terug  begin  verder
[p. 103]

Drie

Na het maandenlange oponthoud bij Arnhem begon in het voorjaar van 1945 de geallieerde invasie van het Duitse grondgebied. De Quaker Ambulance Dienst volgde onmiddellijk achter de hoofdmacht.

De vier ziekenauto's, voorafgegaan door het vrachtwagentje van George Weatherby, tuften ongehinderd door het platte, vreedzame land. Overal om hen heen waren goedgevoede Duitse boeren bezig akkers te ploegen; het enige teken van ontbering was dat hun ploegen door koeien werden getrokken in plaats van paarden. Wat hun houding betrof konden ze net zo goed Belgen of Nederlanders zijn, sommigen wuifden zelfs, alsof dit een bevrijding was in plaats van een invasie. Er waren maar weinig vluchtelingen, niet de chaotische exodus van radeloze mensen die zij bij de bevrijding van het bezette gebied waren tegengekomen.

Tegen de avond van de eerste dag naderden zij een stadje, het eerste op Duits grondgebied. Len Whitfield, die een vooroorlogse Baedeker had, las George de beschrijving voor, boven het geraas van de motor uit. ‘Schwalbenbach. Gesticht in 1502. Beroemd door zijn Schwalbenbacher Würstchen, bezongen in het lied: “Es kehrt die dunkle Schwalbe aus fernem Land zurück”, op muziek gezet door Johannes Brahms. De bibliotheek dateert...’

Een motorrijder kwam uit een zijweg en hield hen staande. George gaf het konvooi achter hem het signaal dat ze stil moesten houden; de logge ambulances gehoorzaamden met piepende remmen.

‘Wat is er aan de hand?’

‘Moet je horen!’ riep de motorrijder, luidkeels om het geronk van hun motoren te overstemmen, ‘jullie moeten 's gaan kijken in dat kamp daarginds. Het stinkt er als de pest, de sergeant wil er zijn jongens niet aan wagen vanwege het tyfusgevaar, maar er moet iemand heen, want die vogels staan op het punt om de omheining af te breken.’

‘Wat is het voor een kamp?’

‘Het zijn in ieder geval géén krijgsgevangenen. De stank is om te kotsen, en ze zien eruit als wandelende skeletten. Nou - ik zou m'n neus maar dichthouden!’ Hij gaf gas en zwierde rond, met één voet op de grond; toen snorde hij terug, langs een karrespoor door de velden.

George gaf het konvooi het signaal hem te volgen. Het kamp was in de verte zichtbaar onder de groene avondhemel: wachttorens, een groep barakken, een hoge prikkeldraadomheining, net als de krijgsgevangenenkampen die zij waren tegengekomen gedurende de campagne. Een nazi-vlag fladderde nog aan een hoge witte vlaggestok boven de plaatijzeren daken. Het was na zonsondergang, maar zij was nog niet neergehaald.

Toen zij het kamp bereikten vonden ze de toegang afgesloten door een slagboom, rood en wit geblokt. Er was een schildwachthuisje; achter de

[p. 104]

prikkeldraadversperring stond een bungalow omringd door bedden narcissen. De Canadezen waren blijkbaar pas aangekomen; soldaten in battle-dress met helmen op stonden in groepjes te praten; een rij halftracks was voor de afsluitboom geparkeerd. Toen hij naderde hoorde George een zwak gejuich boven het geluid van zijn motor uit; het waren de gevangenen, een dichte menigte mannen in gestreepte pakken achter de omheining.

Hij parkeerde zijn vrachtautootje naast de halftracks en wachtte op de ambulances voor hij naar de afsluitboom ging. Toen zag hij de sergeant van het peloton dat ze de afgelopen drie dagen hadden gevolgd op hem af komen. ‘'t Wordt tijd dat er iemand naar binnen gaat, hoor! Volgens mij zijn ze niet meer te houden!’ Er was iets aan de man veranderd sinds George hem voor het laatst gezien had, die morgen; toen drong het tot hem door dat hij zo wit zag als een doek.

‘Nou jongens,’ zei George tegen de anderen die zich bij hem hadden gevoegd, ‘laten we dan maar eens een kijkje gaan nemen.’

‘Nee!’ riep de sergeant uit. ‘Niet jullie allemaal!’ Hij wees op George. ‘Wij gaan samen. Ik wil niet dat iemand anders het risico neemt besmet te worden.’

‘Zijn er dan zoveel zieken?’

‘Als je mij vraagt zijn ze allemaal ziek. Ik ben geen dokter, maar volgens mij zal geen van die mensen het overleven.’

George keek naar de vrolijk geschilderde afsluitboom, de soldaten met hun automatische geweren in de aanslag; daarachter de menigte in wit en blauw gestreepte gevangeniskleren, die stond te wuiven, juichen, wenken. Er was iets raars aan het geluid dat ze maakten; het was zwakker dan het rauwe gebrul waarmee zij in vorige gevangenenkampen verwelkomd waren. Het leek of ze allemaal schor waren.

‘Nou,’ zei hij flink. ‘Wachten jullie dan maar hier, jongens. Ik ben zó terug.’ Zoals gewoonlijk wanneer hij gespannen was, klonk hij laconiek, op het slaperige af.

‘Zouden we ons niet eerst met ddt-poeier bestuiven?’ vroeg de sergeant.

‘Had je liever dat ik alleen ging?’ stelde George voor.

‘Ben je gek! Ik ga mee, ik ga mee. Als jij zegt dat het goed is, nou, dan is het goed.’ Zij naderden de afsluitboom. ‘Vooruit,’ zei de sergeant tegen de korporaal van de wacht. ‘Doe maar open; we gaan kijken, aanstonds is het donker.’

‘Als ik openmaak lekken ze eruit,’ zei de korporaal zenuwachtig. Hij zag ook bleek.

‘Oké,’ zei de sergeant, en hij trok zijn pistool. ‘Ik zal ze wel even achteruitjagen. Achteruit, mensen! Achteruit! Zurück, zurück!’ Hij zwaaide met zijn pistool; stemmen achter de afsluitboom herhaalden zijn kreet: ‘Zurück! Zurück!’ maar het schorre gejuich werd er niet minder om. Het klonk als het fluisterende geblaf van de legerhonden waarvan de stembanden waren doorgesneden opdat ze hen niet aan de vijand zouden verraden. George was nu dicht genoeg genaderd om de gezichten te kunnen onderscheiden: doodshoofden met holle ogen, onmenselijk, hij had nog nooit van zijn leven zulke gezichten gezien. De sergeant had gelijk, die mensen waren ziek; in ieder geval uitgehongerd tot ze er als geraamtes uitzagen. ‘Zeg, hoor 's, lui!’ riep

[p. 105]

hij, en hij besefte zelf hoe Brits hij klonk. ‘Laten we allemaal een beetje bedaren, hè? En een beetje ruimte maken, dat we die boom open kunnen doen, hè? Ja ja, jullie zijn vrij, hoor.’ Maar de sergeant naast hem bleef met zijn pistool zwaaien: ‘Zurück, zurück!’

‘Weest u maar niet bezorgd, we zullen niet weglopen,’ zei een verrassend beschaafde stem achter de boom, in het Engels. ‘Ze zijn alleen maar uitgelaten, zoals u dat zou zijn onder deze omstandigheden.’

Hoewel de stem Engels sprak was het duidelijk dat het een Duitser was. De skeletten bleven juichen met gapende doodskoppen en wuiven met griezelig dunne armen; het leek alsof een zelfgenoegzame Duitser zich onder hen verborg.

‘Nou meneer, als u zo vriendelijk zou willen zijn,’ riep George, ‘wilt u dan uw mensen zeggen dat we hier gekomen zijn om hen te bevrijden, maar dat ze het kamp niet kunnen verlaten voordat ze een medische keuring hebben ondergaan? Zoudt u dat willen doorgeven?’

Een van de skeletten klom op de slagboom, richtte zich tot de anderen en riep: ‘Meine Damen und Herren! Ruhe! Bitte, bitte, meine Damen und Herren! Hören Sie zu!’

‘Dames en heren.’ Er moesten vrouwen onder de menigte zijn! De stem, beschaafd, bezwerend, bleef de gevangenen toespreken tot ze eindelijk stil werden. Toen klom hij weer omlaag en zei: ‘U kunt nu wel opendoen, dacht ik.’ Hij zag eruit als een vogelverschrikker, net als de rest, met grote, holle ogen.

‘O, dank u, dank u,’ zei George Weatherby. ‘Zullen we dan maar, sergeant?’

‘Doe maar open, Jake,’ zei de sergeant. ‘Maar kalm aan! Kalm aan...’ De korporaal opende, behoedzaam, de slagboom; zodra die begon te bewegen steeg er weer een gejuich op en de menigte drong op naar de uitgang.

‘Godverju! Ik heb het wel gezegd!’ riep de sergeant. ‘Zurück, klootzakken! Zurück, of ik schiet je voor je lazer! Hou ze tegen, jongens!’ De korporaal en zijn soldaten gebruikten hun geweren om de menigte mee terug te duwen; het viel hun verrassend makkelijk, de stakkers vielen om als dominostenen.

‘Kalm aan, kalm aan!’ riep George.

Eén van de skeletten kwam op hem af gewankeld met waanzinnige ogen, riep: ‘God, God!’ struikelde en viel. George boog zich over hem en raakte zijn schouder aan. ‘Kom, vriend, sta op. Alles is goed. Je bent vrij.’

‘Dat is een nobele gedachte, maar ik vrees dat het te laat is,’ zei de vogelverschrikker.

‘Pardon?’

‘Hij is dood.’ Hij draaide de gevallen man om met zijn voet, een honds gebaar, waartegen George wilde protesteren, maar bij het zien van de omhooggedraaide ogen werd hij stil.

‘U kunt rustig naar binnen gaan,’ zei de vogelverschrikker. ‘Ze zullen u geen last bezorgen. De meesten van ons zijn ontwikkelde mensen, weet u.’

‘O ja? Ja, zeker...’ George staarde hem aan. Er was niets menselijks aan het doodshoofd, de koortsige ogen. Hij had een walgelijk slechte adem, zijn vodden stonken.

‘Mijn naam is Wassermann,’ zei hij, met een glimlach die uitviel als een

[p. 106]

grimas, ‘dokter Alfred Wassermann. Ik ben de arts van de gevangenen, dat wil zeggen: meer een medicijnman. Maar dan zonder medicijnen.’

‘Mijn naam is Weatherby. Ik ben de leider van de ambulances die u hier buiten ziet staan. We zullen proberen u zo goed mogelijk te verzorgen tot we versterkingen krijgen van het Rode Kruis.’

‘Aangenaam,’ zei de gevangene, met een buiginkje. ‘Bent u dan niet bij het leger?’

‘Nee, wij zijn Quakers. Sergeant, dit is dokter Wassermann.’

‘Hiya, dok,’ zei de sergeant, met geforceerde jovialiteit. ‘Ik heet Dickenson. Maar iedereen noemt me Sarge.’

‘Aangenaam,’ zei de gevangene met opnieuw een buiginkje. ‘Misschien willen de heren met mij meekomen?’

George stond op het punt over het lijk aan zijn voeten heen te stappen, draaide zich om en zag Bonifacius Baker wat verderop achter zich staan. ‘Wil jij zo vriendelijk zijn je met hem te bemoeien?’

Bonifacius knikte en wenkte Lennie.

‘Na u,’ zei de Duitse dokter, met een buiginkje.

‘Dank u.’ George en de sergeant liepen onder de slagboom door; zodra zij binnenkwamen strekte de menigte met hees gejuich hun handen naar hen uit. De gevangenen verdrongen zich om hen heen, raakten hen aan, trokken aan hun kleren, streelden hun gezichten, kusten hun handen, snikkend, lachend, stamelend in gebroken Engels: ‘Thank you, thank you, friend, God bless you, God...’ De stank van hun lichamen en hun vodden, korstig van ontlasting, werd George bijna te machtig, maar hij bleef handen drukken en zeggen: ‘Hello there, hello, hoe gaat het ermee? Prettig u te zien, felicitaties, hoor. Hello, hello...’ Hij had er geen idee van hoeveel het er waren - honderden, in ieder geval. Hij hoorde de hoge kreten van vrouwen, maar kon geen vrouwengezichten herkennen onder de doodskoppen die hem omringden, roepend, juichend. Boven hun kreten uit hoorde hij de stem van dokter Wassermann: ‘Deze kant uit, alstublieft. Laat ik u even meenemen naar een barak.’

‘Deze kant uit, sergeant!’ riep George.

Langzaam, met horten en stoten, baanden zij zich een weg naar de deur van de naastbijzijnde barak. Toen zij op de drempel stonden bleek de stank daarbinnen zo overweldigend dat George een stap terugdeed. Het binnenste was donker en hol; toen hij, de adem inhoudend, stilstond om zijn ogen aan het donker te laten wennen hoorde hij een zacht klaterend geluid, het duurde even voor het tot hem doordrong dat het applaus was. Nog voor hij hen kon onderscheiden, wist hij dat de zieken in de barak, half uit hun kooien verrezen als doden uit hun kisten, applaudisseerden met inspanning van hun laatste krachten. Hij zag dat er twee in iedere kooi lagen, rijen en rijen achter elkaar. ‘Hoeveel patiënten heeft u, dokter?’

‘Omstreeks driehonderdvijftig,’ zei de man naast hem. ‘Maar dit zijn geen patiënten, hoor, dit zijn gewoon mensen die zo moe zijn dat ze blijven liggen. Mijn lazaret is verderop. Er zijn ongeveer tweehonderd kooien per barak, in de meeste gevallen twee in een bed.’

‘En hoeveel barakken?’

‘Zes.’

[p. 107]

‘Dat betekent vierentwintighonderd in totaal?’

‘Ongeveer, ja.’

‘En die patiënten van u - wat is de meest voorkomende ziekte?’

‘Tyfus. Dan hebben we veel dysenterie, tuberculose, maar de sterfgevallen zijn voornamelijk aan verhongering te wijten.’

‘Wat kreeg u voor voedsel?’

‘Een kom dunne soep, driehonderd gram brood, en vijf gram margarine per dag.’

‘Nu, u krijgt binnenkort allemaal een hartige maaltijd, hoor!’ riep George de barak in.

‘Niet al te hartig alstublieft,’ zei de dokter. ‘Laten we beginnen met het broodrantsoen met de helft te vermeerderen en een beetje vlees in de soep te doen. Als u ons ineens het normale legerrantsoen geeft zouden we ons hachje erbij inschieten.’

‘O, natuurlijk, vanzelf, vanzelf. Nu, zullen we verder gaan?’ Het merendeel van de stakkers was weer gaan liggen, uitgeput na de krachtsinspanning van hun applaus.

‘Deze kant uit,’ zei de dokter. ‘Ik neem aan dat u het lazaret wel gelooft? Er is geen verschil, eigenlijk, met dit. Of ze nou hier op sterven liggen of in het lazaret, het is lood om oud ijzer.’

Hij leidde hen weer naar buiten. George kon een gevoel van opluchting niet onderdrukken; het lazaret was, na wat hij gezien had, meer dan hij dacht te kunnen verdragen. Zodra zij te voorschijn kwamen begonnen de gevangenen weer op te dringen. Terwijl de dokter een weg voor hen baande riepen een aantal van hen hun namen, in een poging hun individualiteit te bevrijden van de eenvormigheid van de vodden en de gemillimeterde doodskoppen.

‘Ik ben professor Habermann uit München, Antropologie!’

‘Bonjour, bonjour, Charles Latour est mon nom! Je suis maître d'orchestre de l'Opéra Comique! De Lille!’

George schudde handen, die fragiel aanvoelden. ‘Hello there! Geweldig u te zien, professor. Ja meneer, ja meneer, Carmen, hè? Madame Butterfly...’

‘Sir, sir! Mijn naam is Hendrickx! Ik ben tandarts, uit België: België!’

‘Ah, een Belg!’ zei George, met een knipoog. ‘De koningen van de zwarte markt!’ Wat ter wereld deed hem zulke onzin uitkramen?

‘En u, meneer ... o, pardon!’ Hij botste tegen een wankel skelet op dat hem de weg versperde, de armen omhooggestrekt, en psalmodieerde: ‘De Heer zij geprezen, de Heer zij geprezen, de Heer zij geprezen...’

‘Ja ja,’ zei George, ‘inderdaad, heerlijk, hè, ja ja, het is verrukkelijk...’ De dokter duwde het skelet opzij, dat doorging met zijn lofzang te galmen.

Opeens kwam de menigte die hen omringde tot stilstand. George zag dat zij een hek bereikt hadden dat het terrein in tweeën scheidde. ‘Lassen Sie uns durch, meine Damen und Herren, bitte, bitte!’ Achter het hek zag George een groep dwergen van middelbare leeftijd, in kleine overalls die toch nog te groot voor hen waren, gescheurd en smerig. ‘Nu,’ zei de dokter, ‘hier hebben we de kinderen.’

George kon zijn ontsteltenis niet verbergen. De dwergen weken terug toen zij binnenkwamen, met de schichtigheid van zwerfkatten.

[p. 108]

‘Ha, die jongens!’ riep de sergeant met geforceerde jovialiteit. ‘Wie heeft er trek in kauwgum? Hier, vang!’ Maar dokter Wassermann hield hem tegen. ‘Geen snoepgoed,’ waarschuwde hij. ‘Geeft u ze alstublieft geen snoepgoed. Ze moeten eerst normaal voedsel hebben. Dit zou gevaarlijk zijn, alstublieft!’

‘Sorry jongens,’ zei de sergeant, ‘ik moet doen wat de dokter zegt.’

De kinderen, als het inderdaad kinderen waren, reageerden niet. Zij stonden op veilige afstand naar hen te staren, klaar om te vluchten.

‘Deze kant uit,’ zei de dokter.

‘Is er nog meer?’ vroeg George.

‘Ik had u het crematorium willen laten zien.’

Zij naderden een muur met weer een hek; de dokter opende het. Achter de muur stonden vier betonnen blokhutten met brede, lage schoorstenen. De dokter liep naar een van de gebouwen, duwde een deur open, en de sergeant zei: ‘Jezus Christus...’

Ze stonden stil in de deuropening, verstijfd. Stapels naakte, uitgemergelde lijken lagen in het halfdonker opgetast met gruwelijke ordelijkheid, als brandhout. Allen hadden hun armen boven hun hoofden gestrekt met de duimen in elkaar, gelijkvormig zelfs in de dood.

‘Grote God...’ fluisterde George.

‘Ze zijn overhaast vertrokken, voor ze deze konden verwerken,’ zei de dokter. ‘Zoals u ziet waren ze heel methodisch. Voor de rigor mortis intrad strekten ze de armen en haakten de duimen in elkaar. Alles wat ze deden was methodisch.’

‘Zijn deze mensen allemaal een natuurlijke dood gestorven?’ vroeg de sergeant met hoorbare moeite.

‘Als u moord door systematische uithongering en mishandeling een natuurlijke dood wilt noemen. Zo zullen zij het zeker noemen, als ze eenmaal voor de rechter gebracht worden.’

‘Maar waar zijn ze?’ vroeg George.

‘Vanmorgen vroeg gevlucht, vlak voor jullie aankwamen, in auto's, met een vrachtwagen vol dossiers. Ik hoop dat u ze nog achterhalen kunt. Is daar kans op?’

‘Dat moet u aan de sergeant vragen,’ zei George, ‘wij zijn burgers.’

‘Ah ja, dat is waar.’ De dokter keek hem met zijn koortsige ogen aan. ‘Quakers, zei u? Dan weet ik iemand die u graag zal ontmoeten.’

‘O?’

‘We hebben een Quakeresje hier in het kamp, een Hollandse. Ik zal haar even gaan halen.’

‘Zullen we niet liever met u meegaan?’

De dokter legde een hand op zijn arm. ‘Blijft u hier wachten, alstublieft. Het is beter. Ik ben zo terug.’ Hij schuifelde het poortje uit.

‘Nou, ik weet niet wat jij van plan bent,’ zei de sergeant, ‘maar ik blijf hier niet rondhangen. Hier krijg ik de gilzenuwen van.’ Hij liep naar het poortje.

George volgde hem; buiten de muur, op de open plek waar de groepjes starende kinderen naar hen stonden te kijken, op het punt te vluchten, zei de sergeant: ‘Nou, ik ga naar de jongens terug. Ik zie je wel als je eruit komt.’

‘Dat is goed,’ zei George. Hij keek de sergeant na die martiaal langs de

[p. 109]

starende kinderen naar het hek in de omheining beende, waar de gevangenen hem op stonden te wachten. Zodra hij het hek opendeed omringden zij hem meteen; zijn rode baret bleef zichtbaar boven de grijze massa die zich langzaam naar de uitgang verplaatste.

George stond tegen de muur van het crematorium geleund; hij voelde zich zo onpasselijk dat hij al zijn wilskracht nodig had om niet over te geven. Toen zag hij een broodmager schepsel met verlamde benen zich over de open plek naar een smerige hut slepen, die eruitzag als een latrine. Toen hij ontdekte dat het een kind was keerde hij zich om, met zijn gezicht naar de muur, en braakte. Hij stond, kokhalzend, met zijn hoofd tegen de muur, toen hij een stem achter zich hoorde: ‘Meneer Weatherby? Laura Martens.’

Hij draaide zich om, en zei, opgewekt: ‘Wel, wel, wat zeggen...’ Hij bracht het niet verder. Want naast de uitgemergelde dokter in zijn smerige gevangenenpak stond een blonde jonge vrouw in een gebloemde jurk, toonbeeld van weldoorvoede gezondheid. Zij had een eendje in haar arm, dat met onschuldige kraaloogjes om zich heen gluurde. ‘How do you do, Friend?’ zei ze, in schools Engels.

‘Wel, nee zeg, ik bedoel, prettig je te ontmoeten, Vriendin...’ Hij reikte haar de hand. Zij aarzelde een ogenblik voor zij die schudde, behoedzaam, alsof het iets was wat ze in lange tijd niet gedaan had. Haar hand was ijskoud.

‘Ik neem aan dat u en juffrouw Martens veel te bepraten hebben,’ zei de dokter. ‘Waarom neemt u haar niet mee om een praatje te maken in - in een van uw ziekenwagens?’

‘O? Zeker, graag...’ Martens. Dat was de naam van de Hollandse Quakers waar Bonny navraag naar had gedaan, in Westerdam, een maand of wat terug. ‘We hebben iemand bij ons die u graag zal ontmoeten,’ zei George, met de overstelpende behoefte om te ontsnappen uit deze nachtmerrie. ‘Zullen we gaan?’

Toen hij een gebaar maakte naar de uitgang weifelde zij; maar de dokter ging hen voor en zij volgden. De gevangenen stonden hen weer op te wachten, de sergeant was blijkbaar het kamp uit. Maar ditmaal werden zij niet met wuivende armen en schorre kreten verwelkomd. De menigte werd stil toen zij naderden; toen zij het hek openmaakten deinsde ze langzaam achteruit. George begreep dat het iets met het meisje te maken had; opeens leek haar frisgewassen properheid verontrustend. Toen zij in de richting van de uitgang wilden lopen, versperden de gevangenen hen de weg.

‘Bitte, meine Damen und Herren!’ riep de dokter. ‘Um Gotteswillen, lassen Sie uns durch!’ Zijn stem was schril.

De gevangenen gehoorzaamden niet. De weg naar de uitgang bleef versperd door roerloze rijen skeletten, die vol haat en wraakzucht naar het meisje staarden.

‘Ik geloof dat het misschien beter is als u die - eh - die meneer waar u het over had even gaat halen,’ zei de dokter, met gedempte stem. ‘Ik vrees dat men op dit ogenblik niet bereid is haar door te laten. Ik blijf hier wel even wachten, met juffrouw Martens.’

‘Goed,’ zei George, en hij liep, met stijve pas, op de muur van menselijke lichamen af.

[p. 110]

Na een gespannen stilte maakten zij ruimte voor hem. Hij liep door hun gelederen naar de rood en wit geblokte slagboom in de verte.

 

***

 

Bonifacius zat in de cabine van zijn ziekenauto een boterham te eten toen hij George Weatherby op zich af zag komen. Hij draaide het raampje omlaag en vroeg: ‘Ja? Wat is er?’

‘Bonny, zou je even met me mee willen gaan, het kamp in? Er is daar iemand die je graag zou ontmoeten.’ George zag erg bleek.

‘Wie dan?’

‘Laura Martens. De dochter van de man naar wie je dat onderzoek hebt ingesteld.’

Bonifacius at langzaam zijn mond leeg, om tijd te winnen. Niettegenstaande zijn gehardheid tegen de gruwelen van de oorlog was dit kamp hem toch te machtig. Al die skeletten achter de afsluitboom, de man die dood was neergevallen en die Lennie en hij hadden weggedragen - hij was teruggevlucht naar zijn ambulance. Nu stond daar George Weatherby, spierwit, en vroeg hem met de zeurstem van de Britse zelfbeheersing om daar binnen te gaan. ‘Oké,’ zei hij, en klom uit zijn cabine.

Pas toen zij samen naar de ingang liepen viel het hem op dat er iets veranderd was. Bij vorige gelegenheden wanneer iemand naar de afsluitboom liep, hadden de gevangenen achter het prikkeldraad gewuifd, geroepen, hun handen naar hem uitgestrekt in een delirium van vreugde. Nu stonden de skeletten in hun gestreepte vodden roerloos naar hen te kijken terwijl zij naderden. Waarom deden die mensen ineens zo vijandig?

De korporaal opende de afsluitboom; George zei tegen de gevangenen met zijn Britse teutstem: ‘Kom, Vrienden, laat ons 's door. Kom, mogen we er even door? Ja, kijk aan, kijk aan! Hartelijk dank!’

Hij zag kans zich een weg te banen door de dicht opeengepakte menigte; Bonifacius, die hem volgde, werd onpasselijk van de stank. Nog nooit had hij zo'n afgrijselijke lucht geroken; zelfs de braadstank uit de brandende tanks was minder weerzinwekkend geweest. Hij besefte dat om de weerzin te overwinnen hij zich moest concentreren op hun individuele menselijkheid, maar dierbare gedachten waren hier niet tegen opgewassen; het enige dat hij voelde was afschuw. Toen kwam er ineens ruimte om hen heen. De gevangenen weken terug.

Ze stonden op een open plek tussen de barakken. In de ruimte zag hij een van de skeletten in gestreept gevangenispak staan, met naast zich een blond meisje in een gebloemde jurk.

Bij het zien van dat normale, propere, gezonde meisje had hij opeens het gevoel een oase te hebben bereikt. Toen hij tegenover haar stond begroette hij haar alsof zij elkaar al jaren kenden. ‘Zo, Laura! Ik ben Bonifacius Baker. Nou, het doet me plezier om je eindelijk te ontmoeten!’ Hij schudde haar hand, die ijskoud bleek te zijn. Hij zag nu dat ze een eendje bij zich had, dat ze beschermend tegen zich aangedrukt hield.

‘En is dit je vader?’ vroeg hij.

‘Nee,’ zei de gevangene naast haar. ‘Ik ben dokter Wassermann. Haar

[p. 111]

vader is overleden.’

‘Ach ... Dat spijt me.’ Maar het was eigenlijk een opluchting, want hij had zich afgevraagd wat hij doen zou als hij Martens ooit tegen zou komen en hem moest vertellen dat hij niet naar huis terug kon. Een Quaker die zijn kameraden in het verzet had verraden was een probleem waartegen hij zich niet opgewassen voelde. ‘Nu,’ zei hij, ‘je grootmoeder zal blij zijn te horen dat je niet alleen in leven bent maar zo goed...’ Hij voelde opeens dat dit een opmerking was die tegen de draad in ging. Waarom? Ze zag er toch goed uit, vergeleken bij die anderen?

‘Laten we haar eerst even naar de bungalow brengen,’ zei de dokter, ‘anders komen wij er vrees ik niet uit.’

Zodra zij begonnen te lopen dromde de horde stinkende gevangenen met hen mee; er was een duidelijke dreiging in de manier waarop zij hen zwijgend schaduwden. Bonifacius begreep er niets van; maar het werd hem allengs duidelijk dat de dreiging op het meisje was gericht.

Toen zij bij de veranda van het huisje waren aangekomen zei dokter Wassermann: ‘Nu, Laura, ga rustig naar binnen. We zullen zien wat we voor je doen kunnen. Maak je geen zorgen, maar doe wel de deur op slot.’

Het meisje draaide zich om zonder een woord, ging naar binnen, en sloot de deur achter zich.

‘Wat heeft...’ begon George, maar de dokter legde een hand op zijn arm en zei: ‘Laten we naar de uitgang gaan. Misschien kan ik daar even met u meelopen.’

Zij liepen door de rijen gevangenen, die nu ruimte voor hen maakten, naar de uitgang. De menigte bleef achter bij het huisje. Bij de afsluitboom vroeg de dokter aan de korporaal van de wacht: ‘Mag ik even mee naar buiten?’

‘Hij is de leider van de gevangenen,’ voegde George eraan toe.

Maar de korporaal schudde het hoofd. ‘Niet zonder toestemming van de sergeant.’

‘Waar is die?’

‘In de tent.’ Hij wees op een shelter achter de rij halftracks.

‘Wacht u hier, dokter. Ik zal het even gaan vragen; Bonny, wil jij bij de dokter blijven?’ Op een onmilitair holletje liep George weg in de richting van de tent.

‘Wat is er eigenlijk met dat meisje aan de hand?’ vroeg Bonifacius.

‘Niet hier,’ fluisterde de dokter. De korporaal van de wacht stond vlak bij, zijn stengun dwars over de borst.

Na lange tijd kwamen George en de sergeant samen opdagen. ‘Sorry,’ zei de sergeant tegen de dokter, ‘ik heb net contact gehad met het hoofdkwartier en mijn orders zijn: niemand het kamp uit tot morgenochtend, wanneer we versterking krijgen.’

‘Maar het betreft hier een dringend geval dat ik onmogelijk in het openbaar...’

‘Nou Jake, jongen, draai je dan maar even om.’

De korporaal slenterde weg.

‘Is het zo goed?’

‘Zoals u wilt. Het gaat over het meisje Martens, in de bungalow daar. Haar leven wordt bedreigd. De heer Weatherby en ik, en de heer Baker,

[p. 112]

hebben geen kans gezien haar het kamp uit te krijgen. De enige manier is een patrouille te sturen die haar naar buiten escorteert.’

‘Wie bedreigt het leven van de juffrouw?’

‘De andere gevangenen.’

‘Waarom?’

De dokter aarzelde. ‘Zij was de concubine van de kampdokter.’

‘Een van de nazi's?’

‘Ja.’

‘Sorry, dokter, dan kan ik u niet helpen.’

‘Maar het is een kwestie van leven en dood! De mensen hier zijn volkomen over hun toeren heen! De bevrijdingsroes is voorbij, nu willen ze wraak nemen! De enige die ze nog hebben om hun woede op te koelen is dat meisje. Zodra het donker wordt...’

‘Dokter,’ zei de sergeant, ‘het is een zaak tussen de mensen in het kamp en die juffrouw. Ik heb order dat wij ons niet mogen mengen in de interne zaken van de bevrijde landen, wat betreft het bestraffen van collaborateurs.’

‘Maar ze is geen collaboratrice! Ze is een slachtoffer van de omstandigheden!’

‘Als wij in bevrijde steden een vrouw zien wegsleuren met een kaalgeschoren kop, en we horen haar gillen en krijsen, dan hebben wij natuurlijk de neiging om tussenbeide te komen. Een man of twintig, die één weerloos wijf de kleren van haar lijf rukken en in de teer zetten en God mag weten wat verder nog met haar doen. Maar die mensen hebben onder de bezetting geleefd, wij niet. Zij weten wat die vrouw gedaan heeft, wij niet. En we mogen ons er niet in mengen, want dat zijn mijn orders. Als zij die juffrouw kaal willen scheren en 'r kop teren, dan vind ik dat zuur voor haar; ik mag me er niet in mengen.’

‘Maar ze is onschuldig!’ riep de dokter uit. ‘Ze kon niet anders, ze moest wel, om haar leven te redden!’

‘Dat zullen de andere gevangenen dan toch ook wel weten zeker?’

‘Welnee! Ik ben de laatste die haar nog heeft zien binnenkomen, alle anderen die er toen waren zijn op transport gesteld. Wie er nu nog in het kamp zitten weten niet beter.’

‘Sorry,’ zei de sergeant, ‘de juffrouw moet maar in haar huisje blijven zitten tot morgenochtend. Dan krijgen we versterking en zullen we het wel verder uitzoeken. Orders zijn orders.’

‘Het kan me niet schelen wat uw orders zijn, man! Dat kind verkeert in levensgevaar!’

‘Dokter,’ zei de sergeant bedaard, ‘dat verkeren wij ook. Dat hoort bij 't vak.’ Hij draaide zich om en liep weg.

Het leek alsof de dokter in elkaar zakte; hij leunde op de afsluitboom.

‘Weet u wat,’ zei George, op Britse schoolmeesterstoon, ‘vertelt u ons eens wat méér over de achtergrond van het meisje, dan kunnen wij het aan de sergeant overbrengen. Wie weet kunnen wij hem nog tot andere gedachten brengen. Maar hij heeft inderdaad met het hoofdkwartier gebeld, ik was erbij; dit zijn inderdaad zijn orders. U mag er niet uit, zijn soldaten mogen er niet in. Maar morgenochtend...’

‘Morgenochtend is het te laat,’ zei de dokter. ‘Maar ach, waarom zou ik

[p. 113]

me er verder druk over maken? Terwijl wij hier staan te zwammen zijn er minstens tachtig andere mensen aan het kreperen.’

‘Kom,’ drong George aan. ‘Vertelt u het ons nu maar: wat is er met haar gebeurd?’

‘Drie jaar geleden kwam ze hier om haar vader op te zoeken. De commandant verkrachtte haar voor zijn ogen.’

‘Grote God...’

‘De man werd stapelkrankzinnig, vloog de bewakers aan en werd doodgeknuppeld. De kampdokter droeg het meisje naar zijn bungalow. Daar is ze gebleven, niemand heeft haar ooit meer buiten gezien, voor vanavond. Voor de mensen hier is ze een nazi-hoer. Enfin. Niets aan te doen. Goedenavond.’ Hij liep weg.

Even was het stil, toen zei George: ‘Kom Bonny, we gaan naar de sergeant.’

Voor de tent van de sergeant zei hij: ‘Misschien is het beter als ik alleen ga. Waar ga jij heen, dat ik je aanstonds kan vinden?’

‘O, ik zit weer in mijn ambulance.’

‘Goed, tot aanstonds.’ George bukte de tent binnen; Bonifacius slenterde naar zijn ambulance terug en opende de deur van de cabine. Het kamp was nu donker, alleen gloeide af en toe in de buurt van de afsluitboom de sigaret van de soldaat op wacht.

Toen hij weer achter het stuur zat was zijn eerste gedachte: hoe moet ik dit aan Amerika vertellen? Hij zou rapport moeten uitbrengen, Ethan Woodhouse zou het doorsturen aan die grootmoeder in Pendle Hill. Hoe kon hij dat inkleden? Want hier was dan, in de praktijk, de vraag die hem gesteld was door de oude veteranen: ‘Wat doe jij als je zuster voor je ogen zou worden verkracht?’ Het geijkte antwoord was geweest: ‘Het spijt me, maar dat is een hypothetische vraag.’ Hier was dan een Quaker die zijn dochter voor zijn eigen ogen had zien verkrachten, en het antwoord op de hypothetische vraag was: je vloog de beulen aan. De Beginselen waren tegen deze nieuwe werkelijkheid niet opgewassen. Tegenover de gruwelen van kamp Schwalbenbach was het goddelijke in ieder mens een sentimentaliteit. Het goddelijke, in monsters zoals de kampcommandant? In de beulen die mensen hadden veranderd in levende skeletten? In de skeletten zelf, die op het punt stonden om een meisje om te brengen, God wist op wat voor weerzinwekkende manier? Hij dacht erover George te gaan helpen de sergeant te overtuigen dat Laura Martens onmiddellijk moest worden gered. Maar hij geloofde niet meer in het Goede in de sergeant, of in de wraakzuchtige schepsels die rondslopen in dat kamp, of in Vader Martens die zijn vrienden verraden had, of in Laura Martens, die drie jaar lang had samengeleefd met een van de moordenaars van haar vader en er stralend van weldoorvoede gezondheid uit te voorschijn was gekomen.

Ach, misschien was het allemaal overdreven. Wie zei dat de gevangenen werkelijk van plan waren het meisje af te maken? En, hoe kwam het eigenlijk dat dokter Wassermann jaren in dat kamp had kunnen blijven zonder doorgestuurd te worden zoals de anderen? Hoe kwam het dat van al de gevangenen van drie jaar geleden alleen dokter Wassermann en Laura Martens nog over waren?

[p. 114]

Het was makkelijk, angstig makkelijk, om de lafheid te rationaliseren! Of was het geen lafheid? Wat het ook was, hij kon niet van zichzelf gedaan krijgen de veiligheid van zijn cabine te verlaten. Hij had genoeg van de oorlog. Althans voor vandaag.

 

***

 

Laura wist niet hoe lang ze zo gezeten had, roerloos in de leunstoel in het donker, toen opeens Siegfried begon te grommen. Zij voelde Schlumpsi trillen onder haar hand, en streelde zijn fluwelen ruggetje. ‘Stil maar, stil maar,’ fluisterde ze.

Siegfried sprong op en gromde; toen hoorde zij gestommel boven zich, keek op en zag het spleetje van een verduisterde zaklantaarn naar haar staren.

‘Blijf boven!’ fluisterde ze. ‘Er is niks!’

‘Ik hoor ze aankomen! Ze zijn buiten!’

‘Doe dat licht uit!’ Ze had het bijna geroepen, en voelde dat zijn paniek bezig was op haar over te slaan. Dat mocht niet, ze moest nu het hoofd koel houden; als zij ook in paniek raakte waren ze verloren.

‘Luister!’ fluisterde hij.

Inderdaad: buiten klonk geschuifel, een vloerplank kraakte.

‘Daar komen ze!’ Het lichtspleetje van de verduisterde zaklantaarn verdween, er was een bons, toen ging de lantaarn weer aan en bescheen zijn lange onderbroek, zijn sokkevoeten. Siegfried begon te blaffen.

‘Je bent gek!’ fluisterde zij. ‘Waarom blijf je niet boven? Niemand weet dat je er nog bent!’

‘Natuurlijk weten ze dat! Ze weten alles! Ze hebben gewacht tot het donker werd, en nu komen ze! Hoor maar...’ Ze had hem nog nooit zo overstuur gekend, hij was altijd zo rustig, zo beheerst, zo'n mannelijke man, nu klonk hij hysterisch.

‘Ga terug,’ zei ze. ‘Als ze komen zeg ik gewoon dat je weg bent gegaan met de anderen. Toe!’

Maar hij was niet meer te houden. ‘Ik laat hem uit!’ fluisterde hij, ‘ik kan het niet langer verdragen! Ik laat hem uit...’

Zij hoorde Siegfrieds klauwen op de vloer krassen. ‘Niet doen! Ze weten niet dat jij het bent! Gelóóf me toch!’

‘Maar ze weten dat jij er bent,’ zei hij in het donker. ‘Ik doe het voor jou!’ Toen kierde de deur open. ‘Siegfried! Fass an!’

Met een grom sprong de hond naar buiten, iemand gilde, een vreselijk gekrijs van pijn en doodsangst; Heinzl smakte de deur dicht. Buiten klonk gestommel, er werd iets van de voorgalerij gesleept; toen wéér zo'n afgrijselijk gekrijs, dat haar door merg en been ging. ‘Mijn God, wat is dat?’

‘Ze scheuren hem aan stukken,’ zei hij in de duisternis. ‘Dit is het eind, mein Liebchen.’

 

***

 

Bonifacius verstijfde bij het horen van een gekrijs uit de richting van het

[p. 115]

kamp. Hij sprong de cabine uit, hoorde iemand roepen: ‘Sergeant! Sergeant! Kom gauw!’ Hij zag gedaanten naar de afsluitboom hollen, en volgde hun voorbeeld.

Een zoeklicht flitste aan en bescheen een groep gevangenen in gestreepte pakken, die zich uit de voeten maakte tussen de barakken.

‘Wat is er aan de hand?!’ vroeg de sergeant.

‘Ze hebben Siegfried te pakken,’ zei iemand, in het Engels met een Duits accent, achter de afsluitboom. De bundel van het zoeklicht zwenkte opzij en bescheen dokter Wassermann.

‘Wie is Siegfried?’

‘De kamphond. Hij was afgericht om vluchtende gevangenen te achterhalen. Ze hebben hem waarschijnlijk verscheurd.’

‘U bedoelt, levend uit elkaar getrokken?’ vroeg de sergeant ongelovig.

‘Dat moet wel, wapens hebben wij hier niet.’

‘Jake! Breng me de megafoon!’

De korporaal holde weg en kwam een ogenblik later terug met een elektrische hoorn die de sergeant aan de mond zette. Toen schalde zijn stem, tienmaal versterkt: ‘niemand mag meer uit de barakken komen voor zonsopgang! er wordt niet gewaarschuwd! zodra zich iemand buiten vertoont wordt er met scherp geschoten! ik herhaal: er mag tot zonsopgang niemand meer buiten komen! dit is een bevel van de commandant van de canadese troepen!’ Er was een klik toen het apparaat werd afgezet; de bundel van het zoeklicht tastte rond over de lege binnenplaats en langs de bungalow. Er was niemand meer te zien. ‘Zo,’ zei de sergeant. ‘We gaan allemaal naar bed, u ook, dokter. Het geldt ook voor u, ik kan geen uitzondering maken.’

‘Zoals u wilt. Goedenacht.’ De gedaante achter de slagboom verdween.

‘Ik hoop dat ze zich eraan houden,’ bromde de sergeant, ‘maar als je wat ziet, Jake, geef één waarschuwingsschot voor hun platvoeten, daarna voor hun raap. Ik hoop dat we morgenochtend inderdaad versterking krijgen. Ik heb een signaal gestuurd: “Pest besmet kamp aangetroffen vol lijken en krankzinnige gevangenen. Zendt hulp.” Laten we hopen dat de een of andere bizon in de leunstoelenbrigade op de paniekknop zal drukken. Vooruit jongens, iedereen naar zijn nest, behalve de wacht. Maar hou je laarzen aan, we staan onder rood alert. Jake, laat me weten zodra je wat hoort. Allee - ingerukt!’

Bonifacius wachtte tot de soldaten verdwenen waren tussen de schimmen van de halftracks en de ambulances, toen vroeg hij: ‘George?’

‘Ja?’

‘Wat kunnen we doen?’

Er was een stilte, toen zei Georges stem: ‘Ik zie niet in wát, old boy. Laten we hopen dat onze vriend ze voldoende angst heeft aangejaagd om ze in hun barakken te houden.’

‘En als ze dat niet doen?’

‘Let's cross that bridge when we get to it.’ Het was een van Georges geliefde uitdrukkingen. Toen verdween ook hij in de duisternis.

Bonifacius bleef nog even bij de afsluitboom staan, starend naar de vaag schemerende witte bungalow in de nacht. Toen draaide hij zich om, zei:

[p. 116]

‘Goeie wacht’ tegen de schildwacht, liep terug naar zijn ambulance en klom weer in de cabine.

Hij kon de bungalow nu niet meer zien in de sterreloze nacht.

 

***

 

Toen het stil geworden was, buiten, flitste ineens de schemerlamp aan en verblindde haar. ‘Niet doen!’ fluisterde Laura, verschrikt.

‘Ze zijn weg, voorlopig,’ zei hij, en kwam op haar toe, geruisloos op zijn sokkevoeten. Hij stond stil voor haar stoel en strekte de hand uit. ‘Hier,’ zei hij. Op de palm van zijn hand lagen twee capsules.

‘Wat - wat wil je?’ vroeg ze, om tijd te winnen.

‘Ze komen terug. We hebben geen schijn van kans. Hier.’

‘Maar - maar zou je niet naar de Canadezen kunnen lopen? Als je nu de deur opendoet en heel vlug loopt...’

‘Je hebt 't gehoord: ze schieten op alles wat ze zien bewegen.’

‘Maar je kunt toch roepen: “Friend, friend, don't shoot!”, of zo iets...’ Hoewel ze met alle macht probeerde kalm te blijven zag zij de dood op zich af komen.

‘Liebchen,’ zei hij, met grote tederheid. ‘Ook al zouden we naar de Canadezen hollen, wat denk je dat die met ons gaan doen? Je weet wat ze aangekondigd hebben door de radio: alle oorlogsmisdadigers zullen worden terechtgesteld. Wat denk je dat ze doen met een dokter uit een concentratiekamp? Of met zijn bijzit? Hier - stop in je mond. Je voelt niets, het is met een paar seconden afgelopen. Dat heb ik je toch al verteld?’

‘Ja...’ zei ze.

Hij keek haar, opeens, argwanend aan. ‘Laura,’ zei hij, ‘je denkt toch niet dat je terug kunt gaan, alsof er niets gebeurd is? Je kunt niet meer naar huis terug, Laura, net zo min als ik. Kom - de dood is niets, een grens. We zien elkaar wéér. Geloof me, dat weet ik.’

Ze nam de capsule in haar hand.

‘Stop hem in je mond,’ zei hij. ‘Stop hem in je mond en bijt hem door.’

Gedachteloos, willoos, zag ze geen andere uitweg dan te gehoorzamen. Toen hoorde zij zichzelf zeggen: ‘Maar waarom nu al? Laten we wachten tot ze er zijn, laten we iedere minuut die we nog samen hebben gebruiken...’

Ze zag een weifeling in zijn ogen. ‘Wat had je dan willen doen, terwijl we wachten?’

Alsof haar lichaam door een ander was overgenomen stond zij op, legde Schlumpsi achter zich op de stoel en sloeg haar armen om zijn hals. ‘Nog één keer, terwijl het nog kan,’ fluisterde zij.

Hij staarde, vlak bij, eerst naar haar linkeroog, naar het rechter. ‘Ik kan het niet, Liebes. Ik wil wel, maar ik kan niet. Ik moet ... ik moet luisteren.’

Zij voelde zich opeens sterker dan hij. ‘Waarom gaan we niet naar bed en stoppen deze dingen in onze mond en dan - op het hoogtepunt...’

Hij keek weer van het ene oog naar het andere; ze kon niet denken, ze had alle kracht die zij op kon brengen nodig om staande te blijven onder die doodsangst.

‘Laura, Laura,’ zei hij, meewarig. ‘Ben je dan zó bang?’

[p. 117]

Ze kon het niet helpen, zij knikte.

‘Geloof me, je voelt niets. Je bijt het stuk, en binnen de seconde is het gebeurd. We hebben het proefondervindelijk bewezen, met gevangenen.’

Ze voelde dat haar benen begonnen te beven.

‘Is dat nou zo erg, die ene seconde? Ik...’ Ineens werd hij stil en keek naar de deur.

Het bibberen van haar benen klom omhoog naar haar buik.

‘Ze zijn er!’ Hij schudde haar bij de schouders. ‘Daar zijn ze! Steek hem in je mond, nu! Nu!

‘Nee!’ Zij slingerde de capsule van zich af, de kamer in, en barstte in snikken uit, haar handen voor haar gezicht.

Opeens voelde zij zijn hand op haar haren. Zij gilde in haar snikken, haar benen konden haar niet langer dragen; zij viel in de stoel.

Maar daar was hij weer, zijn hand streelde haar haren. ‘Goed, Liebes. Het hoeft niet, ik ga alleen. Als je hoort dat ze me wegsiepen, hol naar het hek en roep: “Friend, friend”. Zul je dat doen?’

Zij nam de handen van haar gezicht en staarde hem aan. De angst was uit zijn ogen verdwenen. Hij keek naar haar als altijd: vol tederheid.

‘Ik - ik...’ snikte zij, niet wetend wat te zeggen.

‘Zo is het 't beste. Ik wist niet dat je zo bang was. Dag, Liebes. Dag, mein Schatz.’ Hij kuste haar voorhoofd, stak de capsule in de mond en liep naar de voordeur.

Zij wilde opspringen, hem tegenhouden; maar ze bleef met de handen voor de mond staren naar die lieve man, die rustig de deur opendeed.

‘Da bin ich denn, meine Damen und Herren. Gutenabend.’

Hij trok de deur achter zich dicht.

Buiten klonk geschuifel, iemand lachte, een stem siste: ‘Sst!’ Toen een gestommel, iets zwaars werd weggesleept. Ze sprong op, holde naar de deur, luisterde aan de kier en hoorde het geknerp van stappen op het grind verdwijnen. Dit was haar kans, nu moest ze naar de uitgang hollen. Als zij het nu niet deed, kon het niet meer.

Opeens klonk, in het kamp, een wild gekrijs van doodsangst en pijn. Zij verstijfde met haar hand op de deurknop. Toen werd er gejuicht, een gejoel van triomf.

Zij draaide zich om en struikelde terug naar de stoel. Daar lag Schlumpsi. Zij strekte de handen, nam hem op; zijn kopje hing slap, uit zijn snaveltje kwam bloed.

‘O, mijn God!’

Opeens leek alles om haar heen in elkaar te storten, alles, alles, de wereld. Zij viel op haar knieën en begon snikkend, bazelend van angst, rond te kruipen op zoek naar de capsule.

 

***

 

Het zoeklicht flitste aan; de lichtbundel tastte tussen de barakken en ving een paar vluchtende schimmen in de verte.

‘Nu is het afgelopen!’ bulderde de megafoon. ‘Nu wordt er met scherp geschoten op iedereen die zich buiten vertoont!’

[p. 118]

Ineens sprong een poppetje in de lichtbundel, als op een toneel, de armen gespreid, en gilde: ‘Schiet maar! Schiet maar!’

‘Doe 'm uit, Jake,’ zei de sergeant.

Het licht flitste uit. In het donker stonden zij te luisteren naar het wegrennen van voetstappen, het slaan van deuren.

‘Laten we maar met z'n allen op wacht blijven, want dit wordt niks,’ zei de sergeant. ‘Wat was dat gegil nou weer? Dokter? Bent u daar?’

Er kwam geen antwoord uit het donker. Het zoeklicht flitste aan, tastte achter de slagboom, met een zwaai naar de bungalow; er was niemand. Het ging weer uit.

‘Nou,’ zei de sergeant, ‘wie heeft er een sigaret voor me?’

Bonifacius liep naar zijn ambulance terug en klom achter het stuur. Toen hij achteroverleunde voelde hij de veiligheid van het hokje als een verdoving over zich komen. Wie hadden ze nu weer omgebracht? Hij sloot de ogen en bad: ‘God, bescherm haar, o God, bescherm haar met Uw vleugelen...’ Opeens werd hij overrompeld door een gevoel van walging over zichzelf. Te zitten bidden, terwijl hij nog te schijterig was om een voet buiten de deur te zetten! Maar wat kon hij doen? Een stengun uit de handen van een schildwacht grissen en het kamp inhollen? Het zou niets uithalen, ze zouden hem voor zijn raap schieten, daar waren ze zenuwachtig genoeg voor. Bovendien, wat een gedachte voor een Quaker! Was het zover met hem gekomen dat de enige oplossing die hij bedenken kon om het meisje te beschermen geweld was? Waren er dan geen geestelijke wapens? De wapenrusting Gods, waar Paulus over schreef? ‘Staat dan, uwe lendenen omgord hebbende met de waarheid, uw voeten geschoeid met de bereidheid van het evangelie des vredes.’ Zoals zijn voorouders in Philadelphia, die Indiaanse vluchtelingen hadden verstopt in hun kelder en zelf in de deuropening waren gaan staan, hand in hand, om de horde blanke moordenaars tegemoet te treden in de geest van liefde. Of was dat alleen maar een vroom verhaaltje? Nee, dat kon niet. Quakers hadden een passie voor de waarheid, het moest echt gebeurd zijn. Ergens hadden die voorouders de kracht gevonden om ongewapend, hand in hand, het hoofd te bieden aan ‘de geweldhebbers dezer wereld, de duisternis dezer eeuw, de geestelijke boosheden in de lucht’. Waar hadden ze de kracht vandaan gehaald? Waren zij ook begonnen met te bidden: ‘O God, bescherm hen met Uw vleugelen’? en had iemand onder hen ook ineens een gevoel van walging gekregen bij dat vrome gewauwel achter gegrendelde deuren, in de veilige salons van hun herenhuizen? Wat was er gebeurd in deze mensen om die deuren open te doen en, hand in hand, de dood onder ogen te zien? Hadden zij dan niet geloofd dat God de Indianen werkelijk beschermen zou met Zijn vleugelen? Nee, natuurlijk niet. Hoe moest God dat doen? Waar haalde Hij ineens vleugels vandaan? Het was beeldspraak, poëtasterij om aan de verantwoordelijkheid te ontkomen die op iedere Quaker rustte: zich beschikbaar te stellen als werktuig voor Gods liefde.

Hij voelde een begin van dezelfde emotionele voldoening die hij gevoeld had toen hij zich verbeeldde hoe hij met een stengun het kamp in zou hollen om het meisje te verlossen. ‘Zich beschikbaar stellen.’ Hoe vaak had hij dat niet horen blaten tijdens samenkomst op zondagmorgen door weldoorvoede,

[p. 119]

welvarende kooplieden? Toch hadden de voorouders van die zelfde kooplieden twee eeuwen geleden in hun deuropeningen Gods liefde vertegenwoordigd met gevaar voor hun leven. ‘De enige die Hij heeft ben jij.’ Het centrale Beginsel. Als hij dat nu, hier, in praktijk kon brengen...

Maar hoe? Door in de deuropening van die bungalow te gaan staan? Zouden die half-krankzinnige, bloeddorstige mensen achter het prikkeldraad begrijpen wat hij vertegenwoordigde, of zouden ze hem zonder meer ombrengen? Hoe kon hij hun duidelijk maken dat hij daar stond als afgezant Gods? Ach, wat een onzin! Dat was mogelijk geweest in een tijd toen iedereen nog in God geloofde, zelfs de bloeddronken Paisleys die de Indianen tot in Philadelphia hadden opgejaagd. Maar nu? ‘Meine Domen und Herren! Ik vertegenwoordig God! En ik beveel u dit meisje met rust te laten!’ Mooie vertoning! Geloofde hij er dan zelf niet in? Dat was het hem natuurlijk. Na alles wat hij gezien had, na de verschrikking van de oorlog, het kamp zélf, hoe kon hij dan de lieve, vriendelijke Quaker-beginselen blijven kwelen: ‘Appelleer aan het goddelijke in de ander’, ‘Benader elk conflict op de manier van de Vrienden’, ‘De enige die Hij heeft ben jij’? Nu hij dit alles in daden moest omzetten bleek het vroom gezwets. Hij wilde het wel geloven, maar hij had in zijn persoonlijke leven nog nooit een bewijs gezien dat al die begrippen werkelijk waren, zo werkelijk als een stengun.

Maar gesteld dat hij bereid zou zijn als Gods werktuig tussen Laura en haar belagers te gaan staan en de beschermende vleugelen Gods waar te maken? Nou ja, vleugelen; armen. De beschuttende armen van het Genootschap der Vrienden. Ethan Woodhouse. Zou Ethan in die deuropening gaan staan, alleen? Nee, daar was hij te slim voor. Hij zou, om te beginnen, net als destijds de Quakers in Philadelphia, anderen geronseld hebben...

Anderen. De andere jongens van de groep. Als zij eens met zijn allen op de veranda van de bungalow gingen staan? Samenkomst! Natuurlijk, dat was het! De enige manier om het de krankzinnigen in het kamp duidelijk te maken: samenkomst houden! In een cirkel zitten, hoofden gebogen, handen gevouwen - iedereen herkende een gebed wanneer hij het zag.

Opeens besefte hij dat dit niet zo maar gemijmer was, maar dat hij voor een werkelijke keuze stond: zich beschikbaar te stellen om de liefde Gods te belichamen, en daarbij zijn leven op het spel te zetten, of door te blijven kwezelen en holle woorden nabauwen en de levende getuigenis van vijftien generaties Vrienden terug te brengen tot een bezweringsformule, en uiteindelijk een gebedsmolentje. Hij moest vannacht óf het Beginsel van de menselijke belichaming Gods waarmaken, óf het Quakerisme met al zijn prevelementen overboord zetten en verder leven als een agnosticus.

Verbeeldde hij het zich, of werd het lichter, buiten? Inderdaad, hij kon de witte veeg van de bungalow in het donker onderscheiden, hoe vaag dan ook. Het begon te dagen. Was het eigenlijk nog wel nodig? Over een uur zou het licht zijn, daarna kwamen de versterkingen ... Maar de wraakzuchtige stakkers daarbinnen moesten tot dezelfde slotsom komen: als zij het meisje wilden grijpen moesten ze het nú doen, of de schildwachten zouden hen duidelijk genoeg kunnen zien om op te schieten. Nu was het ogenblik van de keuze. Nu of nooit.

Hij geloofde het nog niet helemaal. Ergens moest nog een uitweg zijn.

[p. 120]

Misschien zou het allemaal zo'n vaart niet lopen. Niet overhaast handelen. De soldaten zouden hen toch niet binnenlaten. Hij besloot het nog één keer te proberen. Hij vouwde de handen en zei: ‘God, als Gij werkelijk zijt, als die Vrienden waar ik uit voortkom de waarheid hebben gesproken en werkelijk Uw tegenwoordigheid beleefd, manifesteer U dan aan mij. Leid mij. Leid mij, God. Sterk mij. Laat mij Uw werktuig zijn. God, laat mij Uw liefde belichamen.’ Hij zat in afwachting. Hij wist niet wat hij verwachtte, een Hand op zijn schouder, een gevoel van zekerheid; misschien zou hij gaan beven, zoals George Fox had gedaan.

Maar er gebeurde niets. Hij zat maar te zitten, met zijn handen gevouwen en zijn ogen gesloten. Er kwam geen antwoord uit het oneindige, geen Licht in zijn binnenste. Alleen de stank van benzine, en het gevoel verraden te zijn.

Toch weigerde hij het op te geven. De verleiding om te zeggen: ‘Ik heb gedaan wat ik kon’, was groot. Hij had niet gedaan wat hij kon. Hij had zich van het begin af aan afgezonderd in deze cabine tegen de ellende, de doodsangst en het sterven buiten. Om te beginnen moest hij uit zijn schuilhoek komen, want hier in dit kubusje was God kennelijk niet tegenwoordig.

Hij deed het portier open en rook, ondanks de benzinelucht, de weerzinwekkende stank van het kamp. Hij klom uit de cabine. Daar stond hij dan. Hij had de eerste stap gedaan; nu was het Gods beurt. Nu moest hij toch iets voelen, Leiding krijgen. Maar niks hoor, er gebeurde niets. Hij hoorde een schildwacht hoesten; bij de afsluitboom gloeide het peukje van een sigaret. Hij kon de witte blokken van de boom nu zien. Het was lichter dan een half uur geleden. Nu of nooit. Nu moest hij het doen.

‘Bonifacius?’ De stem kwam uit het donker achter hem.

‘Ja?’

‘Kun je ook niet slapen?’

‘Nee.’

George doemde naast hem op. ‘Ik heb me liggen afvragen wat we doen kunnen om dat meisje te beschermen.’

‘En?’

‘Ik heb het niet verder gebracht dan jongensachtige visioenen van het kamp in te hollen en haar te bevrijden. Als een soort ridder.’

‘Met een stengun, die je van een van de schildwachten zou afpakken?’

‘Nee, op dat idee was ik nog niet gekomen.’

‘Hoe had je je dan voorgesteld dat je haar zou bevrijden? Met de blote vuist?’

‘Ik weet, dit is een van die situaties waarin we machteloos zijn. Als de sergeant haar niet gewapenderhand eruit wil halen, is er niets aan te doen. Ik heb geprobeerd hem te overtuigen, dokter Wassermann heeft het geprobeerd; laten we er nu maar het beste van hopen.’

‘Ik heb er ook over zitten nadenken. Ik geloof dat we wél iets kunnen doen, als we in de Beginselen geloven. We kunnen met z'n allen op de veranda van de bungalow gaan zitten en samenkomst houden. Dat hebben de Quakers in Philadelphia ook gedaan, in 1754: ongewapend in de deuropeningen van hun huizen gaan staan om de Indianen in hun kelders te beschermen. Ken je het verhaal?’

[p. 121]

‘Ik heb het vroeger wel eens gehoord, op zondagsschool.’

‘Zullen we dat dan maar eens proberen?’

Een ogenblik had hij de hoop dat George zou zeggen: ‘Ben je gek?’ Maar hij zei: ‘Laten we het aan de anderen gaan voorstellen. Jij moet het ze dan maar vertellen.’

 

***

 

George Weatherby keek naar de gezichten van de anderen terwijl Bonny vertelde over de Quakers van Philadelphia in 1754. Hij hoopte dat de anderen de moed zouden hebben om uit te spreken wat hij dacht; maar Lennie zei: ‘Goed idee. Wat vinden jullie, jongens?’

Er werd instemmend gemompeld, maar niet van harte. George maakte eruit op dat ze het net als hij een onzinnig voorstel vonden, maar ook geen argument konden vinden om het af te wijzen. Ze waren, net als hij, na een leven van lippendienst in de val gelopen van de oude, heilige legende. Wie nam het vandaag de dag nog au sérieux: het meisje in de bungalow te gaan beschermen door in een kringetje op de veranda te zitten bidden?

‘Nu, laten we dan maar gaan,’ zei Bonny.

‘Maar - maar ik moet wél zeggen dat ik er niet helemaal in geloof...’ zei John, de eerlijkste onder hen.

‘Waar niet in?’ vroeg Bonny.

‘In - in de kracht van het gebed...’

‘Ook al geloof je er niet in,’ zei Bonny, ‘wij moeten, als Vrienden, doen wat we kunnen.’

‘Maar wát kunnen we doen?’

‘De beschuttende armen van het Genootschap naar haar uitstrekken.’

Die oude formule deed George beseffen dat zij, als Quakers, niet anders konden doen dan het althans proberen. De anderen moesten tot dezelfde conclusie zijn gekomen, want ineens stonden ze op en gingen één voor één de tent uit.

Toen zij bij de afsluitboom aankwamen en Bonny hem op wilde tillen riep een schildwacht in de schemering: ‘Hé! Wat zijn jullie van plan?’

‘We gaan naar de bungalow, iemand halen,’ zei Bonny.

‘Hebben jullie toestemming van de sergeant?’

‘Nee.’

‘Dan kan ik jullie er niet inlaten. Ik heb strikte orders: niemand erin, niemand eruit.’

‘Wat krijgen we nóú weer?’ Het was de sergeant, die uit het donker aan kwam lopen.

‘Wij willen dat meisje in de bungalow gaan beschermen,’ antwoordde Bonny.

‘Hoe? Heb je wapens?’

‘We wilden op de veranda gaan zitten, en een eredienst houden.’

‘Eredienst?! Waar zie je me voor aan? Vijftien man heb ik! God mag weten hoeveel mensen ze al hebben afgeslacht vannacht! Als jij denkt dat ik jullie, halve garen, toestemming geef ongewapend naar binnen te gaan om die mensen te provoceren, vergeet het maar!’

[p. 122]

George voelde dat het ogenblik gekomen was om tussenbeide te komen. ‘Sarge,’ zei hij, ‘ik wou je even onder vier ogen spreken.’

‘Nee!’ zei de sergeant, ruw. ‘Geen mooie praatjes, geen religieus gelul. Er komt niemand in dat kamp, en daarmee basta.’

‘Sarge,’ zei George, ‘die mensen in het kamp zijn ziek. Wij zijn hier om die mensen te verplegen. Ze zijn niet alleen lichamelijk ziek, ze zijn zielsziek. Het is onze plicht, als verplegers, om te voorkomen dat zij als gevolg van hun ziekte een misdaad tegen de mensheid begaan.’

‘Broer,’ zei de sergeant, ‘jij mag het een misdaad tegen de mensheid noemen, ik heb mijn orders. Ik mag niet tussenbeide komen als de bevolking met een kamphoer wil afrekenen.’

‘Sarge, luister nou even. Deze zeven jongens staan onder mijn bevel. Wij volgen jouw orders op zolang er gevochten wordt. Maar als wij onze plicht moeten doen als verplegers, dan zijn het mijn orders die tellen. Ik heb de rang van eerste-luitenant, en ik beschouw het als mijn plicht dat kamp in te gaan om de mensen daar te beletten nog meer moorden te plegen.’

‘Oké, luit,’ zei de sergeant. ‘Als jij je nep-rang wilt laten gelden houdt alles op, natuurlijk. Als je er maar om denkt dat je het op jouw verantwoordelijkheid doet, ik zal er geen man aan wagen. Als die grappenmakers jullie met zijn allen je strot afsnijden om die hoer te pakken, dan is het jouw verantwoordelijkheid.’

‘Goed,’ zei George. ‘Wil je dan zo vriendelijk zijn dat aan de schildwacht te vertellen?’

‘Oké, Jake!’ riep de sergeant. ‘Laat ze erin, ze kunnen de pest krijgen.’

De afsluitboom ging omhoog.

De acht jongens gingen naar binnen, achter elkaar, Bonny voorop. Er was in het schemerdonker niemand te zien, alleen de silhouetten van de barakken. George wist dat zij werden gadegeslagen, de dreiging was onmiskenbaar. Hun stappen knerpten op het grind toen zij het pad opliepen naar de bungalow; het trapje kraakte, zij gingen in een halve cirkel op de veranda zitten.

Toen ze eenmaal zaten met het gezicht naar de appèlplaats werd George bang. De sergeant had gelijk: de op wraak beluste gevangenen zouden zich niet door acht ongewapende jongens laten weerhouden als zij zich van het meisje meester wilden maken. Hun enige hoop was dat de gevangenen hen voor soldaten zouden aanzien, want zij droegen dezelfde battle-dress.

Toen zag hij Bonny een verduisterde zaklantaarn neerleggen als een soort voetlicht, om hen te belichten. Zijn eerste impuls was om het ding uit te doen; maar zij hadden ten slotte gezamenlijk besloten om hier te gaan zitten als een getuigenis. Hij wilde dat hij de moed had gehad te bekennen dat hij niet geloofde in de antieke Quaker-conceptie dat ieder mens het goddelijke in zich droeg dat op het goddelijke in hemzelf zou antwoorden. Nu was het te laat. Nu zaten zij met zijn achten in de val.

Met gebogen hoofden hielden de acht Quakers samenkomst, terwijl uit de barakken honderden gestalten naderbij slopen in de schemering.

[p. 123]

***

 

Laura zat te luisteren in de duisternis, verstijfd van angst. Ze had geen gedachten, maar haar hart begon hoe langer hoe harder te bonzen in haar keel. Ze had de planken op de veranda horen kraken; ze stonden voor de deur; ieder ogenblik kon die opengaan.

Zij greep de armen van de leunstoel, haar spieren zo stijf als koorden; zij stond op het punt op te springen en naar buiten te hollen, alles liever dan deze vreselijke angst; toen hoorde ze een geluid achter zich.

Ze draaide het hoofd om en luisterde, met open mond. Ze hoorde hijgen, het hijgen van een hond, net als Siegfried wanneer die in het donker dichterbij kwam. Maar het kon Siegfried niet zijn. Siegfried was dood.

Ze luisterde, slikte. Niets. Ze opende haar mond om te ademen en hoorde het weer: ‘hijg hijg hijg hijg...’ Toen besefte ze wat het was: het bonzen van haar hart in haar keel.

In de keuken klonk gekraak. Gestommel. Toen een luide bons, het gerinkel van glas. Het jampotje met de peterselie! Ze hadden het raam opengeschoven!

Door doodsangst opgezweept sprong zij uit haar stoel, vloog naar de voordeur, aarzelde; toen hoorde ze achter zich de vloerplanken kraken, ze rukte de deur open en stond tegenover honderden gevangenen, rijen, nog eens rijen, roerloos opgesteld voor het huis.

Achter haar hoorde ze de vloerplanken weer kraken. Ze wilde naar buiten hollen, toen zei een stem onder haar: ‘Kom bij ons zitten. Wij houden samenkomst.’

Zij zag een rij gedaanten op de grond zitten, hoofden gebogen, handen in de schoot. Uniformen ... Soldaten?

‘Kom.’ Een hand greep de hare en trok haar omlaag.

Zij gehoorzaamde, met begrijpend wat er gaande was. Zij hoorde geschuifel achter zich, gefluister; ze had de deur dicht moeten doen.

Zij keek om zich heen naar de zittende mannen. Ze zag geen wapens; ze zaten alleen maar te wachten. Zij boog het hoofd en wachtte tot zij van achteren gegrepen zou worden en weggesleept. Ze wilde zich overgeven, maar werd overstelpt door een onverwachte wil om te leven. Opeens wilde ze leven, leven, wat het ook mocht kosten, tot elke prijs. Maar daar stonden de gevangenen, een muur van mensen om het huis; achter haar ook ... Ze moest er een eind aan maken, dit was niet te verdragen.

Toen werd er een hand op de hare gelegd. Een hand die haar tegenhield; zij gaf toe. Als ze haar grepen zou ze vechten, bijten...

Zij sloot haar ogen en wachtte, op de rand van een flauwte, tot het gebeuren zou.

 

***

 

Tersluiks, zonder zich te verroeren, zag Bonifacius iets bewegen in de deuropening van de bungalow. De anderen, verzonken in gebed, schenen het niet gezien te hebben, maar hij verwachtte ieder ogenblik dat uit de deuropening handen zich naar haar zouden uitstrekken en haar grijpen. Wat had

[p. 124]

hem bezield om te denken dat acht biddende pacifisten deze mensen ervan konden weerhouden hun doden te wreken, hun kinderen, hun vrouwen? De zelfgenoegzame illusie van de macht van het goede! De oceaan van licht en liefde! Wat had hem bezield?

Daar had je ze! Hij kon nu gestreepte gevangenispakken ontwaren in de deuropening. Op nog geen tien pas afstand stonden er honderden en nog eens honderden, een dreigende massa. En daar zat het arme kind naast hem, haar hoofd gebogen, hij met zijn hand op de hare in een machteloos gebaar van bescherming. Toen zag hij iemand naderen, die zich had losgemaakt uit de roerloze menigte voor de bungalow. De gedaante stond stil onder aan het trapje, klom naar boven; achter de gedaante drong, met een massaal geschuifel, de hele menigte dichterbij.

Hij wilde opspringen en roepen: ‘Mensen, alsjeblieft, alsjeblieft, doe dit niet!’ Toen vroeg een keurige stem, in het Engels: ‘Heeft u er iets op tegen als ik mij bij u voeg?’ Het was een oude man in gevangeniskleren.

Uit de menigte riep een stem: ‘Rabbi! Niet doen! Dat mag u niet doen!’

Maar de oude man liet zich stram zakken tot hij naast George op de grond zat, met zijn rug naar de menigte. Voor de bungalow klonk geroezemoes; in de deuropening achter hem werd gefluisterd. De oude man zette een gebedskapje op en begon, het gezicht omhooggeheven, te wiegen.

Het geroezemoes van stemmen zweeg; het gefluister in de deuropening hield op. Allemaal leken zij op iets te wachten, iets onherroepelijks. Toen doemde aan de voet van het trapje een lange, kadaverachtige vrouw op. Zij klom het trapje op, starend naar het meisje, haar handen klaar om te grijpen. Bonifacius voelde de hand onder de zijne trillen. Toen greep de rabbi de vrouw bij de rok en zei: ‘Komm, Frau Rosenkrantz, setzen Sie sich hin.’

De vrouw keek op hem neer, bleef enkele ogenblikken naar hem staren, keek opnieuw naar het meisje. Bonifacius voelde haar hand sidderen. Toen zei de rabbi: ‘Komm, Frau Rosenkrantz, setzen Sie sich mit uns nieder. Danken wir Gott für unsere Erlösung vom Bösen.’

De handen van de vrouw, die op het punt had gestaan haar prooi te grijpen, ontspanden zich. Langzaam zonk zij op haar knieën naast de rabbi en boog haar hoofd; haar haren vielen omlaag in tressen. De oude man legde zijn hand op de hare.

Onder de menigte groeide een gemor; in het huis werd gefluisterd.

Bonifacius besefte, met een gevoel van ontzag, dat hun een onaardse genade deelachtig was geworden.

 

***

 

George zag Bonny de samenkomst breken door het meisje de hand te reiken. Allen volgden zijn voorbeeld en drukten elkaar de hand, ook de rabbi. De enige die roerloos voor zich uit bleef staren was de vrouw met het warrige haar. Bonny hielp het meisje overeind en legde zijn arm om haar schouders. Toen zij naar het trapje hepen stond de rabbi op en ging hen voor. Een voor een daalden zij het trapje af, dicht achter elkaar, alsof zij bij elkander bescherming zochten.

[p. 125]

Nauwelijks waren zij beneden of zij werden door gevangenen omsingeld. De rabbi hief de handen op en liep, luid biddend, voor hen uit; de menigte week om hen door te laten. Met het hart in de keel liep George langs de starende gezichten in de richting van de afsluitboom. Ieder ogenblik verwachtte hij dat de gevangenen hen de pas af zouden snijden, maar het gebeurde niet. Sommigen spuwden naar het meisje, de meesten staarden alleen maar vol haat en verachting naar haar. Zij liet zich, met gebogen hoofd, door Bonny naar de uitgang leiden. Opeens smeet iemand een emmer derrie over haar heen, roepend: ‘Hoer! Vuile nazi-hoer! God zal je eeuwig verdoemen, hoer! Hoer!’ Zij struikelde, verblind door de stinkende mest die langs haar gezicht droop; Bonny hield haar op de been en ondersteunde haar tot ze, eindelijk, de slagboom bereikten.

De sergeant zelf deed die voor hen open; de soldaten stonden achter hem met hun stenguns in de aanslag. De sergeant liet Laura en de Quakers door, maar niet de rabbi. Toen werd de boom gesloten.

Er werd geschreeuwd: ‘Vuile hoer! Ophangen moesten ze je, ophangen!’ Het meisje verborg het gezicht in de handen en liet zich naar de eerste ziekenauto leiden. Lennie liep vooruit, klom erin en strekte de hand uit om haar te helpen. Zij weifelde; Bonny zei: ‘Ga maar, je bent nu veilig. Ik ga een battle-dress voor je halen.’

Lennie zei: ‘Ben je gek, joh? Die van jou zijn veel te groot. Ik geef haar wel een van mij.’ Hij holde weg.

‘Ga maar, Laura,’ zei Bonny.

Het meisje klom de ambulance in alsof zij niet besefte wat er met haar gebeurde. Bonny deed de deurtjes dicht en zei: ‘Als je mij vraagt is ze in shock.’

George liep naar het vrachtautootje met de apotheek, loste een poeder op in een glas water en reikte het John, die stond toe te kijken. ‘Geef dit aan Bonny,’ zei hij.

De jongen bracht het glas weg; George klom uit het vrachtwagentje en sloot de deur. Hij kon nog niet bevatten hoe, maar zij hadden inderdaad kans gezien de beschermende armen van het Genootschap der Vrienden uit te strekken naar Laura Martens.

Hij liep naar de rand van de parkeerplaats. Op het veld, in de dageraad, was een boer aan het ploegen met een span ossen. De zwarte aarde krulde onder zijn ploeg.

De boer zag hem staan, en wuifde.

Omdat hij niets anders kon bedenken, wuifde George terug.

terug  begin  verder