avances maakte was toch eigenlijk iets onfris. Of zouden mannen dat juist pikant vinden? Ze wist eigenlijk niets van mannen af. Ze wist natuurlijk alles van Vader en een beetje van Sam Wijnhof en meneer Heiland, maar jongens van haar eigen leeftijd leken zo onberekenbaar. Neem Jaap de Mellard, die avond na schooltijd: opeens was hij begonnen met die vieze zoenerij, die haar allengs toch op de een of andere manier geboeid had, maar meer als iets verbodens dan omdat ze er opgewonden van raakte. Nee, ze had er geen idee van wat jonge mannen boeide in een meisje. Ze besloot toch maar zwanger te blijven; ze moest er in ieder geval zo aantrekkelijk mogelijk uitzien.

Ze was blij dat ze op het idee was gekomen om haar jurk 's nachts op een hangertje in een boom te hangen; het japonnetje zag eruit alsof ze pas die morgen van huis was weggereden. Tegen de tijd dat ze naar het kamp ging

[p. 55]

fietsen zou ze haar haren vlechten en op haar hoofd spelden, zoals Duitse vrouwen dat deden. Ze wilde er zo vertrouwd mogelijk uitzien voor de Duitse schildwachten van het kamp; haar nek was trouwens een van haar beste attributen, had Vader eens gezegd.

Eindelijk, na een eeuwigheid wachten, begon de zon onder te gaan. En daar kwam de colonne gevangenen weer aangemarcheerd, terug naar het kamp. Opnieuw was het eerste dat ze hoorde het gebrul van de bewakers, toen verschenen de eerste rijen, in de pas, hun spaden over de schouder. Ze moesten hard gewerkt hebben, want een paar van hen struikelden van uitputting. Het waren juist hen die de bewakers eruit pikten om af te ranselen. Het was een afgrijselijk gezicht; haar vaste overtuiging in haar welslagen wankelde een ogenblik. Maar toen verdwenen de colonne, het vrachtwagentje en de motorfiets met zijspan achter het wuivende koren en haar zelfvertrouwen keerde terug.

Het was zover. Ze moest ze nog even de tijd laten; de gevangenen zouden waarschijnlijk eerst een douche gaan nemen en daarna samenkomen voor de avondmaaltijd in een eetzaal. Het beste zou zijn dat ze zich vóór de maaltijd bij het hek meldde; als ze wachtte tot na het eten werd het te laat, want tegen die tijd moest de schemering al gevallen zijn. Zij speldde het zwangerschapskussentje op haar onderjurk, trok haar japon aan, vlocht haar haren en maakte er een Duitse knoet van, boven op haar hoofd. Ze merkte dat haar handen beefden, hoewel ze zich heel rustig voelde. Ze duwde de fiets door het struikgewas naar het karrespoor. Het was moeilijk voldoende vaart te krijgen in het rulle zand om op te kunnen stappen, maar het lukte haar ten slotte, en ze trapte, staande op de pedalen, naar de barakken in de verte.

Het was eigenlijk maar goed dat het karrespoor zo rul was en dat ze zo zwaar moest trappen, want nu moest ze haar hoofd bij het fietsen houden. Toen ze eindelijk op een open parkeerterrein aankwam, voor de ingang van het kamp, zweette ze en had het gevoel dat haar knoet ging verzakken, maar het was te laat, ze was zeker al opgemerkt door de schildwachten in de torens die om het kamp heen stonden. De barakken zagen er onschuldig uit, groen met plaatijzeren daken. Het enige griezelige was de hoge prikkeldraadversperring en die wachttorens, waarin ze nu bovenlijven van soldaten met helme en geweren kon zien bewegen. Er was geen hek, zoals ze zich had voorgesteld, maar een slagboom, als van een spoorwegovergang: rood en wit geblokt Daarnaast stond een schildwachthuisje. Zij fietste erheen, met haar hart in de keel, toen stapte ze af en riep: ‘Hallo! Gibt's jemand da?’

Een soldaat met een geweer kwam uit het huisje, er was er nog één, maar die bleef in de deuropening naar haar staan staren. Ze had het gevoel dat ze nu van alle kanten gadegeslagen werd.

‘Jawohl?’ vroeg de soldaat, achter de slagboom. Hij leek erg jong, en deed aan Hendrik denken.

‘Gutenabend,’ zei zij, in haar keurigste Duits, en zij glimlachte schalks. ‘Ik - kom een gevangene opzoeken. Mijn vader. Mijn naam is Laura Martens. Mijn vader heet Jacob, Jacob Martens. Ik zou hem erg graag willen spreken, als dat kan.’ Haar stem klonk een beetje schel, maar zij voelde zich heel rustig.

‘Hè?’ vroeg de soldaat, oerstom.

[p. 56]

‘Mijn naam is Laura Martens,’ herhaalde zij, langzaam en duidelijk. ‘Mijn vader is hier, in het kamp. Hij heet Jacob Martens. Hij is een gevangene. Zou ik hem kunnen bezoeken? Of zijn daar speciale uren voor?’

De stomme jongen bleef met open mond naar haar staren, toen keek hij langzaam van haar hoofd naar haar voeten en zag dat ze zwanger was.

‘Mensch, was gibt's denn?’ riep de soldaat in de deuropening van het hokje.

‘Weiss ich viel!’ antwoordde de jongen. ‘Eine Verrückte!’

Het feit dat hij haar voor gek aanzag beloofde niet veel goeds. ‘Er moeten toch bezoekuren zijn voor de gevangenen?’ hield ze vol. ‘Vertelt u me maar wanneer, dan kom ik wel terug.’

Eindelijk leek de soldaat tot zijn positieven te komen. ‘Fräulein,’ zei hij, met gedempte stem. ‘Maak dat u wegkomt! Dit is geen gevangenis. Er zijn geen bezoekuren. Niemand krijgt de gevangenen ooit te zien. Maak dat u wegkomt, vlug! Voor er ongelukken gebeuren.’

Haar hart zonk in haar schoenen, maar ze zette door. ‘Kom nu toch,’ zei ze, met een glimlach die niet meer lukte. ‘U kunt toch wel een uitzondering maken, zeker?’

‘Wat wil ze toch!?’ riep de soldaat in het wachthuisje. Ergens ging een deur open.

De jongen fluisterde, dringend: ‘Ga weg, Fräulein, vlug!’

De soldaat uit het wachthuisje kwam naar hen toe, zijn geweer over de schouder. Opeens riep een derde stem: ‘Wat is daar gaande? Wat wil die dame?’

Allebei de soldaten sprongen in de houding. Een blonde officier kwam op hen af, op de hielen gevolgd door een grote herdershond. ‘Wat wil die dame?’ herhaalde hij, toen hij de slagboom bereikte.

‘Een bezoekster, Herr Hauptsturmführer,’ zei de soldaat, stram in de houding. ‘Ze wil een gevangene bezoeken.’

De officier fronste, maar ze voelde een vleugje hoop, want hij nam haar belangstellend op, ook al keek hij laatdunkend.

‘Gnädige Herr,’ zei ze, en keek hem zo aanvallig mogelijk aan, ‘mijn naam is Laura Martens. Mijn vader is een gevangene in dit kamp. Ik ben helemaal uit Holland komen fietsen om hem te bezoeken. Is er echt geen mogelijkheid dat ik hem zien mag, eventjes maar? Alstublieft, alstublieft?’

De officier staarde haar aan met zijn koude blauwe ogen, toen zei hij: ‘Niemand wordt ooit tot dit kamp toegelaten, behalve zij die hier thuishoren. Ik zou maar gauw weggaan als ik u was. Komm, Siegfried!’ Hij draaide zich om.

Er zat niets anders op, ze moest haar laatste troef uitspelen, ook al had ze gehoopt dat het niet nodig zou zijn. ‘Maar ik hóór hier thuis, Herr Offizier!’ riep ze hem na. ‘Ik - ik ben een jodin!’

De officier stond stil, draaide zich langzaam om en keek haar aan. ‘Wat zei u daar?’

‘Een jo- jodin...’ Uit de manier waarop hij haar aankeek begreep ze dat ze dit niet had moeten zeggen. Ze stond te trillen op haar benen.

[p. 57]

***

 

Dokter Schmidt staarde het meisje ongelovig aan. Als iemand er arisch uitzag, met dat blonde haar en die blauwe ogen, dan was zij het. Bovendien had Wassermann haar vader speciaal gekozen omdat hij geen jood was, maar een politieke gevangene. Ze had het kennelijk gelogen, alleen maar om het kamp binnen te dringen. Ze kon er geen idee van hebben wat de consequenties konden zijn als Kroll het te horen kreeg.

Het meisje ontroerde hem. Misschien door haar zwangerschap, misschien door haar moed. Zij was de eerste, naar zijn weten, die ooit was komen opdagen om naar een gedetineerde te vragen. Ze moest stapelgek zijn, of van een hartbrekende onschuld. Toen hoorde hij achter zich roepen: ‘Herr Doktor! Was ist denn los!’ Het was Kroll, in de deuropening van de kantoorbarak. Haar nu weg te sturen was roekeloos, maar hij zei: ‘Ga weg! Vlug!’ wendde zich om en slenterde met voorgewende nonchalance naar Kroll toe.

‘Wie is dat?’ vroeg Kroll, starend naar de slagboom. Het meisje moest er nog steeds staan.

‘Een dame die een gevangene wil komen bezoeken.’

‘Welke gevangene?’

Met tegenzin antwoordde hij: ‘De gevangene Martens.’

‘Ah! Onze Quaker,’ zei Kroll, opeens geïnteresseerd. ‘Wat is ze, zijn vrouw?’

‘Nee, zijn dochter. Ze is zwanger,’ voegde hij eraan toe bij het zien van Krolls belangstelling.

Maar het had geen effect. ‘Laat haar binnenkomen.’

‘Pardon?’

Kroll keek hem aan, voor het eerst met onverholen dreiging. ‘Ik zou maar doen wat ik zeg, Herr Doktor,’ zei hij, ‘hier ben ik commandant.’ Hij draaide zich om en verdween in de kantoorbarak.

Schmidt ging terug naar het hek. Het dwaze meisje stond er nog steeds. De schildwachten sprongen weer in de houding toen hij eraan kwam. ‘Binnenlaten,’ zei hij.

‘Zu Befehl, Herr Hauptsturmführer.’ De schildwacht opende de slagboom; het meisje, met een uitdrukking van triomf op haar onschuldige gezicht, duwde haar fiets naar binnen.

Siegfried gromde. ‘Fuss!’ zei hij. De hond ging liggen. ‘De schildwacht zal uw fiets wel even wegzetten. Scharführer!

‘Jawohl, Herr Hauptsturmführer.’ De schildwacht nam haar de fiets af; haar gezicht betrok.

‘U krijgt hem terug als uw bezoek afgelopen is,’ zei Schmidt, om haar gerust te stellen. Hoe kon hij haar tegen Kroll in bescherming nemen? Want hij kon niet geloven dat de Obersturmführer, ook al was hij geïnteresseerd in de Quaker, zijn dochter zou toestaan hem te bezoeken. Hij moest iets in zijn schild voeren, iets duivels.

Maar tot zijn verbazing werd het meisje hoffelijk door de commandant ontvangen. Hij had Kroll nooit eerder zo menselijk gezien; hij nodigde haar uit binnen te komen, te gaan zitten in het halletje, vroeg over haar tocht, hoe ze wist dat haar vader hier zat. Het waren onschuldige vragen, glimlachend

[p. 58]

gesteld. Toen zei hij: ‘Nun, Herr Doktor, wilt u zo vriendelijk zijn tegen de Kapo's te zeggen dat ze de gevangene Martens hier moeten brengen? Sofort.’ Hij stond op, vervolgde tot het meisje: ‘Wilt u hier binnen even wachten?’ en opende de deur naar de eetzaal.

Dat was vreemd. Waarom de eetzaal? Het meisje, kennelijk gerustgesteld, ging zonder argwaan naar binnen. De zaal was leeg, over een minuut of tien zouden de officieren komen opdagen voor het avondeten. Wat voerde Kroll in zijn schild?

‘Bitte, Herr Doktor,’ zei de commandant geïrriteerd.

‘Jawohl, Herr Obersturmführer.’ Hij ging naar buiten om de Kapo's order te geven Martens naar het kantoor te brengen. Hij kon niet anders, hij was een gevangene van het systeem, net als Siegfried, die hem op de hielen volgde.

 

***

 

Toen Jacob door een Kapo weggeroepen werd uit het ziekenzaaltje en ruw de deur van de barak uitgeduwd, verwachtte hij dat hij afgeranseld zou worden. Maar hij werd naar de officiersbarak gebracht, met een gemene harde greep om zijn bovenarm, en het kantoortje van de commandant binnengeleid.

Obersturmführer Kroll zat achter zijn bureau te schrijven. Toen Jacob binnenkwam keek hij op, zijn ogen leken de zijne te doorzoeken, toen zei hij: ‘En? Hoe maakt onze heilige het vandaag?’

‘Zu Befehl, Herr Obersturmführer...’ Jacob werd weer bang. Waarom hadden ze hem hier gebracht? Wat gingen ze met hem doen?

De commandant vloeide het papier af, deed het in een map, schroefde zijn vulpen dicht en legde die in het pennebakje. Toen zei hij: ‘Er is bezoek voor je.’ Hij stond op, wees op een deur in de hoek van het kantoortje, en zei: ‘Ga daar maar wachten.’

Toen Jacob aarzelde gaf de Kapo hem een duw. ‘Doe wat Herr Obersturmführer zegt, lummel!’

‘Kalm aan,’ zei de commandant, scherp. ‘Maak dat je wegkomt!’

‘Jawohl, Herr Obersturmführer.’ De Kapo sloop onderdanig weg.

De commandant opende de deur. Jacob kwam aarzelend naderbij en zag dat het een slaapkamertje was. Wat wilde de man van hem? Wat ging hij met hem doen?

‘Nou, komt er nog wat van?’ vroeg de commandant, met een begin van ongeduld.

Jacob gehoorzaamde en ging naar binnen. Het was een klein kamertje, een soort monnikencel. Er stond een bed, bedekt met een rode deken, een nachtkastje en een stoel. De enige decoratie was een portret van Hitler.

Kroll volgde hem naar binnen, deed de deur achter zich dicht, opende de lade van het nachtkastje en haalde er een stel handboeien uit. ‘Ga tegen de radiator staan.’

Angst kneep Jacobs keel dicht. Ze gingen hem weer martelen! Voor hij wist wat hij deed was hij op zijn knieën gevallen en smeekte: ‘O, alsjeblieft, alsjeblieft, Herr Obersturmführer, alsjeblieft, doe dat niet! Niet nog eens, niet nog eens, alsjeblieft, alsjeblieft! Ik - ik heb ze alles al verteld, ik - alsjeblieft, ik kan het niet verdragen, in Godsnaam, in Godsnaam...’

[p. 59]

De commandant keek vol verachting op hem neer. ‘Is dit soms appelleren aan het goddelijke in mij?’

‘O, alsjeblieft, alsjeblieft!’ Jacobs ogen schoten vol tranen van schaamte om zijn eigen zwakte. ‘In Godsnaam, Herr Obersturmführer, niet nog eens, niet nog eens! Er is niets meer te vertellen, niets, ik - ik zweer het, ik heb ze alles al verteld. O alsjeblieft, laat me teruggaan naar de zieken! Alsjeblieft, alsjeblieft, ik heb nog maar zo kort te leven, ik...’

‘Sta op, rotzak!’ krijste de commandant, met zijn paradestem. ‘Ga tegen die radiator staan!’

In doodsangst krabbelde Jacob overeind en gehoorzaamde. De radiator was koud toen hij hem aanraakte met zijn handen op zijn rug.

De commandant deed een van de boeien om zijn rechterpols, de andere leidde hij om een van de buizen van de verwarming heen, Jacob hoorde het gerammel achter zich; toen werd er ook een boei om zijn linkerpols geknipt.

‘Zo,’ zei de commandant. ‘Ben je klaar voor je bezoek?’

Sidderend sloot Jacob zijn ogen en bad om kracht, tot God, tot Lily, maar het enige dat hij kon voelen was doodsangst bij de gedachte aan wat ze met hem zouden doen.

‘Antwoord, lummel!’ krijste de commandant.

Jacob opende de ogen, blind van tranen. ‘Alsjeblieft, alsjeblieft,’ fluisterde hij. ‘Het spijt me, maar ik kan niet meer verdragen, ik kan niet nog meer verdragen, alsjeblieft, alsjeblieft...’

‘Doe niet zo gek, man!’ zei de commandant verachtelijk. ‘Niemand zal je aanraken. Met geen vinger! Je gaat alles zelf doen, dat beloof ik je.’ Na die raadselachtige woorden draaide hij zich om, verliet het vertrek en sloot de deur achter zich.

Jacob, rillend van angst, bleef naar die deur staren, gekluisterd aan de verwarming.

 

***

 

‘Deze kant uit,’ zei de Duitse officier, en hij opende een deur.

Laura begreep niet waarom zij zich ineens bang voelde. ‘Waarom?’ vroeg ze, aarzelend.

‘U wilt uw vader toch zien? Nou, hier is hij.’ De officier maakte een gebaar dat ze naar binnen moest gaan. Ze gehoorzaamde; nauwelijks was ze in de kamer of ze stond stil. ‘Vader!’ riep ze verschrikt.

Hij zag er afschuwelijk uit. Ze hadden zijn hoofd kaal geschoren, hij was zijn tanden kwijt, hij zag eruit of hij twintig jaar ouder was geworden. Maar waar zij het meest van schrok was het afgrijzen in zijn ogen toen hij haar zag. ‘Nee...’ stamelde hij, ‘nee, nee, in Godsnaam, nee nee...’ Hij trachtte naar haar toe te gaan, maar iets rukte hem achteruit. Zij begreep dat hij vastgebonden was aan de verwarmingsradiator, als een beest.

‘Waarom? Wat gaat u met hem doen?’ riep zij uit.

De officier deed de deur dicht, draaide de sleutel om, stak die in zijn zak, nam zijn pet af en begon zijn tuniek open te knopen.

Achter haar krijste Vader: ‘Nee nee! O God, God, nee! Genade, genade! O God, nee!’ Helemaal in de war draaide ze zich om en ging naar hem toe,

[p. 60]

om bij hem te schuilen voor het plotselinge besef van haar ontzettende dwaasheid. Maar een hand greep haar bij de schouder en trok haar weg. De officier, nu in hemdsmouwen, hield haar beet, en zei tegen Vader: ‘Laten we nu eens zien of die heiligheid van je het uithoudt. Of misschien ben jij, als het erop aan komt, ook een beest, eine Bestie, net als wij allemaal. Kijk maar 's goed.’

Vader krijste: ‘Nee nee! God, nee!’ en rukte aan zijn ketting. De officier greep de hals van haar jurk en scheurde die met één ruk open. Doodsangst verlamde haar, zij zag de ogen van de man veranderen toen hij het zwangerschapskussentje ontdekte. Hij rukte het los, las het opschrift, en dat scheen hem tot razernij te brengen. ‘Hoer!’ krijste hij, ‘hoer, hoer, hoer!’ Bij ieder woord sloeg hij haar in het gezicht. Zij wankelde, verward van angst en pijn; achter zich hoorde ze Vader brullen en aan zijn ketting rukken. Met haar laatste krachten riep zij: ‘Niet doen, Vader, niet doen! Het is goed, alles is goed...’ Toen werd zij door de oorlog overweldigd.

 

***

 

Buiten de barak hoorde dokter Schmidt het gegil en gekrijs in het kamertje van Kroll. Samen met twee Kapo's holde hij naar binnen, het kantoortje in, maar de deur naar de slaapkamer was op slot. Binnen werd gekrijst, gekrijst, hij stond op het punt de deur in te trappen toen die geopend werd door Kroll, in hemdsmouwen. Achter hem zag Schmidt het meisje, naakt op het bed, haar japon aan flarden. Geketend aan een radiator stond Mariens aan zijn boeien te rukken, krijsend als een wild beest. Bloed droop van zijn polsen.

‘In Godsnaam, wat...?’ vroeg Schmidt.

‘Moment, bitte.’ Kroll nam zijn tuniek van de stoel en trok hem aan. Toen richtte hij zich tot de Kapo's. ‘Haal hem weg!’ blafte hij, en gaf hen een sleuteltje.

De Kapo's benaderden de razende man met omzichtigheid, toen besprongen zij hem, tegelijk. Na een worsteling zagen zij kans hem te overmeesteren en de handboeien te ontsluiten. Hij vocht, beet, worstelde; schuim stond op zijn mond, zijn ogen puilden uit zijn hoofd; hij was volkomen krankzinnig, de twee Kapo's konden hem nauwelijks de baas. Terwijl hij, krijsend, vechtend als een bezetene, weggesleurd werd uit het kamertje, opende het meisje de ogen en Schmidt zag aan de wezenloze manier waarop zij hem aanstaarde dat zij in shock was.

Kroll stak een sigaret op.

‘Wat - wat heeft dit in Godsnaam te betekenen?’ vroeg Schmidt, niet bij machte zijn walging te verbergen.

Kroll knipte zijn aansteker dicht. ‘Een theologisch dispuut, Herr Doktor,’ zei hij. Hij raapte het kussentje op. ‘Hier! Het geheim van de onbevlekte ontvangenis!’ Hij wierp het hem toe.

Schmidt liet het vallen. Nog nooit had hij een medemens zo geminacht als deze sadistische schoft. Het was alsof het masker was afgerukt. Het bakkes dat hem aanstaarde was het smoel van de SS; het smoel in de spiegel.

Kroll keek hem onderzoekend aan. Toen zei hij, laconiek: ‘Ik zou zeggen:

[p. 61]

brengt u het meisje voorlopig even naar uw bungalow. Geef haar een slaapmiddel of zo iets. Ik zal later besluiten wat er met haar moet gebeuren.’ Hij zette zijn pet op, wierp een blik in de spiegel, en liep de deur uit.

Schmidt ging naar het meisje op het bed en probeerde haar op de been te helpen. Haar ogen stonden glazig, na twee stappen zakte ze in elkaar. Hij kon haar nog net opvangen voor zij op de grond viel. Aan hun voeten lag het kussentje met het opschrift ‘God is liefde’.

Hij trok de deken van het bed en wikkelde haar erin. Toen droeg hij haar naar buiten.

Op de appèlplaats, halverwege de barak, waren de twee Kapo's bezig de vader weg te sleuren, die nog steeds krijste en zich als een bezetene teweerstelde. Toen de man zijn dochter zag wegdragen gaf het hem de kracht van de waanzin. Hij rukte zich los, holde hen achterna, krijsend: ‘Laura! Laura!’

Vóór de twee Kapo's hem hadden ingehaald flitste een geelzwarte streep voorbij en vloog hem naar de keel.

‘Siegfried!’ riep Schmidt. ‘Fuss! Fuss!’

De hond gehoorzaamde onmiddellijk, maar het was te laat. De man was op zijn rug gesmakt; Schmidt zag het bloed uit zijn halswonde spuiten.

 

***

 

In de vlammen en de rook van de hel zag Jacob Martens zijn moordenaars op hem neerkijken; toen zij hun knuppels ophieven wist hij dat dit het einde was.

Het einde was paniek, doodsangst, uiterste wanhoop. Geen God, geen Lily, geen genade, geen hoop. Spuwend van haat, vechtend tot het einde werd hij doodgeknuppeld. Zijn laatste bewuste besef was dat alles voor niets was geweest. Voor niets, voor niets.

Niets.

terug  begin  verder