terug  begin  verder
[p. 148]

Vijf

‘Ja, hoor 's,’ zei de generaal geërgerd, ‘dat moet je mij niet vragen, want daar weet ik geen donder van! Is dat de reden waarom je hemel en aarde hebt bewogen om mij op m'n dak te vallen?’

Het was Bonifacius duidelijk dat de man niet langer gecharmeerd was door de opvolger van Billy Graham. ‘Ik had gedacht dat u haar wel zoudt willen helpen,’ zei hij.

‘Verdomme, jongen, ik ben Canadees! Hoe wil je dat ik ervoor zorg dat iemand een visum krijgt voor de Verenigde Staten?’

‘Misschien kan ze via Canada gaan?’

‘Charley!’ riep de generaal, ‘potverdomme, Charley!’

De adjudant met het snorretje struikelde over de drempel.

‘Ja generaal.’

‘Breng deze schertsfiguur naar luitenant Masterson, en zeg dat hij hem maar moet uitleggen wat - wat dan ook.’

‘Ja, generaal.’

De generaal wuifde Bonifacius weg. ‘Flikker op,’ zei hij. ‘Visum voor Amerika! Heb je dat gehoord, Charley? Flikker op!’

‘Deze kant uit,’ zei de officier met het snorretje, en hij hield de deur voor hem open.

‘Dank u, generaal,’ zei Bonifacius.

De generaal reageerde niet; hij had hem de rug toegekeerd en schonk zichzelf een glas champagne in. Op het etiket van de fles las Bonifacius Hauptmarketenderei Lille.

Buiten, op de veranda, zei de adjudant: ‘Bent u er zeker van dat u luitenant Masterson wilt spreken? Of laat u het hier maar bij?’

‘Wat is die luitenant?’ vroeg Bonifacius.

‘De juridische officier. Hij zit waarschijnlijk te eten.’

‘De generaal heeft gezegd dat hij het me moest uitleggen,’ zei Bonifacius koppig.

‘Deze kant uit.’ De officier ging hem voor, het trapje af naar het kiezelpad.

Luitenant Masterson, die de mess uitkwam met zijn servet in de hand, bleek al even weinig gecharmeerd als de generaal. ‘En?’ vroeg hij.

‘Ik had graag een paar inlichtingen over de mogelijkheid van een visum voor Amerika,’ zei Bonifacius.

‘De Verenigde Staten?’

‘Ja. De generaal zei dat u me wel wegwijs zou maken.’

De luitenant zuchtte. Hij was een magere, dorre man van een jaar of veertig, wie het aan te zien was dat hij in vredestijd iedere dag naar een kantoor was gegaan met een aktentas. ‘Voor wie is dat visum? Voor u?’

‘Voor juffrouw Martens.’

[p. 149]

‘Wie is dat?’

‘Een Nederlandse, die drie jaar lang hier in het kamp heeft gezeten.’

‘De snaar van die Duitse dokter,’ zei de adjudant.

‘O?’ Ineens ging de luitenant een licht op. ‘Ah! De dame die al die tijd in de bungalow - jaja!’ Het was duidelijk dat zij in de officiersmess over de tong was gegaan. ‘Waar woonde zij in Nederland?’

‘Westerdam.’

‘Dan moet ze, om te beginnen, een security-clearance hebben van de burgerlijke autoriteiten in Westerdam. Die op hun beurt krijgen hun inlichtingen van de Nederlandse geheime dienst, en die, op hún beurt - nee. Ik geloof niet dat ze een schijn van kans maakt, eerlijk gezegd. Ik ben Canadees, het kan zijn dat u een ander advies zou krijgen van een Amerikaanse legerjurist, maar ik betwijfel het.’

‘U wilt zeggen: er is helemaal geen mogelijkheid?’

‘Er is één mogelijkheid: dat ze met een Amerikaanse militair trouwt, hier in Europa, en ze gaat met haar man mee, naar huis. In dat geval is een militaire security-clearance voldoende, want dan zou ze moeten trouwen met toestemming van de bevelhebber onder wie haar man ressorteert. Ze zou een burgerlijke instantie bereid moeten zien te vinden het huwelijk te voltrekken. Maar wanneer een geallieerde generaal tegen de burgemeester van een platgewalst Duits stadje laat zeggen dat hij ze trouwen moet, dan gebeurt dat; als er tenminste nog een stadje en een burgemeester over zijn. Maar ze moet wel haast maken, want zodra de geallieerde troepen verder trekken krijgt de Duitse bureaucratie natuurlijk weer de overhand. Dus zeg maar tegen haar dat ze als de bliksem een Amerikaan aan de haak moet zien te slaan. Kan ik verder nog iets voor u doen?’

‘Nee, dank u...’

‘Nu, goedenavond dan, en veel succes.’ De officier haastte zich terug naar de avonddis, met zijn servet.

 

***

 

‘Ja,’ zei George Weatherby, Brits geaffecteerd, zoals altijd wanneer hij zich bedreigd voelde door de impuls om zijn gevoelens te uiten. ‘Hij staat erop om met dat meisje te trouwen. Het zijn natuurlijk mijn zaken niet, maar ik ben de leider van deze groep, dus tot op zekere hoogte verantwoordelijk. Daarom ben ik gekomen om uw oordeel te vragen. U kent haar, u heeft haar al die jaren meegemaakt. Wat denkt u ervan?’

Sinds die dag nu drie weken geleden dat hij, skelet onder de skeletten, achter de afsluitboom had gestaan, was dokter Wassermann in zijn voordeel veranderd. Hij was een paar kilo aangekomen; zijn ogen hadden niet langer die koortsige uitdrukking; hij was gekleed in een Duits uitziend streepjespak. Hij droeg zelfs een das, hoewel hij, gezien het futuristisch patroon, dat beter had kunnen laten. Zijn gedaanteverwisseling was typerend voor het hele kamp. De meeste gevangenen waren gerepatrieerd; vanwaar zij zaten, op de veranda van de bungalow, nu kantoor, konden zij het gejuich van de jongeren onder de overgeblevenen horen, die voetbalden op de appèlplaats.

Dokter Wassermann keek naar een zwaluw die sjilpend onder het afdak

[p. 150]

van de veranda wilde scheren, maar zich bedacht toen hij hen zag zitten. ‘Nu,’ zei hij toen. ‘Ik kan haar alleen maar feliciteren. Amerika is de droom van iedereen die hier nog zit. Hoe heeft ze het klaargespeeld die jongen zo gek te krijgen?’

George liet niet blijken dat die reactie hem verraste. Hij had bezorgdheid verwacht, geen opportunistisch cynisme. ‘Ach,’ zei hij, ‘ik geloof niet dat het een bewuste campagne was van haar kant om hem te strikken. Het ging trouwens van de jongen uit. Hij heeft op zich genomen haar naar Amerika te brengen als een goddelijke roeping. Namens Jezus, zogezegd.’

‘Hoe bedoelt u?’

George had er spijt van; hij had het gesprek objectief willen houden. Maar de religieuze extase waarin de groep verzeild was na die samenkomst op de veranda maakte hem niet alleen bezorgd, hij werd er ibbel van. ‘Ach, weet u, dit soort vervoering komt af en toe voor onder de leden van ons genootschap, vooral in Amerika. Van origine zijn wij een evangelistische splintergroep van de Puriteinen, en we hebben het aan de vrouw van de Stichter te danken dat we dat niet gebleven zijn. Maar soms krijgen er een paar de oude geest, zal ik maar zeggen. Voor hen wordt ineens alles een directe inmenging van Jezus in hun persoonlijke leven. Als hun ijskast stilstaat en hij gaat uit zichzelf weer lopen, heeft Jezus het voor hen gedaan. Als ze een dollar kwijt zijn en ze vinden hem onder de kast, dan heeft Jezus geholpen hem te vinden. Ik stel het een beetje schrof voor, maar u begrijpt wat ik bedoel: alles is niet alleen Gods beschikking, maar een persoonlijke inmenging van Jezus. Ze bidden tien keer zoveel als voorheen, liefst luidkeels en met z'n allen. Het begon met de samenkomst op deze veranda toen we Laura veilig het kamp uit hebben weten te loodsen. Dat was dan ook een opmerkelijke demonstratie van - van de overredingskacht van de Quaker-overtuiging.’

‘H'm,’ zei de dokter, ‘ik stond erbij, en ik had de indruk dat het een demonstratie was van de overredingskracht van rabbi Hirsch.’

‘Dat mag zo zijn, het doet er niet toe,’ zei George, toch een beetje op de tenen getrapt. ‘Het was die gebeurtenis waar sommigen van ons het van in de bol hebben gekregen, vooral Bonny Baker, de jonge Amerikaan die nu met haar wil trouwen. Hij schijnt God beloofd te hebben, toen ze op het punt leek te staan er een eind aan te maken, dat hij haar naar Amerika zou brengen. Toen dat alleen mogelijk bleek door haar zijn nationaliteit te geven, aarzelde hij geen seconde, integendeel: hij was verrukt en kwam aandragen met die oplossing als een nieuw bewijs van Gods voorzienigheid. Geen haar op zijn hoofd dacht aan de consequenties, want dat zou kleingelovigheid geweest zijn.’

‘Eerlijk gezegd zie ik niet welke consequenties er voor hem aan vast zouden zitten,’ zei de dokter. ‘Hij trouwt met haar, pro forma, ze komt de Verenigde Staten binnen als zijn echtgenote, zes maanden later krijgt ze een permanent visum, daarna kan ze zich laten scheiden. Zoals u ziet weet ik er nogal wat van. Het is dan ook de droom van ons allemaal. Ik zou haar maar liever feliciteren, en hem ook. Het moet hem toch voldoening geven, zo'n goede daad te doen, en dat geheel gratis, want zijn nationaliteit heeft haar niets gekost. Er zullen genoeg Amerikanen zijn die een fikse som zouden berekenen voor zo'n transactie. Net als vóór de oorlog Nederlanders en

[p. 151]

Zwitsers en Belgen; er waren veel Duitse joodse vrouwen die een ander land wisten binnen te komen door met een buitenlander te trouwen die zijn nationaliteit verkocht.’

‘Hier ligt de zaak anders,’ zei George met ergernis. De man was wel verduiveld materialistisch, voor een arts. ‘Bonny Baker is het prototype van de innocent abroad, de onschuldige, ongecompliceerde Amerikaan. Hij praat nu wel over Roeping, en het Licht volgen, maar ik kan de indruk niet van me af zetten dat het meer juveniele romantiek is dan Paulinische inspiratie. Hij ziet zichzelf, al komt hij daar niet rond voor uit, als een soort Ridder zonder Vrees of Blaam, die een maagd in nood van de Draak redt. Ik weet dat het kattig klinkt, maar hij doet me denken aan een restaurant in Amerika waar ik eens geweest ben, dat Sirloin Castle heette, en waar je, als je je auto wilde parkeren, een plaats toegewezen kreeg door een ridder te paard, met een harnas en een speer en een helm met een vizier. Binnen waren de herenen de damestoiletten gemerkt als Sir Loin en Lady Loin.’

Veel gevoel voor humor had de dokter blijkbaar niet. ‘Hoe ziet hij haar?’ vroeg hij, zonder glimlach.

‘Dat is precies waar ik akelig van word, moet ik bekennen,’ zei George, nu het dan toch zover was. ‘Hij idealiseert haar op een weemakende manier, naar mijn smaak dan. Gisteren zei hij tegen me, met de stralende ogen van Sir Loin: “Weet je hoe ik Laura zie, als zij bezig is met de kinderen, of met een zuigelingetje op schoot zit? Dan denk ik aan haar als de Madonna van de Concentratiekampen.” Toen ik klaar was met overgeven besloot ik dat het tijd werd eens met u te gaan praten. Wat doe ik hier aan?’

‘Hoe dat zo? Kunt u het tegenhouden?’ vroeg de dokter, praktisch.

‘Nee. Maar ik kan proberen hem tot andere gedachten te brengen. En misschien zou u eens met Laura willen praten.’ Hij verwachtte, na wat eraan voorafgegaan was, dat de dokter dat prompt zou weigeren. Maar hij keek naar de zwaluwen, die met zwierende duikvlucht langs de veranda scheerden, alsof hij erover nadacht. Ergens klonk een geknetter van vuur; George ontdekte dat het de Rode-Kruisvlag was aan de hoge witte paal die het geluid maakte, bij het fladderen in de bries.

‘Vertel me 's,’ zei Wassermann opeens, ‘hoe is haar toestand op dit ogenblik? Hoe gedraagt ze zich?’

‘Wat zal ik u zeggen? Ze is kennelijk van de schok bekomen. Ze is lid geworden van onze groep en werkt voornamelijk onder de kinderen. Ze doet haar werk behoorlijk, is rustig, niet erg spraakzaam, aan de buitenkant evenwichtig.’

‘Neemt ze deel aan uw godsdienstoefeningen?’

‘Zeker, natuurlijk. Ze is, dat kun je duidelijk merken, een Quaker. Dat is ze dan ook van haar jeugd af geweest. Ze is bij iedere samenkomst, neemt deel aan de zakenvergaderingen; ze doet haar mond wel niet open, maar ze is er. Alleen...’

‘Ja?’

‘Soms heb ik de indruk dat de Laura die wij kennen niet de ware Laura is.’

De dokter glimlachte. ‘Natuurlijk niet. De Laura die ik ken is ook de ware niet. Ze heeft op dit ogenblik geen persoonlijkheid, geen karakter, geen identiteit. De werkelijke Laura, wie dat ook moge zijn, is bevroren in een soort

[p. 152]

psychologische winterslaap. De Laura die wij kennen is een kameleon, die alleen maar reageert op stimuli van buitenaf. Ze functioneert, maar volgens mij leeft ze alleen maar - hoe zal ik het zeggen in lekentermen - met de schors van haar persoonlijkheid.’

‘Ik vrees dat ik u niet begrijp.’

‘Toen ze in het kamp aankwam was ze een beschaafd, welopgevoed Nederlands meisje van achttien. Niet een Aziatische koeliedochter of een papoeainboorlinge, maar een cultuurprodukt, een kasplant. Ze had haar leven lang in het beschutte klimaat geleefd waarin wij allemaal leefden vóór de nazi's de ruiten van de broeikas stuksloegen, en ons blootstelden aan de sneeuwstormen en de vrieskou van het leven zoals dat tienduizenden jaren lang geweest is. Ze werd verkracht, en daarna de seksuele lijfeigene van een van de veroveraars, iets wat talloze Europese maagden overkomen moet zijn in, ik noem maar wat, de tijd van de Noormannen. In haar geval was het zo'n psychologisch trauma dat ze vanaf dat ogenblik in een soort schemertoestand leeft. De dochter van een Hollandse Quaker kan niet zonder meer overstappen in de rol van bijzit van een SS-dokter; om die rol te kunnen spelen moet de kern van haar persoonlijkheid zich terugtrekken in een schuilplaats van haar ziel. Dokter Schmidt begon nog vrij fatsoenlijk, maar na een jaar was ook hij een bruut, een monster. Binnenskamers, als je hem met haar samen zag, wat ik een paar keer gezien heb, was hij hoffelijk tegen haar, sentimenteel, verliefd. Hij liet bloemen komen, cadeautjes; als je bij hen binnenkwam waren het net twee jonggetrouwden. Zijn stem was zelfs anders, schmalzig; de rillingen liepen je over de rug, omdat ik de vent in het kamp meemaakte. Misschien besefte zij dat niet. Ze vertoonde zich nooit, alleen, soms, als een schim achter de gordijnen. Maar ze moet althans iets gezien hebben, zo af en toe, want haar keukenraam keek uit op de appèlplaats. Maar hoe dan ook: ze heeft zich aangepast. Ze moest die nazi-beul wel als haar minnaar accepteren, of ze had binnen de week in de vrouwenbarak gelegen, en wat er daar van iemand met haar jeugd en haar aantrekkelijkheid geworden zou zijn ... Ze moest wel veranderen in een onderdanige, knusse Hausfrau, hem op zijn wenken bedienen, aan al zijn nukken en grillen toegeven, hoe honds en zelfzuchtig ook. Ik kan u bijvoorbeeld zeggen, onder ons, dat hij haar minstens één keer geaborteerd heeft, want hij is bij mij de instrumenten komen halen, in het lazaret, zonder erbij te zeggen waarvoor hij ze nodig had. God weet aan wat voor sadistische perversiteiten hij haar onderworpen heeft, maar ze heeft ze overleefd. We hebben het allemaal alleen maar aangekund omdat we met de schors van ons bewustzijn leefden, en de kern van onze persoonlijkheid ergens hadden begraven waar hij in winterslaap ging. Begrijpt u? Nee, ik geloof niet dat iemand het kan begrijpen die het niet zelf heeft doorgemaakt. Om in leven te blijven moest ze niet alleen al haar gevoeligheden begraven, maar haar conceptie van zichzelf als morele persoonlijkheid. Ze kon alleen maar instinctief reageren op alle stimuli, alle gevaren, als een dier. Dat heeft ze op een briljante manier gedaan, anders zou ze er niet meer zijn. Toen, ineens, de bevrijding kwam en haar monsterachtige minnaar aan stukken werd gescheurd door zijn slachtoffers, bevond ze zich van het ene ogenblik op het andere in een onbekende, dreigende wereld. Alle gevangenen die een tijdlang in een cel opgesloten zijn

[p. 153]

geweest krijgen een gevoel van onveiligheid wanneer ze worden losgelaten. Hetzelfde gebeurde met haar: opeens stond ze in de wereld buiten de muren van de bungalow, waar ze drie jaar lang opgesloten was geweest zonder één stap buiten de deur te zetten, een wereld waarmee ze totaal geen contact had, waarin ze zich niet kon oriënteren, niet wist hoe ze in leven moest blijven; een wereld die “vrijheid” heette. Ik geloof direct dat ze op het punt stond de hand aan zichzelf te slaan. Toen werd ze opgepikt door een tweede dokter Schmidt, in de persoon van uw jonge Quaker. Daar was hij, op het dieptepunt van haar desoriëntatie, en zei: “Ga met mij mee. Ik zal je naar Amerika brengen, al moet ik je ervoor trouwen.” Geen wonder dat ze het met beide handen aangreep. Hij was een reddingsboei voor een drenkeling: iemand aan wie ze de verantwoordelijkheid voor haar leven kon overdragen. Als de gevangene van Schmidt was ze volkomen afhankelijk van hem geweest, hij had de beslissing over leven of dood; hetzelfde is nu het geval in haar verhouding met deze nieuwe man. Het is ditmaal zijn achtergrond waaraan ze zich onmiddellijk aangepast heeft, als een kameleon. Maar denk vooral niet dat ze al wakker is. De ware Laura Martens slaapt nog steeds, ergens binnen in dat werkzame, ingetogen Quakeresje dat u beschrijft, die Madonna van de Concentratiekampen. De ware Laura is de Schone Slaapster in het betoverde woud. En één ding kan ik u wel vertellen: God helpe de prins die haar uiteindelijk wakker maakt, wie dat ook moge zijn.’

‘Waarom? Wat gebeurt er dan?’

‘Mijn beste meneer Weatherby: wat in dat meisje begraven ligt is een tijdbom. Ze is nog bezig haar naakte leven veilig te stellen. Vandaag of morgen moet ze toch in een situatie komen waarin er géén druk meer op haar wordt uitgeoefend, geen dreiging meer bestaat. De wereld om haar heen wordt rustig. De omstandigheden worden vredig. Dan pas begint de Schone Slaapster wakker te worden, rekt zich uit, doet haar ogen open, en wat ziet ze? Een hel vol duivels en demonen. Een hel van schuld.’

‘Waarvoor?’

‘Waarom bleef ík leven, en die anderen niet? Dat wordt de grote vraag, voor ons allemaal. Waarom ik en niet hij? Wat is de zin van het feit dat ik ben blijven leven, terwijl mijn vader, mijn man, de vrouw die bij me was, mijn geliefde, mijn moeder, mijn broer, mijn kind, vergast zijn als zwerfkatten en in de vuilverbranding gesmeten? Als iemand reden te over zal kunnen vinden om zich schuldig te voelen is het Laura Martens. Ze kwam hier om haar vader op te zoeken, heeft kans gezien in het kamp binnen te dringen, en wat was het gevolg? Dat haar vader haar voor zijn ogen zag verkrachten, brullend om zich heen sloeg, door een kamphond tegen de grond werd gesmeten en de strot doorgebeten, waarna de Kapo's hem als een beest afmaakten. Als zij eenmaal wakker wordt heeft ze niet alleen haar vader vermoord, ze heeft hem zelfs zijn ziel doen verliezen.’

‘Dat begrijp ik niet.’

‘Het principe van de geweldloosheid staat centraal in uw geloof, is het niet? Ik heb de man zelf in het lazaret meegemaakt: een engel van zachtmoedigheid, liefde, deernis. Ineens wordt hij veranderd in een verscheurend dier, door Obersturmführer Kroll, die hem van tevoren verteld had dat er eine Bestie in hem school net als in ons allemaal. Nu, het beest brak los en het

[p. 154]

werd afgemaakt. En door wiens schuld? Die van zijn eigen dochter. Dat is hoe zij het zal interpreteren. U kunt proberen haar te bewijzen, met logica, dat ze geen schuld heeft, maar schuld en zonde zijn geen abstracte begrippen, meneer Weatherby, schuld en zonde zijn wat de betrokkene gelooft dat ze zijn. Zij zal geloven dat ze de vadermoord heeft gepleegd. Vandaar dat ik zei: God helpe de prins die de Schone Slaapster doet ontwaken. Ik weet niet of dat uw jonge vriend zal zijn, maar het zit er wel in. En in mijn opinie is hij dan ook stapelgek om zich vrijwillig voor die rol te melden door van hun huwelijk méér te maken dan een administratief foefje om haar in staat te stellen Amerika binnen te komen. Zodra hij in termen van “liefde” gaat denken wordt hij, vandaag of morgen, levend verscheurd door de ware Laura, zoals destijds haar vader door de hond Siegfried verscheurd is, of liever nog: door het verscheurende dier in hemzelf dat Obersturmführer Kroll wist op te roepen.’

Tot zijn verbazing voelde George zich genoodzaakt Bonny in bescherming te nemen. ‘Dat ben ik niet met u eens. Ik geloof namelijk niet dat hij dit uitsluitend als een administratief foefje op zich genomen heeft, maar omdat hij als Quaker van oordeel is dat het enige dat haar redden kan de liefde is. Niet de lichamelijke liefde, de goddelijke.’

Wassermann keek hem onderzoekend aan, en George verwachtte dat hij het antwoord zou krijgen dat hij verdiende. Maar tot zijn verrassing zei de dokter: ‘Daar kon hij nog wel eens gelijk aan hebben ook. Ik voor mij zou bereid zijn een religieuze oplossing te aanvaarden, n'importe welke oplossing, die antwoord zou geven op de vraag: waarom werd ik gered en werden die anderen vernietigd? Wat is de zin van het feit dat ik het overleefd heb? Belangrijker nog: wat is de zin van hun martelaarschap, hun afgrijselijke dood? Als u die vraag zou kunnen beantwoorden, hetzij als Quaker of als Swami of als Heilige der Laatste Dagen, maar liefst als nuchter, logisch denkend mens, dan zou u waarschijnlijk de enige remedie hebben gevonden tegen de toekomstige zielsziekte van ons die deze hel hebben overleefd.’

Er was een stilte, waarin George de fladderende vlag hoorde knetteren. Toen stond de dokter op, en stak zijn hand uit. ‘Ik vrees dat ik me nu aan mijn simpeler plichten zal moeten wijden, meneer Weatherby.’

George schudde de fragiele hand. ‘Dank u, dokter.’

De dokter zei: ‘Tot uw dienst,’ en verdween in het kantoor.

Het vrachtautootje stond geparkeerd aan de rand van de akker, tussen de jeeps en de vrachtwagens. Voor hij de motor startte zat George een tijdje naar het massagraf te kijken, toen draaide hij de startsleutel om en reed achteruit de rij uit.

Het vrachtwagentje hotste het karrespoor door de akker af, en verdween achter het bosje in de verte, waar de straatweg was. Rond de hoge witte mast met de knetterende vlag zwierden de zwaluwen, met schril gepiep, onder de stralende zomerhemel.

terug  begin  verder