Het was onmogelijk om aan boord van de Queen Mary een plekje te vinden waar het geen dooddringen was, want het troepenschip was tot de brug toe gevuld met gedemobiliseerde Amerikaanse militairen die nu, bij het opvaren van de Hudson naar New York, in alle staten van uitgelatenheid waren. Toch hadden Bonny en Laura kans gezien een plekje te vinden op het voordek waar zij tenminste het water konden zien. Ze waren Sandy Hook voorbij en stoomden nu langzaam het Ambrosechannel op; toen zij een rode boei voorbijkwamen met een klok erin die plechtig luidde, doemden uit de nevel vier zwarte sleepboten op om hen naar hun ligplaats te begeleiden en te helpen bij het meren. De stoomfluit van het troepenschip loeide met een diep, zinderend geluid dat weergalmde in de spelonk van de mist; misschien was het die diepe orgeltoon, maar opeens schoot Bonifacius' hart vol dankbaarheid. Want hij had het dan toch maar gedáán, zoals Ethan Woodhouse gezegd had, hij had zich beschikbaar gesteld als werktuig Gods en het resultaat was dat het meisje naast hem nu met een ontroerende eerbied naar de Nieuwe Wereld stond te turen, die langzaam uit de nevel opdoemde. Ze stond daar zo kinderlijk in haar plechtige afwachting, dat hij opnieuw getroffen werd door de ontroering die hem de laatste tijd steeds vaker overviel wanneer hij haar ongemerkt gadesloeg. Het was alsof van al de gruwelen die zij had doorgemaakt, de wanhoop die haar bijna tot de zelfvernietiging had gedreven, niets meer over was. Zij had een nieuw blad omgeslagen; dat had ze trouwens zelf gezegd, een dag of wat geleden, halverwege tussen het oude leven en het nieuwe in het midden van de Atlantische Oceaan. Hij was over het kamp begonnen, maar zij had haar hand op de zijne gelegd en gezegd: ‘Dat is voorbij, Bonny. Daar wil ik niet meer aan denken. Wat mij betreft is het nooit gebeurd.’ Een moedig besluit, en het verbazende was het gemak waarmee ze zich daaraan had gehouden. De onbekommerdheid waarmee zij haar werk als kinderverzorgster in de vluchtelingenkampen had gedaan, de verstilde manier waarop ze deelnam aan de samenkomsten, de evenwichtigheid die ze aan den dag legde - het was een wonder dat alleen verklaard kon worden door genade. God had haar Zijn genade deelachtig doen worden, en hij, Bonifacius, had daarbij als Zijn werktuig gediend.
Het was alsof, bij het zien van het Vrijheidsbeeld dat boven de mistbank leek te zweven in het gouden licht van de herfstmorgen, een last van zijn schouders gleed waarvan hij het drukkende gewicht nauwelijks had gemerkt toen zij nog in Europa waren. Hij had, tot op het laatste moment, rekening gehouden met de mogelijkheid dat er iets tussen zou komen; die morgen nog, nadat de immigratieambtenaren aan boord waren gekomen bij het vuurschip Ambrose om alle passen en papieren te controleren, was hij met het hart in de keel met haar meegegaan naar het tafeltje. De man had alles gelezen, het
visum, de gezondheidsverklaring, de security-clearance van het hoofdkwartier van de generaal; bij het lezen van haar persoonsbeschrijving leek er iets mis te gaan, hij keek alsof hij er geen genoegen mee wilde nemen. Toen vroeg hij: ‘Quaker?’
Laura had alleen maar kunnen knikken; zij was blijkbaar ook als de dood dat er op het laatste nippertje iets mis zou gaan.
‘Prima mensen,’ zei de man, terwijl hij het visum afstempelde. ‘Ik vind het eigenlijk een veel beter geloof dan al dat gepreek en gezing en al die knielerij en die spreekkoren. Jullie doen tenminste wat. Onder de Duitse burgerbevolking gewerkt, zeker?’
Laura knikte; hij ook.
‘Arme donders. Het mag dan de vijand zijn, maar een kind blijft een kind. Nou, veel heil en zegen dan maar, en welkom in Amerika, mevrouw Baker.’
Hier stonden ze nu: voor de poort van de Nieuwe Wereld. Hij had bevestigd dat hij haar hier zou brengen toen het volkomen onmogelijk leek, en nu stonden ze op het punt aan te komen. Zou Moeder er staan, op de kade? Natuurlijk, als ze het op tijd gehoord had; het was maar een uur of drie van Philadelphia naar New York met de auto. Haar grootmoeder? Misschien, al was het veel verder van Pendle Hill naar New York, twee dagen en een nacht met de trein. Het hing ervanaf wanneer het bekend geworden was dat de Queen Mary zou aankomen; aankomst en vertrek van troepenschepen waren nog altijd militair geheim, ook al was de oorlog in Europa voorbij. Als haar grootmoeder er was zou die wel willen dat ze met haar meeging, net als Moeder van hem zou verwachten dat hij meeging naar Philadelphia. Hij had er nog niet bij stilgestaan; het binnenkomen in Amerika was zo'n kritiek punt geweest dat hij er eigenlijk nog niet over had nagedacht wat er zou gebeuren als ze eenmaal ‘Immigratie’ gepasseerd waren. Ze zou misschien nog een dag of wat blijven hangen met haar grootmoeder, daarna zouden hun wegen zich scheiden. En dan, over zes maanden, konden ze beginnen met de formaliteiten voor de echtscheiding.
Ineens gaf hem dat een neerslachtig gevoel. De reactie, natuurlijk, na al die maanden van spanning; dat hoorde bij een overwinning, dit gevoel van leegte, van: ‘Wat moet ik nu?’
Hij keek tersluiks naar haar. Ze stond, vol verwachting, de mist in te turen naar de eerste glimp van Amerika. Een wonder, hoe ze er bovenop gekomen was: lief, rustig, evenwichtig. Een beetje stil misschien, ingetogen. Maar wat een rust ging er van haar uit, wat een sereniteit. En dat had ze dan toch maar aan hem te danken.
Beschaamd wendde hij zijn ogen af, en tuurde ook de mist in. Want dat was hovaardig: hij was alleen maar het werktuig geweest, hij had alleen maar Gods liefde aan haar doorgegeven.
Hij begreep niet waarom, maar ineens klonk dat een beetje hol. Melig. Hij moest oppassen dat hij geen zalvende kwaker werd, zoals Ethan Woodhouse. Nee, hij moest anders worden. Zijn eigen leven leiden. Ver van de beschuttende armen van het Genootschap der Vrienden.
***
Met jankende sirene en flitsend blauw licht achtervolgde de motoragent de zwarte stationcar met de initialen mm op de achterklep. De stationcar sneed een bus, deed een bestelwagen die van rechts kwam een driekwart slag maken, reed door een stoplicht heen en werd, vlak voor de oprit naar de Westside Highway, zelf gesneden door de motoragent. Een ogenblik zag het ernaaruit dat de stationcar de agent zou scheppen, toen gaf de bestuurder het op.
De agent, met marmeren gezicht onder zijn helm, kwam op de auto toe en werd verwelkomd door een brullende herdershond van intimiderende afmetingen, die met ontblote tanden de zijruiten van de stationcar trachtte te verbrijzelen om hem naar de strot te vliegen. De agent greep naar zijn pistool; toen het zijraampje omlaaggedraaid werd zag hij dat de bestuurder een vrouw was van een jaar of vijftig, met een pothoed op die nu scheef stond, die er onthutst en confuus uitzag. Hij deed de klep van zijn holster weer dicht, haalde zijn verbaalboekje uit de borstzak en vroeg: ‘En, buurvrouw? Waar is de brand?’
De hond ging zo ontzettend tekeer dat de vrouw hem niet kon verstaan. ‘Ik zou maar uitstappen, want zo gaat het niet,’ zei hij, luid.
De vrouw worstelde met het brullende dier terwijl zij trachtte zich achterwaarts het portier uit te wringen. ‘Koest, Sally!’ riep zij. ‘Koest! Af! Af!’ Maar de hond was kennelijk niet getraind; hij bleef tekeergaan als een duivel in de hel.
Toen de dame eindelijk, hijgend en van streek, voor hem op het trottoir stond, zei ze, lacherig: ‘Doc Harvey had gelijk; Chinese jachtschotel! Maar dat meen ik niet echt, hoor,’ voegde ze er haastig aan toe.
De agent fronste. ‘Laat mij uw adem eens ruiken, mevrouw.’
Ze keek hem verbijsterd aan. ‘Waarom? Wat heb ik gedaan?’
‘U hebt zestig mijl gereden in een dertigmijlszone. U hebt twee keer geweigerd voorrang te verlenen. U hebt drie voertuigen die hun richtingaanwijzers uit hadden staan ingehaald en gesneden. U bent door een rood licht heengereden en hebt geweigerd gehoor te geven aan de sommatie van de politie om te stoppen.’
‘Maar - maar wanneer werd ik dan gesommeerd?’
‘Ter hoogte van de 42ste Straat, door geluids- zowel als visuele seinen.’
‘Door wie?’
‘Door mij, dame,’ zei de agent met dun wordend geduld. ‘Ik rijd al zes blokken achter u met m'n sirene en m'n flitslicht aan. Weet u niet dat dat betekent dat u onmiddellijk aan de kant van de weg moet stoppen?’
‘Maar ik kon u niet horen,’ zei het mens. ‘Mijn hond...’
‘Dan had u mij moeten zien!’
‘Maar u reed achter me!’
‘Kijkt u dan nooit in uw achteruitkijkspiegel, dame?’
‘Nee, nooit,’ zei ze. ‘Daar word ik zo zenuwachtig van.’
De agent opende zijn verbaalboekje. ‘Rijbewijs, alstublieft.’
‘U dan niet?’
‘Nee,’ zei de agent. ‘Ik niet. Vandaar dat ik nog leef.’
Zij lachte aanminnig. ‘Maar ik leef toch ook nog? En ik rij al twintig jaar!’
‘Voor wie?’ vroeg de agent. ‘Voor de Keystone Cops?’
Daar had ze geen antwoord op.
‘Rijbewijs,’ herhaalde hij.
‘O - o, dat is mijn tas...’ Ze maakte aanstalten het portier te openen; de hond zag eruit alsof hij zijn lippen aflikte bij het vooruitzicht van malse agentenkuiten.
‘Laat maar,’ zei de agent, ‘vertelt u het me zo maar, dan zie ik dat rijbewijs aanstonds wel. Naam?’
‘Baker-Woodhouse.’
De hond, achter haar, zette het op een brullen van teleurstelling en begon met zijn kop tegen de ruit te bonzen.
‘Voornamen?’
‘Dorothy Hepziba.’
‘Met welke letter begint de tweede naam?’
‘H. Hepziba. H.E.P....’
‘Oké,’ zei de agent. ‘Beroep?’
‘Directrice van de Mordechai Monk Blindeninstituten. Vandaar de hond, begrijp je, Vriend? Hij is opgeleid als blindengeleidehond...’
‘Hij lijkt me eerder een geef-mij-maar-een-hapje-blinde-hond,’ zei de agent, zouteloos.
Zij zag haar kans en nam die waar met vrouwelijke listigheid. ‘O, alsjeblieft, alsjeblieft,’ smeekte ze. ‘Mijn zoon en mijn schoondochter komen aan, ik hoorde het pas vanmorgen...’
‘Doet u geen moeite, dame,’ zei de agent, ‘ik ben niet geïnteresseerd in een stelletje rationalisaties. Adres?’
‘Heus!’ riep de vrouw uit, met tranen in haar ogen. ‘Heus, kijk maar! Daar komen ze!’ Ze wees op een grijs passagiersschip dat langzaam de Hudson kwam opgevaren.
‘Dat is de Queen Mary,’ zei de agent, opeens achterdochtig. ‘Hoe wist u dat die vanmorgen zou aankomen? U heeft een Pennsylvanië-nummerplaat, u moet vanmorgen vroeg vertrokken zijn.’
‘O ja, heel vroeg...’
‘Hoe wist u dan dat dat schip binnen zou komen? De bewegingen van troepenschepen zijn militair geheim.’
‘Ja, dat weet ik, maar de vuurtorenwachter van Sandy Hook is een Vriend, ik bedoel met een hoofdletter. Hij had beloofd dat hij mij op zou bellen zodra hij het schip binnen zag komen. Dat heeft hij gedaan, en ik ben halsoverkop vertrokken, vandaar dat het allemaal zo gehaast is, begrijpt u wel? Vandaar dat ik een beetje zenuwachtig was. Mag ik nu gaan, alsjeblieft?’
De agent liet zich niet vermurwen; pas tien minuten later mocht zij eindelijk verder, en toen was het grijze schip achter de huizen verdwenen. Dorothy reed, met gematigde snelheid voor haar doen, onder de bogen van de Westside Highway naar de pier van de Cunardlijn, waar ze al bezig waren het schip te meren. Ze parkeerde de stationcar, een beetje ongelukkig want er stonden al zoveel auto's, toen holde zij, Sally op de rand van een beroerte achterlatend, door het hek de pier op en voegde zich bij de menigte.
De roestige flank van het troepenschip was huizenhoog, daarboven waren
drie dekken, en overal, in de patrijspoorten, aan de railing van de dekken, tussen de reddingsboten, overal stonden soldaten die juichten en riepen en met hun baretten zwaaiden, niet beseffend dat ze er in hun battle-dress allemaal precies eender uitzagen; het was onmogelijk voor een zenuwachtige moeder om onder die duizenden identieke jongens degene te vinden waarvoor ze gekomen was. Het enige dat ze kon doen was meewuiven, ‘Hoera! Hoera!’ en ‘Welkom! Welkom!’ roepen in het wilde weg, terwijl haar ogen volschoten met tranen, waardoor ze helemaal niemand meer herkennen kon, ze kon zelfs geen vrouw onder al die mannen onderscheiden. Ze was al dagenlang zenuwachtig geweest in het vooruitzicht haar schoondochter te zullen ontmoeten; het speet haar dat Stella Best, die ze onmiddellijk door Grizzle had laten telefoneren dat de Queen Mary eraan kwam, onmogelijk vóór overmorgen hier kon zijn en haar niet terzijde staan in deze beproeving. Hoe zou het meisje eruitzien? Wat moest ze zeggen? Wat moest ze doen om haar op haar gemak te stellen? Ze had foto's gezien uit die afschuwelijke concentratiekampen, mensen, zo uitgehongerd en afgebeuld dat ze nauwelijks meer mensen leken maar geestverschijningen. Bonny had wel van alles over haar geschreven, maar zoals de meeste mannen was hij niet op de gedachte gekomen om haar te beschrijven, zodat zijn bezorgde moeder zich tenminste een voorstelling kon vormen van het meisje dat, ergens in Duitsland, haar schoondochter geworden was. Was ze klein, was ze groot, was ze mager? Natuurlijk was ze mager, na drie jaar in zo'n afschuwelijk kamp! En dan als bijzit van zo'n monster, zo'n ... ze moest er niet aan denken. Als ze eraan dacht, raakte ze haar laatste spoortje zelfverzekerdheid kwijt. Ze moest het meisje tegemoettreden alsof er niets gebeurd was, gewoon alsof ze uit een vreemd land kwam ... Maar dat was natuurlijk onzin, dat zou ze nooit kunnen volhouden wanneer ze eenmaal tegenover haar stond. Het kind moest uitgemergeld zijn, met van die holle ogen die ze op foto's gezien had...
De eerste soldaten begonnen uit de douaneloods naar buiten te hollen. Overal om haar heen werden moeders en vrouwen en meisjes omhelsd, allemaal door dezelfde man met hetzelfde pak aan en dezelfde baret op en dezelfde knapzak, dezelfde dekenrol...
‘Moeder!’
Haar hart stond stil, daar was hij, daar was hij! Maar nee, het was een andere dikke jongen, die haar voor zijn moeder had aangezien. Hij lachte schaapachtig, en zei: ‘Sorry, u lijkt erg op haar. U heeft haar zeker niet gezien? Ik bedoel, nou ja, net zo iemand als u, ik ... Moeder!’ en hij holde weg. Hij zou waarschijnlijk de laatste niet zijn. In de ogen van de jongens die nu de loods uitkwamen, bij drommen tegelijk, moesten de moeders die hier stonden ook precies dezelfde lijken.
‘Moeder!’
Opnieuw riep ze, met een brok in haar keel: ‘Ja, Bonny! Hier!’ Weer was het een ander, niet zo aardig als de vorige; deze keek haar aan alsof ze hem met opzet bedot had, zei: ‘Als je me nou!’ en liep zonder meer weg. Als ze haar hoed eens afzette? Misschien was dat het...
‘Moeder!’
Dit keer vloog ze er niet in. Ze bleef glimlachend voor zich uitstaren tot de domoor zijn vergissing zou hebben ingezien, toen werden armen om haar
hals geslagen en haar lieveling zei: ‘O, Moeder, Moeder, Moeder, wat heerlijk, Moeder!’
Wel een minuut lang stonden ze omstrengeld in een omhelzing. Tranen liepen langs haar gezicht, terwijl ze hem zoende en zijn pet streelde en voelde hoe dik hij geworden was en zijn handen kuste. Toen, op hetzelfde ogenblik, beseften ze allebei dat ze het meisje hadden vergeten. Hij liet haar los en zei, verlegen: ‘Nou, Moeder, dit is dan eh, dit is Laura...’
Daar stond ze, onder de wemelende menigte. Ze leek niet op de voorstelling die Dorothy zich van haar gemaakt had; ze was mollig, met koude blauwe ogen. Er was aan niets te zien wat ze had doorgemaakt, het leek ongerijmd dat dit weldoorvoede, laconieke meisje al die vreselijke dingen had beleefd. Maar er was geen tijd om zich daarin te verdiepen; Dorothy kwam met uitgestrekte handen op haar toe en zei, zo hartelijk als ze kon: ‘Laura, lieve kind, wat vind ik dát heerlijk, dat ik jou nou eens zie!’ Zij zoende haar op beide wangen, maar het meisje bleef er onverschillig onder. O, wat een koud, griezelig ... maar dat mocht ze niet denken! Dit was de eerste stap op een wie weet hoe lange weg. ‘Kom,’ zei ze, en ze nam het meisje bij de hand, ‘we gaan naar de auto. Onderweg moet je me alles vertellen, alles...’ Dat was natuurlijk een domme opmerking; stel je voor dat ze inderdaad alles zou gaan vertellen in die auto!
Bij het naderen van het hek hoorde ze een oorverdovend getoeter en gehonk van claxons en zag, tot haar ontsteltenis, wéér een agent bij de stationcar staan, door Sally, razend van woede, op een afstand gehouden. Daarachter stond een rij vrachtwagens, die toeterden en honkten omdat zij er niet door konden, want zij had haar auto, nou ja, een klein tikje te krap geparkeerd.
Ze ging schoorvoetend op de agent af, gelukkig was het een andere. ‘Het spijt me verschrikkelijk,’ zei ze. ‘Ik kan u niet vertellen hoe het me spijt, maar weet u, mijn zoon is net terug...’
Dit was een aardige agent; hij had het verbaal al opgeschreven en vroeg alleen om haar rijbewijs. Toen moest ze het papiertje nog tekenen; toen het klaar was zei hij: ‘Nou, gefeliciteerd, en een fijne dag verder, moeder. Maar ik zou maar oppassen dat die jongens je niet inhalen, anders heb je kans dat ze je de berm injagen. Ze staan al een half uur te toeteren.’
Ze stapte in en moest de hond, die nu helemaal door het dolle heen was, met haar tas op de kop slaan om hem tot bedaren te brengen. Zij zei, jachtig: ‘Kom, Laura, kom, kom! Stap maar naast mij in, en jij ook, Bonny! Gauw maar, gauw maar, want die mensen...’ Achter haar nam het koor van toeters en claxons in hevigheid toe. Ze kon de ellendige auto weer niet aan de gang krijgen; de motor wou niet aanslaan. Er kwamen allemaal kerels om haar heen staan, blijkbaar de chauffeurs van de vrachtwagens, die op het dak begonnen te bonken; Sally kreeg het er zo verschrikkelijk te kwaad van dat haar oren tuitten van het geblaf. Eindelijk sloeg de motor aan; ze reed weg met een sprong waar de kerels vloekend van opzijsprongen, hortend, schokkend, in de verkeerde versnelling, in de richting van de Holland-tunnel.
De agent had gelijk gehad: een enorme vrachtwagen zat vlak achter haar, bijna op haar bumper. Sally werd er zó hysterisch van dat zij wilde dat ze de wagen ergens kon parkeren en Bonny verder laten rijden. Maar dat lukte
niet, er waren te veel auto's om haar heen, ze kon de rechter rijbaan niet bereiken. In de tunnel was van stoppen helemaal geen sprake meer, en nog steeds zat die vrachtwagen, toeterend en met zijn lichten knipperend, vlak achter haar aan. Maar eindelijk was de beproeving voorbij, want ze zag kans door een tolhekje te rijden waar de vrachtwagen niet door mocht. Ze betaalde haastig, door een kiertje van het zijraampje, terwijl Sally, met de voorpoten op haar schouders, brullend tegen de tolwachter blafte en bijna in haar hand beet. Zij nam haar tas weer, sloeg het dier weer op de kop en riep: ‘Ga weg! Ga weg! Af, af! Ga weg!’ Ze was helemaal over haar toeren heen. Met een verwrongen gezicht van zenuwen en tranen reed zij weg, weer in de verkeerde versnelling, maar Goddank, dit keer was die afschuwelijke vrachtwagen er niet. Ze kon, eindelijk, gewoon rijden; ontspannen ... Toen pas dacht ze aan het meisje. Wat een ontvangst voor het arme kind!
Zij keek opzij, het ergste vrezend. Maar het vreemde meisje zat onverschillig voor zich uit te staren, alsof het hele geval haar koud had gelaten.
‘Nu,’ zei ze, ‘hèhè, dat hebben we achter de rug! Nu, lieve schat, laat me je nu eens vertellen, beste Laura ... Gaat het, Bonny?’
‘Ja, Moeder,’ zei Bonny achter haar, moe. ‘Doe maar kalm aan, je hoeft niet te praten. Zal ik rijden?’
‘Nee,’ zei ze, ‘dank je, dat is echt niet nodig. Ik ben eroverheen. Het was even een spannend ogenblik, maar ... Nu, Laura, laat me je eens vertellen waar wij heen gaan. Wij zijn dus op weg naar Philadelphia, maar eerst krijgen we New Jersey, de Garden State Parkway. Die volgen we...’ Sally, die nu niets meer te doen had, legde haar voorpoten op de rugleuning van de bank en stak haar hijgende kop tussen hun hoofden om op de weg te kijken, zoals altijd.
‘Weet je wat, Bonny,’ zei ze, ineens uitgeput, ‘vertel jij het Laura maar. Vertel jij maar waar we heen gaan.’
‘Ja, Moeder,’ zei hij, op die toon van murwe berusting die zij zo goed kende en die haar, opeens, een gevoel van eenzaamheid gaf.
***
Bonifacius kon de gedachte niet onderdrukken dat hij gedurende al de maanden van de veldtocht in Europa minder gevaar gelopen had dan nu bij Moeder in de auto. Toch had hij met haar te doen; die vrachtrijders hadden het wel bont gemaakt met hun Newyorkse agressiviteit. En dan die onmogelijke hond, die achterlijke brulaap los rondspringend in de wagen! Enfin, het bakbeest was tot rust gekomen, althans voorlopig, en zat nu mee te sturen met zijn kop tussen hen in. Laura zat er laconiek bij, die had in haar leven dan ook wel wat anders meegemaakt dan een chauffeursrel op een Newyorkse kade.
Eindelijk kon hij rustig naar buiten kijken naar de daken van Hoboken onder de strakblauwe najaarshemel, de zoevende bogen van de Pulaski Skyway, met daarachter de gashouders en de fabrieken aan de oever van de glinsterende rivier. En daar had je de Garden State Parkway, de bossen van New Jersey: Amerika. Thuis.
Hij voelde zich eindelijk ontspannen, leunde achterover en sloot de ogen;
de gil overrompelde hem volkomen: ‘Halt! Hilfe! Halt! Halt!’
Banden gilden; de auto slingerde wild, de hond brulde, zij hotsten de berm op, een portier werd opengesmeten, Laura tuimelde de wagen uit, belandde op handen en voeten in het gras. Voor hij haar had kunnen bereiken krabbelde ze overeind en holde, met de blaffende hond op haar hielen, de berm af naar de bosrand, waar ze, opeens, in een starre wijdgespreide houding roerloos bleef hangen. Toen hij haar bereikte zag hij dat ze in een afrastering van prikkeldraad gelopen was waarin ze nu wanhopig hing te huilen. Het was eigenlijk geen huilen, het was een loeien, als een dier in pijn. Hij begreep er niets van, wat was er gebeurd? Waarom was ze opeens gaan gillen en op de vlucht geslagen?
Hij probeerde haar kleren los te maken van het prikkeldraad. Haar battle-dress was gescheurd; haar handen bloedden; haar gezicht zat vol schrammen. Ze bleef maar loeien: ‘Hilfe! Hilfe!’ Hij trachtte haar tot bedaren te brengen, sussend: ‘Liefje, liefje, stil maar, stil maar. Alles is goed. Er is niets aan de hand. Stil nu maar. Kom, laat me je losmaken, kom. Toe nou, liefje...’ Hij slaagde erin haar uit het prikkeldraad te bevrijden, sloeg een arm om haar schouders en joeg de hond weg, die blaffend om hen heen danste. Het dier holde vooruit, terwijl hij haar behoedzaam de berm op hielp, terug naar de auto, waar Moeder met het hoofd in de handen achter het stuur zat.
‘Kom, Laura, kom...’ Hij hielp haar de auto in, op de achterbank, waar zij, half zittend, willoos bleef liggen met haar bloedende handen; het bloed uit de schrammen op haar gezicht was nu vermengd met tranen. Zij bleef maar loeien, op die toonloze manier: ‘Hilfe, Hilfe...’
‘Moeder?’
Moeder reageerde niet.
‘Moeder, waar is de eerstehulpdoos?’
Moeder nam de handen van het gezicht, tastte onder de voorbank en reikte hem de doos met verbandmiddelen. Daarna ging zij voor zich uit zitten staren achter het stuur.
Terwijl de ene auto na de andere voorbijzoefde en de stationcar deed schudden verbond hij Laura's handen, bette haar gezicht, en zei toen: ‘Kom, Moeder, ga bij haar zitten. Ik zal wel rijden.’
Moeder keek hem aan alsof ze in shock was. Maar toen ze sprak, was haar stem rustig. ‘Ik geloof dat we beter niet naar huis kunnen rijden - Tante Grizzle, al die honden - als we eens doorreden naar het eiland Eden?’
‘Waarom?’
‘Er zijn op het ogenblik geen conferenties. Alle cottages zijn vrij. Ik zou daar een paar dagen gaan zitten, tot ze tot rust gekomen is. Dan moeten Stella Best en jij en ik eens rustig bespreken wat we verder moeten doen.’
‘Ja,’ zei hij, ‘goed idee. Moeten we ze nog waarschuwen dat we eraan komen?’
‘Aanstonds moet ik benzine tanken, dan zal ik even opbellen.’
‘Goed,’ zei hij. ‘Kom, laat mij nu maar rijden.’ Hij hielp haar uitstappen en hield het achterportier voor haar open.
‘Laura?’ vroeg Moeder. ‘Wil je een eindje opschikken? Ik kom naast je zitten.’
Maar het leek alsof het arme kind alle kracht uit haar lichaam kwijt was,
hij moest helpen haar overeind te doen zitten. Moeder legde een arm om haar heen; toen Sally kwam snuffelen en Laura's oor likte, gilde ze opeens: ‘Nein, nein! Um Gotteswillen!’
‘Grote hemel,’ zei Moeder. ‘Leg dat dier toch vast, Bonny! Alsjeblieft!’
Hij stapte uit, deed de achterklep open, greep de hond bij de halsband en legde hem vast met de ketting. Toen ging hij achter het stuur zitten, startte de motor en stak zijn richtingaanwijzer uit.
Behoedzaam, alsof het een ambulance vol gewonden was, reed hij de berm af, de weg op.
Moeders telefoontje moest indruk gemaakt hebben, want toen zij bij de steiger aankwamen lag het veerbootje naar het eiland Eden al op hen te wachten met een blonde jongen met een groene overall, waterlaarzen en een sigaar.
‘Hallo,’ zei de jongen, zonder de sigaar uit de mond te doen, en strekte zijn hand uit om Moeder te helpen instappen. ‘Voorzichtig, Vriendin, stap in het midden van de boot, hij is nogal wankel.’
Moeder stapte in met bange onhandigheid en verloor haar tas toen zij, log, op een bankje plofte. Laura liet zich de boot inhelpen, willoos, alsof zij niet wist waar ze was. Bonifacius ging naast haar zitten; toen de touwen waren losgegooid en het bootje naar de overkant pufte, legde hij een arm om haar schouders en zei, als tegen een kind: ‘We gaan nu naar een Quaker-eiland. Daar krijgen we een cottage en kunnen we een paar dagen uitrusten voor we besluiten wat we verder gaan doen. Het eiland heeft vroeger aan mijn familie behoord, van hieruit is mijn betovergrootvader met zijn dochters de wildernis ingetrokken, nadat hij zijn slaven de vrijheid had gegeven. Heb je dat verhaal wel eens gehoord?’
Zij keek hem uitdrukkingloos aan; hij begreep dat ze hem niet hoorde of dat de woorden niet tot haar doordrongen.
‘Je zult eens zien hoe rustig het is,’ zei hij. ‘Meestal is het er erg druk, met conferenties en zo, maar nu is er niemand. Je hoeft niemand te zien.’
Zij wendde het hoofd af en keek naar het groene eiland, het roodbakstenen huis met de witte zuilen.
Op de steiger stond een forse vrouw in een Hawaïaanse moemoe hen op te wachten. Bonifacius kende haar van de keren dat hij met de jonge Vrienden op het eiland had vertoefd voor een conferentie; haar naam was Hanna Muggeridge. In zijn herinnering was ze bazig en kordaat; als er gezongen werd gilde zij het uit, een soort muzikale Grizzle. Moeders telefoontje moest haar goed voorbereid hebben, want toen zij hen verwelkomde, na het aanleggen van het bootje, klonk ze als katoen. ‘Dag, Dorothy Baker,’ zei ze, als in een ziekenkamer. ‘Dag Bonifacius. Is dit het meisje?’
‘Mijn vrouw, Laura,’ zei Bonifacius zo normaal mogelijk.
‘Aha!’ zei Hanna, alsof dit veel verklaarde. ‘Ik heb Caleb Martin voor jullie klaargemaakt, je kunt er direct heen. De bedden zijn opgemaakt; er is nog wel geen proviand, maar er is wel thee en koffie.’
‘Goed, goed,’ zei Moeder, een tikje kortaf. ‘Waar is de cottage?’
‘Aan het andere eind van het eiland. Je kunt erheen met het golfkarretje. Of wil je liever lopen?’
‘Ik zou zeggen, laten we maar het wagentje nemen,’ zei Bonifacius.
‘Nou, het staat klaar, maar er is alleen maar ruimte voor twee. Dorothy Baker, wil jij dan even meekomen naar Ann Traylor?’
‘Naar wie?’ vroeg Moeder.
‘Het hoofdhuis,’ antwoordde Hanna Muggeridge zoetsappig. ‘Alle huizen hebben de namen van de familie Baker, dat zou jij toch moeten weten? Het hoofdhuis heet Ann Traylor, naar de Ann Baker-Traylor die het heeft laten bouwen...’
‘Het karretje staat hier,’ zei de jongen in de overall. ‘Heb je wel eens eerder met zo'n ding gereden, Vriend?’ Boven aan het trapje stond een golfkarretje met een baldakijntje erboven.
‘Ik moet hem alleen maar in zijn vooruit zetten, nietwaar?’
‘Ja,’ zei de jongen, ‘hij is elektrisch. Je weet waar de cottage is, Vriend?’
‘Niet precies meer. Is het waar al die kleine huisjes staan, aan het eind van het eiland?’
‘Juist. Volg dit pad, langs de tennisbanen en de oude factorij, dan krijg je een paar honderd meter open veld en je ziet vanzelf de cottages liggen, onder de bomen. Jullie hebben de laatste aan je rechterhand, Caleb Martin. Het gas staat aan, er liggen lucifers, maar wees voorzichtig met vuur, want het is allemaal hout.’
‘Bedankt. Ik breng het karretje aanstonds terug.’
‘Dat hoeft niet, hoor,’ zei de jongen. ‘Ik kom het wel halen op de fiets.’
‘Nee, nee, laat maar. Ik moet ons toch nog inschrijven.’
De jongen zette de bagage achter op het karretje. Bonifacius hielp Laura instappen; met een gezoem en een geur van batterijzuur zette het wagentje zich in beweging en waggelde het pad op, nagekeken door de jongen met de sigaar. Zodra ze het hoofdgebouw voorbij waren reden zij de stilte en de wijdheid in, die Bonifacius zich herinnerde van zijn vorige bezoeken. Na een rit van een minuut of tien bereikten zij de bomen aan de zuidpunt van het eiland; toen zij tussen de beluikte cottages naar het grootste aan het eind van de zandweg toe reden, las hij de namen boven de veranda's: Bonifacius Baker, Beula Baker, Abigail Baker, Rebekka Baker, Joshua Baker, Cleopatra Baker, Harry Baker, Medea Baker.
Hij hield stil voor een somber houten huisje onder kastanjebomen, die hij toen hij de motor stilzette kon horen ruisen met een geluid van regen. Caleb Martin stond op het bord boven de veranda.
‘Kom, Laura,’ zei hij, en reikte haar de hand.
Zij liet zich helpen met uitstappen en liep, schoorvoetend, naar het trapje naar de veranda, alsof iets haar tegenstond. Geen wonder eigenlijk, met dat groene onderwaterlicht. Het binnenste van de cottage was nog donkerder; niettegenstaande het moderne meubilair en de posters aan de muren hing er een atmosfeer van melancholie. In de zomer kon het er gezellig zijn, vol jonge Vrienden; nu was het kil, somber, een vakantiehuis buiten het seizoen.
Zou het niet beter zijn als hij maar bij haar bleef, in plaats van het karretje terug te brengen? Hij voelde dat er iets niet in orde was; zij stond roerloos in het midden van de kamer, zonder om zich heen te kijken. Opeens rinkelde buiten een fietsbel, het was de jongen met de sigaar. Hij kwam met sjilpende rubberlaarzen de veranda op en bleef in de deuropening staan. ‘Zal ik de
boel even uitleggen?’ vroeg hij.
‘Nee, dank je. Misschien zou je zo vriendelijk willen zijn hier te blijven tot ik terugkom? Mag ik je fiets lenen? Ik moet naar het kantoor.’
‘Best hoor,’ zei de jongen. ‘Haast je maar niet, Vriend.’ Hij liep naar het karretje om hun bagage te halen.
‘Laura,’ zei Bonny, ‘ik moet even naar het kantoor om ons in te schrijven, ik ben dadelijk terug. Vind je dat vervelend? Wil je liever dat ik hier blijf? Zeg het maar.’
Zij keek hem wezenloos aan.
‘Ik ben heus bereid te blijven, hoor.’
Zij schudde het hoofd. ‘Ga maar,’ zei ze, hees.
‘Ik ga op de fiets, dan ben ik er zó.’
Buiten hield hij de jongen staande, op weg naar de veranda met de koffers. ‘Zou je hier op het balkon willen gaan zitten tot ik terugkom? Praat maar niet tegen haar, ik geloof dat het beter is als we haar laten betijen. Zet de koffers maar buiten neer. Oké?’
‘Oké,’ zei de jongen. ‘Maak je maar geen zorgen, Vriend. Mijn zus heeft het ook wel 's.’
‘Wat?’
‘Nou, dit. Niemand weet ooit waarom. Het waait wel over, hoor. Een paar uur een zuur gezicht, een beetje pruilen, dan is alles weer kits.’
‘O, juist. Nou, tot straks dan. Ik ben zo terug.’
‘Kalm aan maar,’ zei de jongen. ‘Ik heb de tijd.’
Bonifacius stapte op en fietste langs de cottages met de gesloten luiken, door de velden, langs de oude factorij met de bakstenen vaten, terug naar het hoofdgebouw. Daar stonden Moeder en Hanna Muggeridge hem in de hal op te wachten. In een van de rotanstoelen die los leken te drijven in de grote holte zat een grijze man met een dokterstasje op schoot. Toen Bonifacius binnenkwam stond hij op, strekte de hand uit en zei; ‘Ik ben dokter Flannigan. Hoe is het met haar?’
‘O, goed. Ze is een beetje beduusd. Verder geloof ik dat het wel gaat. Wie heeft u...’
Hanna Muggeridge kwam aanstevenen, met ruisende moemoe. ‘Ik heb dokter Flannigan gevraagd te komen. Je moeder en ik hadden de indruk dat ze nodig door een dokter moest worden onderzocht. Waar is het wagentje?’
‘Harry heeft mij zijn fiets geleend.’
‘Nou, dan bel ik hem even op dat hij meteen moet komen; dokter Flannigan heeft een slecht been en hij kan dat eind niet fietsen. Ze zal toch geen kwaad kunnen alleen?’
‘Nee, maar...’ Hij had nooit geweten hoe hij bazige vrouwen moest aanpakken.
Hanna Muggeridge ruiste terug naar de balie, draaide aan de zwengel van een ouderwetse telefoon, deed één oorbel af, legde de hoorn op haar oor en brulde in de tuit op het kastje: ‘Harry?! Ben jij dat, Harry?! Zeg, wil je even terugkomen met dat karretje? Er is hier een dokter die naar Caleb Martin moet ... Wat zeg je? ... Ik weet dat je het beloofd hebt, maar kom nou meteen, de dokter heeft geen uren de tijd. Ja, kom nou maar, meteen!’ Zij hing de hoorn terug op het toestel en deed haar oorbel weer aan. ‘Hij komt
eraan. Wil iemand thee?’
Bonifacius schudde het hoofd; de dokter glimlachte; Moeder, om de een of andere reden, begon te huilen.
Zij zaten, tegen wil en dank, te luisteren naar haar gesmoorde snikken. Buiten, op de rivier, klonk de zinderende roep van een scheepshoorn. Een musje kwam, sjilpend, de open deuren ingefladderd, bedacht zich en fladderde, sjilpend, weer naar buiten.
‘Dit is eigenlijk de beste tijd van het jaar, hier op het eiland,’ zei Hanna Muggeridge.
Niemand antwoordde. Toen zei de dokter, ineens: ‘Vertel me eens wat over haar. Wat is het voor een meisje? Wat is haar achtergrond?’
Bonifacius vertelde het hem. Op dat ogenblik, in dit huis, had het verhaal van Laura en haar vader en wat er met hen gebeurd was aan de andere kant van de aardbol iets onwezenlijks. Hij verwachtte niets van het bezoek van de dokter; de man kon zich onmogelijk met Laura vereenzelvigen. Hoe kon iemand hier zich voorstellen wat hij in kamp Schwalbenbach had gezien? Laat staan wat Laura had doorgemaakt.
Boven de deur naar het bordes met de witte zuilen was geschilderd, met ouderwetse gouden letters, de aanhaling uit de Openbaring: Het Beest uit den Afgrondt zal het Lam beoorlogen, ende het Lam zal zegevieren.
Hij herinnerde zich dat hij zich als jongen had afgevraagd wat dat eigenlijk te betekenen had. Nu, met het beeld van Laura gekruisigd in het prikkeldraad voor ogen, kregen de woorden een betekenis. Als er ooit een lam door de oorlog was overweldigd, dan was het Laura. Maar hij zag niet hoe zij ooit zou kunnen zegevieren.
***
Toen de jongen wegging na dat telefoontje, liep Laura naar buiten, de kille bungalow uit, de zon in. Ze zat in het zand aan de rand van de weg toen het wagentje met het rode baldakijntje aangewaggeld kwam door de velden. Het waren Bonifacius en een man met een tasje, die zich voorstelde als dokter Flannigan.
‘Ik kwam eens even naar u kijken, jongedame,’ zei de man toen hij uit het wagentje geklommen was en op de zandweg stond. ‘Ik heb begrepen dat u een beetje zenuwachtig bent. Te begrijpen, hoor, te begrijpen. Zullen we naar binnen gaan? Na u, na u.’ De dokter liet haar voorgaan, het trapje op, naar binnen, het schemerduister in.
‘Gaat u zitten.’
Zij gehoorzaamde en ging aan de tafel bij het raam zitten, dat uitzicht gaf op de veranda, de zonbeschenen zandweg, de blinde huisjes met hun gesloten luiken.
De dokter maakte zijn tasje open, haalde er een thermometer uit die hij afsloeg en haar voorhield. ‘Wilt u even opendoen? Dank u.’ Hij stak de thermometer onder haar tong. ‘Nu even de bloeddruk, dan weten we alweer een heleboel meer.’ Hij haalde een bloeddrukmeter te voorschijn, gespte de manchet om haar arm, stak de stethoscoop in zijn oren, drukte het microfoontje in haar elleboog en pompte de manchet op - precies zoals Heinzl, die
eerste nacht, toen zij doodsbang in het slaapkamertje lag. ‘Nanu, messen wir mal die Tension, kleines Fräulein.’
De manchet liep sissend leeg; de dokter zei: ‘Uitstekend, uitstekend.’ Toen vroeg hij, terwijl hij zijn boeltje terugdeed in het tasje: ‘Waarom waren wij vanmorgen ineens zo van streek? Was daar een speciale reden voor?’
Ze dacht er niet over om het deze man aan de neus te hangen. Ze schudde dom het hoofd.
Hij sloeg de benen over elkaar, plaatste zijn gevouwen handen op zijn knie, en zei: ‘Ik begrijp, het is natuurlijk de overgang van Europa in oorlog naar Amerika in vrede, het is dan ook een hele schok. Ik heb veel te maken met immigranten. Ze hebben er maanden, soms jaren op gevlast; dan komen ze aan, en bingo! Stapelgek! Ja hoor, sommigen worden letterlijk gek. Niet lang, hoor; het is zo voorbij. Het betekent dan ook niets, helemaal niets. Maakt u zich geen zorgen!’ Hij klopte haar op de schouder. ‘Ik zal u iets geven, een broompje, om u een beetje te kalmeren. Maar u lijkt me alweer aardig tot uzelf gekomen, niet? Niet?’
Zij knikte.
‘Kijk an, kijk an. Heeft niets om 't lijf. Maar u begrijpt, de mensen hier maken zich zorgen: uw man, uw - schoonmoeder, neem ik aan? Die mensen denken: foeifoeifoei, ze vliegt ineens, zonder waarschuwing, kakelend in de hanebalken, wat zou er zijn? Precies wat al die immigranten hebben: stapelgek, ineens stapelgek.’ Hij knipte zijn tasje dicht en zei: ‘Nou, ik zal u wat voorschrijven, en geen malle dingen meer, hoor! Denk maar: ik ben de enige niet. Ze reageren allemaal zo. Na een dag of wat worden ze gaandeweg Amerikanen, en dan voelen ze zich thuis.’ Hij stond op en reikte haar de hand. ‘Nu, het beste, tot ziens, en doe maar kalm aan. Mocht er iets zijn, dan kunt u mij altijd laten komen, hoor. Het is wel een eind, met dat veerbootje, maar ik kom, op welk uur van de dag of de nacht dan ook. U zegt maar tegen die mevrouw: ik heb de dokter nodig, ze belt me op en - bingo! Daar ben ik. Tot ziens dan, het beste.’
Nauwelijks was de man de deur uit of zij voelde opnieuw die angst. Ze sprong op en holde naar buiten; pas op de veranda bedacht zij dat ze niets moest laten blijken, of de dokter zou opnieuw beginnen met zijn daze gebabbel over stapelgekke immigranten. Maar Bonifacius had haar gezien; hij kwam met een bezorgd gezicht naar haar toe.
‘Laura, ik moet de dokter even terugbrengen, dat vind je toch niet vervelend, hè? Ik kan ook opbellen en vragen of die jongen...’
‘Nee,’ zei ze, ‘ik ga buiten zitten, net als daarstraks.’
Hij keek haar onderzoekend aan. ‘Even maar,’ zei hij, ‘ik ben zo terug.’ Hij liep naar het wagentje en klom achter het stuur; de dokter wuifde en riep: ‘Tussen haakjes, tot dat drankje komt: neem een glaasje whisky! Dat is ook prima hoor, prima!’ Hij wendde zich tot Bonny en ze hoorde hem zeggen: ‘Ik vind toch dat ze hulp nodig heeft. Ik zal u de naam geven van een prima man, in Philadelphia.’
Het wagentje rolde weg, zwaaiend met zijn rode baldakijntje over de lege velden onder de lege hemel. Zij staarde het na tot het uit het gezicht verdween. Daar zat ze dan weer, luisterend naar het suizen van de wind in de kastanje, precies zoals ze daarstraks gezeten had, maar toch was het nu
anders. Ook al zat ze weer met haar rug naar de bungalow toe, nu was het alsof de kilte daarbinnen haar gevolgd was. Zij moest het onder ogen zien: als zij verder wilde leven zonder steeds opnieuw in gillen uit te barsten, zoals in die auto, mocht ze niet langer iedere gedachte aan Heinzl of het kamp of Siegfried onderdrukken. Ze had gedacht dat het gelukt was, dat ze die drie jaren had uitgewist en opnieuw begonnen was op de avond dat Vader en zij samen in één bed op de ark geslapen hadden. Maar ineens, met die hijgende hondekop vlak naast haar ... Ze wilde er niet aan terugdenken. Het was gebeurd. Nu moest ze haar tanden op elkaar zetten en, met alle moed die ze opbrengen kon, zich omdraaien en het verleden onder ogen zien dat ze geprobeerd had te onderdrukken.
Ze had niet gemerkt dat ze was opgestaan en nu naar de bungalow stond te kijken met zijn lege veranda in de schaduw van de fluisterende bomen, zijn open deur naar de donkerte. Toen zij erheen liep, langzaam, met die angst als een vuist in haar maag, was het alsof daarbinnen niet alleen het verleden op haar wachtte, maar Heinzl zelf. Zij trachtte die gedachte van zich af te schudden, maar toen zij op de drempel van het sombere kamertje stond was hij er weer: niet zijn spook of zijn herinnering, maar zijn aanwezigheid, zoals ze die in het verleden zo vaak gevoeld had als hij heimelijk was binnengekomen en zij ineens voelde dat hij achter haar stond. ‘Heinzl!’ ‘Aber mein Liebchen, wie weisst du denn dass...’ En dan boog hij zich over haar en kuste haar nek, op het plekje waar ze niet tegen kon, en zij voelde zijn handen op haar schouders.
Ze sloot de ogen om zich van de beheksing te verlossen, en besefte wat het haar had aangedaan: de geur van de sigaar van de jongen in de groene overall, toen die telefoneerde. Ze was opeens zo verschrikkelijk alleen, zo koud en eenzaam en verloren zonder Heinzl, dat ze zich vastklampte aan de illusie dat hij er was, hier, in de kamer. De illusie werd zo sterk dat ze haar ogen opende en om zich heen keek; maar er was alleen leegte.
Opeens kreeg ze het te kwaad. Verkeerd! Verkeerd! Had ze Heinzl maar gehoorzaamd en die capsule in haar mond gestoken en doorgebeten, samen met hem! O, had ze toen maar de moed gehad! Zij bedekte haar gezicht met haar handen. Op die brug was haar laatste kans geweest, ze had moeten springen, niet naar die jongen luisteren, zich niet laten verleiden om Heinzl de rug toe te keren en zich voor te nemen nooit meer aan hem te zullen denken. Nooit, nooit, nooit meer zou ze aan hem denken, nooit - en het was haar gelukt, ze had het gekund, tot opeens die hijgende hond in de auto ... Waarom eigenlijk? Waarom die hond? Vanwege Siegfried? Vanwege die oude stakkers die gillend wegholden, zigzag over de appèlplaats, en die...
O, mijn God! Ze moest iets doen om te ontkomen aan die klanken, beelden, dat gevoel dat Heinzl er was. Ze opende de laden onder het aanrecht: vorken, lepels, een rasp, een pollepel, een zeefje. Toen zag ze, onder de telefoon, een schoteltje met een peukje sigaar. De jongen moest dat hebben achtergelaten. Ze rook eraan.
‘Laura? Liebchen, was machst du denn da?’
Ze holde naar een deur, rukte die open: een bezemkast - trapje, strijkplank, bezems...
‘Nanu, du bist ja eine richtige kleine Hausfrau!’
Ze vouwde haar handen: ‘O God, God...’ en zag een zolderluik.
‘Laura...’ Zijn bleke, bange gezicht tuurde een seconde lang omlaag uit het luik naar de vliering, toen verdween het.
Ze wist dat hij er niet was, maar klampte zich vast aan dat gevoel dat hij nog even terug was, even maar.
‘Heinzl?’ riep ze, vragend. ‘Heinzl, bist du oben?’ Het was onzin, ze was bezig gek te worden; maar ze kon er niets aan doen, ze moest even, even maar, zich verbeelden dat hij er was. Ze holde naar de bezemkast, haalde het trapje te voorschijn, zette het neer en klom erop. Het luik knerste open. Ze wilde weer roepen: ‘Heinzl? Bist du da?’ maar ze kon er niet meer in geloven. Hij was dood, hij kwam nooit meer terug; hij zou haar nooit meer in zijn armen nemen, nooit meer fluisteren: ‘Laura, Liebes...’
Ze sprong van het trapje, holde naar het aanrecht, pakte het peukje en stak het aan, met trillende handen. Ze dronk de rook in; die smaakte afschuwelijk, ze werd er onpasselijk van. Maar toen ze weer naar het trapje terugliep en de geur van de rook opsnoof was het opeens weer alsof hij er was, daarboven: zenuwachtig, bang...
Ze klom het trapje op, greep de rand van het luik en trok zich op. De vliering was niet donker; aan het eind was een raampje, warrig van spinnewebben, dat een schemerig licht doorliet. Zij keek om zich heen en zag een gebroken kinderstoel, een fauteuil zonder poten die zij, na lang turen, herkende als een zitbad, en aan de hanebalken een korfje, de halster van een paard.
‘Nein, ich bin auch noch niemals hier gewesen;ich wusste ja nicht dass es da war. Hier können wir uns verstecken, Laurachen, wenn es jemals nötig wäre.’
Hij was zo werkelijk, zo griezelig dichtbij, dat zij, om aan hem te ontkomen, de halster van de spijker lichtte en hem bekeek. Zij zag dat het geen halster was, maar een soort korset van leer, met gespen. Het moest oeroud zijn, want het leer was verdroogd, de riempjes kraakten bij het aanraken. De mens die dit gedragen had in het ver verleden leek opeens werkelijker dan Heinzl, van wie niets meer over was, helemaal niets behalve de geur van sigarerook. Ondanks haar verlangen nog één keer bij hem te zijn, was hij opgelost: verdwenen in het niets. Vergeleken bij Heinzl was de man die dit harnas gedragen had zo werkelijk, dat ze het wegwierp, zich liet zakken, het luik sloot, haar handen afveegde aan haar battle-dress. Toen hoorde ze een fietsbel buiten.
Ze zette haastig het trapje weg en legde het peukje terug op het schoteltje, vlak voor Bonifacius binnenkwam.
‘Nu,’ zei hij, opgewekt, ‘ik heb met de school van je grootmoeder getelefoneerd, en ze is al onderweg. Overmorgen is ze hier. Hoe vind je dat?’ Hij keek haar aan alsof hij niet zeker meer wist hoe zij op iets zou reageren.
Grootmoeder? Misschien. Misschien zou ze aan Grootmoeder kunnen vertellen wat hij nooit begrijpen kon. ‘O, wat leuk,’ zei ze.
Zij stonden enkele ogenblikken tegenover elkaar, niet wetend wat te zeggen; toen zei hij: ‘Ik heb boterhammen meegebracht. Zullen we koffie zetten?’
***
Gedurende de broodmaaltijd zeiden ze geen woord; nu zaten ze op de veranda, naast elkaar, op twee vouwstoelen, en luisterden naar de merels die tjuikten in de kastanjeboom in voorbereiding van de nacht. De stilte tussen hen groeide tot een leegte die hij nooit eerder in haar tegenwoordigheid gevoeld had; toen bedacht hij dat dit de eerste keer was dat ze helemaal alleen waren, ongestoord. Al die maanden waren ze deel geweest van de ambulancedienst, toen van de menigte aan boord van de Queen Mary. Overal mensen, op het laatst hadden ze het niet eens meer gemerkt, de mensen werden deel van hun leven. Nu zaten ze, moederziel-alleen, naast elkaar in de stilte van het eiland te luisteren naar het suizen van het lover, het geritsel van de vogels, en soms de zinderende orgeltoon van een schip op de rivier.
Misschien kwam het door die onbegrijpelijke uitbarsting in de auto, maar terwijl hij daar zat daagde het besef in hem dat hij haar eigenlijk helemaal niet kende. Dat de lieve, stille, ingetogen Laura aan wie hij in al die maanden gewend was geraakt en van wie hij, misschien, zelfs een beetje was gaan houden, in werkelijkheid een vreemd, angstaanjagend meisje was waar hij nu naast zat.
Enfin, overmorgen zou hij haar overdragen aan haar grootmoeder. Aan boord van het schip had het vooruitzicht hem soms neerslachtig gemaakt, nu hunkerde hij ernaar zijn eigen leven weer op te vatten. Uitgaan, meisjes zien, op iemand verliefd worden. Hij zou niet kunnen trouwen voor ze officieel gescheiden waren, maar dat was ten slotte een kwestie van zes maanden. God had hem opgedragen haar Amerika binnen te brengen, dat had hij gedaan. Zijn taak was voorbij, nu moest God het dan verder maar opknappen via haar grootmoeder. Het klonk zo koud, zo cynisch, dat hij zei: ‘Laura, zullen we samenkomst houden?’
‘O? Best.’
Hij vouwde de handen en sloot de ogen, en trachtte alle gedachten te bannen, ook het domme gebabbel: hoor die merels eens; net regen, die wind in de bomen. Allengs werd het stil van binnen.
Het eerste dat in hem opkwam was een gevoel van deernis voor het meisje naast hem. Geen sentimenteel medelijden of een cerebraal betreuren van haar lot; deernis voor het kind, ver van huis, aan de oever van een continent dat zij niet kende, met niemand op de wereld behalve een grootmoeder die ze voor het laatst gezien had als klein meisje en die ze zich nauwelijks meer voor ogen kon halen. Ook al was die oude dame lerares, ervaren in het omgaan met jonge mensen, zou ze zich kunnen indenken wat Laura had doorgemaakt? Kon iemand dat, die niet met eigen ogen het kamp gezien had? Zelfs de psychiater waar Moeder en de dokter het over hadden, moest met een gevoel van machteloosheid aan de grens van haar ervaringswereld blijven staan. En toch, alleen via het proces van vereenzelviging met de ander zou zij ooit verlost kunnen worden van de demonen van haar verleden. Dat kon, bovendien, alleen iemand doen die van haar hield.
Wacht 's, Bonny, dacht hij. Ben je soms bezig jezelf wijs te maken dat jij de enige bent die haar helpen kan? Maak dat je wegkomt, jongen! Je hebt een eigen leven. Je hebt genoeg gedaan.
Maar toen hij, aan het eind van de samenkomst, haar hand nam was die ijskoud. Opnieuw werd hij getroffen door haar eenzaamheid. ‘Vertel eens, Laura, wat wil jij eigenlijk? Wat zou jij het liefste willen, nu, op dit ogenblik?’
Het was te donker geworden om de uitdrukking in haar ogen te zien. Hij wachtte op haar antwoord, met een gevoel van noodlot; toen zei ze: ‘Ik heb zo'n trek in chocola; zouden ze hier een automaat hebben, net als aan boord van het schip?’
Het was alsof hij een plens koud water in zijn gezicht gekregen had. ‘Ik weet niet. Zal ik even - ik ga wel even kijken.’
‘Maar dan moet je dat hele eind fietsen, en 't wordt al donker.’
‘O, dat kan me niet schelen,’ zei hij. ‘Ik fiets graag. En de schemering is hier altijd lang.’
Na die kletspraat maakte hij zich uit de voeten, duwde de fiets naar het karrespoor, sprong erop en zwabberde weg, staande op de pedalen, ploegend door het rulle zand.
Er bleek inderdaad een snoepautomaat in de hal te zijn. Hanna Muggeridge keek naar hem op een manier van: nou jongen, je bent al vet genoeg, ik zou het maar een beetje kalm aan doen als ik jou was. Hij kocht onder haar afkeurende blikken twee marsrepen, twee o'henries en twee hersheyrepen met noten, dat moest maar genoeg zijn voor één nacht. Hij voelde geen deernis meer voor het verlaten wezentje dat nu op hem zat te wachten op de veranda van dat enge huisje.
Hij propte de repen in zijn zakken, sprong weer op de fiets en peddelde terug naar de cottage. Toen hij aankwam zat ze niet op de veranda. Hij zette de fiets tegen het trapje en riep: ‘Laura?’
Er kwam geen antwoord. Toen hij naar binnen ging zag hij, midden in de kamer, een trapje staan onder een open luik in de zoldering.
‘Laura? Ben je boven?’
Hij hoorde gestommel; toen verscheen haar gezicht in de luikopening. Ze had een sigaar in de mond.
Op dat moment besefte hij dat ze krankzinnig was.