Toen het Britse Rijnleger in september 1944 Oost-België en het zuidelijk deel van Nederland bevrijdde, was de eerste burgerhulpdienst die de stad Westerdam bereikte de noordelijke groep van de qad, de Quaker Ambulance Dienst: vier ziekenauto's voorafgegaan door een vrachtwagentje met de apotheek, en verplegers. De toegangswegen tot de stad waren vrijwel onbegaanbaar vanwege de granaatkraters en de wrakken van het materieel dat door de Duitsers was achtergelaten; het viel niet mee om de logge ambulances tussen de granaattrechters door te loodsen, langs de omgevallen pantserwagens, de uitgebrande tanks die nog narookten uit hun geschutstorens, en de lijken van Duitsers die overal verspreid lagen. De ambulance aan de kop van de stoet, met Bonifacius aan het stuur, moest de weg banen, een gevaarlijk karwei, want soms bleek er nog leven te zijn in een rokende tank of onder het wrak van een pantserwagen, en een verdwaasde, stervende soldaat smeet wel eens een handgranaat naar het logge monster dat hij op zich af zag waggelen, of schoot erop in het wilde weg. Maar Bonifacius moest zich zo concentreren op zijn werk dat hij er nauwelijks aandacht aan besteedde; er was trouwens toch niets aan te doen, het was een even onpersoonlijk gevaar als het op het open veld lopen tijdens een onweer.
Een paar details vielen Bonifacius op: een koe, die verlamd boven het gladde, bloederige lijkje van een pasgeboren kalf stond; ergens in een weiland een tollende rode derwisj: een vos, krankzinnig geworden door het trommelvuur van de artillerie dat aan de doorbraak was voorafgegaan, die nu zijn eigen staart najoeg tot hij erbij neer zou vallen. Toen de ambulance de stad naderde kwam hij de eerste vluchtelingen tegen: verbijsterde mensen met handkarren, kinderwagens, ongelooflijke lasten op hun rug, een struikelende horde van verwildering.
Een getoeter achter hem trok zijn aandacht. Hij keek in de achteruitkijkspiegel en zag de leider van de groep, George Weatherby, achter het stuur van zijn kleine vrachtwagen gebaren dat hij van de weg af moest rijden en stilstaan. De brave George had er geen idee van hoe riskant het was, maar Bonifacius zag kans de ambulance op een vrij solide uitziend stuk berm te loodsen. Hij draaide het raampje omlaag, en het de stank van de oorlog binnen: de kruitlucht van geëxplodeerd cordiet, de vette, rubberachtige stank van de brandende tanks, de weeë geur van de dood, die spoedig zou veranderen in de stank van rottenis. Daar had je de eerste vliegen al, de enige vorm van dierlijk leven die niet in de war gebracht scheen te worden door het geweld van de oorlog; zij zwermden over de lijken die op de weg en in de weilanden verspreid lagen. Bonifacius ontdekte dat hij meer verwantschap voelde met de vos en de koe met haar dode
kalf dan met de dode soldaten die tussen de wrakken van hun machines lagen alsof ze sliepen, of voorover, met bungelende armen, uit de rokende geschutstorens van hun tank hingen, waar de stank van geroosterd vlees vandaan kwam.
George Weatherby, langszij met zijn vrachtautootje, riep uit zijn geopende raampje: ‘Zeg, er schijnt een krijgsgevangenenkamp te zijn drie kilometer ten noorden van het volgende kruispunt. Ik zal vooruitgaan, je moet mij maar volgen!’
‘Oké,’ zei Bonifacius en vroeg zich af of zijn wielen zouden slippen bij het inschakelen. Dat deden ze, maar nadat hij een paar keer voor- en achteruit had geschommeld kregen ze houvast. Hij volgde George Weatherby's vrachtautootje tegen de stroom van de vluchtelingen in, die nu zowat de hele weg in beslag namen. Hij hoorde George tegen hen roepen, met zijn hoge Britse stem, dat zij moesten omkeren en naar het kamp gaan dat drie kilometer ten noorden van hen lag. Sommigen gehoorzaamden, anderen bleven doorsjokken, de woestenij in. Opeens werden de ambulances ingehaald, met gejank van sirenes en gekletter van rupsbanden, door een konvooi tanks, die Bonifacius opnieuw van de weg afdrongen. Weer verwachtte hij dat hij in het zand zou blijven steken, maar hij had weer geluk: zwaaiend waggelde de ambulance terug op de gebroken betonweg en vervolgde zijn tocht tussen de granaattrechters door, de wrakken, de lijken, de vluchtelingen, waarvan enkelen smekend de handen naar hem uitstrekten. Maar hij was van hun ellende geïsoleerd in zijn glazen kubusje en reed hen voorbij, onaangedaan, geabsorbeerd in zijn werk.
Het krijgsgevangenenkamp zag er net zo uit als de vorige die zij hadden overgenomen: wachttorens, prikkeldraad, groepen houten barakken, een vlaggestok waaraan de hakenkruisvlag wapperde die net omlaaggehaald werd toen zij het hek binnenreden. Zij werden verwelkomd door de gebruikelijke opgetogen ongeschoren kerels, die dit keer in het Russisch tegen hen riepen, krijgsgevangenen, door de Duitsers te werk gesteld. Er was het gebruikelijke hoofdkantoor, netjes en ordelijk, met een Adler schrijfmachine, een elektrische koffiepot, een kalender met een arische blondine die een paasbrood liet zien: Konditorei Sprüngli, echte Bayerische Stollen. Er waren de gebruikelijke sporen van de wraak die de gevangenen genomen hadden op hun bewakers: een bloedige Duitse tuniek in een hoek, een omgevallen stoel, één laars. De lijken zouden wel weer ergens achter de barakken liggen, naakt, obsceen gemutileerd. De gevangenen verdrongen zich buiten het kantoortje, en riepen: ‘Yankee! Yankee! Chocolade! Chocolade! Sigaretten, sigaretten!’
George Weatherby sloot de deur van het kantoortje toen alle leden van de groep binnen waren, zeven jonge mannen in kaki battle-dress, met de letters qad op hun schouders en zwarte baretten. ‘Jongens,’ zei hij, ‘we gaan hetzelfde doen als altijd, maar de militairen zijn nog niet klaar met het evacueren van de krijgsgevangenen, dus we moeten nog even wachten. John, Charles, willen jullie je met de vluchtelingen bezighouden? Stel ze vast buiten de barakken op, maar laat ruimte voor de krijgsgevangenen om af te marcheren. Bonny, Len, willen jullie alvast twee barakken confisqueren voor de dp's? Denk je dat je dat met z'n tweeën aankunt?’
‘Ik dacht van wel,’ zei Bonifacius. ‘Kom, Lennie.’
Toen zij weer buiten kwamen maakte, zoals gewoonlijk, een officier zich los uit de joelende menigte gevangenen, die Engels sprak en bereid bleek om zijn landgenoten twee barakken te laten ontruimen voor de burgervluchtelingen. In een hoek van de tweede barak vonden ze de lijken; na ze met een vluchtige blik te hebben bekeken beval Bonifacius dat ze begraven moesten worden. Een paar krijgsgevangenen, die bezig waren hun bezittingen bij elkaar te garen, gehoorzaamden en sleepten de lijken weg bij de benen, een spoor achterlatend dat werd uitgewist door de schoenen en de klompen van de burgervluchtelingen.
De rest van de dag trachtten de leden van de groep orde te scheppen in de chaos van honderden vluchtelingen die het kamp binnenstroomden, terwijl de krijgsgevangenen werden afgevoerd. De burgers moesten gevoed worden, geregistreerd, ontluisd, medisch gekeurd en ondergebracht voor de nacht. Tegen donker waren ze allemaal op hun plek, de volgende dag zouden ze in vrachtwagens van het leger afgevoerd worden naar ontvangstcentra achter het front. Het Rode Kruis kwam opdagen met keukenwagens, de unnra-kantoorbus kwam aan en opende een burgerinformatiebureau; de militairen waren klaar met het afvoeren van de krijgsgevangenen en verlieten, jankend met hun sirenes, het kamp. Het was donker toen de leden van de groep bij elkaar kwamen in het kantoortje om te eten.
‘Nu,’ zei George Weatherby, na de stilte voor de maaltijd, ‘het schijnt dat er in deze stad maar één vermiste Quaker-familie is. Bonny, als jij daar eens achterheen ging? Het verzoek om navraag komt uit Amerika, dus dat lijkt me op jouw weg te liggen. Hier heb je het dossier.’ Hij schoof een map over de tafel die Bonifacius met tegenzin opende. Hij was doodmoe, het laatste waar hij vanavond zin in had was om de stad in te gaan en informaties te gaan inwinnen over een Quaker-familie die zoek was geraakt. Maar dat was nu eenmaal een corvee dat zij op zich hadden genomen; George Weatherby had hun bij het begin van de veldtocht gezegd dat alle Vrienden die een aanvraag tot opsporing hadden ingediend een financiële bijdrage hadden gedaan om het werk van de Ambulance Dienst te steunen.
Terwijl hij zijn soep slurpte keek Bonifacius de map in. Die bevatte onder andere de foto van een meisje van een jaar of zestien met blonde vlechten; op de achterkant stond: Laura, 16 jaar. Er was ook een foto van een man met een kaal hoofd van een jaar of vijftig, een Rode Kruis-brief, gericht aan ‘Stella Best, Rebekka Baker Kostschool, Pendle Hill, Indiana, U.S.A. Laura goed. Ikzelf geroepen tot een moeilijke getuigenis. Bid voor ons. Jacob.’ Die was in december 1941 verzonden. De tweede Rode Kruisbrief, aan dezelfde Stella Best gericht, luidde: ‘Vader en dochter spoorloos verdwenen juni 1942. Met medeleven, Van Loon, buurman.’ Onder aan het formulier stond het adres van de afzender.
Bij het eten van de hutspot met klapstuk las Bonifacius het begeleidende memorandum. ‘Dit verzoek werd ingediend door Stella Best, weduwe van John Best, Quaker-missionaris die in 1900 tijdens een opstand in Afrika werd vermoord. Zij is directrice van de Rebekka Baker School, een van de oudste Quaker-kostscholen in het Midden-Westen. Zij heeft een aanzienlijke bijdrage gestort om het werk van de Ambulance Dienst te ondersteunen.
Jacob Martens is haar schoonzoon. Hij was getrouwd met haar dochter Lily, die in 1939 aan kanker overleed. Hij is directeur van een filiaal van de Nederlandse Bankvereniging in Westerdam. Ten tijde van zijn verdwijning was hij klerk van de plaatselijke Maandvergadering. Zijn dochter Laura, achttien jaar oud in 1942 toen zij verdween, was eveneens lid van de Maandvergadering.’ Het memorandum was getekend met de initialen ‘E.W.’ - Ethan Woodhouse.
Een Canadese sergeant stak zijn hoofd naar binnen. ‘Er is een halftrack die de stad ingaat. Moet er nog iemand mee?’
‘Ja!’ riep George Weatherby. ‘Ik zou hem maar pikken, Bonny. Je weet nooit of er nog een tweede rijdt vanavond.’
Bonifacius veegde zijn mond af en stond op.
‘Vergeet de map niet!’ riep Lennie, die naast hem zat.
Hij greep de map, nam een snee brood mee en haastte zich naar buiten.
De chauffeur van de halftrack, een schim in het schemerduister van de cabine, bleek een kletsgrage korporaal te zijn. ‘Wat is je wapen, buddy?’
‘Ambulance.’
‘Rode Kruis?’
‘Nee, Quakers.’
‘Wát zeg je nou?’
‘Quakers. Vrienden. De Quaker Ambulance Dienst.’
‘O...’ Toen volgde de gebruikelijke pauze. ‘Dienstweigeraar, hè?’ Maar de jongen was in een jolige bui bij het vooruitzicht van zijn bezoek aan de pas bevrijde stad. ‘Nou,’ zei hij, ‘jullie doen tenminste iets. Je bent niet zoals de laffe rotzakken die thuis bezig zijn onze meisjes op te zitten.’
De halftrack nam een duik in een granaattrechter die de chauffeur niet gezien had in het donker; er was een denderende slag, een ogenblik leek het of ze op het punt stonden te kapseizen. Maar de rupsbanden hielden hen op de been. Bonifacius zei: ‘Tjonge, die zou ik kunnen gebruiken!’ Hij moest het schreeuwen, vanwege het geratel.
‘Wat zeg je?’
‘Die zou ík nodig hebben!’ schreeuwde hij, ‘rupsbanden! Als ik met mijn wagen in die kuil terecht was gekomen had ik een as gebroken!’
‘Jaja,’ zei de jongen.
De buitenwijken van de stad waren vol mensen, die opgewonden naar hen riepen en wuifden. ‘Ik wou dat die burgers binnenbleven,’ zei de jongen, terwijl hij zijn sirene liet janken. ‘Als ik er een onder m'n rupsbanden krijg, heb je meteen een portie Spam.’
‘Hoera!’ riep een stem, vlak naast hen. ‘Canadezen, hoera! Bedankt hoor! Bedankt! Stop 's even, stop 's!’
‘Stop 's!’ gromde de chauffeur. ‘Als ik zou stoppen, zouden ze in een mum van tijd als luizen over de kar krioelen. Heb je dit al eens meegemaakt?’
‘Ja.’
‘Nou, één ding: je kunt tenminste makkelijk een meid vinden. Je zou zeggen dat ze in geen jaren een vent te pakken hebben gekregen. Ze zijn...’ Opeens werd hij stil, toen voegde hij eraan toe: ‘Ik neem aan dat jullie hier niet voor voelen, hè, voor dit soort praatjes?’
‘Waarom niet?’
‘Nou, ben je niet in dit werk vanwege je godsdienst?’
‘Ja.’
‘Nou dan.’
‘Dat betekent niet dat ik een aalmoezenier ben.’
‘Aalmoezenier, haha! Die is goed!’ Toen was hij weer even stil. ‘Moet je ergens speciaal heen, of wou je zo maar de stad in?’
‘Ik moet op een bepaald adres zijn, maar ik weet niet waar het is. Ik ben hier nog nooit geweest.’
‘Je bedoelt toch niet dat we ernaar moeten gaan vragen?’
‘Ik ben bang van wel.’
‘Nou, ik ga niet stilstaan, hoor! Niet met al die mensen die erop loeren om op m'n kar te klimmen. Laten we naar het hoofdkwartier van de town-major gaan, dan moet je daar maar navraag doen.’
Moeizaam baanden zij zich een weg door de menigte. Het leek alsof er steeds meer mensen de straat opkwamen. Iemand sprong op de motorkap en bonsde op de voorruit. De jongen vloekte, liet zijn sirene janken en riep: ‘Ga eraf! Eraf, rotzak!’
Om hen heen werd er gejuicht. ‘Hoera! Hoera! Hoera! Lang leve de Canadezen! Stop boy! Stop, laat me je 's een kus geven!’
‘Laat me je 's een kus geven,’ zei de jongen. ‘Kus m'n reet! Kijk 's naar hun ramen! Kijk 's hoe ze hun lichten aanlaten! Ze verbeelden zich dat de oorlog voorbij is!’
Jankend en ratelend kroop de halftrack naar het hart van de stad, waar hij tot stilstand kwam naast een rij identieke voertuigen, voor een gebouw dat op een gemeentehuis leek. Op de stoep stonden twee mp's en een burger in een blauwe overall met een armband en een stalen helm. De burger gaf Bonifacius aanwijzingen hoe hij het adres moest bereiken.
Toen hij op weg ging, te voet, nam hij zijn baret af en stopte die in de zak van zijn battle-dress, in de hoop dat hij daardoor aan de wilde opgetogenheid van de bevrijde bevolking zou kunnen ontsnappen. Terwijl hij, zo onopvallend mogelijk, langs de huizenwand liep, hoorde hij gejoel en gefluit en zag een horde mensen, voornamelijk teenagers, die een paar gillende, worstelende schepsels voortsleurden. De schepsels zagen er met hun pas gemillimeterde hoofden uit als groentjes; toen ze voorbijkwamen zag hij dat ze rokken aan hadden. Het waren vrouwen die zich met de Duitsers hadden ingelaten; de bevolking stond op het punt om de gebruikelijke wraak te nemen. Terwijl hij zich voorthaastte trachtte hij zijn oren te sluiten voor het gegil, en hij werd overvallen door weerzin. Zelfs de bevrijding bracht stompzinnige wreedheid teweeg; er was geen gevoel van morele overwinning, alleen maar van blind aanrollende golven geweld. Ook al zouden de nazi's tot de laatste man worden uitgeroeid, toch leek het alsof er iets verloren was gegaan wat nooit meer terug zou komen: een onschuld, een kinderlijk geloof in het goede. Dat gold ook voor hemzelf.
Hij vond de straat en zag tot zijn opluchting dat er maar een paar groepjes mensen buiten stonden, geen joelende menigte. Hij trachtte de nummers op de huizen te lezen, maar het was te donker. Hij stond stil
bij een groepje mensen en vroeg: ‘Zou u me kunnen zeggen waar ik het huis van de familie Van Loon kan vinden?’
Het was een ogenblik stil, toen vroeg een meisjesstem, in het Engels: ‘Ben je een Canadees?’
‘Nee,’ antwoordde hij, ‘Amerikaan. Wonen ze hier nog?’
‘O ja, ja!’ riep het meisje opgewonden, en kwam naar hem toe. ‘Waarom wilt u ze spreken?’
‘Ik wilde wat vragen over een Rode Kruis-bericht dat zij hebben verzonden.’
‘Vader!’ riep het meisje. ‘Er is iemand voor ons! Een Amerikaan! Een soldaat! Kom,’ zei ze, en ze greep hem bij de arm, ‘deze kant uit. Gossie zeg, dit is geweldig! Dit is ... Vader! Moe!’
Zij trok hem met zich mee, een tuinpad op, naar een van de huizen. Een deur ging open, die een stroom licht uitliet.
‘Kijk es, kijk es!’ riep het meisje, alsof ze hem als prijs had gewonnen. ‘Een Amerikaan! Hij...’
‘Zou u dat licht uit willen draaien?’ vroeg Bonifacius zenuwachtig. ‘De verduistering is nog niet opgeheven!’
‘O ja, jazeker...’ De vrouw die de deur had opengedaan draaide het licht in het halletje uit. Toen zei ze: ‘Wilt u niet binnenkomen, sir?’
Hij ging naar binnen. De vrouw, wier gezicht hij niet had kunnen zien, sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem. ‘God zegen je,’ zei ze, hees. ‘God zegen je, God zegen je, lieve, lieve jongen...’ Hij voelde de natheid van haar tranen op zijn gezicht.
Het meisje achter hem lachte. ‘Kijk moe es, vader!’ riep zij, toen greep ze zijn arm weer, draaide hem om, sloeg op haar beurt haar armen om zijn nek en kuste hem op de mond - een hartstochtelijke kus, die hem overrompelde.
‘Kom nou, meissies!’ zei een mannenstem. ‘Laat die jongen gaan! Kom binnen, boy, kom binnen...’ De voordeur werd gesloten en het licht ging weer aan; de vrouw opende de deur naar een kamer. Een oude hond op stijve poten gaf een onovertuigende voorstelling van waakzaamheid. ‘Koest, Caesar!’ riep het meisje, ‘goed volk!’ Met haar arm door de zijne leidde ze hem de kamer in.
Het was de eerste Nederlandse zitkamer die hij te zien kreeg. De tafel was bedekt met een tapijt, er stond een blad op met een theepot op een votief lichtje. Aan de muur hing een portret van de koningin, versierd met een guirlande die gemaakt leek te zijn van gekleurd toiletpapier. ‘Wel wel,’ zei de man achter hem, ‘welkom, boy. En met wie hebben we het genoegen?’ Het was een forse man van middelbare leeftijd.
‘Mijn naam is Baker,’ antwoordde hij.
‘Bij welk wapen ben je?’
‘Chauffeur van een ambulance.’
‘Ah, juist.’ Hij voelde dat deze inlichting zijn stralenkrans ietwat deed verbleken. ‘Moe!’ riep de man, ‘ik geloof dat het ogenblik gekomen is voor de fles! En voor de sigaren!’
‘Ja ja...’ zei de vrouw, met tranen in haar stem. ‘O jongen, o lieve, lieve jongen, je kunt niet beseffen...’ Zij haastte zich de kamer uit, haar ogen
drogend met haar schort.
‘Je moet je van moeder niks aantrekken,’ zei het meisje. ‘Het is haar een beetje te veel, weet je. Dat geldt trouwens voor ons allemaal. Ga zitten!’ Zij lachte; ze had leuke tanden. Ze moest ongeveer zo oud zijn als hij, bruin haar, blauwe ogen, aan de bleke kant.
Hij ging aan tafel zitten, naast het votieve theelichtje. De hond snuffelde aan zijn enkels, gromde en loerde naar hem van onder het tafeltapijt.
‘En waaraan hebben wij deze eer te danken?’ vroeg de man. Hij klonk hartelijk, maar er was achterdocht in zijn ogen.
‘Ik ben gekomen om u een paar vragen te stellen over dit...’ Bonifacius haalde het Rode Kruis-bericht te voorschijn uit de map.
De man las het, en fronste. Ditmaal was er geen twijfel aan zijn achterdocht. ‘Familie van u?’
Het meisje ging achter hem staan en las het bericht over zijn schouder.
‘Nee, ik ben afgevaardigd om navraag naar hen te doen. Wij hebben een lijst bij ons van vermiste geloofsgenoten waarvan opsporing verzocht is door hun familie.’
‘Geloofsgenoten?’
‘Ik ben Quaker. Dat waren uw buren ook. Wat kunt u me over hen vertellen?’
Het meisje keek hem nu ook achterdochtig aan. ‘O, wij weten niet meer dan wat er op dit papiertje staat,’ zei ze. ‘Op een goeie dag waren ze ineens weg.’
Bonifacius begreep niet waarom, maar zijn vraag had hen op de een of andere manier in verlegenheid gebracht.
‘Eerst verdween hij,’ zei de man, ‘en later, die zelfde dag, zij. En dat huis dat stond daar maar, met alles open.’
‘Ze hebben zelfs hun hond achtergelaten,’ zei het meisje. ‘Hè, Caesar?’ Zij lichtte het tapijt op en keek onder de tafel. De hond kwispelde plichtmatig, maar bleef Bonifacius vals aanstaren.
‘Heeft u er enig idee van waar ze heen zijn gegaan?’
Vader en dochter wisselden een blik; toen zei de dochter: ‘Nou, het fijne weten wij er niet van, hoor. We kenden de mensen nauwelijks. Ik bedoel, we waren niet intiem. Maar wat we wel weten is dat hij door de Grüne Polizei is opgepikt.’
‘O? Waarom?’
‘Hij was ergens bij betrokken, weet ik veel. Ik kan u niet zeggen wat, we weten er echt niets van. We hebben nooit begrepen wat er precies gebeurd is. Is dat niet zo, vader?’
‘Het enige dat wij weten is dat ze toen ze hier kwamen, de Duitsers, om te vragen waar die mensen gebleven waren, wij naar waarheid konden antwoorden: “geen idee”.’ Hij glimlachte, maar Bonifacius had de indruk dat er iets mis was.
‘Nou, hier zijn we dan!’ Met een gerinkel van glaswerk kwam de vrouw binnen met een dienblad met een champagnefles, vier glazen, een sigarenkistje en een schaaltje met een paar sneden grijs brood, besmeerd met iets bruins, als stroop. Er lag een korst kaas bij. ‘Ik heb ook iets voor Caesar meegebracht,’ zei ze, ‘we kunnen de bevrijding niet vieren zonder hem
ook wat te geven, vind je niet? Caesar!’ De hond kwam onder de tafel uit gewaggeld. Zij liet hem het kaaskorstje zien, hij trachtte mooi te gaan staan, maar haalde het niet. ‘Zit!’ beval de vrouw. ‘Je krijgt het dadelijk, als we op de bevrijding klinken.’ Zij greep de champagnefles en begon het papier eraf te wikkelen.
‘Geef hier, laat mij dat doen,’ zei de man. Hij scheurde het papier van de fles en begon te morrelen met het ijzerdraadje van de kurk. Buiten klonk het gesnerp van piepertjes; er werd gelachen, iemand juichte. Binnen scheen de feeststemming getaand te zijn; zij zaten zwijgend naar de man te kijken.
‘Arme mensen,’ zei de vrouw, opeens. ‘Arm meisje...’
‘Hè, toe nou, moe!’ riep haar dochter uit. ‘Die is heus wel op haar pootjes terechtgekomen. Waarschijnlijk is ze ergens ondergedoken met een vent.’
‘En nou wil ik verder geen woord meer over die mensen horen!’ riep de man luid; hij deed hen alle drie schrikken. ‘Niemand van ons weet er iets van! Het enige dat we weten is dat hij op een gegeven moment weg was, foetsie, net als die anderen. En één ding staat vast: we zien hem nooit meer terug. Die anderen ook niet.’
‘Daar weet je niets van,’ zei de vrouw, verontwaardigd. ‘Hij kan ieder ogenblik terugkomen! Zij ook!’
‘Nou, laten we hopen van niet,’ zei het meisje droog. Er viel een onprettige stilte.
‘Heeft u er enig idee van waar ze hem heen gebracht hebben?’ vroeg Bonifacius.
‘Naar een concentratiekamp, Amersfoort, Vught, weet ik veel. De meesten gingen naar Vught. Tenzij het gijzelaars waren, die zitten in Sint Michielsgestel. Of zaten; ze zullen nu wel bevrijd zijn.’
‘En het meisje?’
Zij keken naar elkaar, toen antwoordde de moeder: ‘Die verdween op dezelfde dag. Dat heeft mijn man u al gezegd.’
‘Zo maar? Zonder de deur achter zich dicht te trekken?’
‘Nee, met een koffertje. Afgehaald door een man.’
‘Weet u wie dat was?’
‘Het was te donker. Het enige dat we weten is dat ze een wit schort aan had toen ze wegging. Zo iets als een verpleegster.’
‘Was ze verpleegster?’
‘Welnee. Ze was nog op school.’
Opeens, met een luide knal en een straal schuim vloog de kurk uit de hals van de fles. De hond onder de tafel begon woedend te blaffen. Bonifacius trachtte de champagne van zijn mouw te vegen.
‘Wacht, wacht!’ riep de vrouw. ‘Ik haal even een doekje!’ Ze sprong op; haar dochter was de eerste die in lachen uitbarstte. Toen de vrouw terugkwam met een handdoek en zijn mouw begon te betten begreep Bonifacius dat de discussie wat de familie Martens betrof gesloten was.
Hij bleef nog een half uur hangen, dronk verschaalde champagne, trachtte een muffe sigaar te roken die steeds uitging; de familie Martens werd niet meer genoemd. Maar hun aanwezigheid werd bijna tastbaar toen de man opstond, zijn glas ophief en zei: ‘Nou, op het vaderland, op Hare Majesteit, op de vrijheid, en dank God dat we er levend doorheen zijn gekomen.’
Terwijl zij dronken voelde Bonifacius de drukkende tegenwoordigheid van de spoken van hiernaast. Hij was blij toen hij eindelijk afscheid kon nemen.
De man vroeg: ‘Hebt u een auto?’
‘Nee. Maar het is niet ver, geloof ik.’
‘Waar moet u heen?’
‘Terug naar het kamp.’
‘U bedoelt het krijgsgevangenenkamp, even buiten de stad?’
‘Ja.’
‘Weet u de weg?’
‘Nee, maar die vind ik wel.’
‘Laat ik 't u even uitleggen. Als u hier de deur uitkomt...’
Het meisje viel hem in de rede. ‘Ik breng hem wel,’ zei ze. ‘Dan kunnen we de korte weg nemen, die vindt hij op zijn eentje nooit’
‘Maar Lieneke,’ zei de vrouw, ‘op dit uur...’
‘Ach moe, maak u geen zorgen. Ik wou toch nog even naar tante Nan. Dat doe ik dan op de terugweg.’ Zij nam Bonifacius bij de arm en trok hem mee naar de deur. ‘Kom,’ zei ze, ‘anders missen we de avondklok.’
‘Er is geen avondklok meer!’ riep de man, achter hen. ‘En ik vind het geen goed idee dat jij, alleen, met al die loslopende kerels...’
‘O, vader! Hoe oud denk je dat ik ben? Ik kan heus wel op mezelf letten. Ga mee, joh...’ Bijna ruw duwde ze hem het halletje in.
‘Hartelijk dank, meneer en mevrouw Van Loon,’ zei Bonifacius. ‘Als ik mag kom ik nog een keer langs om nog wat te vragen...’
‘O, dat zou erg gezellig zijn,’ zei de vrouw. ‘Maar Lieneke, weet je nou wel zeker...’
‘Vooruit joh!’ Zij trok hem mee, een keuken door, opende een glazen deur en ze stonden buiten, in het donker.
‘Deze kant uit.’ Met haar arm door de zijne leidde ze hem naar een hekje in een haag; hij kon nauwelijks een hand voor ogen zien. ‘Kijk uit, hier is een afstapje.’ Hij liet zich leiden, het hekje door, een voetpad op dat langs donkere achtertuintjes liep.
Zij drukte zich tegen hem aan. ‘Gossie, ik wou dat we ergens konden gaan dansen,’ zei ze. ‘Ik zou het willen vieren, iets geks doen! Jij niet?’
‘O, ja,’ zei hij weifelend.
‘Die ouwe mensen zijn zo conservatief! Eén glaasje champagne, aggenebbisch, en een sigaar als een smeulende hooimijt! Ze hadden lól moeten schoppen!’
‘Pardon?’
‘Raise hell! Cut loose! Make whoopee!’ Ze had die uitdrukkingen kennelijk uit Amerikaanse films. Toen hij er niet op reageerde vroeg ze: ‘Wat is er met je aan de hand, darling?’ Ze sprak het uit als ‘dolling’. ‘Ben je nog aan het piekeren over de Martensen?’
‘Welnee. Daar kom ik wel achter.’ Niet zo'n geslaagde opmerking, bedacht hij te laat.
‘Geloof me,’ zei ze agressief, ‘ze zijn het niet waard! Hij was een zuurpruim, zo fijn als gemalen... Ik bedoel, enorm godsdienstig, maar mijn kamer, hè, die kijkt uit op zijn garage, en ik heb hem dikwijls gehoord, 's nachts, als hij de hond uitliet. Als 't stomme dier niet gauw genoeg kwam
als hij floot, nou - je had die táál 's moeten horen! Daar was niks godsdienstigs aan. Nee, als zij godsdienstig waren dan ben ik 't óók!’ Ze lachte. ‘Maar ik ben het niet, hoor.’
Hij lachte ook, niet van harte.
‘En wat dat meisje betreft; wij waren niet goed genoeg, begrijp je wel. Heel aardig in je gezicht: “Dag Lieneke, dag, hoe is 't ermee?” Maar ondertassen! Enfin, wie weet, misschien zien we ze terug. 't Kan mij niet schelen, maar je hebt natuurlijk in de gaten dat mijn ouders erover in de rats zitten. We hebben een kelder vol rotzooi van hen, de helft van ons huis is gemeubileerd met hun meubels, we rijden op hun fietsen. Waarom ook niet? Hun huis zou toch gepulst zijn; als wij hun boeltje niet gepikt hadden, hadden de Duitsers het gedaan. We geven het gewoon terug als ze komen: koekoeksklok, fietsen, naaimachine, grammofoon, piano, hond, wat kan 't schelen? We leven nog, dat is de hoofdzaak.’
‘Wat is “gepulst”?’
‘O, “Puls” is de naam van de firma die de huizen leeghaalde van mensen die door de moffen waren gepakt. Dan werd hun boedel onder nsb-ers verdeeld.’
Ze wandelden een tijdje in stilte; ze bleef aan zijn arm hangen. Toen zei ze: ‘Je kunt in ieder geval zeggen dat hij opgepikt is door de moffen. Dat kun je hun familie in Amerika vertellen. Ik bedoel, je bent niet voor niks gekomen.’
Opeens voelde hij gras onder zijn voeten. Zij klommen een helling op; het was een dijk. Ergens in het donker suisde de wind in riet; boven hen stond een halve maan achter snelle, doorschijnende wolken. Zij struikelde; toen hij haar opving sloeg zij haar armen om zijn nek en kuste hem. Zij stonden lang zo, in het licht van de maan door de jagende wolken, naast de spookachtige branding van het ruisende riet. Toen fluisterde zij: ‘Kom, dolling,’ nam hem bij de hand, leidde hem de dijk af naar een donker bosje vlak bij het riet, en ging liggen. ‘Kom...’ Haar witte armen leken los te zweven in de duisternis. ‘Kom! Kus me...’
Hij trachtte zich te verzetten tegen de brute begeerte die hem had overvallen. ‘Lineke, Lijneke,’ zei hij, niet wetend hoe hij haar naam moest uitspreken, ‘we kennen elkaar nauwelijks, ik bedoel, ik wil met je praten...’
Zij smoorde zijn gebabbel met een kus. Met een gevoel alsof hij afgleed in een draaikolk nam hij haar, met een vraatzuchtige wellust die alle tederheid, alle gevoel voor haar unieke persoonlijkheid, alle eerbied voor het goddelijke in haar overweldigde. Toen hij zich, na een korte, hijgende paring, abrupt uit haar omstrengeling losmaakte rolde hij bijna het riet in en voelde de overstelpende drang om de benen te nemen, weg van die stompzinnige, hotsende dierlijkheid. Maar toen hij opstond zag hij haar witte dijen schemeren in het duister onder het bosje, en schaamde zich.
‘Je gaat toch niet weg?’ vroeg ze. ‘Je laat me hier toch niet... je gaat toch niet...’
Hij mompelde: ‘Nee, stel je voor...’
Zij rees op. ‘Kom, kom 's hier, kom nou terug...’
Hij liet, met tegenzin, zijn hand grijpen in het donker.
‘Dolling, wat is er nou? Waarom ben je nou ineens zo? Is er wat?’
‘Nee, nee.’ Hij ging naast haar zitten. ‘Ik bedoel alleen maar: we kennen elkaar nauwelijks. Ik vind je heel aardig, heus, maar je moet elkaar toch eerst leren kennen... Het is allemaal de oorlog,’ zei hij, onsamenhangend.
‘Wat nou, dolling?’
‘Ik bedoel, ik heb dingen meegemaakt die ik niet kan beschrijven. Koeien kalveren zien krijgen onder kanonvuur. Duitsers uit geschutstorens zien hangen. De stank van bradend vlees - ik bedoel, dit is er deel van, begrijp je?’
Even was het stil, toen zei haar stem, voorzichtig: ‘Niet helemaal, nee. Voor mij is dit een feestdag. Ik ben zo ontzettend blij, ik voel me zo vrij, ik vind iedereen zo aardig...’ Zij zocht zijn hand weer in het donker. ‘Ik bedoel niet dat jij iedereen zou kunnen zijn, ik vond je ontzettend leuk, dadelijk al; maar het is de dag van de bevrijding! Begrijp je dat dan niet? Kun je je niet voorstellen hoe wij ons vandaag voelen? Vijf jaar lang moffen; je mocht niks, je was als de dood, iedereen maar huichelen en 'm knijpen en niks zeggen en de avondklok... begrijp je? Dit is nou waar ik van kind af aan van gedroomd heb. Vijf jaar!... En toen kwam jij. Maar het zal wel moeilijk zijn om je dat in te denken.’
‘Ik begrijp het. Het was ook niet aardig van me. Maar weet je, je hunkert zo naar - naar liefheid. Een eerlijk gevoel van zachtheid voor een ander, een vrouw. Wat we net gedaan hebben is - is deel van de oorlog.’
Hij dacht dat ze er wel geen woord van zou begrijpen, maar ze vroeg opeens: ‘Ben je erg christelijk?’
‘Hoe dat zo?’
‘Omdat je ons zondig vindt. Het was toch niet zondig? Ik ben niet aan mijn eerste kusje gestorven, als je je daar zorgen over maakt. Ik heb een andere jongen gekend, ook erg christelijk, en die was net zo - zo - nou ja: hij klom er handenwringend af, zal ik maar zeggen. Haha!’
‘Kom,’ zei hij, ‘ik breng je naar huis.’
‘Waarom nu al? Of moet je op tijd in je kamp terug zijn?’
‘Nee, dat niet.’
‘Nou, vertel dan 's wat van jezelf. Je bent Rode Kruis-soldaat, hè?’
‘Iets dergelijks.’
‘Vertel nou! We hebben alle tijd! Ik vind het zo gezellig. Jij niet?’
‘Ja,’ zei hij.
‘Vertel nou 's, toe!’
‘Wat?’
‘Waar ben je opgeleid?’
‘In Engeland.’
‘En toen?’
‘Toen trok ik naar het front. Met sterretjes in mijn ogen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik dacht: ik laat me niet overdonderen door de oorlog, ik zal erboven staan, als instrument dienen voor Gods liefde. Nou, dat is me dun door de pijpen van mijn broek gelopen.’ Hij wist dat het niet de hele waarheid was, maar hoe kon hij een volkomen vreemde, die geen notie had van de Beginselen, vertellen over het heimwee dat hem overviel, de wanhoop bij het besef dat hij niet meer geloofde? Het was net een kaartenhuis, dat hele
complex van traditie en geloof, wanneer één kaart weggetrokken werd viel het hele bouwsel in elkaar. De tegenwoordigheid Gods, het Innerlijk Licht ... Onmogelijk, volslagen onmogelijk om onder het geweld van de oorlog, die vernieling van alle tederheid, in zo iets etherisch als de Tegenwoordigheid te geloven. ‘Weet je,’ zei hij, ‘wat mij opgebroken is, denk ik, is dat in mijn kerkgenootschap de godsdienst niet aan dogma's is gebonden, of aan riten, geloofsbelijdenissen, sacramenten. Wij geloven in de persoonlijke belevenis van de tegenwoordigheid Gods. Maar dat zul je moeilijk kunnen begrijpen.’
‘Niks hoor,’ zei ze, geestdriftig. ‘Dat heb ik nét zo, soms, in de kerk. Ik ga niet vaak, maar ik heb het wel 's, als er mooi gezongen wordt, of ik zie een kindje dopen. Het is fijn om naar de kerk te gaan, soms. We hebben een dominee, die zei soms ineens: “Als eenmaal het uur gekomen is waarop de zon weer opgaat...” Nou, iedereen wist wat hij bedoelde; dat kon hij natuurlijk niet ronduit zeggen, maar iedereen begreep het. Nou, dan zongen we toch zo fijn! Nee, ik begrijp best wat je bedoelt. Het orgel vind ik ook altijd zo mooi. Hebben jullie orgels, in je kerk?’
‘Nee,’ zei hij. ‘We hebben niets, behalve stilte, waarin je zit te wachten op de belevenis van de tegenwoordigheid Gods. En dan kom je erachter dat dat maar een formule is, die niets betekent.’
‘Wat is dat nou? Zingen jullie helemaal niet?’
‘Nee.’
‘Geen collecte ook?’
‘Nee.’
‘Wij hebben reuze fijne collectes. Dan zei de dominee: “Vrienden, nu een bijdrage voor de turfcollecte, ten bate van hen die zich opofferen voor alles waar wij voor staan...” Iedereen begreep het. Man, hele rijksdaalders zag je de zakjes ingaan. Ze waren schaars, op het laatst, maar ik heb het gezien: de bovenmeester bijvoorbeeld, een zure man met zo'n beetje pluizig haar en hij stonk nog uit z'n adem ook, die heb ik een rijksdaalder zien geven, echt, zogenaamd voor de turfcollecte. Turf! Houden jullie doop?’
‘Nee.’
‘Heilig Avondmaal?’
‘Nee.’
‘Gossie, wat kaal. Wat ben je eigenlijk? Oud-katholiek, of zo?’
‘Ik ben Quaker.’
‘Is dat katholiek of protestant?’
‘Zo'n beetje tussen beide. Maar laat ik je er niet verder mee vervelen.’
‘Doe niet zo gek! Ik vind 't enig om dat allemaal te horen. Vertel 's, hebben jullie priesters mutsen op? Nee, dat zijn de vrijmetselaars, hè?’
‘We hebben geen priesters.’
‘Gut,’ zei ze. ‘Toch lijkt het me reuze interessant.’ Even was ze stil. ‘Gek, om dat allemaal te liggen vertellen, op de dag van de bevrijding. Kun je je dat voorstellen? We zijn vrij! Echt, bevrijd! En dat hebben jullie gedaan. Jij hebt óók geholpen, al schiet je dan op niemand. 't Is toch zo?’
‘Ja,’ zei hij. Even was het stil; hij hoorde een gegiechel achter het bosje.
Zij had het ook gehoord, want ze zei ineens: ‘We zijn blijkbaar de enigen niet. Nou, ik kan het me voorstellen! Ik denk dat alle ... Nou ja. Hebben
jullie ook een hond, thuis?’
‘Een stuk of vier, vijf. Eén, Sally, een groot ding met een zwiepstaart, daar is Moeder speciaal gek op, die moet overal mee naar toe. Maar stóm!’ Opeens verlangde hij naar huis met een raar verdriet, alsof Moeder en Tante Grizzle en Sally tot een ander leven behoorden dat voorgoed voorbij was, alsof hij dood was gegaan zonder het te weten en nu verdwaasd liep te zoeken naar alles wat hij, al die jaren... ‘Begrijp je?’ vroeg hij, in het wilde weg.
‘Kom 's hier.’
‘Hè?’
‘Kom 's...’ Zij strekte haar armen naar hem uit, trok hem omlaag en kuste hem. Eerst verzette hij zich, toen gaf hij zich over aan haar kus. Het was alsof ze alles wist, met vrouwelijke intuïtie. Na een lange kus liet ze hem gaan, en zei: ‘Malle jongen. Ik vind je erg lief. Hoe heet je?’
‘Bonifacius,’ zei hij.
Toen zij een uur later opstonden hoorden zij overal om zich heen gegiechel en geritsel; onder alle bosjes op de berm van de dijk lagen paartjes. Hier en daar liepen schimmen te vrijen in het doorschijnende donker van de maannacht. ‘Kom,’ zei hij, ‘ik breng je naar huis.’
‘Zal ik jou niet even wegbrengen, zoals ik van plan was?’
‘Nee, ik vind het wel. Ik wil niet dat je op je eentje dat eind terugloopt.’
‘Waarom niet?’
‘Luister maar.’
Zij stonden stil en luisterden. Ergens klonk een kreetje; twee schimmen liepen lachend voorbij langs de kruin van de dijk.
‘Ik kan anders heus wel voor mezelf zorgen,’ zei ze.
‘Dat weet ik wel, maar ik wil je graag terugbrengen.’ Hij hielp haar bij het beklimmen van de berm; toen zij terugliepen in de richting van haar huis zei hij: ‘Ik vond het erg gezellig. Ik bedoel: ik denk dat ik meer heb meegemaakt dan ik verwerken kan, en als je dan ineens, zoals vanavond ... Begrijp je?’
‘Ja hoor,’ zei ze.
Hij vond het hek; het was dichterbij dan hij had gedacht. ‘Mag ik je nog een keer komen opzoeken?’ vroeg hij.
‘Natuurlijk. Je komt maar, hoor. De koffie staat klaar. Geen echte, maar misschien kun je wat meebrengen.’
‘Ja, dat doe ik. Dag.’
‘Dag dolling.’ Ze gaf hem een vluchtige zoen in het donker en verdween.
Hij had geen idee waar het kamp lag of hoe hij er moest komen. Hij stond besluiteloos om zich heen te kijken toen een schim opdook en een stem vroeg: ‘Hé, jij! Ben jij Charlie Compagnie?’
‘Nee. Ambulance.’
‘Gossiemikkie,’ gniffelde de stem, ‘precies wat ik nodig heb! Potverju! Hoe heb jij het gehad? Of ben je nog aan het zoeken?’
‘Nee, ik ga terug naar het kamp,’ antwoordde hij, en liep weg.
‘Hé, wacht even!’ riep de soldaat. ‘Ik weet niet waar ik ben!’
‘Ik ook niet. Laten we dan maar samen gaan.’
‘Samen uit samen thuis!’ zei de soldaat, dronken. ‘Ik kan bijna niet meer lopen, maar we gaan naar huis!’ Hij sloeg een arm om zijn hals; zo strompelden ze de dijk af, langs het gegiechel, de geile gilletjes in het donker.
‘Nou,’ zei de soldaat, ‘wat mij betreft mag de oorlog doorgaan, hoor! Als ik dit geweten had toen ik erover dacht om me door mijn voet te schieten...’ Hij hield op, boerde, en mompelde: ‘Wat kan 't me ook verdommen? Ik zal de enige niet zijn.’
‘Nee,’ zei Bonifacius, ‘da's een feit.’
De volgende middag werd hij uit de barak geroepen waar hij bezig was; toen hij het kantoortje binnenkwam trof hij George Weatherby aan in het gezelschap van een burger. ‘Deze Vriend - hoe was je naam ook alweer?’
‘Sam Wijnhof.’
‘Deze Vriend is klerk van de Maandvergadering hier. Hij heeft inlichtingen over de familie Martens. Ik vond dat hij het je beter zelf kon vertellen. Ga zitten.’
‘Ja, Jacob Martens...’ De burger leek, net als de Van Loons de avond tevoren, niet op zijn gemak. ‘Ik weet er niet al te veel van, maar ik kan u wel dit vertellen: hij was lid van een ondergrondse beweging, waarmee het slecht is afgelopen.’
‘Sabotage?’
‘Nee, het plaatsen van joodse kinderen bij arische pleegouders. Niets gewelddadigs.’
Bonifacius vroeg zich af waarom de man zo'n zenuwachtige indruk maakte.
‘Hij is door de Grüne Polizei gepakt, tijdens een razzia. Ik weet niet hoe dat kwam; het kan verraderswerk zijn geweest, misschien puur toeval. Hij werd in het voorjaar van 1942 gearresteerd. Ik werkte toen op het gemeentehuis - daar werk ik trouwens nog. Ik ben onmiddellijk naar zijn huis gegaan om zijn dochter te waarschuwen, samen met haar heb ik papieren uit zijn bureau gehaald en later verbrand.’
‘Wat voor papieren?’ vroeg Bonifacius.
De man keek hem aan alsof de vraag hem in verwarring bracht. ‘Hè? Nou ja: lijsten van namen en zo. Dat was het gevaar, altijd, dat de Duitsers lijsten met namen in handen kregen, het deed er niet toe van wie.’
‘En het meisje? Wat is daarmee gebeurd?’
‘Op een gegeven moment was ze weg. We hebben de indruk dat ze afgehaald is door een lid van de ondergrondse groep van haar vader, maar je moest vooral geen navraag gaan doen naar gearresteerde mensen, dan raakte je onherroepelijk in de nesten. Maar vanmorgen, toen de bb het gemeentehuis overnam en begon met het personeel te ondervragen dat onder de Duitsers had gewerkt, zei ik dat ik Quaker was, en toen vroeg de man die mij verhoorde: “Kent u de familie Martens?” Ik zei: “Ja zeker, die kende ik. Weet u daar wat van?” En toen zei hij: “Ja, daar weet ik van.” We hebben het daarbij gelaten; maar als u met me meegaat naar het ge-
meentehuis, dan kunt u het hem zelf vragen.’
‘Goed idee,’ zei George Weatherby. ‘Ik zou meteen maar gaan, Bonny. Je weet nooit wanneer we weer verder moeten.’
‘Oké.’
‘Het is maar een paar minuten,’ zei de man. ‘U heeft zeker een auto?’
‘Nee, die hebben we niet,’ zei George. ‘Jullie zullen moeten lopen.’
‘O, nou, ik ben op de fiets, maar die heeft houten banden, dus ik kan niet iemand achterop nemen. Zullen we gaan?’
Samen met de Hollandse Vriend liep Bonifacius het kamp uit, de straat op. De stad zag er bij daglicht havelozer uit dan gisteren in de schemering. Het ratelen van de houten banden van de fiets op het trottoir leek te passen bij de armoede en de vernieling die Bonifacius zag toen zij het centrum naderden. De Hollander praatte honderduit, maar niet over de familie Martens. Bonifacius kon zich niet aan de indruk onttrekken dat de man blij was vergezeld te worden door een lid van het geallieerde leger, ook al was het maar een ongewapende Quaker. De indruk werd sterker toen ze, in het gemeentehuis, in een onpersoonlijk kamertje werden binnengelaten. Achter het bureau zat een jongeman met blond haar en een boers gezicht, gekleed in een blauwe overall, met de autoriteit van een leider. ‘Meneer Wijnhof? Wat kan ik voor u doen?’ Uit de klank op te maken was de heer Wijnhof geen geziene gast.
‘Mag ik u even voorstellen: meneer Baker, Amerikaan, lid van de Ambulance Dienst van de Quakers, waar ik ook toe behoor, zoals u zich zult herinneren uit ons gesprek van vanmorgen. Hij wil informaties hebben over de familie Martens. Hij probeert hen op te sporen. Zou het gelegen komen?’
De jongen achter het bureau nam Bonifacius op, toen zei hij: ‘Ga zitten, meneer Baker. Dank u, meneer Wijnhof.’
De man aarzelde even, haastte zich toen naar buiten.
De jongen vroeg: ‘Waren deze mensen familie van u?’
‘Nee. Ik ben afgevaardigde van de nabestaanden. De familie, bedoel ik.’
De jongen glimlachte. ‘Nabestaanden is waarschijnlijk het juiste woord, meneer Baker. Ik zal open kaart met u spelen, anders hebben we er geen van beiden wat aan. Ik ben zelf lid geweest van de groep waar Martens deel van uit maakte. Op een gegeven moment is hij gearresteerd en op de gebruikelijke manier verhoord. Dat wil zeggen, ze hebben hem hier al lens geslagen.’ De jongen zei het nuchter.
‘En toen?’
‘Toen zijn ze doorgegaan totdat hij hun alles vertelde wat hij wist.’
‘U bedoelt, hij heeft de groep verraden?’
‘Ja.’
In de stilte hoorde Bonifacius het tikken van een klokje op het bureau. ‘Wat is er daarna met hem gebeurd?’
‘Hij is op transport gesteld naar Schwalbenbach, een doorgangskamp. Waar ze hem daarna heengebracht hebben weet ik niet.’
‘En zijn dochter?’
‘Die heb ik de dag daarop ondergebracht op een onderduikadres. Daar had ze de hele oorlog kunnen blijven zitten zonder dat er een haan naar kraaide, maar ze is na een paar dagen weggelopen en sinds die tijd is ze
spoorloos, net als haar vader. Ik geloof niet dat u ze zult vinden. Drie jaar is een lange tijd. Er zullen er niet veel uit de kampen te voorschijn komen die het zo lang hebben uitgehouden.’
Het klokje tikte.
‘Wie weet,’ zei Bonifacius. ‘Misschien komen ze nog te voorschijn. Laten we dat hopen.’
‘Wat de dochter betreft kan ik het daarmee eens zijn. Niet wat hem betreft. Ik persoonlijk veroordeel de man niet. Ik weet wat de moffen mensen aan konden doen. Maar in de stemming waarin wij nu verkeren...’
‘Ja?’ vroeg Bonifacius.
‘Laat ik het zo stellen: mocht u hem ooit tegenkomen, dan zou u zowel hem als ons een dienst bewijzen als u hem zou verzoeken voorlopig niet thuis te komen. Hij heeft nu eenmaal anderen verraden, die als gevolg daarvan hun leven hebben verspeeld. Ik vrees dat hij in moeilijkheden zou raken als hij hier zou komen. Niet dat ik het waarschijnlijk acht dat u hem tegen zult komen, maar je weet nooit.’
‘En de dochter?’
De jongen haalde de schouders op. ‘Wie weet wat er met haar gebeurd is. Ik neem aan dat ze haar vader achterna is gegaan. Ze stond nogal dicht bij hem, heb ik begrepen. Of het haar gelukt is of niet, ze is verdwenen. Net als duizenden anderen.’ Hij stond op en stak zijn hand uit. ‘Meneer Baker, tot ziens.’
‘Bedankt,’ zei Bonifacius.
Buiten, op het zonbelichte plein, klingelde het carillon van een kerk aan de overkant. Een vlucht duiven fladderde uit de galmgaten. Over het plein kwam een patrouille jongens in blauwe overalls aangemarcheerd, drie geboeide burgers met zich meevoerend.
Toen hij terugkwam in het kamp waren de anderen bezig de ambulances klaar te maken. Hun orders waren die avond te vertrekken, richting Arnhem.