terug  begin  verder
[p. 126]

Vier

Later die morgen begon het bombardement van Schwalbenbach. Tientallen vliegtuigen dreunden laag over het kamp, het gedaver van hun motoren overdonderde het gejuich van de gevangenen, die joelden alsof de piloten hen konden horen. Het stadje lag kilometers verder, maar de vliegtuigen begonnen al boven het kamp hun bommen uit te werpen, die als kleine zwarte vissen met een eigen leven naar de aarde zwommen. In de verte klonk het gerommel van een aardbeving; binnen het kwartier stond het stadje aan de horizon in brand.

Iedereen stond ernaar te kijken toen een zinderend geluid het gedreun van het bombardement overstemde. Het was een lange colonne tanks, kanonnen, halftracks, veldkeukens, ambulances, vrachtwagens, met in de achterhoede een zwerm jeeps vol soldaten. De colonne was zo indrukwekkend dat de boer met de ploeg ditmaal niet wuifde. Gedurende enkele minuten overstemde het geratel van rupsbanden en het geronk van motoren de donder van bommen en instortende gebouwen in de verte.

Terwijl de stalen monsters bezig waren te parkeren voor het kamp, kwam een jeep aangehotst die voor de afsluitboom stopte. Er sprong een generaal uit met witte helm, stofbril en rijlaarzen. De sergeant, die met George en dokter Wassermann had staan praten bij de afsluitboom, sprong in de houding; George, met quakerlijke halfslachtigheid, verwelkomde de generaal met een glimlach. Hij was breedgeschouderd, zijn gezicht was grijs van het stof; hij zette zijn stofbril op zijn helm en keek hen aan met blauwe ogen in een brilvormig stuk roze huid. ‘Ik ben generaal Schickelgruber, en de eerste klootzak die het in zijn hart haalt om te zeggen: “Is dat niet Hitlers naam?” krijgt een trap voor zijn ballen. Hoe gaat het?’

De drie mannen staarden hem sprakeloos aan. Het geronk van de motoren zweeg; het gedaver van het bombardement in de verte werd weer hoorbaar.

‘En?’ vroeg de generaal. ‘Waar is de pest?’

De sergeant bleef met paradestramheid in de houding staan en zei niets.

‘De een of andere schertsfiguur heeft een signaal gestuurd dat hij een kamp vol pestlijders had aangetroffen. Is dit het?’

‘J-ja generaal.’

‘Hebben de mensen de pest of niet?’

‘N-nee generaal,’ stamelde de sergeant; toen de generaal hem strak aankeek met die blauwe ogen in roze ovaaltjes voegde hij eraan toe: ‘Ik - ik wilde er zeker van zijn dat er iemand zou komen.’

Een ogenblik bleef het stil. Iedereen verwachtte dat de generaal hem de huid vol zou schelden; in plaats daarvan grinnikte hij en vroeg: ‘Hoe lang ben jij in het leger?’

‘Vijftien jaar, generaal.’

[p. 127]

‘Dat dacht ik wel.’ De generaal trok zijn handschoenen uit en klapte ze tegen elkaar om het stof eraf te slaan. Toen keek hij naar George. ‘En wie hebben we hier?’

‘George Weatherby. Leider van de Quaker Ambulance Dienst, groep noord, één.’

‘O,’ zei de generaal. Toen richtte hij zich tot dokter Wassermann. ‘Spreekt u Engels?’

‘Yes, sir.’ Het was verdrietig, maar dokter Wassermann was teruggevallen in de onderdanigheid die hij tegenover de SS moest hebben betoond.

‘Bent u de voorzitter van het comité?’

‘Pardon?’

De generaal vroeg aan de sergeant: ‘Heb je nog geen comité laten vormen door de gevangenen?’

‘Nee, generaal.’

Zonder zich om te keren riep de generaal: ‘Charley!’

Een jonge officier sprong uit de jeep en voegde zich bij hen. ‘Ja, generaal?’

‘Deze man spreekt Engels. Laat hem het comité oprichten. Ik zal ze over een half uur ontvangen, in dat huisje daar. Zeg tegen Rusty dat hij het in orde maakt.’

‘Ja generaal.’

‘Op de plaats rust, flessetrekker,’ zei de generaal, en hij tikte de sergeant met zijn handschoenen op de schouder. ‘Doe je billen van elkaar, man; je staat erbij alsof je bezig bent een ei in je kont gaar te koken. Laat me dat kamp 's zien.’ Tegen George zei hij: ‘Jij gaat mee.’

Zij hepen naar de afsluitboom. ‘Het is een rotzooi, generaal,’ begon de sergeant.

‘Dat zal wel,’ zei de generaal. ‘We zijn er al twee tegengekomen. Hebben ze hier ook een crematorium?’

‘Ja generaal.’

‘Lijken?’

‘Ja generaal. Hele stapels.’

‘Charley!’

De jonge officier kwam weer opduiken. ‘Ja generaal?’

‘Laat de grafploeg niet beginnen voor we een paar groepen burgers het crematorium hebben laten zien.’

‘Ja generaal.’

‘Kom,’ zei de generaal tegen de sergeant, ‘vooruit met de geit.’

De sergeant gaf de schildwacht een teken, de afsluitboom ging omhoog. George volgde de generaal, die in wandelpas door de rijen gevangenen liep. Zij waren diep onder de indruk en gaapten hem aan. Er werd niet gejuicht, er was geen applaus; het was doodstil in het kamp. Het gerommel van het bombardement rolde in de verte als donder. De dokter leidde de generaal rond door de barak met de half uit hun kooien verrezen skeletten, door het hertenkamp met de mannetjes die eens kinderen geweest waren, naar het crematorium. De generaal wierp een vluchtige blik op de ovens en de ordelijke stapels lijken, en liep met krakende laarzen terug naar de uitgang.

Toen zij het kamp uitkwamen stond op de parkeerplaats alles klaar om te beginnen: veldkeukens, Rode Kruis, administratie. De officier van de graf-

[p. 128]

dienst, in groene rubbercape met rubberlaarzen, was de eerste die door de generaal werd aangesproken. ‘Luitenant, er zijn een boel lijken binnen, ik zou maar vast een graf gaan bulldozeren, daar in die akker. Maar begin niet met ze te begraven voor ik een paar groepen burgers heb laten rondleiden.’

‘Jawel generaal.’

‘Mijn adjudant zal voor een godsdienstoefening zorgen.’ Hij richtte zich tot George. ‘Hebben de mensen in dit kamp een koor?’

‘Ik eh - dat denk ik niet,’ antwoordde George, verbaasd.

‘Charley!’

‘Ja generaal!’

‘Laat het koor uit dat Russische krijgsgevangenenkamp van vanmorgen hier brengen, dan kunnen ze bij het dichtgooien van iedere loopgraaf een psalm zingen.’

‘Generaal, ik denk niet dat het een kerkkoor is. Bepaald niet.’

‘Maak je geen zorgen,’ zei de generaal vaderlijk. ‘Het kan niet verdommen wat ze zingen, als het maar langzaam is.’

‘Jawel generaal.’

‘Is dat huisje klaar?’

‘Jawel, generaal. Maar Rusty denkt dat het nog bewoond is.’

‘Door wie? Sinterklaas?’

‘Het schijnt dat er vrouwenkleren in de kast hangen, generaal.’

Opnieuw richtte de generaal zich om de een of andere reden tot George. ‘Hangen hier nog marketentsters rond?’

‘Ik denk van niet,’ zei George, vlak.

De generaal keek hem aan met blauwe ogen in roze ovaaltjes. ‘Van wie zijn die kleren dan?’

‘Er woonde een meisje. Maar ze is nu weg.’

‘Waar, weg?’

‘In een van onze ambulances.’

‘Charley!’

‘Ja generaal!’

‘Laat Security een vrouw checken, in een van de Quaker-ambulances.’

‘Jawel generaal.’

De generaal tikte George met zijn handschoenen op de schonder. ‘Jij en ik gaan met de pillenbrigade aan tafel zitten en bepraten wat ons te doen staat. Daarna kunnen jullie aan je stutten trekken. Wij doen de rest wel.’

‘Tot dusver hebben wij altijd...’

De generaal was er niet in geïnteresseerd. ‘Ik wil die ziekenwagentjes kwijt,’ zei hij, ‘jullie rijden me voor de voeten. Ga maar naar die stad, daarginds. De luchtmacht is bezig klanten voor jullie te winnen, naar het kegelen te oordelen.’

‘Waarom bombarderen ze die stad eigenlijk?’ vroeg George. ‘Is het een vesting?’

‘Welnee,’ zei de generaal, ‘het is 't oude liedje: grijsaards en kinderen in uniform, de zogenaamde Volkssturm, die met hagel en klappertjes op onze jongens schieten. Ze zijn net gek, de moffen. Enfin, ze kunnen het krijgen zoals ze het hebben willen.’ Hij draaide zich om en liep met krakende laarzen naar de bungalow.

[p. 129]

***

 

‘Mijn vragen zullen persoonlijk zijn,’ zei de officier. ‘Wilt u dat deze meneer erbij blijft?’

Laura knikte. Zij zat op de rand van de onderste brits in de ziekenwagen; haar ogen stonden wazig, alsof ze niet besefte waar ze was of wat er met haar gebeurde. Bonifacius vroeg zich af of hij de officier kon vragen haar met rust te laten, ten slotte was zij een patiënte.

‘Het is mijn plicht u erop te wijzen dat alles wat u zeggen zult tegen u gebruikt kan worden in een eventueel rechtsgeding,’ vervolgde de officier. ‘U hoeft mijn vragen niet te beantwoorden, als u dat niet wilt zonder een advocaat. U bent niet langer onder de nazi-jurisdictie, u wordt niet langer als schuldig beschouwd tot u uw onschuld hebt kunnen bewijzen. In de vrije wereld is het tegenovergestelde het geval.’ Hij haalde een zilveren potlood te voorschijn. ‘Uw naam?’

‘Laura Martens.’

‘Wilt u dat spellen, alstublieft?’

Zij gehoorzaamde.

‘Leeftijd?’

‘Ik ... welk jaar is dit?’

De officier keek op. ‘Geeft u me maar uw geboortedatum.’

‘Twaalf maart 1924.’

‘Dus u bent eenentwintig. Nationaliteit?’

‘Nederlandse.’

‘Adres in Nederland?’

‘Bolkerstraat 15, Westerdam.’

‘Leven uw ouders nog?’

‘Nee.’

‘Wanneer is uw moeder overleden?’

‘In 1939.’

‘Waaraan?’

‘Aan kanker.’

‘Uw vader?’

‘In 1942. Toen ik voor het eerst in het kamp kwam. Ik weet niet precies meer wanneer dat was.’

‘Waaraan is hij overleden?’

‘Hij werd doodgeslagen door de Kapo's.’

‘Was hij een gevangene?’

‘Ja.’

‘En u?’

‘Ik...’

Zij zag er zo verward uit dat Bonifacius zei: ‘Waarom laat u mij die vragen niet beantwoorden?’

‘Sorry,’ antwoordde de officier kortaf. ‘U mag zich niet in de ondervraging mengen. Juffrouw Martens, was u een gevangene?’

‘Ja.’

‘In welke barak?’

‘In de bungalow.’

[p. 130]

‘Die van de SS-dokter?’

‘Ja.’

De officier keek haar neutraal aan. ‘Heeft u met hem gecohabiteerd?’

‘Wat is dat?’

‘Heb je met hem geleefd als man en vrouw?’ legde Bonifacius uit.

De officier keek hem afkeurend aan.

‘O...’ zei Laura. ‘Ja.’

‘Zijn naam?’

‘Heinzl.’

‘Was dat zijn achternaam?’

‘Pardon?’

‘Heette hij Heinzl het-een-of-ander, of het-een-of-ander Heinzl?’

‘Heinzl Schmidt. Dokter Heinrich Schmidt.’

‘Hoe lang heeft u met hem gecohabiteerd?’

‘Vanaf de dag dat ik aankwam.’

‘Uit eigen verkiezing?’

Zij keek de man versuft aan.

‘Had u de bungalow kunnen verlaten als u dat gewild had?’

‘Nee ... Ik bedoel ... Hij zei dat ik me nooit mocht vertonen. Zelfs niet in het raam.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ze me dan vermoord zouden hebben.’

‘Wie?’

‘De - de officieren, de gevangenen ... iedereen...’

Bonifacius kon het niet langer aanzien. ‘Kunt u haar niet met rust laten en morgen verhoren? Ze is niet wel. Dat ziet u toch zelf?’

‘Het spijt me dat ik juffrouw Martens dit moet aandoen,’ zei de officier, ‘al is het geen vergelijk met wat de andere gevangenen is aangedaan, de afgelopen drie jaar.’

Laura bedekte haar gezicht met de handen.

Bonifacius opende de deur van de ambulance en sprong eruit.

 

***

 

Toen de conferentie met het Rode Kruis achter de rug was moest George de generaal gelijk geven dat hij hem naar Schwalbenbach dirigeerde. Er was niets te doen in het kamp dat het Rode Kruis niet beter kon doen, op hun onpersoonlijke manier.

Terwijl zij aan het delibereren waren, rinkelde de lamp boven de tafel van het gedreun in de verte. Opeens klonk er een gestommel op de veranda, er werd op de deur geklopt, en daar stond Bonny, diep verontwaardigd. ‘Bent u de commanderende officier hier?’ vroeg hij aan de generaal.

‘Huh?’ De generaal keek hem met open mond aan, zijn entourage verstijfde.

‘Iemand is bezig Laura Martens de stuipen op het lijf te jagen. Zij is een patiënte, in shock. Ze heeft verzorging nodig, niet een dienstklopper die haar het vuur aan de schenen legt. Wilt u die vent order geven dat hij ermee moet uitscheiden?’

[p. 131]

‘Wie is deze pias?!’ brulde de generaal.

‘Ik heet Bonifacius Baker,’ zei Bonny. ‘Ik maak deel uit van de Quaker Ambulance Dienst. Het is mijn taak om mensen zoals Laura Martens te verplegen. Ze is verkracht door de nazi's. Ze hebben haar vader voor haar ogen doodgeknuppeld. Zij werd door de kampdokter opgesloten en drie jaar lang misbruikt, nu wordt ze behandeld alsof ze de vijand was! Zeg tegen die vent dat hij haar met rust laat!’

‘Charley!’ brulde de generaal.

Voor hij zijn adjudant order had kunnen geven Bonny de deur uit te smijten, zei de verontwaardigde jongen: ‘Het kan me niet schelen wat u zegt! Jezus heeft ons gezegd hoe we haar moeten behandelen! “Wie van u zonder zonde is werpe de eerste steen.” En toen ze weg waren, haar beschuldigers, keek Hij op en zag niemand anders dan de vrouw en vroeg: “Vrouw, waar zijn uw beschuldigers? Heeft niemand u veroordeeld?” En toen ze zei: “Niemand, Heer,” zei Hij: “Zo veroordeel Ik u ook niet. Ga heen en zondig niet meer.”

Het was belachelijk, en toch indrukwekkend: ‘Spreek de waarheid tegen de machthebbers’, het oude Quaker-beginsel. Opeens was George jaloers op de jongen, die tot dusver zo'n doetje geschenen had; dit was het soort getuigenis dat de eerste Vrienden moesten hebben afgelegd.

De generaal keek Bonny met open mond aan, toen vroeg hij aan George: ‘Hoort hij bij jou?’

‘Ja, generaal...’

‘Nou, dat is tenminste iemand die een risico durft te lopen voor zijn geloof! Geef mij hém maar, in plaats van die Billy Graham! Waarom krijg ik zo iets nooit van mijn aalmoezeniers te horen? Charley!’

Daar was hij weer, de premier danseur van het ballet van de krijgsheer.

‘Zeg tegen Security dat ze haar tot nader order met rust laten. En ruim haar rotzooi op, die nog in de slaapkamer en de badkamer ligt.’ Hij richtte zich weer tot Bonny. ‘Als ze daartoe in staat is wil ik een woordje met haar wisselen. Stuur haar bij me.’ Hij liep naar de deur van de slaapkamer, en zag iets in een leunstoel liggen. ‘Hé, wacht 's!’ zei hij. ‘Heeft ze soms een kind?’

‘Pardon?’

‘Hier, dat speelgoed!’

‘Nee, generaal!’ riep een kleine, bedrijvige korporaal die discreet had rondgerommeld op de achtergrond met lakens en slopen. ‘Dat is geen speelgoed! Dat is een echt eendje, generaal. Een echt dood eendje! Ik zal het dadelijk weggooien.’

De generaal boog zich over de stoel en tilde het slappe, donzige lijfje op bij een pootje. Het kopje bungelde aan de gebroken nek. Toen zei hij: ‘De barbaren!’

Het was voor het eerst dat hij verontwaardiging liet blijken sinds hij in het kamp was aangekomen.

 

***

 

‘Had hij nog bijzondere kentekenen?’ vroeg de officier. ‘Moedervlekken,

[p. 132]

littekens?’

Het leek alsof ze geen deel had aan dit gesprek, alsof Heinzl haar aanstonds wakker zou maken en vragen: ‘Liebes? Hast du gut geschlafen?’

‘Had hij een ronde moedervlek van ongeveer drie centimeter doorsnee aan de binnenkant van zijn rechterdij?’

‘Hoe - hoe weet u dat?’

‘Dan is hij 't.’ De officier schreef iets in zijn boekje.

‘Hebben ze hem gevonden?’

‘Ja,’ antwoordde hij, zonder zijn schrijven te onderbreken.

Opeens werd het werkelijkheid voor haar. ‘Was hij ... hebben ze...’

‘Ja,’ zei de officier.

Er werd op de deur gebonsd. De officier riep: ‘Binnen!’

Het waren de jonge Quaker en een officier met een snorretje. De officier zei: ‘Orders van de generaal: morgen verder met je verhoor.’ Hij richtte zich tot haar. ‘Bent u in staat om de generaal te bezoeken?’

‘Daar zou ik nog even mee wachten,’ zei de jonge Quaker, beschermend.

‘Smeed het ijzer terwijl het heet is,’ zei de officier met het snorretje. ‘Hij is nou in een goede stemming, wie weet hoe hij er over een uur aan toe is.’

‘Ik zou het maar doen, als ik u was,’ zei de officier die haar verhoord had, met onverwachte vriendelijkheid. ‘Als hij zich voor u interesseert kan het geen kwaad, in uw situatie.’

Zij begreep niet wat hij bedoelde, maar de jonge Quaker zei: ‘Kom, ik breng je er wel even heen.’

‘Maar ... maar ik durf niet...’ stamelde ze. ‘De gevangenen...’

‘Maak je geen zorgen,’ zei de Quaker. ‘Met die battle-dress aan herkent niemand je.’

‘Bovendien wemelt het kamp nu van militairen,’ zei de officier die haar verhoord had, nog steeds op die vriendelijke toon. ‘Ga nu maar.’

Zij liet zich het trapje afhelpen en door de jonge Quaker naar de afsluitboom leiden. De officier had gelijk: het kamp was vol militairen, de enige gevangenen die zij zag stonden voor de deuren van de barakken.

‘Waar moeten jullie heen, jongens?’ vroeg de schildwacht.

‘Ik moet deze dame bij de generaal brengen,’ antwoordde de Quaker.

‘Gossiemikkie, het is een griet!’ riep de soldaat uit. ‘Bij welk wapen hoor je, zus?’

‘Laat ons erdoor, de generaal heeft dringend om haar gevraagd.’

‘Oké, oké.’ De soldaat opende de slagboom. ‘Doe je wat vanavond?’ riep hij haar achterna, toen zij naar de bungalow liepen.

Nauwelijks had zij voet gezet in het kamp of zij werd weer bang, dezelfde angst als toen zij door dokter Wassermann naar buiten was geloodst om de Quakers te ontmoeten. Zij begon harder te lopen; toen het grind onder haar voeten knerpte kon ze zich niet langer beheersen en holde naar het trapje, de veranda op.

Voor de deur stond ook een schildwacht. ‘Hé, wacht eens! Wie ben jij?’

‘Ik - de generaal - ik...’ stamelde zij.

‘Binnenlaten!’ brulde een mannenstem in de eetkamer.

De schildwacht liet haar door; terwijl zij naar binnen ging hoorde zij hem

[p. 133]

zeggen: ‘Nee, broer, dat geldt niet voor jou. Jij blijft wachten.’

Aan de eettafel zat een man, met zijn sokkevoeten op de poef. Hij had een trainingspak aan, een T-shirt met het opschrift Notre Dame, zijn grijze haar was gemillimeterd. ‘Zo,’ zei hij, ‘daar hebben we haar. Rusty, flikker op.’

‘Jawel, generaal.’ Een soldaatje met rood haar dat uit de slaapkamer te voorschijn was gekomen, maakte dat het wegkwam.

‘Was jij de vriendin van de dokter die hier woonde?’

Zij knikte. De generaal gaf haar een gevoel van vertrouwdheid; hij deed haar aan Heinzl denken.

‘Die kleren in de slaapkamer, zijn die van jou?’

Zij knikte.

‘Ga ze maar halen. Of wou je liever niet in die slaapkamer terug?’

Zij haalde de schouders op.

‘Charley!’

Daar kwam de officier met het snorretje. ‘Ja generaal?’

‘Ga jij het toiletgerei in de badkamer halen en de kleren in de slaapkamer. Rusty zegt dat hij ze heeft klaargelegd.’

‘Jawel, generaal.’ De officier ging de slaapkamer in en kwam weer te voorschijn met haar kamermantel en haar nachtpon over de arm. Ze besefte nu pas dat ze Heinzl nooit weer terug zou zien. De officier overhandigde haar de kleren met een glimlach, maar zijn ogen waren koud.

‘Dank u,’ fluisterde ze. Toen ze de zijden nachtjapon aanraakte stond ze op het punt in tranen uit te barsten, maar ze wist zich te beheersen.

Ze hoorde de generaal zeggen: ‘Oké. Laat ons alleen. En doe die deur dicht!’

Het werd stil. Ze stond, verloren, in de kamer die haar wereld geweest was.

‘Ga zitten,’ zei de generaal. Hij zat in Heinzls stoel, ontspannen, thuis. Het was alsof hij al jaren zo had gezeten, met zijn sokkevoeten op de poef. ‘Was hij het, die we hebben gevonden?’ vroeg hij.

Zij voelde de tranen over haar wangen lopen en haalde haar schouders op.

‘Wat is er met de rest van de officieren gebeurd?’

‘Die zijn weggegaan.’

‘Waarom is hij niet meegegaan?’

Ze wilde er niet over praten, maar ze antwoordde: ‘Hij - hij dacht dat u het begrijpen zou.’

‘Ik? Wist hij dan dat ik onderweg was?’

‘Iedere opperofficier, dacht hij.’

‘O. Wat heeft hij eigenlijk precies gedaan? Mensen afgemaakt, hè? Als sport.’

Ze haalde de schouders op.

‘Je hebt toch met hem samengewoond, als man en vrouw?’

Zij knikte.

‘Dan maak je mij niet wijs dat je niet wist wat hij in het kamp uitvoerde.’

‘Hij praatte er nooit over...’ Het was niet waar, maar ze wilde weg. Er was geen gevoel van vertrouwdheid meer, dit was haar huis niet meer.

‘Je hebt nooit iets gezien, door het raam?’

Zij keek hem aan met een begin van angst, maar zijn ogen gaven haar een

[p. 134]

gevoel van veiligheid dat ze niet begreep. ‘Dat mocht ik niet.’

‘Ze hebben je vader omgebracht.’

Ze knikte en wachtte tot hij vragen zou: ‘En toch hield je van die man?’

‘Was hij een aardige man? Behandelde hij je goed?’

Zij knikte.

‘Heeft hij je nooit gedwongen dingen te doen die je niet wilde?’

Ze begreep niet waar hij op aanstuurde; maar het leek haar het beste hem naar de mond te praten. ‘Nee.’

‘Had hij er zelf enig idee van waarom hij deed wat hij gedaan moet hebben?’

Het was een gecompliceerde vraag, maar ze moest er iets op antwoorden. ‘Ik - ik denk niet dat het ooit ter sprake kwam,’ loog ze.

‘Hij was een ontwikkeld man, neem ik aan.’

‘O ja.’

‘Ik heb naar de boeken hier gekeken: Goethe, Tolstoj, Stendhal. En de grammofoonplaten: Beethoven, Schubert, Sibelius.’

Sibelius ... Al die avonden...

‘Ja,’ zei de generaal, ‘misschien had hij gelijk. Ik neem aan dat als hij en ik er eens rustig over hadden kunnen praten, ik het wel begrepen zou hebben. Niet goedgekeurd, maar begrepen. Wij zijn ook bezig om weerloze mensen af te slachten. Je kunt nagaan wat er op 't ogenblik in die stad aan de hand is; dat zal je niet in je droom verschijnen.’

Ze had er geen idee van waar hij het over had.

‘Luister.’

Zij luisterde. In de verte klonk een dof gerommel, het zouden wel bommen zijn. Ze had er geen idee van wat hij van haar wilde. Ze wou dat hij niet over Sibelius begonnen was.

‘Nou,’ zei hij, en hij tilde zijn benen van de poef. ‘Laten we maar hopen op het licht aan het eind van de spreekwoordelijke tunnel, hè?’

Ze wist niet waar hij het over had, en kon het bijna niet meer uithouden.

‘Nou.’ Hij stond op; hij was langer dan Heinzl. ‘Waar kom je oorspronkelijk vandaan?’

‘Nederland.’

‘Als je naar huis wilt zal ik het in orde maken. Maar voor je weggaat zou ik graag nog eens met je praten over die vent. Dit wordt verondersteld de oorlog te zijn die een eind zal maken aan de oorlog. Dat lukt ons nooit, tenzij we mensen zoals hij begrijpen.’ Hij glimlachte. ‘Doe het maar kalm aan. Ik zal zorgen dat ze je met rust laten. Sergeant!’ De deur sprong open.

‘Dag kind,’ zei hij. ‘Tot de volgende keer. Ik laat je wel roepen.’ Hij liep de slaapkamer in.

Toen ze de voordeur uitging werd ze bij de arm gepakt door de jonge Quaker die haar op had staan wachten. ‘Kom,’ zei hij bezorgd, ‘we gaan naar de ambulance terug.’

Toen zij het trapje afdaalde en het grind onder haar voeten voelde kon zij de tranen niet langer bedwingen. De jongen leidde haar het kamp uit zoals hij die morgen gedaan had, met zijn arm om haar schouders.

[p. 135]

***

 

‘Bonny, je bent stapelgek!’ riep George Weatherby uit, bozer dan hij bedoelde omdat het vrachtwagentje door een kuil in de straatweg hotste die hij niet gezien had.

‘Waar moet ze dan heen? Naar huis? Het hoofd van het verzet in Westerdam, of wat hij dan ook was, heeft nadrukkelijk gezegd dat haar vader niet terug moest komen, want dan kreeg hij moeilijkheden. Wat voor moeilijkheden denk je dat zij krijgt als ze erachter komen wat haar situatie in het kamp geweest is?’

‘Maar ze is onschuldig! Ze werd gedwongen om met die vent samen te gaan wonen!’

‘Probeer dat 's uit te leggen aan de mensen die we meisjes kaal hebben zien scheren en aan lantaarnpalen binden en teer op hun hoofd gieten! Als die erachter komen dat ze drie jaar lang met een nazi-dokter heeft samengeleefd in een concentratiekamp...’

Zij reden een colonne burgers tegemoet die door Canadese soldaten in de richting van het kamp werden gedreven. De burgers zagen er versuft en verward uit, dit moesten de eerste ingezetenen uit Schwalbenbach zijn die, op order van de generaal, het kamp en het crematorium gingen bezichtigen. George betwijfelde of wat zij zouden zien tot hen door zou dringen; uit hun gezichten maakte hij op hoe de toestand in de stad moest zijn.

Toen zij de colonne voorbij waren zei George: ‘Aangenomen dat ze beter niet naar huis kan gaan, voorlopig, ze moet toch ergens heen?’

Bonny schudde het hoofd. ‘Het is duidelijk dat ze nog altijd in shock is. Drie jaar heeft ze in die bungalow opgesloten gezeten, met een vent die haar waarschijnlijk om de haverklap dreigde dat ze op transport gesteld zou worden als ze zijn zin niet deed. Je hebt haar gezien. Ze weet niet wat er met haar gebeurt, net als iemand die een hersenschudding heeft gehad. We hebben geen keus. We hebben nu eenmaal de verantwoordelijkheid voor haar op ons genomen...’

‘We hebben géén verantwoordelijkheid voor haar op ons genomen! We hebben haar uit het kamp gehaald, eerste hulp verleend, en daarmee is onze taak afgelopen!’

Bonny schudde het hoofd. ‘Nee, zo makkelijk is het niet. Misschien geen verantwoordelijkheid naar wereldse begrippen; maar na wat wij hebben meegemaakt op de veranda van die bungalow een ándere verantwoordelijkheid.’

George keek naar het stuurse profiel van de jongen. ‘Wat bedoel je in vredesnaam?’

‘Vanmorgen, tijdens die samenkomst, is er iets gebeurd wat ik nooit eerder heb meegemaakt. Iets waar Vrienden in het verleden het steeds weer over hadden.’

‘En wat is dat dan?’

‘Wij hebben de tegenwoordigheid Gods beleefd.’

‘Ach Bonny, maak het een beetje!’

‘Je wilt toch niet zeggen dat wij dat meisje op eigen kracht uit dat kamp hebben geleid? Ongewapend, dwars door al die mensen, die erop gebrand waren om met haar af te rekenen? Nee, vanmorgen is er iets waargemaakt

[p. 136]

waarvan we ons leven lang dachten dat het vrome kletspraat was, een overleefde traditie. Vanmorgen werd mij duidelijk dat de Tegenwoordgheid werkelijkheid is. Nu kunnen we onze schouders ophalen en zeggen: we hebben het meegemaakt, maar we geloven het niet. Ik voor mij ben niet van plan om die ervaring te verloochenen. Vanmorgen heeft God zich van ons bediend om dat meisje te redden. Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar van nu af aan ben ik twijfelaar áf. Ik weet nu dat het geen vrome kletspraat is.’

‘Maar dat wil niet zeggen dat we daarom bereid moeten zijn om idiote dingen te doen!’

‘Je kunt nooit iets idioters doen dan wat wij gedaan hebben: met ons achten ongewapend dat kamp in te gaan. Daarbij vergeleken is het bij ons houden van dat meisje tot we haar ergens kunnen onderbrengen waar ze tot rust kan komen een redelijk besluit. Maar als het je zo hoog zit, waarom leg je het niet aan de anderen voor? Laten we, als we terugkomen, samenkomst houden en kijken wat de Leiding van de Vergadering is. Dat lijkt me de beste oplossing.’

George was, zijns ondanks, onder de indruk van de zelfverzekerdheid van de jonge Amerikaan. Bonny had kennelijk door het gebeurde van die morgen een soort bekering doorgemaakt. ‘Houdt dit in dat je, na vanmorgen, niet alleen de tegenwoordigheid Gods, maar alle Beginselen als zoete koek gaat aannemen?’ vroeg hij.

Bonny antwoordde niet dadelijk. Hij keek voor zich uit naar de zwarte rookwolken boven de stad, waarin zij nu de rosse gloed van vlammen konden ontwaren. Toen zei hij: ‘Ik zie niet in waarom het ene Beginsel nog zou gelden en het andere overleefd zou zijn.’

‘Dus van nu af aan ben jij een Quaker-fanaticus?’

‘Als je het zo noemen wilt. Het is wel raar gelopen met het Genootschap der Vrienden dat iemand die de Beginselen accepteert nu een fanaticus wordt genoemd.’

‘Kijk,’ zei George, ‘daar komt weer zo'n troep. Ik vraag me af wat de generaal ermee denkt te bereiken. Die mensen lopen erbij als slaapwandelaars.’

 

***

 

Wéér zo'n troep burgers met verwilderde gezichten en starende ogen marcheerde hen tegemoet, geëscorteerd door Canadezen met stenguns. De soldaten wuifden, de burgers bleven voor zich uit staren, inderdaad alsof het slaapwandelaars waren. Vrouwen, grijsaards, schoolkinderen, er was geen man tussen de achttien en de vijftig bij. Bij het zien van hun gezichten vroeg Bonifacius zich af wat zij in de stad zouden aantreffen.

Zij begonnen de buitenwijken te naderen; in de zwarte rookwolken boven de huizen flakkerden rosse flitsen; boven het geronk van de motor uit hoorde hij het dreunen van ontploffingen. ‘Zouden ze nog steeds aan het bombarderen zijn?’ vroeg hij.

‘Nee, dat zal wel het instorten van huizen zijn. In Londen tijdens de blitz was het net zo.’

Toen zij de buitenwijken binnenreden zagen zij dat een groot aantal huizen

[p. 137]

brandden, de lucht gonsde van het laaien van de vlammen. Het woeste geknetter overstemde de motor; een paar straten verder werd de hitte bijna ondraaglijk. Overal om hen heen klonk het gerommel van neerploffende gevels; George trachtte tussen de brokken metselwerk die her en der verspreid lagen heen te laveren, maar op een gegeven moment werd de weg versperd door een huizehoge, rokende berg puin. Een zwerm mensen wriemelde aan de voet ervan; toen zij zich bij hen voegden zagen zij dat de mensen bezig waren het puin met hun blote handen te ruimen. Niemand schonk enige aandacht aan hen; iedereen zag eruit alsof hij in shock was, net als de burgers die ze tegen waren gekomen op weg naar de stad.

Zij gingen mee helpen graven in het puin. Brokken metselwerk, zwartgeblakerde balken; toen zij een versplinterd heiligenbeeld tegenkwamen begreep Bonifacius dat het een kerk geweest moest zijn. Boven hem loeide een vuur met de gloed van een hoogoven; de hitte was bijna niet te verdragen. Bonifacius zag kans een zwaar stuk hout op te vijzelen, en ontblootte een hand: smal, slank, zo wit van het stof dat hij dacht dat het een heiligenbeeld was. Toen zag hij een gouden ring aan een van de vingers. ‘George! Hier!’

Samen groeven zij het lichaam uit het puin. Het was een vrouw; toen zij haar hoofd uitgroeven bleek het een non te zijn. Haar gezicht met gesloten ogen, wit van het stof, leek sereen, als in gebed. Toen zij haar, sullend en strompelend, de helling van de puinberg afdroegen, riep een stem in het Duits: ‘Hier! Iedereen helpen! We hebben de ingang gevonden!’

Aan de voet van de berg was een gat gegraven; op de bodem ervan waren een aantal mensen bezig een zwaar luik open te trekken dat nog half met puin was bedekt. Bonifacius en George gingen helpen; zij zagen kans om met vereende krachten het luik te openen. Maar toen het eenmaal zover was durfde niemand af te dalen in het vierkante gat. ‘Hallo! Gibt's noch jemand?’

Iemand zei: ‘Still doch! Hör!’

In de diepte klonk het huilen van een kind. Een oude man knipte een zaklantaarn aan. Een stenen trap leidde omlaag, het donker in. Hij daalde af, Bonifacius en George volgden hem. Onder aan de trap aarzelde hij. Het leek of er niemand was in het donkere gewelf behalve het huilende kind in de verte. Maar toen de oude man met zijn zaklantaarn om zich heen scheen, zagen zij overal mensen, dicht opeengepakt, tientallen, honderden mensen die roerloos naar hen staarden met wijdopen ogen. Zij liepen langzaam de crypte in bij het schijnsel van de lantaarn en zagen dat de menigte het gewelf tot in de uithoeken vulde. Vrouwen in nachtjaponnen, kinderen, ouden van dagen, dicht op elkaar, bedekt met stof, allemaal roerloos naar hen starend. Toen bereikten zij het schreiende kind.

Het was een klein meisje, moederziel alleen in het gangpad. Zij huilde hartbrekend; in haar armen, stijf tegen zich aangedrukt, had zij een speelgoedeendje.

Op dat ogenblik zag Bonifacius wat Laura zou moeten doen.

 

***

 

Laura stond op bij het horen van een geronk dat langzaam voorbijkwam. Zij keek uit het achterraampje van de ziekenauto en zag de parkeerplaats: rijen

[p. 138]

tanks, vrachtwagens, kanonnen. Het geronk bleek de motor te zijn van een machine, een soort tractor met een groot ploegblad dwars ervoor, dat langs de tanks en de vrachtauto's naar het veld waggelde, waar een boer bezig was te ploegen in de zonsondergang. De machine waggelde de akker op, liet zijn ploegschaar zakken en begon, snorkend met zwarte rookwolken, aarde voor zich uit te schuiven. De boer stond een ogenblik te kijken, toen verdween hij met zijn ossen in het avondrood.

Zij ging weer zitten op de rand van het bed, de handen tussen de knieën, het hoofd gebogen, zoals ze al die tijd gezeten had. Maar het was alsof de versuffing minder was, haar hoofd helderder geworden, want ze begon te denken in plaats van alleen maar in de leegte te zitten staren. Voor het eerst vroeg ze zich af wat er nu met haar ging gebeuren. Ze kon toch niet in deze ziekenauto blijven zitten. Wat gingen ze met haar doen? De generaal had gezegd dat ze naar huis mocht. Wilde ze dat? Ze stelde zich voor dat ze de deur open zou doen en uitstappen en zeggen: ‘Nou, ik ga maar 's naar huis...’

Thuis. Ze trachtte zich het huis voor te stellen, de tuin, haar fiets, Caesar. Wat zou er van hem geworden zijn? Zou hij nog leven? Iemand zou hem wel opgepikt hebben, misschien de Van Loons, waar hij altijd al rondhing bij de keukendeur.

Thuis. De vijfjarige. Jaap de Mellard. Wat zou er met hem gebeurd zijn? Zou hij haar nog willen zien? Zoals die middag, op de canapé? De gedachte dat hij haar zou kussen en knuffelen kon ze niet verdragen.

Ze sprong op, liep weer naar het raampje en staarde naar de tractor op de akker, nu al half verdwenen in de geul die hij gemaakt had. De hemel begon groen te worden in de avondschemer, de kleur die ze nog nooit ergens gezien had behalve hier, op de Duitse heide. ‘Das Moor’ noemde Heinzl het.

Terwijl ze naar de tractor stond te staren bezig met zijn gewroet in de verlatenheid van das Moor, hoorde zij een ander geronk, en een vrachtwagen op rupsbanden kwam voorbij, scherp afgetekend tegen de groene hemel. Een grote vrachtwagen beladen met ... Wat was dat? Armen? Zij staarde ernaar met afgrijzen. De vrachtwagen was geladen met naakte lijken.

Zij wendde zich af en ging terug naar haar plekje op de rand van het bed, handen tussen de knieën, hoofd gebogen. Zij wilde aan iets anders denken, maar bleef luisteren naar het geronk van de vrachtwagen dat langzaam wegtrok in de richting van de akker. Was de geul die de tractor gemaakt had een graf?

Zij stond weer op, want zij moest weten wat er met die lijken ging gebeuren. Zij tuurde weer uit het achtervenstertje en zag dat de vrachtwagen gevolgd werd door een groep mannen in overalls. Het waren geen gevangenen, ook geen soldaten; een stuk of veertig mannen met bivakmutsen op die langzaam als een begrafenisstoet achter de vrachtwagen de akker opliepen.

De vrachtwagen waggelde over het veld tot hij de geul bereikte. Daar draaide hij om, de uitlaat spoot een pluim zwarte rook uit, er klonk een luid geronk, de voorkant van de laadbak rees langzaam omhoog; opeens schoof de last omlaag en de lichamen tuimelden de geul in, boven op elkaar. Het

[p. 139]

was zo'n gruwelijk gezicht dat ze de ogen sloot; toen hoorde zij zingen. Een koor. Zij keek weer naar buiten, en luisterde. Het was waar: er werd gezongen! Behoedzaam opende zij de deur op een kiertje.

Het waren de mannen die met de begrafenis waren meegelopen. Zij stonden in een dubbele rij aan de rand van de groeve en zongen driestemmig in een taal die zij niet verstond. Het was een droevig lied, dat opeens alles leek uit te drukken wat zij niet onder woorden kon brengen: Vader, Heinzl, het eendje, de rood en wit geblokte gordijntjes voor het keukenraam dat uitkeek op de appèlplaats. Zij kon de woorden niet verstaan, maar het zingen trok haar onweerstaanbaar aan. Zij opende het deurtje wijder en wilde uitstappen; met een onverwachtheid die haar deed verstijven vroeg iemand: ‘Laura? Waar wou je heen?’

Zij was zo geschrokken dat ze geen woord kon uitbrengen. Zij zag dat het de jonge Quaker was die haar uit het kamp gehaald had.

‘Ik moet met je praten, Laura,’ zei hij. ‘Zullen we naar binnen gaan?’

Zij gehoorzaamde en ging weer op de rand van het bed zitten, handen tussen de knieën, het hoofd gebogen. Zij hoorde een doosje lucifers rammelen, hij stak een lantaarn aan.

‘Nu, Laura.’ Hij ging tegenover haar zitten op het andere bed. ‘We moeten eens bepraten wat er met je moet gebeuren. De generaal heeft gezegd dat je gerepatrieerd mag worden, maar er is een moeilijkheid. In Westerdam heeft de klerk van jullie Maandvergadering me in contact gebracht met een jongen uit het verzet. Zijn naam was Hendrik.’

Hendrik. Ze zag hem weer in de cabine van het vrachtwagentje zitten, die laatste keer, nadat hij haar verteld had van Vader.

‘Hij zei dat jouw vader geweldige dingen had gedaan, maar dat hij een fijnbesnaarde, gevoelige man was, niet bestand tegen wat de Duitsers hem aandeden. Daarom, zei hij, moest ik tegen je vader zeggen, als ik hem ooit tegenkwam, dat hij voorlopig niet naar Nederland terug moest gaan, want hij zou in moeilijkheden raken.’

Zij staarde naar haar handen.

‘Je weet waar ik op aan stuur? Voor mij is er geen twijfel aan dat je onschuldig bent, maar de mensen in de bevrijde gebieden, in de stemming waarin ze nu zijn, zullen daar niet over nadenken. Voor hen ben je - nou ja, daar mag je je niet aan blootstellen. Voorlopig niet.’

Zij hoorde Heinzl weer zeggen: Laura, je denkt toch niet dat je weer terug kunt, alsof er niets gebeurd is? Je kunt niet meer terug, Laura. Je kunt niet meer naar huis terug, net zo min als ik.

 

***

 

Bonifacius zag wat hij haar aandeed. ‘Laura,’ zei hij, ‘waarschijnlijk is het alleen maar een kwestie van een paar maanden. Gedurende die tijd...’ Nu moest hij oppassen dat hij haar niet afschrikte. ‘Ik wil je niet de beslissing over je eigen leven uit handen nemen, maar het is niet mijn plan, het is Gods plan.’ Gisteren zou hij deze woorden niet in de mond hebben kunnen nemen, nu voelde hij zich vol zekerheid. ‘Toen ik je voor het eerst zag, gisteren, had je een eendje bij je. Vanmiddag waren George en ik in Schwal-

[p. 140]

benbach. Er staat geen steen meer op de andere. Er moeten nog honderden mensen onder de puinhopen begraven liggen. In een crypte onder een verwoeste kerk zaten honderden mensen op elkaar gepakt, allemaal in shock. Er was er maar één die geluid dorst te geven, een klein meisje dat zat te snikken in het gangpad; zij had een speelgoedeendje bij zich. Toen ik dat zag dacht ik aan jou, en ineens openbaarde God me wat ik doen moest. Laura, ga met ons mee om dat kind te helpen. Want om dat kind te kunnen bereiken en andere kinderen die er net zo aan toe zijn moet je door dezelfde hel zijn gegaan als zij. Als jij je ertoe kunt brengen om met ons mee te gaan om die kinderen te helpen, zul je daarmee alles wat je hebt doorgemaakt omzetten in een creatieve kracht. Begrijp je dat, Laura? Dat is het Beginsel waarop ons Quaker-geloof gegrondvest is.’

God wilde dat hij dit zou zeggen. Dit was Gods plan voor Laura Martens. Maar zij zat daar volkomen passief, apathisch. Misschien moest hij haar de gelegenheid geven het te verwerken.

‘Ik heb het nog niet met de anderen bepraat,’ zei hij, ‘dat ga ik nu doen. Denk er maar eens rustig over na.’ Hij klopte haar op de schouder, stond op en liet haar alleen met God.

 

***

 

Toen Bonny de tent binnen bukte zag George onmiddellijk dat hij in vervoering was. Zijn ogen stonden net als in de auto toen hij over Laura Martens begonnen was. ‘Jongens,’ begon hij, ‘ik heb een voorstel te doen. Het is niet mijn voorstel; het is mij door het Licht ingegeven.’

De anderen keken nieuwsgierig, zij hadden zich de religieuze extase van de jonge Amerikaan nog niet tegengegeten.

‘Maar ik kan daar niet zeker van zijn voor ik het heb onderworpen aan de Leiding van deze Vergadering.’

‘Waar gaat het over?’ vroeg Lennie.

Bonny ging bij hen op de grond zitten. ‘Zullen we eerst samenkomst houden? Ik kan het jullie alleen vertellen in religieus verband.’

George vroeg zich af of hij nu al tussenbeide moest komen; maar de anderen hadden hun hoofden al gebogen en de ogen gesloten. Na een korte stilte begon Bonny met gedempte stem te vertellen dat Laura Martens onmogelijk gerepatrieerd kon worden, want dat zou betekenen haar uit te leveren aan de wraakzucht van haar landgenoten. Er was maar één oplossing: ze moest met hen mee, niet om in een klooster of in een tehuis te worden afgeschoven, zoals hij in de auto had voorgesteld, maar als verpleeghulp, speciaal voor kinderen. Dat had God hem ingegeven in de crypte onder de kerk, want Laura Martens had een eendje in haar armen gehad toen hij haar voor het eerst ontmoette en daar zat een kind te huilen, ook met een eendje in de armen. Dat was Gods teken geweest dat Laura lid moest worden van de groep.

George kon zijn afkeer van dit simplistische gekwezel nauwelijks de baas, maar de traditionele discipline van de samenkomst was toch zo sterk, ook in zijn geval, dat hij die niet durfde verbreken.

Ze zaten een tijdlang in stil gebed verenigd. Buiten ronkte de motor van

[p. 141]

de truck die de doden uit het crematorium naar het massagraf transporteerde; enkele minuten later klonk weer het gestommel van de lijken en het gezang van het koor Russische gevangenen dat de generaal had geronseld. De hemel wist wat die kerels aan het zingen waren; de hemel zou het dan ook wel vergeven. George had deernis moeten voelen voor de doden die bij karrevrachten vol als winterpenen in de greppel werden gekiept; maar hij was zo verontwaardigd over Bonny's onverantwoordelijke gezemel dat hij ongeduldig zat te wachten tot de romantische halfwassen klaar zouden zijn met hun emotionele zitbad en hij hen er eindelijk van langs kon geven.

Bonny brak de samenkomst door Lennie en John de hand te reiken. ‘Vrienden,’ zei hij, plechtig, ‘wat is de Leiding van de Vergadering? Wat is Gods wil?’

George kon zich niet langer beheersen. ‘Het lijkt mij nogal pretentieus, heren, om het emotionele besluit van deze groep te doodverven als Gods wil!’

‘Hoe weet je dat het een emotioneel besluit wordt?’ vroeg Lennie, die tijdens de meeste samenkomsten verveeld om zich heen zat te kijken, maar er dit keer met dezelfde hemelse ogen bij zat als Bonny, gecharmeerd door het idee Laura Martens lid te maken van de groep.

‘Voor mij is er geen twijfel aan,’ zei John, met de halfzachte stem die verondersteld werd gebedsstemming uit te drukken. ‘Laura moet mee, als ze dat wil.’

‘Laten we haar laten komen en het haar zelf voorleggen,’ zei Lennie.

‘Heren, mag ik even?’ George hoorde zelf hoe scherp hij klonk. ‘Ik weet dat ik alleen tegenover de buitenwereld de leider ben, maar ik zou in mijn plicht tekortschieten als ik jullie er niet op wees dat dit onverantwoordelijke nonsens is.’

‘Mag ik vragen waarom?’ vroeg Harry Bascomb, onvriendelijk. Zelfs hij was in de ban van Bonny's extase geraakt; de hele groep zat erbij als gebiologeerde konijnen.

‘Ik zal je vertellen waarom! Dit meisje is, om te beginnen, emotioneel van de kaart, om het zacht te zeggen. Ze heeft drie jaar lang in een bungalow opgesloten gezeten als de slavin van een nazi-bruut, het kan niet anders of ze is emotioneel beschadigd. Ze heeft verpleging nodig, psychiatrische behandeling. Bovendien heeft ze niet alleen totaal geen ervaring in het behandelen van kinderen in shock zoals die van vanmiddag, ze is zélf in shock. Als ze met ons mee zou gaan, zou het op z'n hoogst als patiënte mogen zijn, voor wie we een geschikt tehuis zoeken met geschikte verpleging. Wij zijn geen stelletje dilettanten of rondreizende evangelisten, wij zijn een groep gespecialiseerde beroepsverplegers, en onze opleiding van acht weken was, dat hebben we in de praktijk gemerkt, nog veel te kort. En wat jullie ook mogen besluiten, wij kunnen geen nieuw personeel aantrekken dat officieel deel gaat uitmaken van de Quaker Ambulance Dienst zonder toestemming van Londen. Ik wil geen domper op jullie extase zetten, maar ik zou het toch maar inzien als ik jullie was: Londen zal jullie zien aankomen!’

‘Dat ben ik niet met je eens,’ zei Harry. ‘Als wij dit aan Londen voorleggen op de manier waarop Bonny het gedaan heeft, bestaat er geen twijfel aan dat ze dezelfde beslissing zullen nemen als wij.’

‘O? Ik wist niet dat de beslissing al genomen was? Niemand heeft mij om

[p. 142]

mijn opinie gevraagd.’

‘Dat komt omdat jij niemand aan het woord hebt gelaten,’ zei Charlie van Pelt.

‘Jongens,’ zei George, ‘laat mij jullie vertellen wat ik denk dat jullie aan het doen zijn. Het is prachtig dat wij door die samenkomst op de veranda het meisje veilig het kamp uit hebben kunnen krijgen, en het is een quakerlijke gedachte haar aan het werk te zetten onder de ongelukkigen der aarde, als sublimatie van haar lijden. Maar in haar geval is dat romantische nonsens. Dit zal jullie niet bevallen, maar wat is volgens mij de ware aantrekkingskracht van Bonny's plan? Het meisje, zoals ze er nu uitziet, in battle-dress en met haar haren opgestoken, is bijzonder aantrekkelijk, een soort Quaker pin-up. Ik vraag me dan ook af wat het pleit gewonnen heeft: de gedachte aan haar gesublimeerde lijden, of het vooruitzicht de rest van onze diensttijd door te brengen in intiem contact met de Lana Turner van het Genootschap der Vrienden?’ Hij was ervan overtuigd dat hij de spijker op de kop geslagen had, maar zag dat zijn interpretatie van de Leiding van de Vergadering niet populair was.

‘Ik geloof niet dat wij in dezelfde termen denken,’ zei Bonny, nog steeds op die gebedstoon. ‘Natuurlijk is het redelijk gezien onmogelijk, anders had ik niet voorgesteld het voor God te brengen. We hebben vanmorgen op die veranda aan den lijve ondervonden dat God zich van ons meester kan maken als Zijn instrument. Wij waren vanmorgen in de kracht des Heren. Je kunt het op geen enkele andere manier verklaren: acht ongewapende mensen...’

Daar trok hij weer van leer, net als in de auto; toch had hij George aan het twijfelen gebracht. Zag hij het verkeerd? Was hij de enige die de engel die morgen niet gezegend had? Of was het omdat hij de verantwoordelijkheid droeg voor deze expeditie? Tegenover de buitenwereld was hij dan toch maar de leider, met de rang van eerste-luitenant...

Dat was het: hij had zitten praten op de manier van een luitenant. Het bleef onverantwoordelijk, het meisje behoorde verpleegd te worden en niet te werk gesteld; toch moest hij eerst eens eerlijk bij zichzelf te rade gaan of hij niet ten prooi was gevallen aan de zonde van de hovaardigheid.

Toen hem gevraagd werd of hij zich met de Leiding van de Vergadering kon verenigen zei hij: ‘Jongens, ik neem aan dat ik de enige ben die de genade van de hemelse openbaring niet deelachtig is geworden. Ik zal de Vergadering niet beletten haar Leiding te volgen, maar ik wil in de notule die we hiervan gaan opmaken duidelijk stellen dat ik mij met dit besluit niet kan verenigen. Maar ik zal de Vergadering niet in de weg staan bij het uitvoeren van wat zij, duidelijk, ziet als Goddelijke Leiding.’

Het was administratief juist, ten slotte werd de Ambulance Dienst gevoerd op de basis van Quaker-discipline en daar hoorde bij dat alle besluiten genomen werden op grond van de Leiding van de Vergadering. Het was zijn laatste hoop dat Laura Martens zelf zou inzien dat het onzin was.

 

***

 

De ziekenauto hotste over de stukgebombardeerde weg naar Schwalbenbach. Laura zat in de cabine, tussen de jonge Amerikaan en een andere Quaker

[p. 143]

in, die Lennie heette. Naarmate de afstand tussen het kamp en haarzelf groter werd, raakte ze bevangen door een beklemmende angst.

‘Laura, hoe voel je je, nu je in veiligheid bent?’ vroeg de Amerikaanse jongen naast haar. Hij glimlachte tegen haar bij het sturen.

Zij glimlachte terug, maar ze voelde helemaal geen veiligheid, integendeel: het feit dat ze uit het kamp weg was gaf haar een steeds groeiend gevoel van onveiligheid. Toen ze de stad naderden werd het paniek. Ze wilde naar het kamp terug. Ze zou er alles voor over hebben, alles, om terug te keren achter het prikkeldraad dat haar had beschermd tegen de angstaanjagende leegte waarin ze nu, stuurloos, wegdreef. Ze sloot de ogen, en zag de lijken weer in de geul tuimelen bij het omhoogrijzen van de bak van de vrachtwagen. Zou Heinzl erbij geweest zijn?

Haar paniek nam toe. Het was verkeerd, verkeerd, die jongens naast haar zagen alles verkeerd. Ze zaten maar te zwammen: ‘dat is nu allemaal voorbij’, ‘je moet het proberen te vergeten’. Wat een afgrijselijk geklets! Wat wisten ze ervan? Niemand wist er iets van; niemand zou het ooit kunnen begrijpen, behalve dokter Wassermann, Frau Rosenkrantz ... Ze raakte in zo'n overspannen toestand dat het leek alsof ze niet in de werkelijkheid maar in een nachtmerrie leefde. Terug, terug! Terug naar het kamp, koste wat het kost!

De ziekenauto reed een stad binnen waar geen huis meer overeind stond, maar ze zag het nauwelijks. Ze staarde voor zich uit, bezeten door de wens terug te gaan, terug, naar het kamp.

De ziekenauto stond stil voor een berg van puin. ‘Nu,’ zei de Amerikaanse jongen, ‘hier is de crypte met al die mensen.’

Hij hielp haar uitstappen; zij keek om, teneinde zich te herinneren welke weg ze gekomen waren. Ze wist dat het waanzin was. Ze wist dat ze, als ze het kamp ooit terug zou kunnen vinden, uren en nog eens uren zou moeten lopen om het te bereiken. Maar de paniek was nu doodsangst geworden.

De jongen nam haar bij de hand, een stenen trap af, een gewelf vol mensen. ‘Hier is het kindje...’ Een meisje, dat een eendje in de armen hield.

Ze rukte haar hand los, draaide zich om, holde naar de trap, met drie treden tegelijk naar buiten, en vluchtte tassen de puinhopen terug. Terug naar het kamp.

 

***

 

George Weatherby hield Bonifacius tegen. ‘Nee, nou is het genoeg! Laat haar lopen! Ga aan je werk!’

‘Laat me gaan! Ik kan haar toch niet zo de stad in laten hollen?’

‘Ze holt niet de stad in!’ riep George, aan het eind van zijn geduld. ‘Ze is terug naar de ziekenwagen! Láát dat kind toch!’

Maar Bonifacius duwde hem opzij en holde de trap op.

‘Bonny! Bonny, kom terug! Bonny?’

Hij bereikte, struikelend, de ambulance, rukte de deur open; niemand. Hij opende het portier van de cabine. Niemand. Hij holde naar de volgende ambulance. De volgende. De volgende. Ze was nergens.

Hij staarde om zich heen naar de woestenij van puin. ‘Laura, waar ben

[p. 144]

je?! Laura!...’

Er kwam geen antwoord. Hij holde een straat in van gebroken huizen, muren zonder ramen, resten van schoorstenen, stoepen. Hij sprong over brokken metselwerk, klom hijgend tegen een heuvel van puin op, glas knerste onder zijn laarzen.

‘Laura! Laura, waar ben je? Laura!’

Opeens dacht hij een antwoord te horen, ergens in de woestenij.

‘Laura?’

Ja! Daar klonk, heel zwak, dichtbij: ‘Ich bin hier!’

‘Waar?! Laura!’

‘Hier ... Hier, Hans, hier...’ Het kwam van rechts, uit een van de puinhopen. Toen besefte hij: Hans. Het was een andere Laura, ergens levend begraven, hij wist niet waar. Hij riep: ‘Ik ga iemand halen! Hou je goed!’

Hijgend krabbelde hij over een puinberg en zag drie bejaarde mannen graven. ‘Een vrouw!’ riep hij. ‘Er ligt een vrouw begraven, aan de andere kant! Ze heet Laura! Als je roept, antwoordt ze!’

Een van de mannen knikte zonder op te kijken, de anderen bleven doorspitten en brokken puin opzijwerpen.

‘Bitte, bitte!’ smeekte hij, ‘ga haar helpen! Ze heet Laura, ze is levend begraven!’

‘Laura, Lotte, Anna,’ zei de man, en wierp een brok puin opzij, ‘allemaal wachten ze op iemand.’ Het brok rolde omlaag, de puinhoop af.

Bonifacius aarzelde, struikelde terug. ‘Laura? ... Laura! Wo bist du?’

Maar er kwam geen antwoord.

‘Laura! Laura?...’

Geen antwoord.

Hij draaide zich om en holde weg tussen de ruïnes.

 

***

 

Verdwaasd holde Laura door de verwoeste stad, struikelend, vallend, weer opstaand, duizelig van uitputting, klauterend over duinen van rokend puin. Ten slotte leek ze te vluchten in een droom, niet langer terug naar het kamp, maar naar Vader, Heinzl, Schlumpsi, Caesar, iedereen die ze ooit had liefgehad en verloren. Misschien was ze al dood, een spook, dat eindeloos over puinhopen klauterde, bij iedere heuvelrug denkend dat als ze eenmaal die top bereikt had zij ze terug zou zien, Siegfried, Schlumpsi, Vader, Heinzl...

Hoe donkerder het werd, hoe meer ze in de ban van dat waandenkbeeld raakte. Een spook, huilend om de doden. Er was niemand meer behalve zij: klauterend, struikelend door de verwoesting in de vallende nacht.

Het was donker geworden toen ze, na wéér zo'n heuvel te hebben beklommen, opeens aan de rand van een afgrond stond, met onder zich een gapende leegte. Ze keek om zich heen en besefte dat ze aan het einde van een gebroken brug stond. In de diepte vloeide een rivier, glinsterend in het maanlicht.

Zij ging zitten, haar benen boven de afgrond, en staarde naar het vliedende water. Het was vol zwarte dingen die langzaam ronddraaiden bij het drijven: gebroken meubelen, dode dieren, langwerpige pakken. Een van de pakken strandde op het puin van de ingestorte brug dat boven het water uitstak. Het

[p. 145]

was een lijk.

Opeens leek het alsof zij de grens van de werkelijkheid had bereikt. Eén stap en ze zou, na een korte worsteling, terechtkomen in een ander leven, de wereld van Vader, Heinzl ... Maar iets hield haar terug. Angst voor de dood? Waarvoor wilde ze verder leven? Met wie?

Ze zat aan de rand van het niets, omlaag starend naar de drijvende lijken.

 

***

 

Hij had urenlang naar haar gezocht, haar naam geroepen. Telkens wanneer iemand zich omkeerde op de kruin van een puinhoop of aan het eind van een verwoeste straat had hij gedacht dat zij het was, maar wanneer hij haar bereikte was het een ander. Op het laatst had hij het gevoel gekregen dat zij voorgoed was verdwenen onder de puinhopen van de verwoeste stad; toen hij ervan overtuigd raakte dat hij haar nooit meer terug zou vinden dwaalde hij rond door het rokende maanlandschap, waar hier en daar nog vuur gloeide, vol bitter zelfverwijt. Hoe had hij zich kunnen laten meeslepen door dat hovaardige gevoel een werktuig Gods te zijn? Het was onverantwoordelijke zelfoverschatting, een valse roeping. Dat waren de woorden die steeds terugkwamen terwijl hij liep te dwalen: valse roeping, valse roeping. Niet het Licht had hem geleid, maar de hovaardigheid, het gevoel een uitverkorene te zijn, werktuig Gods. En nu was het arme, verdwaasde meisje dat hij hier had gebracht verdwenen in de verwoeste stad. Waar kon ze zijn? In welke kuil, welke spleet in het asfalt was ze verdwenen? Toen zag hij, zwart tegen de donkere hemel, een silhouetje dat hem bekend voorkwam.

Hij was erop voorbereid dat hij zich opnieuw vergiste; maar toen hij naderbij kwam zag hij de battle-dress, het blonde haar. Hij stond op het punt haar naam te roepen; toen zag hij dat zij op de rand van een gebroken brug zat. In de diepte vloeide een rivier vol wrakhout Zij zat daar als een zelfmoordenaar op de rand van een dakgoot, die de moed trachtte te verzamelen om te springen.

Wat zou hij doen? Haar aanspreken? Naast haar gaan zitten? Als ze hem zag en zich ineens zou laten vallen, kon hij haar dan nog tegenhouden?

Ten slotte ging hij naast haar zitten, al zijn spieren gespannen, klaar om haar te grijpen als ze een beweging zou maken. Maar er gebeurde niets. Het leek of ze hem niet eens had opgemerkt. Terwijl hij daar zat, zijn benen over de rand, net als zij, vroeg hij zich opeens af: waarom zou ik haar eigenlijk tegenhouden? Wat heeft het leven haar nog te bieden? Het was alsof de totale vertwijfeling van het meisje op hem overgedragen werd; gedurende enkele ogenblikken zag ook hij geen andere uitweg voor haar dan die afgrond, de vergetelheid.

Maar het was niet waar! Er was hoop, als hij haar er maar toe brengen kon zich van de afgrond af te wenden. Wat had hij haar te bieden? Welke toekomst? Wie was er nog die zich om haar bekommerde? Haar grootmoeder, het schoolhoofd in Amerika, was de enige. Maar een Amerikaans visum krijgen voor iemand met een dergelijk verleden was een onmogelijkheid. Maar zou God dat wonder op de veranda tot stand gebracht hebben om haar vierentwintig uur later te doen ondergaan in totale wanhoop?

[p. 146]

Had Hij haar alleen maar behouden om Zijn tegenwoordigheid weer eens te demonstreren, en wierp Hij haar nu weg als een zieltogend proefdier, dat geen nut meer had? Dat was een godslasterlijke gedachte. God had haar gered omdat Hij een plan met haar had, niet om haar nu toe te staan zichzelf te vernietigen.

‘Laura,’ zei hij, ‘het kan niet. Het kán gewoon niet dat God je veilig door al die honderden mensen zou hebben geleid als Hij geen plan voor je had, geen toekomst.’

Zij reageerde niet. Ze bleef zitten zoals ze al die tijd gezeten had, roerloos, omlaag starend naar het water. Zou ze hem gehoord hebben? Of was ze zo ver heen dat ze zich niet langer bewust was van de wereld?

‘Ik weet dat je geen toekomst ziet,’ ging hij verder, ‘maar er is een oplossing: je grootmoeder, in Amerika. Je moet naar Amerika gaan, naar je grootmoeder. Een nieuw leven beginnen, als een nieuwe Laura, in een wereld waar niemand ooit van kamp Schwalbenbach gehoord heeft, waar niemand je iets zal verwijten of zich afvragen of je alleen maar het slachtoffer bent geweest van omstandigheden. Laura, geloof me: je moet naar Amerika.’

Ze zat er nog net zo, starend in die afgrond. Hij was er nu zelf van overtuigd, rotsvast, dat God Laura naar Amerika wilde brengen. Maar hoe kon hij haar ervan overtuigen dat dat mogelijk was?

‘Laura, geloof me. Als Quaker mag ik geen eed afleggen, maar ik bevestig, bij alles wat me heilig is, dat jij naar Amerika zult gaan. Ik bevestig het, Laura. Ik bevestig het.’

Zij keek niet op. Met geen beweging, geen blik gaf ze te kennen dat zij hem gehoord had.

Hij dacht: wat zit ik ook te kletsen! Als het God ernst is, als Hij mij als werktuig wil gebruiken om haar ervan te overtuigen, dan moet ik ook niet kinderachtig zijn. Dan moet ik beloven: ik zal je naar Amerika brengen, ik neem het op me om je naar je grootmoeder te brengen.

Mocht hij dat? Kon hij dat? Hoe kon hij het op zich nemen? Het was onzin, want het was onmogelijk. Daar had je het weer: hij wilde zich wel ervoor inzetten, maar dan moest Onze Lieve Heer hem eerst op een papiertje geven dat het lukken zou. Nee jongen, dacht hij: óf je gelooft in het onmogelijke, óf je laat haar aan haar lot over.

‘Laura,’ zei hij, en hij legde zijn hand op de hare, ‘ik beloof je niet alleen dat je naar Amerika gaat, ik zal ervoor zorgen dat het gebeurt. Ik neem de verantwoordelijkheid op me dat je gaat. Ik sta ervoor in, Laura. Ik bevestig het, bij alles wat me heilig is. Ik bevestig het.’

Er gebeurde niets. Ze zat daar nog net zo. Hij praatte tegen een muur, een...

Toen wendde zij langzaam het hoofd om, en keek hem aan.

 

***

 

Amerika. Dat woord, toen het tot haar doordrong, belichaamde iets. Iets liefs, moois, onbeschrijfelijk dierbaars. Amerika. De prairie. Winnetou. Old Shatterhand. De woonark, Vader lezend bij de haard, Caesar voor het blokkenvuur. De avond dat zij samen hadden geslapen onder hun overjassen.

[p. 147]

‘Je moet dit alles achter je laten, Laura, vergeten. Je hebt toch zestien, zeventien jaar een normaal leven geleid? Je moet het leven weer opvatten op het punt waarop je - waarop de nachtmerrie begonnen is.’

Kon dat? Het leven weer opvatten op die avond? Net doen alsof er sindsdien niets gebeurd was? Zich naar Amerika laten brengen en daar opnieuw beginnen als het meisje dat in Vaders arm geslapen had met haar hoofd op zijn schouder, en gedacht: zo zou ik het altijd willen, altijd...

‘Laura, ik bevestig het. Je moet nu opstaan, en met me meegaan, en dit alles de rug toekeren. Geloof me: het kán, ik sta ervoor in, je gaat naar Amerika, waar niemand iets weet, en je begint een nieuw leven.’

Ze keek hem aan.

‘Laura,’ zei hij, met een overtuigingskracht waarin ze begon te geloven, ‘als je nu opstaat en met me meegaat, dan is dat het begin van de weg naar een nieuwe wereld, een nieuw leven. Geloof me, Laura. Ik sta ervoor in, ik bevestig het. Kom.’

Hij stond op en reikte haar de hand.

Ze liet zich op de been helpen.

Hij legde een arm om haar schouders, en ze liet zich wegleiden van de rivier.

terug  begin  verder