terug  begin  verder
[p. 63]

Pennsylvanië-Nederland-Duitsland
1944-1945

[p. 65]

Een

Gezien vanuit het herbebossingskamp, boven op de berg, was de stad Loudwater een rosse gloed in een meer van smook, want zoals steeds op herfstavonden was de rook van de ijzergieterijen in de vallei blijven hangen. Het was een spookachtig gezicht, alsof de hele stad met haar zeshonderdduizend inwoners verzonken was. Gedurende enkele uren, tot de nacht viel, zag de vallei er weer uit zoals zij eruit gezien moest hebben toen de eerste kolonisten aankwamen in 1681: John McHair, stroper uit Engeland, met een ijzeren haak in plaats van een rechterhand, en zijn doofstomme bruid. Alleen op de noordelijke helling had de mens onuitwisbare sporen achtergelaten: vierkante kilometers waren totaal ontbost, waar de excavateurs van de Loudwater Stripmining Company de kolenlaag hadden afgegraven.

De honderdzeventig dienstweigeraars, die in de houten barakken van het herbebossingskamp woonden, hadden de opdracht die wonden te helen, door dennezaadjes te planten waar eens de machtige eiken en Indiaanse kastanjebomen geschuimd hadden in de wind. Deze herfstavond ging de wind liggen na zonsondergang. Onder de strakblauwe hemel, waarin de eerste sterren al begonnen te flonkeren met winterse helderheid, werd het stil, behalve het eentonige gepuf van de dieselmotor in de dynamoschuur en het gezang van een mannenkoor uit de open ramen van de recreatiehal, gele rechthoeken in de vallende duisternis. ‘Ik weet niet waar de levensstroom’, zongen de mannen, driestemmig, ‘mij uiteindelijk doet belanden...’ Een bas met een kleis bulkte boven iedereen uit: ‘lánden!’ Er werd op een muziekstandaard getikt en een stem riep: ‘Stop!’

Binnen staarde het koor van achttien jongemannen in kaki overalls naar hun dirigent, een slungelige figuur, met een lorgnet op die niet bij zijn werkkleding paste, Mahler vermomd als loodgieter. ‘Bonny, alsjeblieft, alsjeblieft!’ riep hij, smekend, ‘ik heb het wel tien keer gezegd: die C moet je bel canto nemen!’

De blonde jongen antwoordde, nurks: ‘Ik spreek geen Italiaans.’

‘Zachter! Melodieuzer! Een hunkerende orgeltoon, niet een gebulk alsof je op de plee zit!’

Iemand giechelde. Bonifacius Baker gromde: ‘Onzin.’

‘Goed!’ zei de dirigent. ‘We beginnen opnieuw, nummer vijf: “mij uiteindelijk doet belanden”. Laten we proberen of we het hele ding in één keer af kunnen zingen. Daar gaat-ie dan!’ Hij tikte op de lessenaar. ‘Een, twee, ja!

De achttien stemmen, vol jeugd en ondraaglijke verveling, zongen luidkeels: ‘mij uiteindelijk doet beláh-anden!’ Dit keer klonk de bas vals, maar hoewel de dirigent zijn ogen ten hemel sloeg tikte hij niet af. Het koor vervolgde, strijdlustig: ‘Ik weet alleen dat ik nimmermeer - kan drijven buiten

[p. 66]

het bereik - van Zijn liefdevolle Handen!’ De laatste noot werd weer uit volle borst gebruld door de bas, en de dirigent stond op het punt er wat van te zeggen toen een meisje in een wit schort uit de keuken kwam met een dienblad vol dampende mokken. ‘Nou, vooruit dan maar,’ zei Mahler in de overall, ‘daar komt de zuiperij, dus laten we het er voor vanavond bij laten. Bonny, je moet die passage, als je morgen weer in je boom hangt, voor jezelf eens repeteren. Contemplatie, niet constipatie. Oké?’ Hij antwoordde zichzelf: ‘Oké.’ Toen richtte hij zich tot een kale man in sportjasje, die binnen was gekomen. ‘Harlan? Wil je nog iets aankondigen?’

‘Inderdaad,’ antwoordde de kampdirecteur. ‘Maar ik zal wachten tot iedereen er is.’

Buiten klonk een bel; enkele ogenblikken later begon de barak onder luid gestommel vol te lopen met jonge mannen, allemaal in kaki overalls, allemaal een jaar of twintig. Stoelen werden bijgetrokken, toen riep iemand in de deuropening: ‘Daar heb je ze! Ik kan koplampen de weg op zien komen!’

‘Dank je, Jules,’ zei de directeur. Toen riep hij, luid, om het gestommel te overstemmen: ‘Vrienden! Mag ik jullie aandacht, alsjeblieft!’ Het werd stil. ‘Onze gasten van vanavond staan op het punt te arriveren. Ik wil jullie er nog even aan herinneren dat dit een experiment is waar veel van afhangt. Wij hebben, zoals we allemaal weten, zekere moeilijkheden gehad met de plaatselijke patriotten...’ Er werd gelachen, hij hief de hand op. ‘Het ogenblik is gekomen om dit conflict te benaderen op de manier van de Vrienden. De Veteranenbond heeft mij verzocht of ze vanavond een film mogen vertonen van de invasie in Normandië. Zij zullen waarschijnlijk een vrij agressieve inleiding houden. Laat ons proberen open te staan voor wat ze zeggen, ook al zou het in tegenspraak blijken te zijn met onze overtuiging. Laat ons trachten te appelleren aan het goddelijke in hen, want het beginsel van de geweldloosheid dat wij allen aanhangen, de reden waarom wij hier in dit kamp zitten, is óók van kracht ten overstaan van individuen die het tegenovergestelde van ons belijden met een hartstocht die ons allen persoonlijk bekend is.

Bonifacius, achter in de zaal tegen de muur geleund, keek naar de gezichten om hem heen. John Marlowe en Harry Willoughby glimlachten laatdunkend, zij waren de meest fanatieke pacifisten onder hen en derhalve het minst tolerant. De anderen namen het gemoedelijk op; de filmvoorstelling was een verzetje in de eindeloze reeks identieke dagen en avonden. De dienster met het witte schort was bezig de mokken op het buffet op een rij te zetten.

Het licht van koplampen zwaaide over de ramen en een stem riep: ‘Daar heb je ze! Wat doen we, Harlan? Zingen we: “Voorwaarts, Christ'lijke soldaten”?’

De directeur antwoordde: ‘Geen onzin, Harry. En laten we niet applaudisseren als ze binnenkomen, wacht daarmee tot we wat gezien hebben.’

Twee buikige oude mannen met kepi's van de Veteranenbond verschenen in de deuropening; de jongens in de zaal staarden hen nieuwsgierig aan. Bonny dacht dat hij de dikste, die een opgerold filmscherm onder de arm droeg, herkende; hij was eens met hem meegelift de stad in en daarbij

[p. 67]

uitgemaakt voor ‘laffe klootzak’ en ‘communistische verrader’ als prijs voor de rit. Er kwamen nooit auto's de slingerweg naar het kamp op behalve die van de oude veteranen; ze stonden soms geparkeerd voor de ingang van het kamp, alleen maar om een paar schijtlaarzen van dienstweigeraars op te pikken en eens goed de waarheid te zeggen terwijl ze hen naar de stad reden. Hun tirades waren altijd dezelfde: ‘Luie nietsnutten die boompjes planten, terwijl andere jongens met bajonetten worden doodgestoken,’ en: ‘Wat doen jullie wanneer je zuster voor je ogen verkracht wordt?’ De oude, naar tabak en schimmel stinkende auto's van de veteranen waren het enige vervoermiddel naar Loudwater voor een avond verlof; daarom droeg iedereen altijd zijn kaki overall met ‘mfs’ erop: Meeting for Sufferings; als je dan de bioscoop weer uitkwam maakte je een goede kans opnieuw opgepikt te worden door een patriot, erop belust zijn verachting voor je te luchten terwijl hij je, hotsend, terugreed naar het kamp.

De twee oude mannen met de kepi's zetten hun scherm en hun projector op in een afwachtende stilte. Het scherm was te klein voor de honderdzeventig toeschouwers; de projector moest halverwege het gangpad worden neergezet. Er werd in een microfoon geblazen en gemompeld: ‘Testing, testing.’ Toen riep de dikste van de twee: ‘Lichten uit, alstublieft!’

Het werd donker. De projector begon te snorren; de titel flikkerde op het scherm. ‘D-Day. Normandië, 6 juni 1944.’ In de duisternis klonk een stem uit een luidspreker: ‘Oorspronkelijk zou de invasie van Normandië op 5 juni plaatsvinden, maar slecht weer dwong generaal Eisenhower deze vierentwintig uur uit te stellen. In de oostelijke havens van Groot-Brittannië was de grootste armada verzameld die de wereld ooit gezien had.’

Het scherm vertoonde rijen vrachtschepen, de grijnzende gezichten van matrozen, een sleepbootje dat voorbijschuimde, meisjes in wac-uniformen die soep uitdeelden met stalen helmen op hun neus of in hun nek of op één oor. Daarna koos de armada zee, en de stem uit de luidspreker vervolgde zijn viriele commentaar. Toen klonk geweervuur, het bonken van antitank-kanons, het geratel van mitrailleurs; het scherm vertoonde landingsvaartuigen die hun kleppen neerlieten op het strand. Honderden soldaten waadden door de branding, hun geweren boven hun hoofden; om hen heen spoten de fonteintjes van inslaande kogels. Steeds meer, van hen vielen achterover; sommigen spartelden nog enkele ogenblikken in doodsstrijd, daarna zonken ze weg. De overlevenden bleven strak voor zich uit staren, als gedreven door een vreemde zelfmoorddrang. Het was een gruwelijk schouwspel, toch leek het niet helemaal echt. Opeens hield het helse lawaai op. Het scherm vertoonde de zee, bij zonsondergang. De blik van de camera waarde langzaam over de golven. Overal dreven lichamen, sommige met het hoofd onder water, de knieën opgetrokken, de armen half uitgestrekt naar de hemel, andere op de buik, vormeloze voorwerpen dobberend in het avondrood. Soldaten in motorbootjes waren bezig de lijken te bergen, met bukkende bewegingen, alsof ze netten binnenhaalden. Bonifacius hoorde in gedachten het lied dat ze die avond hadden ingestudeerd: ‘Ik weet alleen dat ik nimmermeer - kan drijven buiten het bereik - van Zijn liefdevolle Handen.’ Op dat ogenblik leek het een obsceniteit.

Opeens klonk de stem van een van de mannen met de kepi's. ‘Deze

[p. 68]

jongens, heren dienstweigeraars, zijn gevallen om jullie recht te verdedigen je privé-geweten te volgen, en hier in dit vakantieoord op je krent te zitten, je te laten bedienen door vrouwen, en boompjes te planten. Ik hoop dat het zien van deze beelden enkelen onder jullie op andere gedachten brengt. Goeienavond, en bedankt voor de aandacht.’

De lichten werden weer aangedraaid; vóór de militante pacifisten van repliek hadden kunnen dienen stond Harlan Moremen op. ‘Vrienden! Het is mij een behoefte om namens ons allen onze gasten van vanavond te danken voor hun aangrijpende film. Wij eerbiedigen hun gevoelens, het moet me echter van het hart dat wij hier niet in dit kamp zitten vanwege ons “privé-geweten”. Het grondbeginsel van het Religieus Genootschap der Vrienden dateert uit de zeventiende eeuw, en is geformuleerd door George Fox in 1660 in zijn brief aan koning Karel ii: “Wij wijzen alle oorlog en alle gewapend conflict af, voor welk doel dan ook, onder welk voorwendsel dan ook. Wij getuigen tegenover de gehele wereld dat de geest van Christus ons nooit zal kunnen leiden tot het opnemen van de wapenen tegen een ander, hetzij ten bate van een werelds koninkrijk, hetzij voor het koninkrijk Gods...”

De historische woorden hadden Bonifacius tot dusver altijd een gevoel van plechtigheid gegeven; vanavond, misschien door de zelfgenoegzame manier waarop Harlan Moremen ze uitsprak, kon bij ze niet verdragen. Hij stond op en liep achter de rijen stoelen om naar buiten.

Hij stond nachtblind aan de rand van de duisternis toen Harlan zweeg. Hij verwachtte het gestommel van stoelen te zullen horen, maar het bleef stil in de zaal. Ze waren in samenkomst gegaan met hun twee gijzelaars, de buikige oude mannen met de kepi's. Het gaf Bonifacius zo'n gevoel van oneerlijkheid dat hij de nacht inliep.

Na het omslaan van de hoek van de barak hoorde hij het eentonige-tuf-tuf-tuf van de dieselmotor in de dynamoschuur, eenzaam in de nacht. De hemel was vol sterren, een dunne maan was opgegaan boven de bergen aan de overkant van de vallei; in de diepte lag Loudwater, rosse gloed op de bodem van een meer van mist. Hij had dikwijls naar dit uitzicht zitten kijken, 's avonds, met een weldoend gevoel van afzondering; vanavond had hij dat gevoel niet. Het leek alsof iemand hem gevolgd was, die nu achter hem stond. Het gevoel werd zo sterk dat hij omkeek; maar er was niemand te zien. De schimmen van de barakken lagen zwart in de nacht, alleen de ramen van de recreatiezaal waren licht. Toch kon hij het gevoel niet van zich af zetten. Verbeelding, natuurlijk. Hij was zó onder de indruk van die drijvende lijken en hun contrast met die sentimentele versregel, dat hij weer aan het piekeren was geraakt over zijn ‘dubbelganger’, verpersoonlijking van zijn geweten. Niet zijn Quaker-geweten, maar zoals die oude man gezegd had: zijn privé-geweten. Het was trouwens een oude man met een kepi geweest die de dubbelganger voor het eerst bij hem had opgeroepen, twee maanden geleden. Tijdens de gebruikelijke tirade op weg naar de stad had de man aan het stuur, wiens gezicht hij niet had kunnen onderscheiden in het donker, gezegd: ‘Prachtig, zo sterk te staan in je geloofsovertuiging! 't Te verdommen om op je te laten schieten vanwege Jezus! Maar die plaatsvervanger van je? Je begrijpt toch wel dat 't leger

[p. 69]

een bepaald aantal rekruten nodig heeft, en als er één afvalt omdat ie een Kwaker is of een Wederdoper of een Mennoniet, dan zeggen ze niet: “Nou, dan maar eentje minder,” maar: “Dan pikken we d'r een die afgekeurd is vanwege platvoeten, of een schele, of iemand die een tikkie achterlijk is, maar net niet achterlijk genoeg om een spuit vast te houden en op een nazi of een jap te richten.” Dus dank zij jouw gewetensbezwaren is iemand die anders door het net gezwommen zou zijn nou de sigaar. Gewetensbezwaren! Je bent net als de sentimentele wijven die “snoezig!” roepen bij het zien van een lammetje, en dan naar een restaurant gaan en lamskoteletten bestellen. Als ze het stomme dier maar niet zélf z'n strot behoeven af te snijden kunnen ze rustig “snoezig” roepen, of “aan mijn lijf geen broedermoord”. Maar dat lam dan? Die sufferd met de platvoeten? Daar wil ik jouw religieuze antwoord wel eens op horen. Of haal je je schouders op, net als die smikkelende wijven met 't vet langs d'r kin, en zeg je: “Dat lammetje hep pech gehad”?’

Het had een volkse, komische tirade geschenen. Maar tegen zijn verwachting in was het beeld hem bijgebleven: een jongen met platvoeten, struikelend onder spervuur, ziek van angst. Nu zag hij die jongen drijven met zijn hoofd onder water, de knieën opgetrokken, de armen half uitgestrekt naar de hemel. ‘Ik weet niet waar de levensstroom...’

Opeens leek al zijn zekerheid hem te zijn ontvallen: zijn geloof, zijn overtuiging dat de Quaker-beginselen de hoogste uiting van het goddelijke in de mens waren, de geweldloosheid, de liefde voor de ander, de roeping zich beschikbaar te stellen als instrument voor Gods liefde. Hij zat in de nacht in een plotselinge eenzaamheid.

Niet alleen zijn dubbelganger was buiten het bereik van Zijn liefdevolle Handen gedreven, hij zelf ook.

 

***

 

Midden in het telefoongesprek met Ethan Woodhouse, de klerk van de Meeting for Sufferings, kwam Dorothy Bakers secretaresse binnen en legde een papiertje op haar bureau. Uw zoon is hier. Hij zegt dat het dringend is. Mag ik hem binnenlaten? Dorothy las het met gefronste wenkbrauwen, en knikte kortaf. ‘Nee, Ethan, nee!’ riep zij, want Ethan Woodhouse had kans gezien, dank zij dat ogenblik van afleiding, om met een tegenargument te komen. ‘Ik ben het absoluut niet met je eens! We mogen dit niet over onze kant laten gaan. Verdraagzaamheid is goed en wel, maar een snotneus, die zich historicus noemt...’

Ethan Woodhouse mompelde iets wat zij niet verstond; hij klonk ineens afwezig, misschien werd er bij hem ook een papiertje op zijn bureau gelegd. Zij nam haar kans waar. ‘Ethan,’ zei ze, ‘er is maar één man in het Genootschap die voldoende autoriteit heeft om deze jongen...’ Zij had willen zeggen: ‘in de grond te stampen’, maar bedacht op tijd dat dit niet bepaald een quakerlijke uitdrukking was, ‘op zijn nummer te zetten. Ik zelf, als directrice van de instituten die zijn naam dragen...’

Ethan Woodhouse had het briefje dat hem was voorgelegd blijkbaar gelezen, want hij viel haar in de rede. ‘Dorothy, als de jongen zegt dat hij

[p. 70]

onweerlegbare bewijzen heeft, dan hééft hij die! Hij zou het niet in zijn hoofd halen dit soort dingen uit zijn duim te zuigen! Wat wil je? Erop ingaan en hem daarmee de gelegenheid geven zijn bewijzen openbaar te maken, en daarmee nog meer aandacht te vestigen op deze hele gênante geschiedenis?’

Zij zei, met de ogen gesloten en een rust waar haar ondergeschikten onmiddellijk voor op hun hoede zouden zijn: ‘Ethan, het bestáát niet dat hij “onweerlegbare bewijzen” heeft. Het bestáát eenvoudig niet.’

Op dat ogenblik kwam Bonny binnen, met een gezicht van oude lappen. Zij kon niet uitmaken of het zijn ochtendhumeur was, of dat er iets gebeurd was. Hoe dan ook, het bracht haar van slag. In plaats van Ethan Woodhouse van repliek te dienen zei ze: ‘Ik moet nu ophouden, maar ik kom wel even langs, vandaag of morgen, of ik bel je vanavond.’ Voor hij nog iets had kunnen zeggen legde zij de hoorn neer. ‘En, wat doe jij hier?’ vroeg ze, strenger dan ze wilde.

‘O, ik eh - hoe gaat het ermee, Moeder?’

Om hem duidelijk te maken dat ze niet boos op hem was, maar op de ellendeling die haar idool bezwadderd had, barstte ze uit: ‘Ik weet niet of je het gelezen hebt, maar er staat iets in het nieuwe nummer van Friends' Journal dat te schándelijk is om los te lopen, geschreven door een zekere George Martin, een snotaap die zegt dat hij historicus is. Historicus! Weet je wat hij over een van onze grootste Quaker-heiligen zegt?!’ Zij zwaaide om in haar draaistoel en keek op naar het schilderij achter haar, waaraan ze zoveel inspiratie en kracht te danken had. ‘Weet je wat de lummel zegt?! Dat Mordechai Monk niet blind was! Dat hij - dat hij...’ Tot haar verbijstering vulden haar ogen zich met tranen. Het was alsof iets wat dierbaarder was dan zijzelf, een kind, een geliefde die zich niet verdedigen kon, door een bullebak in het gezicht geslagen was. Ze keek op naar het schilderij, naar het nobele gezicht van de oude man met de blinde ogen, die, met een staf in de hand, het gelaat ten hemel geheven, geleid door een herdershond, voortschreed door de prairie aan het hoofd van een colonne Indianen. ‘En het ergste is nog wat hij zegt over de hond! Ik zal het je voorlezen...’ Het krantje ritselde in haar handen, zo beefden ze van woede. ‘Heilige of charlatan? Dat is de titel. In het panopticum van onze zogenaamde Quaker-heiligen... Wat zeg je van zo'n term? Mensen die hun leven gelaten hebben uit liefde voor hun medemens, uit liefde voor God, noemt deze blaaskaak een “panopticum”. In het enzovoort van onze zogenaamde Quaker-heiligen bekleedt Mordechai Monk, evangelist en mensenredder, een voorname plaats. Wij kennen allen de legende: vurig prediker, voorganger van de orthodoxe vleugel van het Genootschap in 1833, die door God geroepen werd om de Indianen die door de Cavalerie naar hun nieuwe reservaat werden gedreven, te vergezellen op het “Spoor van Tranen”. Hij werd door de bruten, die de roodhuiden als vee voor zich uit dreven, afgeranseld en door een zweepslag verblind. Niettegenstaande dat strompelde hij verder, stralende emanatie van Goddelijke liefde, tot hij, na een tocht van maanden, zijn Golgotha vond aan boord van een afgekeurd stoomschip dat de Indianen naar hun uiteindelijke bestemming zou varen. Bij het vertrek sprongen de gammele ketels, het schip ging onder, iedereen

[p. 71]

aan boord verdronk. Dit is het officiële verhaal over de man die sindsdien gecanoniseerd werd, en naar wie de instituten genoemd zijn die zich ontfermen over de blinden onder de Indianen en de negers in de zuidelijke staten. Ieder Quaker-kind kent het schilderij van de Abraham-achtige grijsaard, de blinde ogen ten hemel geheven, die zich laat leiden door een hond; vandaar de Mordechai Monk opleidingsinstituten voor blindengeleidehonden...’ Zij kon niet verder. ‘Hoe vind je het?’ riep zij. ‘Zelfs de hond kan hij niet met rust laten, zelfs...’ Maar ze mocht zich niet laten gaan. Ze vervolgde, trachtend haar stem normaal te doen klinken ondanks de verstikte tranen: ‘Welnu, ik heb in mijn bezit de onweerlegbare bewijzen dat Mordechai Monk allerminst een heilige was, en zeker niet blind. De geschiedvervalsing door hysterische, waarschijnlijk seksueel gefrustreerde oude vrijsters die hem reeds tijdens zijn leven schaamteloos verheerlijkten, gaat zover dat zij zijn metgezellin, die al het werk gedaan heeft, namelijk Lydia Best, op het beroemde schilderij vervangen hebben door een hond. Ik geloof dat het tijd wordt dat Vrienden zich ontdoen van deze suikergoedheilige, die wij nog altijd aan onze kinderen voorhouden als een stralend voorbeeld van de Beginselen. Mordechai Monk was een driedubbel overgehaalde schurk, een geobsedeerde erotomaan, die blindheid voorwendde teneinde de onschuldige Lydia Best mee te lokken, de prairie in. Met welk oogmerk laat zich gissen, als men weet dat hij in de dagboeken van meerdere jonge meisjes, in de bedekte termen van die dagen, gekwalificeerd werd als “starende oude stier”, en “griezel, die mij, tijdens de samenkomst, met zijn hete, hypnotische ogen leek te ontkleden tot ik met het schaamrood op de kaken vluchtte in gebed”. Het journaal van de arts Léon Rossini, die meetrok met de eerste schoolexpeditie uit Pendle Hill en dat door mij werd ontdekt in de archieven van de universiteitsbibliotheek van Swarthmoor, beschrijft Monk met klinische nuchterheid. Rossini verhaalt hoe hij, op verzoek van de Maandvergadering van Pendle Hill, Mordechai Monk medisch onderzocht op de verzamelplaats van de Indianen, voor zij verdwenen in de prairie... Enzovoort, enzovoort.’ Zij wierp de krant op haar bureau. ‘Wie is deze paljas, George Martin? Ken je die? Hij moet ongeveer van jouw leeftijd zijn. Wie is het?’

‘Pardon?’ De jongen keek op, alsof hij er met zijn gedachten niet bij was geweest.

‘Je hebt niet eens geluisterd,’ zei ze verwijtend. ‘Je hebt geen woord gehoord van wat ik heb zitten voorlezen.’

Hij keek haar aan met een rare blik, bijna onvriendelijk. ‘Moeder,’ zei hij, ‘ik ben langsgekomen om je te vertellen dat ik mij ga opgeven voor het leger. Ik wilde dat niet doen zonder jou eerst ervan op de hoogte te hebben gebracht.’

Zij voelde de kalmte over zich komen waarmee God haar altijd zegende wanneer zij plotseling geconfronteerd werd met een crisis. ‘Wil je dat nog eens zeggen?’ vroeg zij, rustig. Er was geen spoor van tranen meer in haar stem.

‘Ik kan mij voor mijn geweten niet langer verschuilen in dat kamp en dennezaadjes poten terwijl de andere jongens afgeslacht worden op het strand van Normandië. Ik móét mij bij hen voegen. Ik kan niet langer met

[p. 72]

mezelf leven als ik het niet doe.’

‘Kun je me vertellen waarom?’ vroeg zij, met die Godgegeven kalmte, die bijna vrede was.

‘Zeker,’ antwoordde hij. ‘Gisteravond kwamen er een paar veteranen in het kamp, met een film van D-Day...’

 

***

 

Na een minuut of wat zag Bonifacius dat hij minder indruk op Moeder maakte dan George Martin, met zijn brutale stukje over Mordechai Monk. Ze zat met haar directricegezicht te luisteren; hij was ervan overtuigd dat ze niet zat te denken hoe zij hem helpen kon of sterken, maar hoe zij hem beletten kon zich op te geven voor het leger. Hij ging manmoedig verder; toen vroeg ze, opeens: ‘Weet de leider van je kamp hier eigenlijk van?’

‘Nee.’

‘Je bent dus zonder verlof weggelopen?’

‘Ja.’

Zij nam de telefoon op. ‘Jeanne? Geef me nog een keer Ethan Woodhouse.’

Hij keek naar haar autoritaire gezicht met de warrige Quaker-knoet, het schilderij van de blinde Mordechai Monk en zijn geleidehond. Driedubbel overgehaalde schurk...

‘Ethan? Nee, het gaat niet over dat artikel, maar iets wat dringender is. Mijn zoon Bonifacius is net binnengekomen om mij te vertellen over een gewetenskwestie; ik hoor net dat hij is weggelopen zonder de directeur van zijn kamp ervan te verwittigen. Ik neem aan dat hij, technisch gesproken, afwezig is zonder verlof... Dat dacht ik al. Zou jij zo vriendelijk willen zijn om het met de directeur in orde te maken? En ik geloof dat het een goed idee zou zijn als de jongen je even kon spreken. Vandaag nog, indien mogelijk...’

Bonifacius trachtte haar met gebaren ervan te weerhouden; de laatste die hij op dat ogenblik wilde zien was Ethan Woodhouse met zijn uitgestreken paardegezicht en zijn ronkende gemeenplaatsen.

Maar zij trok er zich niets van aan. ‘Geloof me, het is dringend, Ethan,’ hield zij vol. ‘Hij wil zich gaan inlijven bij het leger. - Ja, het leger! Dát weet ik niet, dat moet je hem zelf vragen. Goed, morgenochtend, tien uur. Hartelijk dank. Dag, Ethan.’ Zij legde de telefoon neer. ‘Zo,’ zei ze. ‘Je hebt het gehoord: morgenochtend heb je een afspraak met Ethan Woodhouse.’

‘Ik denk er niet aan.’

‘Waar denk je niet aan, lieve schat?’

‘Ik heb er geen behoefte aan om me door Ethan Woodhouse de les te laten lezen over een besluit dat ik als volwassen man genomen heb.’

‘Dat kan wel zijn,’ zei ze, ‘maar je bent gespijbeld uit je kamp, en je hebt het alleen aan Ethan Woodhouse te danken dat je niet door de militaire politie wordt opgepikt. Het minste dat je doen kunt is er morgen even langsgaan en hem op de hoogte brengen van de redenen voor je besluit. Daar zou je mij trouwens ook een plezier mee doen, als het niet te veel

[p. 73]

gevraagd is.’

Hij zuchtte. ‘Moeder, dat heb ik je net tien minuten lang zitten vertellen.’

‘Wat?’

‘Hoe ik tot mijn besluit gekomen ben.’

Zij nam haar bril af, ademde erop en begon hem schoon te maken, een teken dat ze geïrriteerd was. ‘Ja, hoor 's, dat is natuurlijk onzin, dat van die lijken die langs kwamen drijven. Dat zijn emotionele overwegingen...’

‘Moeder,’ zei hij, ‘ik geloof niet dat het zin heeft om hierover te gaan zitten bekvechten. Laten we naar huis gaan, en ik zal Ethan Woodhouse opzoeken, hetzij vóór of na mijn bezoek aan het recruteringskantoor.’

‘Daarvóór!’

Omwille van de lieve vrede zei hij: ‘Goed Moeder, daarvóór. Maar verwacht niet dat hij het mij uit mijn hoofd zal praten.’

‘Ik verwacht niets,’ zei zij, haar bril opzettend met een breiend gebaar, ‘Ik heb geleerd niets te verwachten.’

Het was zo kinderachtig dat hij het erbij liet. ‘Zullen we?’ vroeg hij, en stond op.

Zij keek hem door haar brilleglazen kikkerachtig aan. Ze was nu in het stadium van mokkend pruilen, dat hij zo goed kende. Hij begon zich af te vragen waarom hij zich dit op de hals had gehaald; het zou verstandiger geweest zijn als hij direct naar het recruteringskantoor was gegaan. Maar enfin, dat was nakaarten.

‘Het is nog pas halfdrie,’ zei ze, ‘ik kan niet zo maar uit mijn werk lopen.’

‘Goed, dan ga ik wel even de stad in en kom je na kantoortijd afhalen.’

‘Nee!’ Zij sprong op, kennelijk als de dood dat hij, ledigheid was des duivels oorkussen, van de gelegenheid gebruik zou maken om zich op te geven voor het leger. ‘Ik moet toch nog even langs de kennel; er is een hond voor zijn examen gezakt, die misschien geschikt is voor Grizzle, als plaatsvervanger van Gordon. Je weet dat Gordon overleden is?’

Hij had even nodig om zich voor de geest te halen wie ‘Gordon’ was: een hijgende oude Chesapeake Bay retriever, zo dik als een varken. ‘Ach? Nee, dat wist ik niet.’

‘Het was een hele slag voor Grizzle,’ zei zijn moeder, terwijl zij een la opentrok en daar het nummer van Friends' Journal in deponeerde. ‘Ze was erg aan het dier gehecht.’

Grizzle was Moeders huisgenote: een deltavormige kenau met haren uit de neusgaten, die binnen placht te dreunen tijdens samenkomst op martiale dauwtrappers, tien minuten te laat.

‘Nu, laten we dan maar gaan,’ zuchtte Moeder, ‘ik heb de stationcar buiten staan. Heb jij nog bagage bij je?’

‘Nee, ik heb alles in het kamp gelaten.’

Ze keek hem aan met gespitste lippen, alsof ze een hapje van een zure vrucht had genomen. ‘Nu, dan zullen we je oude kleren uit de motteballen moeten halen.’ Zonder zijn commentaar af te wachten stevende zij naar buiten, Mordechai Monk met zijn lichtloze ogen achterlatend. Bonifacius volgde haar en sloot de deur zonder zijn tong naar het schilderij te hebben uitgestoken.

[p. 74]

De stationcar met de initialen mm was er niet frisser op geworden sinds de laatste keer dat hij erin gereden had. Het binnenste stonk sterker dan ooit naar honden, vieze dekens, Puppy-Snack en nat stro. En Moeder reed nog steeds als een dronken dragonder, honderduit kwebbelend, met slechts af en toe een vluchtige blik op de weg.

Er was gelukkig weinig verkeer in de stad die middag, maar niettegenstaande dat zag ze kans twee woedende van rechts komende automobilisten op hun remmen te doen staan en een verkeersagent, op de kruising van Park Street en Water Street, opzij te doen springen om zijn tenen te redden toen zij de bocht nam met hem als draaipunt. Ondertussen praatte zij over het nieuwe blindeninstituut in het Apache-reservaat, over de arme Grizzle die maar niets hoorde van haar neefje dat in Italië was geland als aalmoezenier met de troepen, over de school voor blindengeleidehonden en over Doc Harvey, de trainer, die nog altijd even eenkennig was, behalve voor honden.

Bonifacius was een jaar of wat terug eens met Doc Harvey meegegaan naar het asiel om honden uit te zoeken die geschikt waren om opgeleid te worden. De Doc hield er een theorie op na dat rashonden te zenuwachtig of te aristocratisch-achterlijk waren; hij trainde alleen maar straathonden en dan nog alleen maar teven, die niet jonger en niet ouder mochten zijn dan een jaar. Bij iedere kooi met een mormel erin was de nurkse man op zijn hurken gaan zitten en had gevraagd: ‘Zeg 's, tut, heb jij zin om opgeleid te worden als blindengeleidehond? Of word je liever afgemaakt met de rest van dit rotzootje hier?’ De vraag werd op een bedaarde, menselijke toon gesteld en er waren, raadselachtig genoeg, een paar honden onder het dierlijke afval van de stad die met een schelle kef bevestigend antwoordden, waarop Doc Harvey zei: ‘Oké. We zullen je een kans geven, tut. Maar dénk erom dat je leert, hoor! Als je niet leert. psst!’ Hij maakte het lugubere gebaar van een spuitje. Tegen de bewaker van het asiel zei hij: ‘Zeg, heb je nou onthouden dat ik een Deense dog nodig heb voor een reus?’ De bewaker lachte dom, het kennelijk als een grapje beschouwend dat hij al eerder gehoord had, maar Bonifacius wist dat het ernst was: hij had de blinde reus zelf gezien in de opleidingsschool, en Moeder had geklaagd over die arme stakker van twee meter dertig, die geen gewone geleidehond kon hebben, want die waren te laag.

Toen ze aankwamen bij het opleidingsinstituut en verwelkomd werden door het geblaf van de leerlingen in hun hokjes had Bonifacius het gevoel dat hij weer twaalf jaar oud was, toen hij 's woensdags- en zaterdagsmiddags komen mocht om de hokken schoon te maken en naar Doc Harvey te kijken, en vooral te luisteren, wanneer hij de honden trainde. ‘Nee, stomme tut! De andere kant uit, kalfmosie! Wat ben je eigenlijk, een coyote? Nou, dan flikker je maar op, dan ga je maar terug naar de prairie. De ándere kant!’ En daar liep de straathond, als door een wonder tot een hoger plan van intelligentie verheven, de andere kant op, trots op het feit dat ze Doc Harvey niet alleen had verstaan, maar nog begrepen ook.

Ja hoor, daar was hij, nog altijd even zuur, en schijnbaar leeftijdloos, hoewel hij nu toch tegen de zeventig moest lopen. Alleen was hij nog meer dan vroeger zelf op een hond gaan lijken, een kruising tussen een labrador

[p. 75]

en een bouvier.

‘Zo, Bonny,’ gromde hij, zonder geestdrift. ‘Kom je ook weer eens kijken in de zondige wereld?’ Hij vroeg het op een toon die Bonifacius deed beseffen dat Doc Harvey de dienstweigeraars minstens even diep minachtte als de oude veteranen uit Loudwater. Het was nooit eerder tot hem doorgedrongen dat Doc Harvey geen Quaker was.

‘En, Doc?’ vroeg Moeder met de geforceerde opgewektheid waarmee zij de oude man altijd aansprak. ‘Hoe zijn de examens verlopen, vanmorgen?’

Doc Harvey gromde: ‘We hebben er vijf die door de beugel kunnen, de zesde is hopeloos.’

‘Welke is dat?’

‘Die grote herdershond, Sally. Stom! Stóm!’ Doc Harvey sloeg zichzelf kletsend op het voorhoofd.

‘Hoe dat zo?’

‘Bij het oversteken van de straat pakt me die tut ineens Aries roodwitte blindenstok en gaat ermee vantussen, alsof het een spelletje was. Nou, dat was al genoeg om hem te laten zakken, maar bij de laddertest, weet u wel, waarbij-ie de blinde om een ladder heen moet leiden die uit een vrachtauto steekt met een rode vlag eraan, trok het rund de arme Charley onder die ladder door, bengg! Zó'n buil heeft de stakkerd nou op zijn voorhoofd. Nee hoor,’ de oude man spoog minachtend op de vloer. ‘Jachtschotel, dat is het enige waar hij goed voor is, jachtschotel voor de Chinezen.’

‘Nou, kom kom, zo'n vaart zal het niet lopen,’ suste Moeder. ‘Waar is hij? Laat 's kijken.’

Doc Harvey gromde, maar sjokte voor hen uit, het smalle pad tussen de kooien af, in elk waarvan een rioolterriër schel keffend om aandacht vroeg. Over de kooien heen zag Bonifacius het trainingsveld, waar een blind echtpaar voorzichtig het parcours afwandelde met een bruine hond tussen hen in. Zij hielden beiden de beugel van zijn harnas vast en lieten zich, onwennig en een beetje bang, langs de hindernissen leiden. Pas als je de dieren aan het werk zag besefte je wat voor een wonder Doc Harvey met die waardeloze straathonden, op het nippertje van de vergassing gered, verrichtte. De twee bange stakkers konden vol vertrouwen de verantwoordelijkheid voor hun leven overdragen aan het dier tussen hen in, een onaantrekkelijk mengsel van een bokser en een spaniël.

Aan het eind van het looppad barstte, met diep gebas, een grote lompe hond uit de kooi, door Doc Harvey vrijgelaten. Het woord ‘herder’ was in zijn geval inderdaad toepasselijk; een zwart en geel monster met puntoren en pluimstaart dat onmiddellijk tegen Moeder opsprong en daarbij even groot bleek te zijn als zij. ‘Af! Tut! Af!’ riep Doc Harvey; maar de hond trok er zich niets van aan, likte Moeder onder de kin, hijgde haar in het gezicht en liet zich ten slotte met een plof op de voorpoten vallen. ‘Zit!’ riep de Doc, in een laatste poging; dit keer gehoorzaamde de hond. Hij keek, hijgend, met een grote rode tong uit zijn bek, naar Moeder op met een uitdrukking die alleen maar beschreven kon worden als hemelse stommiteit. Het was, zonder twijfel, een van de domste honden die Bonifacius ooit had gezien. Maar dat mocht blijkbaar niet hinderen, want Moeder zei: ‘Dát is nou eens écht een lief dier. Precies wat wij zoeken.

[p. 76]

Ik zal hem maar meenemen, Doc.’

‘Ik weet dat u niet naar me luistert, u hebt nooit naar me geluisterd, de enigen hier die naar me luisteren zijn de honden en dat nog niet eens altijd, maar laat ik voor uw eigen bestwil nog één keer herhalen: Chinese jachtschotel. Dat dier eet u de oren van uw hoofd, blaft tegen de verkeerde, kwispelt tegen dieven en als u een poes hebt, pikt hij hem.’

‘Ik zou me maar geen zorgen maken, Doc,’ zei Moeder met een glimlach, ‘ik weet dat, zodra een hond voor het examen zakt, u vindt dat hij afgemaakt moet worden, maar deze is precies wat wij zoeken. Kom maar, Sally. Ga maar met het vrouwtje mee. Wij gaan gezellig naar huis.’

De hond stormde meteen het gangpad af; Bonifacius sprong opzij om hem door te laten. Het was alsof er een trein voorbijkwam.

Toen zij in de auto zaten, met de hijgende kop van de hond tussen hun hoofden, zei Moeder, wegrijdend in de derde versnelling: ‘Je zult eens zien wat een schat van een dier dit is. De Doc is prima wanneer het op het trainen van geleidehonden aankomt, maar karakter, daar heeft hij geen kijk op.’

‘Bás!’ blafte de hond. Hij had nog halitosis ook.

‘Je weet natuurlijk waarom ik hem gekozen heb, hè jongen?’ vroeg Moeder. Zij keek hem gevoelvol aan met een snelheid van tachtig kilometer, de weg vergetend.

‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Kijk even uit, Moeder. Kijk nou uit.’

Zij gaf de weg een vluchtige blik, toen keek zij weer smeltend opzij naar het hijgende, oerstomme dier. ‘Omdat hij precies lijkt op de hond op het schilderij,’ zei ze ontroerd.

‘Moeder! In Godsnaam, kijk uit!’ Zij stond op het punt een fietser te scheppen.

Zij maakte zo'n abrupte uitwijkmanoeuvre dat de hondekop tegen zijn hoofd sloeg. De hond gromde, alsof hij zeggen wou: ‘Als je dat nog een keer doet, jongen, bijt ik je oor af.’ Moeder had gelijk, hij leek precies op de hond op dat vermaledijde schilderij. Het was Bonifacius nooit eerder opgevallen dat de herder die de blinde Mordechai leidde ongetwijfeld voor zijn examen zou zijn gezakt als het aan Doc Harvey gelegen had. Regelrecht met zijn hoofd tegen de ladder.

‘Je zult eens zien hoe verrukt Grizzle zijn zal,’ zei Moeder, met één hand aan het stuur, terwijl zij met de andere de ruige kop streelde.

Bonifacius sloot de ogen.

Toen de stationcar met gillende banden het hek inzwierde en grind sproeiend tot stilstand kwam voor de garage van de cottage, barstte binnen een woest koor van geblaf los, en achter de ramen verschenen hondekoppen. Sally antwoordde met brullend gebas, vlak naast Bonifacius' oor; hij viel praktisch de auto uit. De hond klom over hem heen en stoof op de ramen af; te midden van het helse kabaal ging de voordeur open en Grizzle Woodhouse kwam naar buiten, nog kolossaler en potiger dan hij zich haar herinnerde. ‘Wat krijgen we nou?’ vroeg zij schallend. ‘Waar komt hij vandaan?’

Bonifacius was er zo van overtuigd dat ze de nieuwe hond bedoelde dat hij schrok toen hij zijn moeder hoorde antwoorden: ‘O, hij heeft een paar dagen vrij genomen uit het kamp om iets met ons - om ons op te zoeken.’

[p. 77]

‘Nou,’ zei Grizzle, recht door zee. ‘Dan moet het wel een slappe boel zijn, de leiding van dat kamp. Dat zou je hem in het leger niet kunnen flikken, jongeman.’

‘Nee,’ zei hij, ‘vandaar dan ook dat ik er tabak van heb, van die bevoorrechte positie.’ Het was niet bepaald de manier om haar duidelijk te maken hoe hij tot zijn besluit gekomen was, maar voor hij erop door kon gaan, riep Moeder: ‘Grizzle, kijk eens wie ik heb meegebracht! Een nieuwe huisgenoot. Sally heet ze. Sally! Kom eens hier! Laat je eens aan Grizzle zien!’

De hond bleef brullend blaffen voor het raam, de voorpoten in de bloembakken, de ruiten bekwijlend en stukjes geranium om zich heen strooiend, omdat zijn klauwen in de bakken wroetten van woede. Maar het scheen Grizzle niet te storen; zij bekeek het dier met een slagersblik en zei: ‘Flinke hond. Lekker vitaal. Is dat nou het dier dat voor zijn examen gezakt is?’

‘Ja,’ zei Moeder. ‘Maar alleen uit speelsheid. Hij is er met de stok van zijn blinde vandoor gegaan, en dat was natuurlijk genoeg voor Doc Harvey om hem debiel te verklaren.’

‘Bovendien heeft hij Charley nog met zijn voorhoofd tegen een ladder op laten rammen,’ zei Bonifacius onaardig.

‘Dat was ook speelsheid, denk ik,’ zei Moeder. ‘Of misschien heeft het arme dier geen hoge visie.’

‘Nou,’ gromde Grizzle, terwijl zij met haar dauwtrappers op het brullende monster af beende. ‘Laat jij je eens een keer bekijken, meid.’ Ze had net zo goed tegen de muur kunnen praten; de hond schuimbekte van woede en had bijna de bodem van de bloembak bereikt. ‘Laat dat!’ zei Grizzle streng; toen het dier zich niets van haar aantrok gaf zij het een welgemikte trap onder de staart, waarvan de hond met een gil en verbijsterde ogen tussen de johannesbloemen ging zitten. ‘Zo,’ zei Grizzle voldaan, ‘nu gaan wij eens kennismaken.’

‘Nou, hij heeft alvast kennis gemaakt met het beginsel van de geweldloosheid,’ zei Bonifacius.

‘Hè, toe nou, Bonny...’ waarschuwde Moeder.

Maar Grizzle trok zich er niets van aan. Zij stond, wijdbeens, met de vuisten op de heupen, voor het achterlijke dier in het bloemperk en zei: ‘Sally, als jij bij ons wilt komen wonen, dan zul je eraan moeten wennen dat je niet alleen op de wereld bent. Deze cottage heet niet voor niets “Het Koninkrijk van de Vrede”. Je zult hem moeten delen met vier andere honden, twee poezen, een gans en mij en Dorothy. Goed? Nou, kom dan maar mee.’

Met sullige onderdanigheid volgde de hond haar naar binnen. Er klonk een luid gekef, toen legde de misthoornstem van Grizzle de bewoners van het Koninkrijk van de Vrede het zwijgen op.

‘Je moet Grizzle niet plagen, Bonny, beloof me dat nou,’ zei Moeder, en ze stak haar arm door de zijne. ‘Je weet hoe ze is, ruwe bolster, blanke pit.’

Bonifacius nam zich voor zijn goede wil te tonen, maar hij kreeg de kans niet. Eerst moest de hond met de andere honden kennis maken, en met de poezen, en met de eend op het fornuis, en met de mateloze rotzooi in het sombere boerderijtje dat eruitzag als één groot hondehok waarin de twee vrouwen nauwelijks geduld werden. Toen, tijdens de vieze maaltijd, met op

[p. 78]

iedere dij een hondekop met smekende ogen, werd hij door Grizzle op de korrel genomen, en wat er nog aan quakerlijke inspiratie in zijn motivering over was werd door haar volkoren-molenstenen vermalen. Woorden als ‘onzin’ en ‘tinka's’ legden hem het zwijgen op, en Grizzles vonnis was kort en bondig. ‘Quaker zijn betekent niet iedere impuls die in je opkomt te volgen alsof het goddelijke inspiratie was. Je bent niet alleen op de wereld, je bent niet uit een ei gebroed bovendien. Als afstammeling van tien generaties van Bakers kun je je dit niet veroorloven. Kijk nou eens naar hém...’ Ze was, zonder adempauze, overgegaan op de nieuwe hond, die, met lobbesachtige goedmoedigheid, de kater het begaan die naast hem in de stoel was geklommen.

Na het eten hielden zij samenkomst, waarvoor de honden uit de leunstoelen moesten worden geduwd, die met nukkige humeurigheid aan hun voeten gingen liggen borrelen en boeren tijdens de heilige stilte. Bonifacius zag geen kans ook maar enige innerlijke stilte in zich teweeg te brengen, en toen Grizzle begon te getuigen was het helemaal afgelopen. ‘Hier zitten wij,’ schalde zij met die sergeant-majoorsstem, ‘in het Koninkrijk van de Vrede, waar katers en teven in vriendschap leven en waar verdraagzaamheid koning is. Het is de plicht van iedere Quaker die zich aanmatigt die naam te dragen, om de geest van dit koninkrijk trouw te blijven, uit te dragen in de wereld, en zijn ongebreidelde wil te onderwerpen aan de geaccumuleerde wijsheid van de tien generaties van Vrienden die ons zijn voorafgegaan. Volg het Licht, Bonifacius Baker!’ eindigde zij, alsof zij hem gebood niet kinderachtig te zijn en met een lantaarn in een mijnschacht af te dalen. ‘Volg het Licht, en verder geen tinka's.’

Toen hij eenmaal in bed lag, dat naar honden rook, kon hij zelf niet aan de indruk ontkomen dat zijn besluit voor een groot deel stuipekopperigheid was. Daar lag hij weer, in het bed van zijn kindertijd, met aan de muur boven zijn hoofd de plaatjes en de spreuken die hem destijds de indruk hadden gegeven dat hij daarmee het kamertje zijn eigen maakte. Foto's uit werkkampen, lollige jongens, zwaarlijvige meisjes in jongensbroeken met witkwasten en emmers voor een houten schoolgebouwtje. Een kampvuur tijdens de Jaarvergadering van Jonge Vrienden op het eiland Eden. De tijden zijn verdorven, leef nobel en gij zult de tijden veranderen, in middeleeuws sierschrift; en, als concessie aan zijn moeder, een reproduktie van het schilderij van Mordechai Monk met Sally op de prairie.

Starend naar dat plaatje viel hij in slaap.

 

***

 

Over het algemeen had Grizzles rechtschapen boerinnenzekerheid een verzoenende invloed op Dorothy Baker, alsof haar forse realisme alle muizenissen tot hun ware proporties terugbracht. Maar vanavond niet: nauwelijks was Bonifacius naar bed gegaan of ze zei dat ze hoofdpijn had en vluchtte naar haar slaapkamer, waar ze de mopshond van haar bed duwde en, zonder zich uit te kleden of het bed open te slaan, ging liggen met haar handen onder haar hoofd, starend naar de zoldering. Opeens werd ze weer overvallen door het bekende gevoel van eenzaamheid, dat ze niet kon

[p. 79]

afschudden, maar op zijn beloop moest laten tot het uit zichzelf wegtrok. Het was eigenlijk meer manloosheid dan eenzaamheid, een gevoel van maar een half mens te zijn, een arme, worstelende stakker, die zich in het dagelijkse bestaan wel kon wijsmaken dat ze het leven de baas was, maar die op ogenblikken zoals deze besefte dat ze er een potje van maakte. Directrice van drie blindentehuizen, dat klonk flink; maar hoe vaak per dag betrapte ze zich er niet op dat ze dacht: Hè, ik wou dat er een man was met wie ik dit eens zou kunnen bepraten. Het trieste was dat het geen heimwee was naar haar overleden echtgenoot, die zou de laatste zijn geweest bij wie ze te rade zou zijn gegaan. Ze hoopte maar dat het een soort zelfverweer was dat ze zo weinig aan hem dacht, omdat anders haar hart zou breken. Maar ze wist drommels goed dat het onzin was; ze had zich stierlijk verveeld met hem, de drieëneenhalf jaar dat ze getrouwd waren. Toen hij bij dat vliegtuigongeluk was omgekomen had ze, na de eerste schok, een schandelijk en volkomen onverwacht gevoel van bevrijding gehad. Vreselijk ondankbaar; hij was een zorgzame, betrouwbare man geweest. Maar saai! Een beroeps-Quaker, net als zijzelf nu. O! Die teutlezingen van hem, over ‘de Christologie van de eerste Vrienden’ of over ‘John McHair en de kolonisatie van Quaker-Pennsylvanië’. Eindeloos geteut, allemaal met die zeurstem; en dan die vesten! En die stijve boorden, die bolle brilleglazen, die ... nee, ze mocht niet zo denken, het mocht niet!

Ze sloot haar ogen en bad om zuiverheid, stilte, de Tegenwoordigheid. Maar op de binnenkant van haar oogleden zag ze de bolle toet van de zeurkous naar haar staren met die nederige hovaardigheid van: ‘Ik begrijp je, ik neem je niets kwalijk, ik ben maar een naamloze in dienst van de naamlozen.’ Ja ja, maar ondertussen! Een eigenwijze, zelfingenomen ... God, vergeef me, vergeef me, ik mag zo niet over hem denken. Ik was jong, ik was opstandig. Ethan had mij een blauwtje laten lopen...

Ze ging opzitten, opeens akelig van zenuwachtigheid. Wat moest zij met Bonny beginnen? Waarom was Grizzle zo tegen hem tekeergegaan? Meende hij nou echt dat hij zich bij het leger wilde laten inlijven, of was het weer zo'n dramatisch gebaar, precies als zijn vader, terwijl hij er in zijn hart niet over peinsde om het waar te maken? De eenzaamheid werd dieper, in een dergelijke toestand had ze, een jaar geleden, de telefoon naast haar bed opgenomen en net zolang de buitenlandse dienst gedraaid tot er een mannelijke telefonist antwoordde, die ze tien minuten aan de praat had gehouden, alleen maar om met een man te praten op dit koude uur van de nacht. Zij keek naar de telefoon. Ze mocht daar niet aan toegeven, ze mocht niet ... Maar ze nam de hoorn op en draaide Ethans huisnummer.

‘Ja?’

O, die stem! Zo rustig, wijs, olympisch...

‘Ethan? Dorothy hier. Zeg, ik wou nog eens even met je praten over Bonifacius. Maar het is wel erg laat, hè?’

Even was het stil, alsof hij hier over nadacht, toen antwoordde hij: ‘Dat gaat wel. Vertel me eens wat meer. Vanmiddag was het nogal gehaast. Hoe is hij hier eigenlijk toe gekomen?’

‘Ik weet het niet, ik weet het niet. Ik heb met hem proberen te praten, maar ik kom er niet achter. Ik geloof...’ Ze babbelde door, haastig,

[p. 80]

zenuwachtig, ze lag gewoon dingen te verzinnen die Bonny helemaal niet gezegd had, maar waarvan ze zo'n beetje dacht dat het wel zo zou zijn, alleen maar om te kunnen praten, om een man te hebben die naar haar luisterde.

Ze praatte langer dan een half uur. Op een gegeven moment besefte ze dat ze het niet meer over Bonny had maar dat schandelijke artikel over Mordechai Monk. ‘O, het spijt me, Ethan. Daar had ik je niet over willen opbellen. Ik bedoel, daar is het echt te laat voor. Ik moet je zeggen, ik ben ontzettend blij dat je hem morgenochtend wil spreken. Ik geloof dat jij de enige bent die hem van die dwaasheid kan weerhouden.’

‘Laten we eerst maar eens afwachten of het werkelijk dwaasheid is,’ zei Ethan. Wat een bewonderenswaardige man! Een engel van wijsheid en geduld. Maar ze dacht toch dat ze iets in zijn stem begon te horen wat op matheid leek; ze moest hem laten gaan, het was onaardig hem aan de praat te houden alleen maar omdat ze de eenzaamheid niet verdragen kon. ‘Nou, tot morgen dan, en veel succes, ik bedoel - o, Ethan, ik voel me zo naar...’ Voor ze het wist lag ze te huilen.

‘Ik kan het me voorstellen, Dorothy,’ zei de geduldige stem. ‘Ik zou me er maar niet over opwinden, laat me eerst eens met hem praten en ontdekken wat er eigenlijk aan de hand is.’

‘Maar - maar je moet wel flink met hem zijn...’ snikte zij, dwaas, belachelijk.

‘Ik zal doen wat Vrienden al deze eeuwen gedaan hebben, wanneer er een Quaker verdwaalde.’

‘O?’ vroeg ze. ‘Wat is dat dan, Ethan?’

‘Ik zal de beschuttende armen van het Genootschap der Vrienden naar hem uitstrekken,’ antwoordde hij. ‘Slaap wel; we bellen elkaar morgen.’

‘Nacht, Ethan...’

Ze lag nog lang naar de zoldering te staren, haar gezicht nat van tranen, hunkerend naar de beschuttende armen van een vriend.

 

***

 

Het gebouw van de Meeting for Sufferings, het Quaker Hulpcomité, lag aan de binnenplaats van het antieke Vergaderingsgebouw. Aan de buitenkant was niet te zien dat de mfs een van de grootste en invloedrijkste liefdadigheidsorganisaties ter wereld was, met werkkampen voor dienstweigeraars over heel Amerika verspreid, lazaretten in Indiaanse reservaten, scholen voor negerkinderen in het zuiden en plaatselijke comités in alle grote steden. Zoals alle Quaker-gebouwen in Philadelphia had ook het kantoor van de mfs het anonieme aspect van een uitgewoond gemeentebureau.

Binnen was het niet veel indrukwekkender: een dilettantistische vrijwilligster achter het portiersloket, die nauwelijks wist waar de kamer van Ethan Woodhouse was, het hoofd van de dienst; en op de trappen naar de bovenverdiepingen een vrijpostig verkeer van klerken, afdelingshoofden, typistes, allemaal ongedwongen en joviaal. Pas in de kamer van Ethan Woodhouse werd Bonifacius geconfronteerd met de ware aard van de Meeting for Sufferings.

[p. 81]

Het was een hooggezolderd patriciërsvertrek met grote ramen, die uitkeken op de binnenplaats en haar olmen, met aan de muren de schilderijen van de voorgangers van de man die opstond achter zijn bureau om hem te verwelkomen. ‘Zo, Bonifacius,’ zei de man, hem een hand toestekend. ‘Ga zitten. Eh, een kop chocola, koffie?’

‘Dank je, Ethan Woodhouse.’

‘Zo zo zo. Ja ja, ja ja. Hmhm.’ Ethan Woodhouse, de handen op de rug, slenterde naar een van de ramen, keek naar buiten en vroeg: ‘En, hoe gaat het met je eh, jaja, je brave moeder?’

Bonifacius zei dat zijn brave moeder het goed maakte.

‘Ah juist. Ja ja. Nou, dat vind ik prettig. Ja ja.’ Ethan Woodhouse wendde zich om, ging in zijn stoel zitten en leunde achterover; het was een van die bureaustoelen die kiepen, het leek alsof hij dat nu pas ontdekte. Hij gaf een onderdrukte kreet, kwam weer overeind zitten, keek naar zijn handen op het vloeiblad alsof hij ze voor het eerst zag, kuchte, schraapte zijn keel, keek op en zei: ‘Ja ja. Nu, waar ging het ook weer over? O ja. Ik hoor dat jij, eh, ja.’

Bonifacius wachtte geduldig tot de man zich losgemaakt zou hebben uit zijn verstrooidheid. Het leek onwaarschijnlijk dat hij hoofd was van een van de grootste weldadigheidsorganisaties ter wereld. Time magazine had hem ‘Mister Quakerism’ genoemd, bovendien was hij klerk van de Philadelphiase Jaarvergadering. Zo te zien moest hij van al deze activiteiten een potje maken.

‘O ja, ja!’ riep Ethan Woodhouse verheugd uit, alsof iemand het hem zo juist in zijn oor gefluisterd had. ‘Jij, eh, ja. Je wou bij het leger, hè? Klopt dat?’

‘Inderdaad,’ gaf Bonifacius toe.

‘O, o, ja ja, nu, ja ja, ik zou zeggen, vertel me eens waarom eigenlijk? Wat was daar aanleiding toe. Kun je me dat zeggen?’

Onder normale omstandigheden zou Bonifacius zich er met een slap praatje van af hebben gemaakt, maar hij verdomde het om nóg eens als een kind van twaalf behandeld te worden; hij besloot ‘Mister Quakerism’ precies te vertellen waar het om ging. ‘Ethan Woodhouse,’ begon hij, ‘ik heb langer dan een jaar in dat werkkamp gezeten in Loudwater, dennezaadjes verzameld, boompjes geplant en “Ik weet niet waar de levensstroom” gezongen in een koor.’

‘Nee toch,’ zei Ethan Woodhouse, alsof dit nieuws voor hem was.

Bonifacius zette door. ‘Ik zou een lang verhaal kunnen houden, maar laat ik het punt noemen waarop ik tot mijn besluit kwam. Ik had weer een repetitie achter de rug van “Ik weet niet waar de levensstroom”, toen er twee veteranen met een projector...’ Hij vertelde wat er die avond gebeurd was. ‘En toen zag ik die lijken drijven, en dacht aan wat me net gezongen hadden, en vroeg me af: ‘wat is dat voor een onwaarachtige kwezelachtigheid, om te kwelen: “Ik weet dat ik nimmermeer zal drijven buiten het bereik van Zijn liefdevolle Handen” na die film te hebben gezien?’

‘Hoe dat zo?’

‘Die jongens zijn dan toch maar wél buiten het bereik van Zijn liefdevolle Handen gedreven!’

[p. 82]

‘H'm,’ zei Ethan Woodhouse, en hij knikte instemmend. ‘Ja ja, ja ja, ik kan me voorstellen dat je dat denkt. Ja ja, ja zeker, ja.’ Hij stond weer op, kreeg een schop van zijn stoel tegen de achterkant van zijn dijen, liep naar het raam en ging weer naar buiten staan kijken, zijn handen op de rug.

‘Maar je zult het er wel niet mee eens zijn, neem ik aan,’ zei Bonifacius bitter.

‘Nee, dat zou ik niet willen zeggen. Dat wil ik zeker niet zeggen. Heb je ooit gelezen wat de Saint Louis Sentinel schreef, nadat de raderboot met Indianen in de lucht was gevlogen waar Mordechai Monk en dat vrouwtje zich bij aangesloten hadden?’

‘Nee.’ Ineens voelde Bonifacius een felle sympathie voor George Martin, die hij, toen ze samen op school waren, niet had kunnen uitstaan. Dat artikel over Mordechai Monk was hem uit het hart gegrepen.

‘Ik geloof dat ik het ergens heb...’ Ethan Woodhouse ging terug naar zijn bureau, begon in laden te rommelen, toen beende hij naar een boekenkast met glazen deuren, deed die open en zocht een boek. ‘Ha, hier!’ Hij bracht het naar zijn bureau, ging zitten, bladerde in het boek, en riep: ‘Ja! Gruwelijk schouwspel verstoort zonnige Dag. Een tweekolomskop in de Saint Louis Sentinel van 28 november 1833. Dan een lange, naturalistische ... enfin, laat ik het maar voorlezen. Gistermorgen gaf de vorstige ochtendzon onze stad een verblindend aanzicht. De witte kerktorens, de gouden koepel van het Capitool en van het Mississippi Hotel werden weerspiegeld door de machtige rivier ... Enzovoort, enzovoort. Toen dreef een zwart voorwerp voorbij, draaiend in de stroom: het lichaam van een verdronkene, handen en knieën boven water, het hoofd verborgen door lang zwart haar. Een menigte groepte samen op de kade, mannen staarden, vrouwen wendden het hoofd af en drukten de hoofdjes hunner kinderen in hunne rokken om hen tegen het schouwspel te beschermen. Want het bleef niet bij één lichaam - al spoedig was de blinkende rivier pokdalig van drijvende Indianenlijken. Steeds meer werden aangevoerd door de stroom, tot hun aantal de honderd, de tweehonderd, overschreed. Volgens kapitein Harrison, rivierloods hier ter stede, was deze gruwzame stoet lijken de oogst van een vuurgevecht tussen de Apache Indianen en onze heldhaftige Cavalerie. De rode bandieten moeten getracht hebben onze mannen te overrompelen door middel van een krijgslist, want, zo meldde de heer Harrison, enkele drenkelingen waren vermomd als Quakers.’ Ethan Woodhouse sloot het boek. ‘Zegt je dat iets?’ vroeg hij.

Bonifacius wist niet wat te antwoorden. Hij was vol antagonisme tegen die ellendeling van een Mordechai Monk, maar hij moest toegeven dat de werkelijkheid opgeroepen door dat krante-artikel indruk op hem maakte. ‘Hoe bedoel je, Ethan Woodhouse?’

‘Die Indianen, zou je kunnen zeggen, dreven óók die rivier af buiten het bereik van Zijn liefdevolle Handen. Stel je nou eens voor wat die man beschrijft, al die lijken met de knieën boven water die voorbij komen drijven, na een tocht vol vernedering en ontbering die eindigde in een zinneloze ontploffing. Je zou toch zeggen: als er ooit menselijke wezens buiten het bereik van Zijn liefdevolle Handen zijn gedreven, dan waren

[p. 83]

zij het. Maar die twee Vrienden, Mordechai en Lydia, belichaamden op dat ogenblik voor de Indianen de liefde Gods. Zo was het toch? Ik bedoel, die liefdevolle Handen zijn toch niet een stelletje handen die uit de hemel komen; dat is de liefde Gods uitgedrukt in de mens. Nou, daar was Hij dan: belichaamd in die twee “Indianen vermomd als Quakers”. Maar ik heb je in de rede gevallen. Ga door.’

‘Ik weet niet of je het artikel van George Martin in Friends' Journal gelezen hebt, Ethan Woodhouse,’ zei Bonny. ‘Als hij gelijk heeft was Mordechai Monk niet direct wat je noemt een heilige.’

Ethan Woodhouse keek hem afwezig aan. ‘Ja, dat is natuurlijk zo. Ik neem direct aan dat hij een driedubbel overgehaalde schurk was, zoals die jongen zei. Vond ik trouwens aardig gevonden. Maar, weet je, hij heeft het dan toch maar gedáán. Hij was ongetwijfeld geen heilige, maar hij heeft het gedáán. Hij is dan toch maar met die Indianen meegegaan, en hij is dan toch samen met hen omgekomen. Dus, het is goed om te zeggen: hij was een driedubbel overgehaalde schurk, dat is vooral uitstekend als je, zoals George Martin en jijzelf, amper twintig bent, dan behóór je dat soort dingen te zeggen, dat is gezond. Maar er zal toch een ogenblik komen, neem ik aan, dat je zult inzien dat het er niet zoveel toe doet of een man een heilige is of een schurk. Waar het ons Quakers om gaat is: doet hij Gods werk, of doet hij het niet? Zolang Mordechai Monk dat doet, en George Martin er alleen maar over schrijft, geloof ik toch dat Mordechai Monk met zijn voorgewende blindheid meer gewicht in de schaal des Heren zal leggen dan George Martin met zijn schrijfmachine. Of ben je dat niet met me eens?’

Ethan Woodhouse was een paar ogenblikken uit zijn rol gevallen, nu haastte hij zich terug in de verstrooide man die niet wist wat hij met alles aan moest. Maar die korte flits van de waarheid was voldoende geweest om Bonifacius te doen beseffen dat hij nu ontzettend moest uitkijken of er bleef van zijn individuele gewetensdaad niets over. Hij zat hier niet tegenover een besluiteloze oude goedzak, maar tegenover een van de mandarijnen van het Genootschap, de belichaming van drie eeuwen Quaker-ervaring. Na die drie eeuwen was er geen enkel menselijk conflict meer dat niet al eerder door Vrienden beleefd en doorgevochten was.

Bonifacius besloot hem uit te dagen. ‘Het moet toch al eens eerder voorgekomen zijn dat een jonge Vriend besloot zich bij het leger te gaan melden, omdat hij zich niet langer met het beginsel van de geweldloosheid verenigen kon?’

‘O, natuurlijk, natuurlijk, herhaalde malen. Tijdens de Revolutie, bijvoorbeeld, toen waren er Quakers die vonden dat ze mee moesten vechten. Die hebben zich later afgescheiden, en er is niet veel van terechtgekomen, maar ze hebben gevochten. Dan heb je natuurlijk een aantal jonge Vrienden, op dit moment, die zich niet konden verenigen met de afzijdigheid en zich gemeld hebben als Rode Kruis-soldaat. Een paar van die lijken die jij in die film van D-Day hebt zien drijven, zullen wel Quakers geweest zijn. In dit geval zouden het dan zijn ‘Quakers vermomd als soldaten’. Ik neem aan dat jij dat ook wilt, dienst nemen als Rode Kruis-soldaat?’

‘Om je de waarheid te zeggen had ik daar nog niet aan gedacht...’

[p. 84]

‘O nee? Wat is precies jouw innerlijke drang? Vertel me dat nou even, dan weten we tenminste waar we het over hebben. Is het jou niet voldoende om je bij je leeftijdgenoten te scharen en dezelfde gevaren te lopen? Wil jij met alle geweld iemand doodschieten?’

De ogen die hem aankeken waren zo onschuldig dat Bonifacius nu zeker wist dat hij zich in het hol van de leeuw bevond. ‘Het idee van Rode Kruissoldaat was nog niet bij me opgekomen,’ zei hij.

‘Nou dan, dat is dan goed. Maar het is natuurlijk niet nodig dat je bij het Rode Kruis gaat. Er is een Quaker-corps, dat hetzelfde werk doet voor de burgerslachtoffers. Dat zijn de Engelse Vrienden, niet wij, wij zitten in China. De Engelse Vrienden hebben een Europese Ambulance Dienst, een brigade samengesteld uit jonge Quakers, die met het leger meetrekken en eerste hulp verlenen aan de slachtoffers onder de burgerij. Dus in jouw geval zou ik zeggen: dit is de aangewezen weg. Ik heb trouwens ... wacht even, waar heb ik die nou? Het is hier zo'n rommel, even kijken...’ Hij begon laden open te trekken en dicht te slaan; eindelijk vond hij, onder zijn vloeiblad, een brief. ‘Hier! Die heb ik net gekregen, een dag of wat terug, ik had hem onder mijn vloeiblad gelegd om erop te antwoorden. Dit komt van de Klerk van de Londense Meeting for Sufferings. Hij vraagt om ... even kijken ... Jonge Vrienden, geestelijk evenwichtig en lichamelijk tegen ontberingen bestand, voor een spoedopleiding als ziekenbroeder om deel te gaan uitmaken van een nieuwe eenheid van de Ambulance Dienst, bestemd om mee te trekken met het Britse Rijnleger in Europa. Nou, dat lijkt me op je lijf geschreven. Als jij dat ook vindt, dan kun je om zo te zeggen morgen weg. Zal ik eens vragen? Laat me even Londen opbellen...’ Voor Bonifacius tussenbeide had kunnen komen greep Ethan Woodhouse de telefoon, drukte op een knop en zei: ‘O, eh, eh, Brandy, of hoe heet je ook alweer? Sherry. Zeg, ik wou even met Londen telefoneen, de Klerk van de Meeting for Sufferings. Wil je dat gesprek meteen doorzetten? Goed. Ja, goed, goed. Uitstekend. Bedankt.’ Hij legde de telefoon weer neer, mompelde: ‘De namen van mensen! Het wordt hoe langer hoe erger, het zijn geen namen meer, het zijn een soort dranken. Nu, waar waren we? O, ja, goed. Als ze aanstonds terugbellen, zal ik zeggen dat jij morgen wegkunt, want ik kan je meteen op transport zetten. Ik weet niet hoe lang die training duurt, misschien sta je al over acht weken aan het front. Wat vind je ervan? Uitstekend idee, niet? Goed, dat zullen we dan in orde maken.’ Hij stond op en stak weer een hand uit. ‘Nou, ik vind het geweldig dat je langsgekomen bent. Ik had me al zitten afvragen, wie kunnen we daarvoor aanbevelen? Nou, ik ben blij, zeg. Geknipt, geknipt! Zo zie je: 's Heren wegen zijn ondoorgrondelijk. Zo'n internationaal gesprek kan wel even duren, dus bel even op, vanmiddag, om een uur of halfvier, dan zal ik je vertellen waar je je moet melden, morgen. Zullen we het daar dan op houden? Goed, prachtig zeg, en bedankt. Ik had ook niet anders verwacht - je voorouders ... De groeten aan je moeder, en aan mijn zuster als je die ziet. Ga je nu naar je moeder toe? Dan zie je mijn zuster dus nog, vanavond. Nou, tot ziens, Bonifacius. Laat van je horen, stuur 's een brief, het interesseert ons natuurlijk geweldig, hier. Je weet de weg, hè? Dag!’ Gedurende dit alles had hij kans gezien Bonifacius naar de deur te

[p. 85]

manoeuvreren, die te openen en hem eruit te werken, de gang in.

Opeens voelde Bonifacius de behoefte om alleen te zijn, om na te denken. Hij liep de trappen af en stak de binnenplaats over, want daar was het te druk, op alle bankjes zaten mensen brood te eten of te discussiëren. Hij liep naar de deur van het Vergaderingsgebouw, keek om zich heen en glipte naar binnen, de stille, donkere hal in. Er hing een geur van boenwas, oud hout, en lucht die lang opgesloten was geweest. De deuren naar de zaal stonden open, hij dacht dat hij stemmen hoorde en besloot naar de galerij te gaan.

Hij klom de trap op, opende de deur naar de galerij en zag dat er, beneden, op het podium, een comitévergadering gaande was. Tussen de muur en het hoge staketsel van de laatste rij banken was een smal gangpad; net als alle Quaker-kinderen was hij dikwijls tijdens Jaarvergaderingen met vriendjes dit nauwe gangetje ingeslopen, als er beneden een redevoering gehouden werd. Hij herinnerde zich dat aan het eind van het gangpad een kist stond vol boeken; die bleek er nog steeds te staan, en hij ging op het deksel zitten. Hij keek naar de pijlers en de balken die het amfitheater schraagden; hij herinnerde zich rijen voeten en een voortdurend gekraak van de stellage omdat de mensen, rusteloos van verveling, steeds gingen verzitten. Het was alsof er in al die jaren niets veranderd was; opnieuw had hij het gevoel niet ouder te zijn dan twaalf, en onmondig. Hij dacht over de Quaker Ambulance Dienst waarvoor hij geronseld was, en vroeg zich af hoe hij aan de overmacht van de mandarijnen van Philadelphia kon ontkomen. Het leek alsof zijn leven niet hemzelf toebehoorde, maar het Genootschap der Vrienden. Al dat gezwets over persoonlijke vrijheid, meester te zijn van je eigen lot, iedere ziel alleen met God, was etalagewerk om de discipline te verbloemen die jonge Vrienden zoals hij aan het lijntje hield. Ethan Woodhouse had hem niets bevolen; de man had niets anders gedaan dan aandachtig naar hem luisteren, zich verdiepen in zijn probleem. Toen hij dienstweigeraar wilde worden was het precies zo gegaan. Je wilt dienst weigeren? Je opgeven voor werk in een ziekenhuis of een krankzinnigengesticht? Prima, prima, maar wacht 's, we hebben toevallig nog een opening in een herbebossingskamp van de mfs, in Loudwater. Hij was er toen ingeluisd zoals hij er nu opnieuw in zou luizen, omdat hij geen tegenargument kon vinden. Hij wilde inderdaad zo gauw mogelijk naar het front, hij wilde dezelfde gevaren en beproevingen ondergaan als anderen van zijn generatie - de snelste en meest effectieve manier om aan die wens gehoor te geven was zich op te geven voor de Engelse Quaker Ambulance Dienst en mee te trekken met de veldtocht door Europa. Er was geen enkel redelijk argument om te zeggen: ‘Nee, ik wil wat anders,’ behalve: ‘Ik wil niet langer in het gareel van het Genootschap lopen.’

Was het inderdaad alleen maar stuípekopperigheid die hem ervan weerhield om Ethan Woodhouse dankbaar te zijn? Een adolescent verzet tegen de autoriteit van de stam, het Uitverkoren Volk? Hij hoorde, beneden, het zeuren van een stem. Hij kon de woorden niet verstaan, maar op dat ogenblik leek het de stem van het Genootschap: zanikerig, eentonig, maar met de onverzettelijkheid van een gletsjer.

Het lag ten slotte aan hem of hij vanmiddag Ethan Woodhouse wilde

[p. 86]

opbellen, ja of nee. Hij kon naar het recruteringskantoor gaan en zich opgeven als Rode Kruis-soldaat. Hij keek op zijn horloge. Twaalf uur. Hij had met Moeder afgesproken dat hij haar om kwart over twaalf zou komen halen om samen te gaan lunchen. Hij moest dat maar doen; want hoe het ook uitviel, over een dag of wat zou hij weg zijn.

Hij liep op de tenen het gangetje uit, het balkon af, de trap af, naar buiten. Toen hij, enkele minuten later, in Moeders kantoor werd binnengelaten, keek zij met bezorgde ogen op en vroeg: ‘En?’

‘En wat?’ Het klonk niet aardig, maar hij voelde zich met aardig.

‘Heeft hij het gedaan...?’

‘Wat, Moeder?’

‘De - de beschuttende armen van het Genootschap naar je uitgestrekt?’ Ze zei het alsof het een magische formule was.

Hij grijnsde en antwoordde: ‘Dat heeft hij, hoor!’ Hij voegde er niet aan toe: ‘en hij heeft me ermee gewurgd,’ want het brave mens kon het ten slotte niet helpen dat ze van hem hield, dat ze was zoals ze was. ‘Kom,’ zei hij, ‘we gaan lunchen, dan zal ik je alles vertellen. Zullen we naar de Bradford Grill gaan?’

‘Goed, kind,’ zei zij gehoorzaam, en ruimde haar papieren bij elkaar. Boven haar hing de driedubbel overgehaalde schurk te grijnzen met zijn figuratie van opera-Indianen in het decor van een toneelprairie. Maar Ethan Woodhouse had gelijk: schurk of geen schurk, hij had het dan toch maar gedáán.

Nu was het dan de beurt aan wéér een Vriendje om iets te doen. Maar waarom moest hij dat zijn? Terwijl hij haar in haar mantel hielp wist hij wat het antwoord van het Genootschap op die vraag zou zijn: ‘Waarom niet?’

terug  begin  verder