terug  begin  verder
[p. 155]

Verenigde Staten
1945

[p. 157]

Een

‘Rebekka Baker Kostschool, directie,’ zei het negermeisje. ‘Wie zegt u? - Een ogenblik alstublieft.’ Zij bedekte het mondstuk met de hand. ‘Stella Best, Philadelphia op de tweede lijn.’

‘Wie?’

‘De Mordechai Monk Blindeninstituten.’

Het grijze dametje achter het bureau nam de telefoon op. ‘Stella Best.’

‘Eén seconde, mevrouw,’ zei de telefoniste in Philadelphia. ‘Ik heb hier mevrouw Baker voor u.’

De telefoniste was kennelijk geen Quaker. Ze moesten er toch iets aan doen, aan al dat wereldse personeel. Hun in ieder geval leren geen ‘mevrouw’ te zeggen.

‘Stella? O, Stella...’ Ze zou die stem uit duizenden herkend hebben; de gesmoorde, bevende aanstellerigheid was typisch voor Dorothy Baker. ‘Heb je het gehoord, Stella? Stella, heb je het gelezen?’

Het mens klonk als een derderangsactrice, dat was ze dan ook haar leven lang geweest. Merkwaardig dat iemand die over het minste of geringste zoveel schuim op de pot kon ranselen, toch zo'n efficiënte administratrice kon zijn.

‘Ik heb een brief van mijn kleindochter gekregen, ja. Ik maak eruit op dat jij en ik, hoe zal ik het zeggen, door het huwelijk verenigd zijn. Als dat de juiste uitdrukking is.’

Dat was het blijkbaar. Dorothy Baker smoorde een snik, snoot haar neus en zei: ‘O, het arme kind, het arme kind! Laten we hopen dat - dat het geluk haar al die vreselijke dingen zal doen vergeten!’

‘Wat voor vreselijke dingen? Ik heb niets over vreselijke dingen gelezen.’

‘O...?’ De stem aan het andere eind van de lijn klonk opeens bedachtzaam. ‘Heeft ze - heb je - je hebt dus Bonny's rapport nog niet ontvangen?’

‘Wat voor rapport?’ Vertel me nou niet, dacht ze, dat het kind zwanger is.

‘O, in dat geval moet je eigenlijk - bel Ethan Woodhouse eens op! Die heeft het rapport ontvangen, hij heeft het mij te lezen gegeven. Ik dacht dat hij het ook aan jou had toegestuurd...’

‘Waar gaat het over?’

‘Nou, het rapport - laat Ethan het je nou maar vertellen. Waarom bel je hem niet op? Of zal ik hem vragen of hij jou opbelt?’

‘Nee, dat doe ik zelf wel. Dank je.’ Zonder verder gedoe legde ze de telefoon neer. Welk rapport? Je moest met Dorothy Baker altijd uitkijken, maar toch ... wat voor vreselijke dingen?

‘Kuala,’ zei ze tegen haar secretaresse. ‘Vraag eens aan: Meeting for Sufferings, Philadelphia, Ethan Woodhouse. Maak het dringend.’

‘Goed, Stella Best.’

Stella stond op en liep naar het raam, waar ze naar buiten ging staan kijken

[p. 158]

terwijl het meisje het nummer aanvroeg. Witte wolken dreven aan uit de prairie; de zomerwind deed de bladeren van de rode beuken op het voorplein blakkeren; op een van de omhooggestrekte armen van het standbeeld van Becky Baker zat een spotvogel te kwinkeleren in de lome middagstilte. Wat kon er aan de hand zijn? Wat voor vreselijke dingen? Waarschijnlijk weer een van die overdreven toestanden waar Dorothy Baker haar al eerder in had laten luizen. Na het overlijden van Francis Baker, een zeurkous van een man, had ze ook zo'n tragedie opgevoerd, alsof ze op het punt stond zichzelf om hals te brengen; binnen de maand was ze er bovenop, en de naam van de man werd niet meer genoemd, wat tijdens zijn leven ook al niet vaak was voorgekomen. Nu was hij zo volslagen uit de conversatie verdwenen dat het leek alsof hij nooit bestaan had. Het zou ook dit keer ... de telefoon rinkelde.

‘Ethan Woodhouse? Een ogenblikje, hier is Stella Best voor u.’

Zij haastte zich naar haar bureau en nam de telefoon op. ‘Ethan? Goedemiddag. Zeg, ik heb net een telefoontje gehad van Dorothy Baker. We weten natuurlijk allebei, jij en ik, dat ze geneigd is te overdrijven, maar ze heeft me dit keer toch ongerust gemaakt. Wat is dat voor een rapport dat haar zoon Bonifacius zou hebben geschreven over mijn kleindochter? Ze zegt dat er “vreselijke dingen” in staan. Is dat zo? Bestaat er zo'n rapport?’

Het was een ogenblik stil aan het andere eind van de lijn, toen zei de mannenstem: ‘Ja, ja, dat is er; daar heeft ze gelijk aan, ja. Maarre...’

‘Gaat het over mijn kleindochter?’

‘Ja ja, inderdaad. Over je kleindochter. En haar vader.’

Hij had gelijk, ze had ook naar Jacob Martens moeten vragen. ‘Hoe komt het dat ik dat nog niet ontvangen heb en zij wel?’

‘Dat zal ik je zeggen, Stella: ik had het je zelf willen brengen. Ik weet hoe lang de post erover doet, van hier naar Indiana, en ik moet zondag in Saint Louis zijn. Ik had gedacht om even bij je langs te komen. Zou je dat schikken? Mag ik blijven eten?’

‘Ja, natuurlijk. Wanneer is dat dan?’

‘Overmorgen vertrek ik, ik zou dus zaterdag bij je langskomen. 's Ochtends vroeg, met de Superchief. Dan neem ik de Continental van tien over vier naar Saint Louis, die zelfde middag. Zou dat schikken?’

‘Natuurlijk. Ik zal je laten afhalen.’

‘Ik kan ook een taxi nemen aan het station.’

‘Doe niet zo mal. Ik laat je afhalen. Je kunt me zeker niet in een paar woorden vertellen waar het over gaat? Die vreselijke dingen waar ze het over had?’

‘Nee, laat ik dat nou maar niet doen, want het is nogal gecompliceerd. Laten we het uitstellen tot ik er ben.’

‘O,’ zei ze, vlak. ‘Zoals je wilt. Tot zaterdag dan.’

‘Dag Stella.’

Nadat ze de telefoon had neergelegd staarde ze naar de blauwe rechthoek van het raam met de drijvende wolken. Er was iets mis. Ethan had achterbaks geklonken.

‘Kuala,’ zei ze, ‘geef me eens het dossier van mijn kleindochter. En mijn schoonzoon,’ voegde zij er plichtmatig aan toe.

Het negermeisje stond op, ging naar een dossierkast en haalde er een map

[p. 159]

uit te voorschijn, die zij voor haar op het bureau legde.

‘Dank je.’

Het meisje liep, heupwiegend, terug naar haar stoel.

‘Lieve Oma, hoe gaat het met u? Met mij gaat het best. U zult nu wel van Bonifacius' moeder gehoord hebben dat hij en ik veertien dagen geleden getrouwd zijn. Dat betekent niet dat wij het overhaast hebben gedaan, er was een praktische reden voor die we u, wanneer wij samen naar Amerika komen, zullen uitleggen.’ Zou het kind dan toch zwanger zijn? Wat kon het anders betekenen? ‘Wij weten niet precies wanneer dat zal zijn, het hangt af van Bonny's demobilisatie. Voorlopig zijn wij nog in het DP-kamp hier in West-Duitsland bezig; maar als de geruchten waar zijn mogen wij, nadat de overwinning officieel gevierd is, vertrekken. Ik verheug me erg op ons weerzien. Wat is dat lang geleden, hè? Ik herinner me alleen eigenlijk nog maar dat speelgoedpaardje met die cowboy dat u mij eens cadeau gedaan hebt, toen u bij ons kwam, ontzettend lang geleden. Ik heb het natuurlijk niet meer, maar ik denk er nog wel eens aan. Vooral nu ik op het punt sta om naar Amerika te gaan. Dag lieve Oma, ik weet niet wat ik op dit ogenblik verder moet schrijven, vraagt u maar eens wat en dan zal ik daar heel graag op antwoorden. Daag...’

Stella Best legde de brief voor zich op het vloeiblad en haalde de eerste brief uit de map, waarin het kind haar verteld had over het concentratiekamp en de dood van haar vader. Zij herlas hem aandachtig; opnieuw viel het haar op dat er iets kinderachtigs, bijna infantiels was aan de manier waarop het meisje schreef. Was het haar karakter? Lag het aan het feit dat ze elkaar eigenlijk niet kenden, en het kind niet precies geweten had hoe ze haar moest benaderen?

‘Kuala,’ zei ze, ‘kom eens hier.’

Het negermeisje legde het vel papier dat ze op het punt had gestaan in de schrijfmachine te steken op het tafeltje, en kwam naar haar toe. ‘Ja?’

‘Hier.’ Stella reikte haar de laatste brief toe. ‘Lees dit eens en vertel me wat jij ervan denkt.’

Het meisje nam de brief ter hand en keek hem in. ‘Van wie is hij?’

In het geval van iemand anders zou het een huichelachtige vraag geweest zijn, andere secretaresses lazen alle persoonlijke brieven en luisterden alle telefoongesprekken af. Maar Kuala was anders; zij had kennelijk ook deze brief niet gelezen. ‘Van mijn kleindochter. Lees hem en vertel me wat je ervan denkt.’

Het meisje las de brief, aandachtig, zoals ze alles deed. Toch had zij iets neerbuigends, een soort majesteit die geen blanke vrouw ooit zou kunnen bereiken.

‘En?’

De donkere ogen keken haar afwezig aan. ‘Erg mooi.’

‘Heb je ook het gevoel dat hij een beetje kinderachtig is voor een vrouw van eenentwintig?’

Tot haar verbazing drukte Kuala de brief tegen haar borst en sloot haar ogen. Zoals alle Kikuyu-vrouwen die tot haar hoogste klasse behoorden was ze helderziend, of tenminste dat geloofde ze. Gedurende enkele ogenblikken wachtte Stella, ondanks zichzelf, met een soort ontzag; toen gingen de an-

[p. 160]

tilope-ogen weer open. ‘Ik voel een groot verdriet,’ zei het meisje, en gaf haar de brief terug.

‘Onzin,’ zei Stella, korzelig. ‘Hoe kom je daar nou bij? Het lijkt wel de brief van een kind van negen.’

‘Ik zou het niet kunnen zeggen,’ zei het meisje, kalm.

Stella stond op en ging naar het raam, opeens overweldigd door melancholie. Dat lieve blonde kindje, zo onschuldig, zo wanhopig toen haar moeder stierf ... O John, John, dacht ze opeens, hoe lang nog voor ik weer bij je ben? Maar ze onderdrukte de gedachte, geërgerd. Als ze zich liet gaan zou het natuurlijk eindigen, zoals altijd, met een eenzame nacht van tranen, een afdalen in totale wanhoop. Zich beklagen over de absurditeit van het leven was een masochistisch tijdverdrijf.

‘Kuala,’ zei ze. ‘Ethan Woodhouse komt zaterdag aan met de Superchief. Wat heb ik die ochtend?’

‘Quakergeschiedenis in zes-B.’

‘Wil je me er dan aan herinneren dat ik tijdens de lunch Hanna Moremen vraag of die het voor me wil waarnemen? En zoek even mijn aantekeningen op. We zijn toe aan de begrafenis van Vanderhummes.’ Ze wees met een vluchtig gebaar naar het schilderij achter haar: Bonifacius Baker de eerste, met zijn dochter Abby, Cleo de negerin, Bizon McHair en Zilverwolf bij het open graf.

‘Les zeven: de dood van Rebekka Baker, tot en met de stichting van de eerste Maandvergadering in Pendle Hill?’

‘Ja, dat is 't,’ zei Stella.

 

***

 

‘Beste Stella! Kijk aan! Kijk aan!’ Ethan Woodhouse kwam met uitgestrekte armen op haar toe op het perron, terwijl naast haar de locomotief van de Superchief sissend stoom stond af te blazen. Stella stond, klein en frêle, als een zwart spook tot aan de knieën in de spuitende witte wolken; zoals steeds wanneer hij haar zag maakte zij een beschermersinstinct in hem wakker. Toen hij zich vooroverboog om haar op beide wangen te kussen zei ze: ‘Grote hemel! Ik was vergeten hoe lang je bent. Hoe kussen andere vrouwen je, Ethan? Op een driepoot?’

‘Vreemd genoeg zijn er maar weinig vrouwen die daarvoor voelen,’ antwoordde hij lachend, maar hij zag aan haar ogen dat haar pinnigheid een voorwendsel was. Jammer, dat die vermaledijde Dorothy het nodig had gevonden de knuppel in het hoenderhok te gooien door de arme stakker op te bellen. Als hij de kans had gekregen het zelf te doen...

‘Ik heb de brik voorstaan,’ zei ze. ‘Waar is je bagage?’

‘Dit is alles wat ik bij me heb.’ Hij pakte het koffertje op dat hij had neergezet om haar te begroeten. ‘Ik blijf maar een paar dagen.’

‘Wat is er te doen in Saint Louis?’ vroeg zij, terwijl zij zich een weg baanden naar de uitgang tussen de reizigers en de negerkruiers met hun karretjes.

‘O, een bespreking. Je bedoelt toch niet de oude brik, die gele, met een paard?’

‘Wat dacht je? Of heb je nooit van benzinerantsoenering gehoord? Hier

[p. 161]

in Indiana nemen we die au sérieux, hoor.’

Achter de drom mensen voor de kaartencontrole zag hij het stationsplein met rijen geparkeerde auto's. Daartussen stond de gele sjees met het zwarte dak die hij van zijn jongenstijd af gekend had. Het leek of er maar een paar dagen waren verstreken sinds hij als bang, spillebenig jongetje in Quakerdracht door zijn oom Peleg op dat zelfde stationsplein naar die zelfde brik werd geleid, waar zij afscheid namen met de woorden: ‘Flink nou maar, hè joh?’ En: ‘Ja, Oom.’

‘Tsjonge,’ zei hij toen hij, buiten in de zon, zijn koffertje in de sjees tilde. ‘De tijd heeft hier wat je noemt stilgestaan.’

‘Dat moet je niet zeggen,’ zei ze. ‘Je zult er verbaasd van staan hoe vrijgevochten de school geworden is sinds jij en ik samen op het matje werden geroepen. Weet je nog?’

‘Ja,’ zei hij, vertederd door de onschuld van het verleden. ‘Ik had een muisje gemaakt van mijn zakdoek tijdens samenkomst, en jij had gegiecheld. Hoe heette dat ook alweer, in het rapport op zaterdag?’

‘Creatuurlijke activiteit tijdens de heilige stilte,’ antwoordde ze, en klom behendig de sjees in voor hij haar had kunnen helpen. Ze had de lenigheid van een kind; hij wilde dat hij hetzelfde zeggen kon toen hij zich stram op de bok hees, naast haar ging zitten op de harde leren bank en de geur van het verleden opsnoof, alsof er een kelder openging die lange jaren gesloten was geweest. ‘Hij ruikt een beetje muf, moet ik zeggen,’ zei hij.

‘Altijd gedaan.’ Ze greep de teugels beet. ‘Achteruit, Betsy, achteruit, beest!’

Het oude paard liep gehoorzaam duwend achteruit; er werd hard op een claxon getoeterd. Maar zij trok zich er niets van aan, klakte met de tong en riep: ‘Vort!’ Het dier zette zich in beweging, op een sukkeldrafje, Baker Straat in.

‘Dit is toch niet de oude merrie die wij allebei gekend hebben?’

‘Maak 't een beetje,’ antwoordde zij. ‘Ik weet dat je een stadsbewoner geworden bent, maar je bent toch niet vergeten dat paarden hoogstens vijfentwintig jaar oud worden? Hoe lang is het geleden dat wij samen hier op school waren?’

‘Vijftig jaar,’ zei hij.

‘Vierenvijftig.’

De Baker Straat leek niet veel veranderd. Er waren een paar lichtreclames bijgekomen: Rexall's Drugstore, Tyborne gasoline. Maar de geveltjes met hun negentiende-eeuwse ramen waren nog net zo als toen hij, door een prisma van tranen, voor het eerst naar ze had gekeken vanuit deze zelfde brik. Baker Straat. De naam bracht hem naar de werkelijkheid van het ogenblik terug. Hoe moest hij dat rapport van Bonifacius Baker aanpakken? Een inleiding geven, om de schok een beetje te verzachten? Stom, dat die onmogelijke Dorothy ... Maar daar was niets meer aan te doen. Hij moest Stella op de een of andere manier opvangen, haar bijstaan in haar beproeving. Want dat zou het worden. Helaas, dat zou het worden.

Hij had, sinds die morgen dat hij voor het eerst in de brik Baker Straat afreed, ontelbare mensen bijgestaan in ogenblikken waarin de liefde Gods en de ingeboren goedheid van de mens honende leugens leken. O Heer, o

[p. 162]

Heer ... Hij werd bevangen door een voorgevoel te kort te zullen schieten. Hoe kon hij haar werkelijk helpen op een ogenblik zoals dit, vooral deze vrouw, die achter haar stekelige gedrag de gevoeligheid verborg van het scharminkeltje met de grote ogen op wie hij, als jongen van veertien met één afgezakte kous en de haren op zijn kruin overeind, verliefd geworden was met de onhandigheid en de verbijstering van de ontwakende puber? Ze had geen ogen voor hem gehad, alleen voor die neef van haar, die onnozele hals, John Best. ‘Wat een verspilling,’ had hij gedacht als negentienjarige, toen hij uitgenodigd werd voor hun huwelijk; en ‘Wat een tragedie,’ toen hij, vier jaar later, hoorde dat John Best was omgebracht tijdens een opstand in Afrika, waar zij heen waren getrokken als hoofden van een Quaker-school. Pas later had hij gehoord wat er met Stella zelf gebeurd was, na de moord op haar echtgenoot; de ontzetting die hem toen bevangen had kon hij nog steeds niet onder woorden brengen. Dat dit tengere, gevoelige, fragiele wezentje door tien negerkerels ... En nu haar kleindochter! Hij stond machteloos tegenover wat de mens een ander aan kon doen, ver van dit idyllische stadje, veilig in het hart van het veiligste continent ter wereld.

Zij hadden de Richmond Straatweg bereikt. In de verte zag hij, aan het eind van een schaduwtunnel van bomen, de zonneplek van de oprijlaan naar de school. Pas toen zij het hek bereikten en op het punt stonden binnen te rijden zag hij het oude Vergaderingsgebouw aan de rechterkant, verscholen onder het lover van de eeuwenoude kastanjebomen, met daarachter een twinkelende glimp van het zonbeschenen meer. ‘Stella,’ zei hij, ‘kunnen wij - is het nog open?’

Zij hield de teugels in. ‘Wat?’

‘Het Vergaderingsgebouw. Kunnen we erin? Is het nog altijd een museum?’

Ze keek hem onderzoekend aan. ‘Lijkt je dat beter?’ Ze was nog altijd een bijzonder scherp ziende vrouw.

‘Ja,’ zei hij.

Zij klakte met de tong, tikte het paard met de teugels op de schonken en reed het kerkhof binnen, naar de veranda van het Vergaderingsgebouw. Toen zij tussen de zerken reden, de wielen geruisloos in het grasbegroeide karrespoor, leek het een plek waar in geen jaren een menselijk wezen voet had gezet, niemand behalve de eekhoorns, de bevers en de herten, en, soms, vlak voor het donker werd, een sluipend luipaard, verdwaald uit de prairie.

‘Hoe lang is het al een museum?’ vroeg hij, toen zij stilstonden voor de trap naar het bordes.

‘Een jaar of veertig. Na de dood van mijn grootmoeder, Saraetta Best.’ Zij sprong lenig van de bok en maakte de teugels vast aan een van de ouderwetse tuipalen.

Hij volgde haar en klom de trap op naar de dubbele deuren. Zij waren gesloten met ketting en hangslot en vertoonden een bordje: Museum van het Genootschap der Vrienden. Bezichtiging op verzoek. Gelieve zich te vervoegen bij de directie van de Rebekka Baker Kostschool. ‘In onze tijd was het een houtopslagplaats, weet je nog?’ vroeg hij, terwijl zij in haar tas zocht naar de sleutel.

‘Ja,’ zei ze, rommelend. ‘Toen was het nog besmet met de lepra van de vrijzinnigheid.’

[p. 163]

Het bracht ineens de eenzaamheid terug die hij gevoeld had, enige vrijzinnige Quaker-jongen in een school vol orthodoxen, tot dat scharminkeltje de hand naar hem uitstak en glimlachte en zei: ‘Ik hoor dat jij ook een ketterkind bent. Ik heet Stella.’ Gek, dat zij, niettegenstaande hun band van twee ballingen uit Pennsylvanië, toch haar orthodoxe neef John verkoren had.

‘Hè, eindelijk,’ zei ze, toen het slot openklikte en de ketting rammelend uit de ijzeren handgrepen gleed. ‘Het is alweer zo lang geleden dat ik hier voor het laatst geweest ben, dat ik bang was dat ik de verkeerde sleutel had. Ga je gang.’ De deur piepte open.

‘Na jou.’

Zij ging hem voor, naar binnen.

 

***

 

Zodra ze voet zetten op het gangpad nam Ethan haar beschermend bij de arm, maar Stella wist dat hij geen hand voor ogen zien kon, de brave man. Het was dan ook erg donker hier, het rook naar stof en spinraggen.

‘Hier?’ Hij gedroeg zich alsof hij haar naar de eerste bank had geleid, maar zij was het die het had gedaan. Zij ging zitten, met haar tas op schoot, en voelde zich leeg, vol vormeloze angst. Ze had de afgelopen dagen steeds weer nagedacht over dat rapport; er moest inderdaad iets afschuwelijks in staan, anders zou hij niet gekomen zijn om het haar persoonlijk te overhandigen.

‘Nu,’ zei ze, toen hij naast haar was gaan zitten. ‘Geef het me maar.’

Hij keek haar met gepijnigde onschuld aan. Hij hield zijn hoed op, en zij begreep dat hij samenkomst wilde houden; maar zij voelde, godzijdank, de irritatie het winnen van de angst. ‘Vooruit man,’ zei ze bits, ‘je kijkt me aan alsof ik je een onfatsoenlijk voorstel heb gedaan.’

Hij nam zijn hoed af en legde zijn arm om haar schouders. ‘Stella,’ zei hij, ‘ik vrees dat je kleindochter niet helemaal openhartig is geweest in haar brieven. Ik heb begrepen, uit wat Dorothy me vertelde, dat het meisje het heeft doen voorkomen alsof haar vader in het concentratiekamp aan een ziekte was overleden, en dat zij zelf alleen maar een nare drie jaar had doorgemaakt, zoals te verwachten was.’

‘Nu, en?’ Hij begon haar te ergeren met zijn omzichtigheid.

‘Ik kan geen manier bedenken waarop ik je dit voorzichtig zou kunnen meedelen, Stella. Je schoonzoon is niet aan een ziekte overleden. Hij werd omgebracht omdat hij zijn bewakers aanvloog, nadat zijn dochter door de kampcommandant was verkracht.’

Zij staarde hem roerloos aan; iets binnen in haar werd koud.

‘Daarna heeft de Duitse kampdokter haar bij zich genomen, en haar gedwongen zijn bijzit te worden. Dat is zij drie jaar lang gebleven.’

Ze zei, hard: ‘Wat hef van die jongen, haar toch nog te willen trouwen.’

‘Ik geloof niet dat je dat zo zien moet, Stella. Naar ik begrijp zijn ze getrouwd om haar de gelegenheid te geven Amerika binnen te komen, wat anders niet mogelijk zou zijn, gezien - gezien haar verleden. Jij bent de enige die ze op de wereld heeft, daarom wil ze natuurlijk graag naar je toe.’

‘Nou,’ zei ze, ‘kijk aan. Als ik het goed begrijp is zij dus zijn roeping, niet zijn vrouw?’

[p. 164]

Hij keek haar aan met die hartbrekende onschuld. ‘Ik wilde dat ik je dit had kunnen besparen, Stella. Laten we hopen dat de tijd alle wonden heelt, zoals meestal.’

Dat maakte een eind aan de opwelling zich te laten gaan, het uit te snikken op zijn schouder. ‘Ja, daar ben ik van overtuigd,’ zei ze. ‘Is er nog iets wat je vindt dat ik weten moet, voor ik dat rapport zelf lees?’

‘Nee,’ zei hij. ‘Niets essentieels...’

‘Heeft ze een kind?’

Hij schrok, zoals alleen een vrijgezel schrikken kon. ‘Wat? Welnee!’

Typisch een man, om niet aan die mogelijkheid te hebben gedacht. ‘Wat dan? Vertel het me nu maar, want ik ga het dadelijk toch lezen. Vriendelijk van je, dat je me hiermee helpen wilt; maar ik kan het heus wel aan, hoor. Geef maar.’ Ze strekte haar hand uit.

Hij haalde een pakje papieren uit zijn binnenzak, maar in plaats van het haar te geven legde hij het tussen hen neer op de bank en nam haar hand. ‘Stella,’ zei hij, ‘zij werd verkracht voor zijn eigen ogen.’

Zij trok haar hand los.

‘Hij raakte buiten zinnen, rukte zich los, en zij sloegen hem dood met knuppels.’

Ze wilde dat hij wegging, ze wilde dat ze zich ergens aan kon vasthouden, want ze stond op het punt om over te geven. Een ogenblik lang dacht ze alleen maar aan haar onpasselijkheid, en trachtte die de baas te worden om aan dat beeld te ontsnappen.

‘Stella...’

‘Toe,’ zei ze, ‘laat me nou maar - in Godsnaam! Ik heb mijn eigen man voor mijn ogen...’ O God, dat niet, dat niet ... Met gesmoorde snik wendde ze zich van hem af.

‘Stella...’

‘Alsjeblieft Ethan, alsjeblieft! Ga alsjeblieft weg, ik - ik, heus, er is niks met me, ik - laat me nou even, alsjeblieft...’

Hij raakte even haar schouder aan, toen hoorde ze zijn stappen het gangpad af gaan, en de bons van de deur.

Nu, daar was het dan. De verschrikking had nu ook haar kleinkind bereikt. Het was alsof, met Ethan, de feitelijkheid van de verschrikking zich had teruggetrokken, haar achterlatend in machteloze woede op de hemelse Vader, de zoetsappige sinterklaas waarop als kind haar godsbesef was gebouwd tot haar hele conceptie van leven en dood verwrongen was geworden, versuikerd, en haar machteloos had gemaakt om de verschrikking te weerstaan toen die haar had overweldigd, vijfenveertig jaar geleden. Arm, arm kind! Geen wonder dat die brief zo infantiel had geklonken, zo onnozel. Wat kon ze anders schrijven? ‘Oma, ik ben verkracht voor de ogen van mijn vader en heb hem dood zien knuppelen en daarna heeft de vijand mij als hoer gebruikt’? In plaats van het beeld dat dit zou moeten hebben oproepen, zag ze ineens, met hallucinerende duidelijkheid, het ogenblik waarop haar leven voorgoed veranderd was: John, in korte broek, die naar de muur van hun tuin holde, probeerde eroverheen te klimmen, toen het schot, en dat afschuwelijke moment van roerloosheid, die eindeloze seconde voor hij losliet en omlaagplofte, op zijn rug in het bloembed. O God! Het was alsof ze verstikte;

[p. 165]

de dood leek zich over haar te buigen; ze ging overeind zitten, zag naast zich, op de bank, het pakje papieren liggen, en vouwde het open.

‘Beste Ethan Woodhouse, hier is het rapport over mijn ontmoeting met Laura Mariens na de bevrijding van het concentratiekamp Schwalbenbach...’

Zij las het met een stijgend gevoel van ontzetting. Het meisje op haar fiets, vastbesloten haar vader te vinden. De beul die haar naar een slaapkamer bracht waar ze haar vader aantrof, met boeien aan de centrale verwarming vastgelegd. Het meisje dat krijste: ‘Vader! Het is niet erg! Het is niet erg!’

Zij bedekte haar ogen met haar handen, toen kwamen de tranen. De tranen, de tranen, de stroom van tranen, waarvan de bron een lief lichaam was, dat langzaam losliet en op zijn rug tussen de zonnebloemen plofte die ze zelf had geplant, in het korte broekje dat ze nog de avond tevoren had gestreken ... O, hou op, hou op, idioot oud wijf! Ze rukte zich los van dat ogenblik waarop zij bevroren was in eenzaamheid voor de rest van haar leven, stond op en begon doelloos door de hal te dwalen, langs de glazen vitrines vol souvenirs van mensen die voorgoed verdwenen waren, net als John, net als Jacob, Lily, de jonge Stella, vrouw van John Best, gelukkig, vervuld, vol tederheid ... O, schei uit, schei uit! Ze bonsde met haar vuist op het deksel van een vitrine en werd tot zichzelf gebracht door de gedachte: Pas op! Het is glas! Ze keek naar de inhoud in een poging zichzelf tot kalmte te dwingen. Een vleermuisvleugel, bedekt met geheimzinnige tekentjes. Een hangertje van oranje en blauwe steen: Indiaanse relikwieën (Huni), schenking van de familie Baker. Drie ouderwetse stopflesjes, met afgekorte Latijnse opschriften: Afkomstig uit de apotheek van dokter Gulielma Woodhouse, 1692-1755, schenking van Ebenezer McHair. Een vergeeld leesplankje: Eerste leesplank in de wildernis, behoord hebbende aan Cleopatra Baker, 1733 (?)-1789, schenking van Millicent Woodhouse. Een verschoten wollen sjaaltje, vol mottegaten: Hoofddoek toebehoord hebbende aan Lydia Best, 1805-1833, omgekomen op het Spoor van Tranen. In deze doek werd haar geadopteerde Indiaanse zoontje, Abner Best, teruggebracht naar Pendle Hill.

Opeens drong het tot haar door dat alle souvenirs in de vitrine stomme getuigen waren van afschuwelijk lijden. Becky Baker: verkracht en vermoord door de Indianen. Gulielma Woodhouse: stervend door de wildernis naar de pueblo van de Hunis gebracht. Lydia Best: aan stukken gescheurd in de ontploffing van de rivierboot vol Indianen. En zijzelf? Bevroren als een vlieg in amber op het ogenblik dat dat lieve lichaam tussen de zonnebloemen plofte aan de voet van de muur. Ergens onder de souvenirs moest het Boek van Discipline zijn dat aan John behoord had en dat ze twintig jaar geleden aan het museum geschonken had: Geloof en Werken, toebehoord hebbende aan John Best, Quaker-zendeling in Afrika, omgebracht tijdens de opstand van 1900. En nog altijd was hij even levend en werkelijk als toen ze de deur had opengerukt en geroepen: ‘John! Kom terug! Kom terug, John!’

Zij greep haar tas en liep naar de deur, maar opeens werd het haar te veel. Ze was een oude vrouw, ze had geen kracht, geen geloof, ze kon deze gruwelen niet meer aan. Toen herinnerde zij zich het rapport, liep terug om het te halen, ging zitten en las het voor de tweede keer. Opeens hoorde ze achter zich een zachte melodieuze stem: ‘Stella Best?’

[p. 166]

Zij keek op, zag de antilope-ogen, het koninklijke gezicht, en wilde dat ze zich kon bevrijden van de haat tegen de zwarte mensapen aan wie hij de jaren van zijn mannelijkheid had gewijd en die hem, als dank, hadden afgemaakt, zoals ze een baviaan zouden hebben afgemaakt die over die muur probeerde te klimmen.

‘O, Kuala,’ zei ze schor. ‘Ik - ik ben...’ Ze kon niet verder. De haat tegen de mensapen verstikte haar. ‘Hier,’ zei ze. ‘Lees het maar.’

Zij zat verloren in een woordeloze wanhoop terwijl het negermeisje naast haar het verslag las over Lauraatje en wat zij haar hadden aangedaan. Toen hoorde ze dat het papier werd opgevouwen, en Kuala zei, rustig: ‘Zou je het prettig vinden als we samenkomst hielden, Stella Best?’

‘Ja, Kuala, ja...’

Het negermeisje nam haar hand. Zij sloten hun ogen, en bogen hun hoofden. Bijna dadelijk leek het alsof de stilte dieper werd. Zij had het gevoel alsof in die stilte schaduwachtige mensen zich bij hen voegden, wier liefde en aandacht haar omringden. Zij zei: ‘Er is altijd ontzettende pijn geweest, ondraaglijk verdriet, altijd, eeuwenlang. O, Jezus, maak er een eind aan!’

Zij kon het niet helpen, zij barstte in snikken uit en viel op de schoot van het meisje naast haar, huilend om John, om de jaren toen het leven vol licht was geweest, vol tederheid en liefde, vol belofte. Toen voelde ze een hand die haar haren streelde, en ze wilde dat ze die duivel binnen in zich kon uitbannen, die fluisterde: ‘De hand van de mensapen die hem hebben vermoord.’

Dat was het ergste: dat zijn prachtige leven, vol vreugde en gulheid en mededogen, de hele stralende, verrukkelijke man, niets anders had achtergelaten dan onuitroeibare haat, machteloze woede tegen hen voor wie hij zichzelf verkwist had, tegen het grijnzende smoelwerk van de neger die hem had neergeschoten, als een baviaan, en pang! Toen was hij dood. ‘O God,’ bad zij, zonder geloof of hoop, ‘verlos me, verlos me, ik ga eraan te gronde!’

Want haar lieve John, die lieve, lieve man in zijn korte broek tussen de zonnebloemen, had voor niets geleefd en was voor niets gestorven. Voor niets, voor niets - Lydia Best op het zinkende schip, Becky Baker buiten de stormkelder, en nu Lauraatje, onschuldige, blonde...

‘Stil, Stella, stil,’ fluisterde het negermeisje. ‘De Heer zal uitkomst brengen.’

De hand bleef haar haren strelen, tot alles stil en donker was binnen in haar.

terug  begin  verder