terug  begin  verder
[p. 184]

Drie

Gedurende de rit in de taxi van Philadelphia naar het eiland Eden zat Stella Best zich zorgen te maken over haar kleindochter. Zelfs als ze Dorothy Bakers neiging tot dramatisering in aanmerking nam, moest Laura er slecht aan toe zijn. Die plotselinge uitbarsting in de auto, waar Dorothy over verteld had, was natuurlijk een symptoom van totale innerlijke verwarring. O, ze kon het zich zo goed indenken! Ze herinnerde zich hoe zij zelf eraan toe was geweest, hoe lang het geduurd had voor ze eroverheen was, ook al leek ze evenwichtig en normaal. Ze kon zich indenken wat het kind bezielen moest ten opzichte van de ondermenselijke beulen die haar hetzelfde hadden aangedaan als destijds haar grootmoeder. Net als zijzelf moest het kind verteerd worden door haat, door dagdromen waarin ze de mensapen...

Zij opende de ogen en keek naar de rivier, haar handen stijf gevouwen op de krul van haar paraplu. Ze moest zich maar liever herinneren hoe ze hier, als meisje, met een janplezier langsgereden was, op weg naar het eiland voor een bijeenkomst van Quaker-jongeren of een retraite van de Maandvergadering. Ze dwong zich om die jonge, blije dagen voor de geest te halen, maar ze kon de mensapen niet vergeten, de haat beefde nog altijd vlak onder het vlies van haar zelfbeheersing. Vijfenveertig jaar, en nog altijd was ze een sidderend wrak, nog altijd was, ergens in haar, dat verscheurde wanhopige wezen aan het reutelen en rollen op de grond, aan het kermen: ‘John! John!...’

O, mijn God! Zij tikte met haar paraplu op de tussenruit. Toen de chauffeur het raampje openschoof zei ze: ‘Vriend, we zijn er nu bijna. Het is zulk mooi weer. Ik denk dat ik maar even ga wandelen. Zet me hier maar af.’

Zij rekende af en had er eigenlijk spijt van, want het was nog een eind, en ze zou zo snel mogelijk bij Laura moeten zijn. Ze gaf de man een veel te grote fooi, om iets af te kopen waarvan ze zelf niet wist wat het was; toen liep ze langs de berm van de weg onder de bomen die nog moesten dateren uit de tijd dat de eerste Bakers hier met hun sjezen naar het eiland reden.

De wandeling deed haar goed. Ze kwam tot bedaren door te denken over wat de dokter over Laura gezegd had, dat ze behandeld moest worden door een psychiater. Misschien zou haar dat zelf ook goed gedaan hebben, destijds; maar toen was daar nog geen sprake van geweest. Toen, als iemand een verschrikking had doorgemaakt zoals zij, of een schok ondergaan die hij niet te boven kon komen, kon hij daar alleen maar met de hulp van God bovenuit komen; geen Quaker zou het in zijn hoofd gehaald hebben om naar een zenuwarts te gaan, want dat was een nederlaag voor de Beginselen. Misschien zou ze zelf een ander mens geworden zijn als, vlak nadat het gebeurde, een objectief, rustig iemand haar had aangehoord en geholpen om de dingen in hun ware proporties te zien. Maar wat waren, mijn God, de ware proporties?

[p. 185]

Je man voor je ogen te zien doodschieten, tien keer verkracht te worden door hijgende, kwijlende mensapen die haar vreselijk pijn deden, vreselijk ... Ze zette het op een holletje onder de bomen, dwaas oud dametje in het zwart met een paraplu.

Toen ze, eindelijk, aankwam bij de steiger tegenover het eiland was ze er niet zeker van of het wel een goed idee was om Laura te gaan opzoeken. Wat kon ze haar in vredesnaam zeggen? Of zou haar eigen ervaring een brug kunnen zijn? Was hier, eindelijk, de mogelijkheid om de ramp die haar leven vernietigd had om te zetten in iets positiefs? Die gedachte deed haar, uiteindelijk, de klok luiden voor de veerpont. Ze stond, haar paraplu onder de arm, zenuwachtig te staren naar het motorbootje dat zich losmaakte uit de beboste oever van het eiland en op haar afgestevend kwam. Het zag er anders uit dan het pontje vroeger, dat met een ketting over de rivier getrokken werd. Het legde aan met een zwaai, een jongen met een sigaar stak de hand naar haar uit en zei: ‘Stap maar in, Vriendin, in het midden.’

Hij hielp haar, maar ze was blij toen ze zat. Het bootje voer snel, toen ze de steiger naderden zag ze een vrouw staan. Ze dacht, met haar hart in de keel, dat het Laura was, tot ze besefte dat het een vrouw was van een jaar of vijftig, in een flodderjurk met een strop van houten kralen, die haar verwelkomde met: ‘Welkom, Vriendin, welkom. Jij bent zeker Stella Best?’

‘Ik ben Stella Best,’ bekende zij, met tegenzin. ‘Zijn mijn - zijn ze binnen?’ Ze keek op naar het imposante huis met de witte pilaren, dat er nog altijd onquakerlijk uitzag.

‘Nee, ze hebben een cottage, aan het andere eind van het eiland. Harry hier zal je wel even wegbrengen in het wagentje, hè, Harry?’

‘Voorzichtig, Vriendin,’ zei de jongen met de sigaar. ‘Even de rok optillen misschien, Vriendin. Niet struikelen, er staat een dot stroom.’

Zij lichtte haar rokken op en klom met de knie op de steiger. Belachelijk, mensen van haar leeftijd zo'n gymnastiektoer te laten doen; maar misschien kwamen hier niet veel mensen van haar leeftijd. In haar tijd waren ze ook allemaal jong geweest en vol verwachting en verliefd en...

‘Prachtige dag, hè?’ zei het mens met de kralen. ‘Heb je je kleindochter lang niet gezien?’

O, een roddelaarster. ‘Inderdaad,’ zei ze, stroef. ‘Waar is dat wagentje?’

‘Deze kant uit, Vriendin,’ zei de jongen.

Zij volgde hem, langs geurende struiken die ineens herinneringen losmaakten aan werkkampen, jongemeisjesverliefdheid, naar een wagentje met een rood baldakijntje, waar zij instapte met even weinig vertrouwen als in het bootje. Het ding waggelde weg, met haar en de jongen in de roze schaduw van het baldakijntje.

Ze waren naar haar schatting halverwege het eiland toen ze een dikke jongen op een fiets op hen af zag komen, die zwaaide om het karretje te laten stoppen. Hij had een soort houthakkershemd aan met rode en blauwe ruiten en een groene broek. Kleurenblind, blijkbaar.

‘Stella Best?’ vroeg hij, hijgend van het fietsen.

Toen drong het tot haar door wie het was. ‘Bo-Bonifacius?’

‘Prettig kennis te maken,’ zei de jongen en reikte haar de hand, vooroverleunend over zijn fiets. ‘Zeg, Harry, moet je horen, mag ik Stella Best verder

[p. 186]

brengen? Dan geef ik jou de fiets. Ik zal zorgen dat het wagentje terugkomt.’

‘Goed, Vriend,’ zei de jongen met de sigaar. Hij klom eruit en de dikkerd klom erin. Zij wilde niet overhaast oordelen, maar kon het niet helpen dat hij haar teleurstelde. Ze had, na zijn rapport, iemand anders verwacht; maar, natuurlijk, hij was een zoon van Bolle Francis.

Hij klom achter het stuur, morrelde met een stangetje, het wagentje zette zich in beweging. ‘Ik had gedacht, misschien kunnen wij even praten, Stella Best, voor we naar Laura gaan?’

‘Goed,’ zei ze. ‘Ik heb van je moeder gehoord wat er voorgevallen is, in de auto. Ik zou graag wat meer details horen. Weet ze dat ik er ben?’

‘Ja, Hanna heeft opgebeld.’ De jongen sloeg linksaf, naar een groep bomen aan de rand van het water. Pas toen ze zerken zag in het hoge gras herinnerde zij zich de begraafplaats van de familie Baker. Daar had ze, met John, op een zomeravond...

Het was doodstil op het kerkhofje. Toen het wagentje stopte zaten zij naast elkaar te luisteren. De wind ruiste in de bomen; water klotste in het riet. ‘Nu,’ zei ze, ‘daar liggen ze dan, je voorouders.’

‘Ja,’ zei de jongen.

‘En? Hoe is het met haar?’

‘Redelijk.’

‘Je moeder had het over een psychiater. Dat scheen het advies van de dokter te zijn.’

‘Ik geloof dat ze meer geholpen zou zijn door iemand die van haar houdt. Die, samen met haar, haar problemen in liefde onder ogen wil zien. Dat lijkt me beter dan de een of andere dokter bij wie ze op een bank mag liggen babbelen.’

‘Die liefde zou ik moeten opbrengen, bedoel je?’

‘Je hebt mijn rapport gelezen? Hoe ik Laura op die brug aantrof, in de verwoeste stad?’

‘Ja, dat heb ik gelezen.’

‘Dat zij zich van de wanhoop afwendde toen ik haar ervan wist te overtuigen dat zij naar jou toe kon?’

‘Je schreef: de zelfmoord.’

‘Wat het ook was: het idee naar jou toe te gaan hield haar ervan terug. Ik wil maar zeggen: haar verwachtingen zijn hooggespannen. Ik moet toegeven, de mijne ook.’

‘Dus jij wilt zo gauw mogelijk de benen nemen, als ik het goed begrijp?’

Het was een onaardige opmerking, maar als het hem onaangenaam getroffen had liet hij het niet merken. ‘Laat ik het zo stellen: ik hoop dat jij voor Laura doen kunt wat ik niet doen kan. Ik kan haar niet bereiken. Soms zit ze te staren, en ziet eruit alsof ze naar je luistert, maar is met haar gedachten heel ergens anders. Misschien zijn het geen gedachten, misschien is het alleen maar een leegte. Als ik haar zou moeten beschrijven zou ik zeggen: een stil, teruggetrokken iemand die soms de indruk geeft alsof ze een beetje verdwaasd is, verdoofd. Half in slaap. Behalve wanneer ze, zoals eergisteren, ineens uitbarst in een soort crisis.’

‘Hoe, precies?’

‘Gillen, vluchten in paniek, in het wilde weg.’

[p. 187]

‘Waarvan vlucht ze? Heb je daar enig idee van?’

‘Ik neem aan van iets wat haar op dat moment te veel wordt. Een herinnering, een associatie.’

‘Is het al eerder voorgekomen?’

‘Nee, eergisteren was voor het eerst.’

Zij vond hem nuchter, koud, maar ze kon haar eigen reactie niet vertrouwen. Want dit was het kerkhofje waar John en zij elkaar voor het eerst gekust hadden. Nu, een halve eeuw later, was ze op weg naar een tragisch kind dat, uiteindelijk, voortgekomen was uit die eerste schuwe omhelzing, zo vol onverwachte hunkering en verschrikte onschuld.

‘Nu,’ zei ze. ‘Laten we maar gaan. Ze zal zich afvragen waar we blijven’

De jongen zette de motor van het wagentje aan; zij waggelden terug naar het karrespoor door de velden. Zij staarde naar de witte huisjes die langzaam naderbij kwamen, en bad om kracht. Pas toen zij het laatste van de rij naderde en een meisje op de veranda zag staan besefte ze dat ze om liefde had moeten bidden.

‘Hier zijn we!’ zei de jongen, met gemaakte joligheid. Hij sprong van de bok, liep om het wagentje heen en hielp haar uitstappen. Langzaam liep zij naar de veranda.

Pas toen zij aan de voet van het trapje stond en opkeek zag zij Laura's gezicht. Het gaf haar een schok, want daar stond Lily.

Ze leek zo sprekend op haar overleden moeder op die leeftijd dat Stella niet wist wat ze moest doen of zeggen. Ze stond daar maar, en voelde tranen opwellen in haar ogen. Eindelijk zag ze kans om te zeggen: ‘Dag kind, hoe gaat het ermee?’

‘Goed, Oma,’ zei het meisje. ‘En met u?’

‘O, Laura...’ Ze holde het trapje op en struikelde en omhelsde het kind en drukte het tegen haar aan; het was alsof ze Lily in haar armen hield, alsof ze alles in haar armen hield wat van haar weggenomen was, alle warmte en leven en vreugde en geluk. Tranen stroomden langs haar wangen, en ze voelde binnen in zich dezelfde afschuwelijke zwakheid die ze gevoeld had toen zij dat rapport las. Maar ze moest zich beheersen. Ze moest, ze moest! Pas toen ze probeerde zich te beheersen drong het tot haar door dat het meisje, dat zij zo onstuimig omhelsde, helemaal niet reageerde. Het was of ze bezig was een vreemde te omhelzen, die niet wist hoe hij haar voorzichtig moest meedelen dat ze zich vergiste.

Dat was natuurlijk ook zo. Het was niet Lily, het was Laura Martens, een vreemde, die vreselijke dingen had doorgemaakt in een concentratiekamp.

‘Gunst, wat ben jij groot geworden,’ zei ze. ‘Ik vind het heerlijk je te zien, Laura.’

‘Ik ook, Oma,’ zei de vreemdelinge.

 

***

 

Laura had het oude dametje in huiverige afwachting op zich af zien komen, maar toen ze omhelsd werd was het net of ze bevroor. Ze wilde zich overgeven aan die tederheid, die liefde, maar stond stokstijf, met stijgende weerzin, en begreep niet waarom. Pas toen Oma haar losliet besefte ze waarom:

[p. 188]

na Heinzl had niemand haar meer op deze manier aangeraakt. Het was voor het eerst na zijn dood dat iemand haar in de armen nam.

Maar waarom die felle weerzin? Het was Oma, de enige die ze nog op de wereld had! Oma mocht haar toch wel omhelzen en aan haar hart drukken? Maar ze kon het niet helpen; ze had maar één opwelling: haar van zich af te stoten. Ze moest zich beheersen. Het lieve mensje was kennelijk geschrokken van de manier waarop zij haar ontvangen had. Ook al deed Oma opgewekt, haar ogen verrieden haar; ze keek met verschrikte verwondering naar haar kleinkind.

Het oude dametje babbelde honderd uit terwijl zij, bedrijvig, Bonny ging helpen tafeldekken. Laura keek naar hun huishoudelijke bedrijvigheid, luisterde naar de dappere manier waarop ze over koetjes en kalfjes praatten, en het was alsof haar eenzaamheid dieper werd. De twee brave mensen waren als de dood voor haar, ieder ogenblik verwachtten ze dat zij opnieuw in gillen uit zou barsten en de benen nemen. Ze hadden er geen idee van wat er met haar aan de hand was. Hoe kon het ook? Volgens hen was zij de lijfeigene geweest van een bruut, die haar, met zweepslagen en dreigementen, gedwongen had zich aan hem te onderwerpen. Hoe stelden ze zich dat eigenlijk voor: drie jaar lang het slachtoffer te zijn van een menselijke dekstier, een geselende bruut? Zij zouden nooit kunnen begrijpen dat een man die buitenshuis de wreedste dingen deed, binnenskamers met zijn geliefde de tederste, meest zorgzame en begrijpende man van de wereld kon zijn. Ze had het zelf nooit kunnen begrijpen. Die generaal had haar gevraagd hoe het mogelijk was, ze had er geen antwoord op geweten. Hoe konden deze brave mensen, nu bezig papieren servetjes naast de borden te leggen en te babbelen over de Philadelphiase Jaarvergadering, er ooit iets van begrijpen? Bonifacius had het kamp met eigen ogen gezien, maar zelfs hij dacht over Heinzl als een snuivende, hijgende bruut. Nooit zou hij begrijpen wat die generaal wel begrepen had: dat om de een of andere raadselachtige reden bloeddorst en tederheid, het africhten van honden om mensen te verscheuren en het met tranen in de ogen luisteren naar het klarinetkwintet van Mozart verenigd konden zijn in één man, die, wanneer hij de drempel overstak van de ene wereld naar de andere, zonder een zweem van zelfverwijt of schaamte zijn geliefde in de armen kon nemen en veranderen van een scherprechter in een engel van tederheid. Ze konden het niet alleen nooit begrijpen, ze zouden het nooit geloven. Ze was in een wereld aangekomen waar niemand er de flauwste notie van had wat er in Europa was voorgevallen.

‘En, Laura?’ vroeg Oma, ‘hoe vind je het nu hier, in Amerika? Het zal wel een grote overgang voor je zijn, hè?’

Ze kon alleen maar glimlachen.

 

***

 

Tijdens de maaltijd en de afwasserij daarna werd de zwijgende tegenwoordigheid van het meisje allengs zo drukkend dat Stella er zenuwachtig van begon te worden. Het kind zei niets, deed niets, liet hen hun gang gaan en observeerde hen alsof ze twee hamsters in een tredmolentje waren. Maar toen zij, na de afwas, samenkomst hielden op de veranda in de avondscheme-

[p. 189]

ring besloot Stella dat die animositeit en koude onverschilligheid zelfverweer waren, een beschermende muur die het kind om zich heen had opgetrokken, zoals ze dat waarschijnlijk drie jaar lang had moeten doen, om niet vernietigd te worden door de beul die haar misbruikte als een hoer, een ding, een ... O, ze kon het zich zo helemaal voorstellen! Net als die afgrijselijke, hijgende mensapen met hun puilende ogen, die haar, als een beest, een ding ... Maar tijdens de samenkomst kwam de gedachte opnieuw bij haar op dat zij, als door een wonder, de enige was die zich vereenzelvigen kon met dat meisje, zich haar afschuwelijke marteling inleven, begrijpen waarom zij zich nu verweerde tegen iedere poging tot toenadering van de buitenwereld. Ze werd er zo zeker van dat God haar naar dit kind gezonden had, met haar kruis op haar schouders, vanwege dat kruis, dat ze op het punt stond er iets over te zeggen als getuigenis, toen, jammer genoeg, de jongen begon te getuigen. Hij sprak, zoetelijk, over de vreugde van de hereniging, dankte God dat zij veilig waren aangekomen en nu met een schone lei konden beginnen, en smeekte Hem om daarop de eerste woorden te willen schrijven, als een leidraad, een vingerwijzing. De bedoeling was goed, maar de woorden klonken op dat ogenblik pijnlijk sentimenteel. Zij keek tersluiks naar Laura en zag haar met haar handen in haar schoot zitten, de ogen gesloten, toonbeeld van devotie.

Na de samenkomst dronken ze thee, keken naar de vleermuizen in de vallende nacht, luisterden naar het toeteren van de boten op de rivier, en praatten over de slaven die eens in deze cottages gewoond hadden, ook al waren het waarschijnlijk niet meer de oorspronkelijke. Eindelijk gingen ze naar bed. De jongen sliep op de bank in de zitkamer; Laura en zij in de slaapkamer op twee smalle bedden dicht bij elkaar. Buiten de neergelaten krees klonk het eentonige gekwaak van kikkers.

Toen de lamp was uitgeblazen lagen zij een tijdje in stilte naar de kikkers te luisteren; toen zei Stella, in de duisternis: ‘Vertel het maar, kind.’

‘Wat, Oma?’

‘Alles. Ik ben je grootmoeder - ik begrijp het zo goed! O, als je eens wist hoe goed ik het begreep!’

‘Wat, Oma?’

‘Het is ook met mij gebeurd. Ze hebben alles met me gedaan wat ze met jou gedaan hebben...’ Tijdens de samenkomst had ze er nuchter over kunnen denken; nu, ineens, werd ze overweldigd door het verdriet, de gruwel, de afgrijselijke leegte, dat zwarte gat waarin haar leven gevallen was. ‘Het gebeurde in Afrika, lang geleden...’

Ze had het hele vreselijke verhaal nog nooit aan iemand verteld, nog nooit, aan niemand. Het kwam eruit op een emotionele manier die ze nooit van plan geweest was. ‘Ik weet het, ik weet alles, ik begrijp alles, ik ben er zelf doorheen gegaan! Lieve schat, aan één ding moet je je vastgrijpen: het is tegen je wil gebeurd. Je moet het beschouwen als een soort natuurramp; ze hebben je overweldigd, ze hebben met hun knieën je armen en benen gespreid, je in je gezicht geslagen toen je ging bidden, en dan die vreselijke, vreselijke pijn ... Eén ding moet je bedenken: geen schuld! Schat, je hebt geen schuld! Het heeft niets te doen met zonde. Zonde is als je alle waarden en goddelijke wetten in de wind slaat en als een dier je begeerte volgt, je

[p. 190]

instincten...’

Ze smeekte God dat het kind het zou begrijpen, de hand zou grijpen die haar werd toegestoken, de hand van iemand die haar begreep omdat zij dezelfde weg had afgelegd door het donkere dal van tranen.

 

***

 

Zonde. Terwijl het oude dametje in het donker voortging met van tranen verstikte stem te beschrijven wat ‘zonde’ was, voelde Laura zich opnieuw bevriezen, zoals die middag, toen Oma haar tegen zich had aangedrukt. Want als dit de definitie van de zonde was: je begeerte volgen, alle goddelijke wetten in de wind slaan in de roes van de zinnelijke liefde, dan zouden de Amerikanen, als ze ooit de waarheid te horen kregen, haar niet alleen nooit begrijpen maar zich vol afgrijzen van haar afwenden. Haar gaan naar Amerika was een afschuwelijke vergissing geweest.

Ze viel ten prooi aan zo'n wanhoop dat toen Oma haar hand trachtte te grijpen, zij die terugtrok en snauwde: ‘Mens! Laat me met rust!’

Ze had er onmiddellijk spijt van. Wat moest de stakker wel niet van haar denken? Ze luisterde, met ingehouden adem; Oma lag doodstil, het leek zelfs of ze niet ademde. Wat moest ze doen? Wat kon ze zeggen?

De kikkers kwaakten, kwaakten.

Toen hoorde ze Oma zachtjes huilen in het donker.

 

***

 

Bonifacius had de avond tevoren liggen luisteren naar de stemmen achter het beschot, maar ze niet kunnen verstaan; het eentonige gekwaak van de kikkers had hem doen inslapen. Nu, bij het ontbijt, werd hem duidelijk dat het contact tussen Laura en haar grootmoeder waar hij al die maanden op gerekend had, niet tot stand was gekomen.

Het oude dametje probeerde het fiasco te verbergen door over het weer en over zijn moeder te praten; zij repte niet over wat er tussen haar en Laura was voorgevallen, maar vermeed iedere toespeling op een toekomst die zij en Laura zouden delen. Laura zat er met een onverschillig gezicht bij en zei geen woord; geen wonder dat Stella na het ontbijt zo gauw mogelijk de benen wilde nemen, want de stilte van het zwijgend voor zich uit starende meisje was ondraaglijk geworden. Het golfkarretje stond er nog van de avond tevoren; Stella en Laura namen vriendelijk, bijna beleefd afscheid; het oude dametje ging weer naast hem in het karretje zitten: tas op schoot, haar handen op haar paraplu; met haar zwarte jurk en haar zwarte hoedje leek ze een overblijfsel uit een vorige eeuw, een orthodoxe Quaker uit de jaren negentig.

Zodra zij het laatste huisje gepasseerd waren vroeg hij: ‘Stella, wat is er toch gebeurd? Hebben Laura en jij onenigheid gehad?’

‘Niet hier,’ zei ze, zonder naar hem te kijken. Het was natuurlijk dwaas op deze afstand nog bang te zijn dat Laura kon afluisteren wat ze te zeggen had, maar hij begreep eruit hoe overstuur ze was.

‘Zullen we weer naar het kerkhofje gaan, waar we gisteren waren?’

[p. 191]

‘Zoals je wilt.’

Ze reden zwijgend naar de begraafplaats onder de bomen. De ochtendnevel van de rivier hing nog in sluiers tussen het lover; in het oeverriet klonk het gekwetter van vogels. Ze zaten een tijdje zwijgend naast elkaar te luisteren naar het gesjilp en getierelier, toen zei Stella: ‘Ze is mijn kleindochter. Ik ben natuurlijk bereid om haar bij me in huis te nemen. Maar niet terwijl ze ziek is. Ik heb het vannacht gemerkt, ze is geestelijk gestoord. Dat kan ik niet aan. Dat mág ik niet. We moeten haar overdragen aan een arts die opgeleid is om gevallen zoals zij op te vangen. Jij zegt, het enige dat haar redden kan is de liefde, en je liet doorschemeren dat je verwachtte dat ik die liefde zou opbrengen. Maar liefde is niet iets wat je opendraait, als een kraan. Jij bent degene die het voor het zeggen heeft, want je bent met haar getrouwd, om welke reden dan ook. Ze is je wettige vrouw. Besluit dus maar. Als jij zegt: niet naar een psychiater, ze moet met liefde omringd worden, dan moet jij zelf die liefde opbrengen, jongen. Het is altijd zo geweest, onder Quakers, dat als iemand opstaat in samenkomst en zegt: “Wij moeten, als Vrienden, zus of zo doen,” dat het antwoord daarop is: “Vriend, waarom doe je het zelf niet?” Dat is het gevaar van je mond open te doen in de tegenwoordigheid Gods.’

Hij zat daar met een gevoel van domme ontsteltenis. Hij had een kuil gegraven voor een ander en was er zelf in gevallen. ‘Stella, ik wil niet dramatiseren, maar ik blijf erbij dat Laura nu in een inrichting te stoppen onvergeeflijk zou zijn.’

‘Zover ben ik niet gegaan. Ze moet behandeld worden, geholpen door een man die ervoor opgeleid is. Tijdens die behandeling moet ze ergens wonen. Als jij vindt dat ze met liefde omringd moet worden, en daar heb je zeker gelijk aan, dan moet ze bij jou wonen, niet bij een oude vrouw die totaal geen aansluiting bij haar heeft, ook al heet ze honderdmaal “Oma”. En als je nu zou zeggen: “Sorry, dat was nooit de bedoeling, ik heb gedaan wat ik op me genomen heb, maar hier blijft het bij” - laat haar dan opnemen. Ik zal de laatste zijn om je dat kwalijk te nemen.’

Dat was het dan: hij moest de verantwoordelijkheid voor dit verlaten meisje opnieuw op zich nemen. Hij voelde geen geestdrift, niets van de bezieling die hem destijds had doen besluiten met haar te trouwen. Hij wilde dat toen hij zich aanbood als Gods werktuig die nacht op de brug om Laura uit de wanhoop te redden, hij zijn mond maar gehouden had.

Maar dat was kinderachtig. Laura had nu niemand meer behalve hem. Hij kon haar, na al die maanden, niet aan vreemden overlaten, hoe deskundig ook.

‘Nu,’ zei hij, en strekte de hand uit naar de sleutel om de motor te starten. ‘Dan zullen we maar verder modderen met ons tweeën.’

‘Wat ben je van plan?’

‘Ik heb nog geen gelegenheid gehad om erover na te denken. Ergens werk voor ons tweeën vinden, onder negers of Indianen. Ergens waar ze tot rust kan komen terwijl ze het soort werk doet waar ze aan gewend is. Zou je ons daarmee willen helpen?’

‘Hoe?’

‘Je kent Ethan Woodhouse goed. Zou je hem erop willen voorbereiden dat

[p. 192]

ik om werk kom vragen? Ik geloof dat de enige kans die we hebben via de Meeting for Sufferings is.’

‘Goed. Ik ga er vanmiddag wel even langs. Dus geen psychiater?’

‘Laat ik daar eens met Ethan Woodhouse over praten,’ zei hij, en zette het wagentje in beweging.

Zij reden door het hoge gras tussen de zerken terug naar het karrespoor.

 

***

 

Het restaurant was rumoerig, vol kantoorpersoneel uit de omliggende bureaus dat luidruchtig zat te lunchen; Ethan Woodhouse was een oase van rust. Hij zat, op een bankje geperst dat bestemd was voor mensen van normale afmetingen, met een weldoende glimlach op Stella neer te kijken. Stella kon niet zeggen wat haar zo'n gevoel van ontspanning gaf in zijn tegenwoordigheid, misschien het feit dat hij eigenlijk nooit luisterde. ‘En?’ vroeg ze, ‘wat zal het zijn? Hongaars piepkuiken, of haneborst à la Eisenhower?’

‘Dat is ook kip, hè?’

‘Inderdaad. Nu, wat wordt het?’

Ineens vroeg hij, met een terloopsheid die haar overrompelde: ‘Hoe kom je er eigenlijk bij dat je kleindochter geestelijk gestoord is?’

‘Nou - dat zei ik je net. IJskoud. Emotioneel bevroren.’

‘Je bedoelt, van haar kant was het geen liefde op het eerste gezicht? Dat zou je inderdaad geestelijk gestoord kunnen noemen. Als ze een man was.’

Ze keek hem verbijsterd aan.

‘Ik denk dat ik die haan à la Eisenhower maar neem,’ zei hij tegen een kelner die opdook van achter een bloembak vol plastic klimop, als een verkeersagent met zijn bonboekje. ‘Mijn waarde vriendin hier beslist zelf.’

‘O, geef mij maar hetzelfde,’ zei ze, alleen om zich van de tegenwoordigheid van de kelner te ontdoen. Toen vroeg ze: ‘Hoe kom je daar in vredesnaam bij, Ethan? Je denkt toch niet dat ik het kind als geestelijk gestoord beschouw omdat zij ongevoelig is voor mijn verlepte charme? Ze is mijn kleindochter! Het enige familielid dat ik nog heb in de wereld!’ Ze besefte zelf dat haar protest te heftig was.

‘Och,’ zei hij, ‘die dingen zijn natuurlijk zelden rationeel. Ik kan me voorstellen dat je je onprettig voelt vanwege de schijnbare overeenkomst tussen jouw ervaring en de hare.’

‘O nee, daar ben ik nu wel achter. De schade die ik heb opgelopen was anders.’ Tot haar eigen verbazing voelde ze opeens haar ogen volschieten met tranen.

Hij zag haar tranen, maar ze brachten hem niet van zijn stuk. Hij moest aan alle mogelijke soorten en vormen van menselijk lijden gewend zijn, dat was ten slotte zijn vak: het verzachten van menselijk lijden, op wereldgrote schaal.

‘Het is de eenzaamheid, weet je,’ ging zij verder, in een poging het informatief te doen klinken. ‘Ik mis hem nog steeds ontzettend, ook al is het nu al zo lang geleden. Jij zei dat de tijd alle wonden heelt. Nou, laat ik je vertellen, ik lijd nu net zoveel pijn als toen. Ethan, ik verga van de pijn.’ O, mijn God, waarom zei ze dit allemaal?

[p. 193]

‘Ja, hij was een bijzondere man.’ Een nietszeggende opmerking, maar het was ten slotte haar eigen schuld. Wat kon hij anders zeggen? Arme Stella, ik vind het zo vreselijk voor je? Ze was een sentimentele oude tang. Waar bleef die haneborst à la Eisenhower?

‘Misschien geldt dat ook voor haar,’ zei hij, opeens. ‘Misschien lijden jullie hetzelfde soort pijn.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Misschien heeft zij ook iemand verloren van wie ze hield.’

‘Als je twintig bent doe je niet anders dan ze verliezen en nieuwe vinden. Waar ik het over heb is het verliezen van het licht uit je leven. Niet alleen maar een man waar je van houdt; een man waar je deel van geworden bent, waar je tot aan de rand toe mee bent gevuld. Wanneer je die verliest, verlies je je hart, letterlijk. O, zeker, je functioneert, je gaat een eigen leven inrichten, je herwint een soort identiteit zonder hem, maar het is allemaal uiterlijk. Van binnen ben je een lege schelp. Ik - o, mijn God, ik kan me de Brits-indische weduwen indenken die zich samen met het lijk van hun man laten verbranden. Als ik naga wat er sindsdien met me gebeurd is, zou het een daad van mededogen geweest zijn van een genadige God. Maar ja, jij weet net zo goed als ik dat er geen “genadige God” bestaat. God is God, en daarmee af. Ha! Daar komt het eten.’

De kelner zag kans zijn gevoelens ten opzichte van de wereld uit te drukken in de manier waarop hij de borden voor hen neerzette. Zij sloegen hem met berusting gade. Toen hij weg was, nam Ethan haar hand. Zij dacht dat hij haar wilde troosten, maar het bleek dat hij een ogenblik van stilte met haar wilde delen. Toen het voorbij was bracht hij haar hand aan de lippen en kuste die. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij. ‘Dit hebben mijn achternichtjes aan de Quaker-ceremonie toegevoegd. Zij kussen iedereen die naast hen zit de hand als ze klaar zijn met hun tafelgebed. Lief, hè?’

‘Weet je, het wanhopige is dat niemand hem ooit zal kunnen vervangen,’ ging zij verder. ‘Natuurlijk heb ik erover gedacht om opnieuw te trouwen. Ik was ten slotte nog een jonge vrouw toen het gebeurde, ik had een dochtertje van twee, dat een vader nodig had. Ik heb oprecht geprobeerd belangstelling in mezelf op te wekken voor andere mannen, maar zodra ze me aanraakten, al was het nog zo kuis, ging ik dood. Het was afgrijselijk. En toch wilde ik een eind maken aan die monsterachtige eenzaamheid. Maar hoe meer ik probeerde te doen wat kinderen van twintig jaar doen: strooi er eentje, vind er eentje, hoe bezoedelder en eenzamer ik me voelde. Uiteindelijk heb ik dan maar aanvaard dat ik een weduwe blijven zou voor de rest van mijn dagen. En laat ik je zeggen, beste vriend ... heb je die haneborst al geprobeerd?’

‘Ja,’ zei hij. ‘Goed, heel goed.’

‘Nou, dat treft Eisenhower dan,’ zei ze, terwijl ze probeerde onopvallend haar tranen te drogen met haar servet. Een kat zou er misselijk van worden, van haar en haar sentimentele gezwam. Toch kon ze het niet laten eraan toe te voegen: ‘Ik vertel je dit om je duidelijk te maken dat een kind van twintig er nooit zo aan toe kan zijn als ik. Daarvoor zijn jaren en nog eens jaren van geraffineerde marteling nodig, zoals God en de inquisitie weten.’

‘Och, ieder mens is verschillend,’ zei hij. ‘Ik weet niets van haar af, behalve

[p. 194]

wat ik in dat rapport gelezen heb en wat jij me van haar verteld hebt. Bovendien ben ik geen psycholoog, maar een dilettant...’

‘Je bent een van de meest volleerde mensenkenners die ik ken, Ethan. En schei nou uit met die valse bescheidenheid. Ik zou niet mijn ziel voor je ontbloten alleen maar om je gelegenheid te geven nederig te zijn.’ Ze zaten een tijdje in stilte, toen vervolgde zij: ‘Maar wie? Ze was niet getrouwd, ze had niet eens een aanstaande, voor zover ik weet.’

‘Haar vader, misschien? Of die kampdokter?’

Zij kon haar oren niet geloven. ‘Dat meen je toch zeker niet? Die - die bruut, die haar behandelde als een - een lijfeigene?’

‘Waarom niet? Ze heeft drie jaar lang als man en vrouw met hem geleefd. Daarvoor zal ze op een gegeven moment toch een soort modus vivendi hebben moeten vinden.’

‘Maar de man was een moordenaar! Hij heeft mensen afgemaakt, of af láten maken, alsof het straathonden waren!’

Hij keek haar peinzend aan. ‘Er is een versregel van Victor Hugo: “Et c'est la volupté de toutes ces colombes, d'ouvrir leurs lits à ceux qui font ouvrir les tombes.”

‘Wat betekent dat?’

‘Het is de wulpse behoefte van deze duifjes om hun bed te openen voor hen die de graven doen openen.’

‘Charmant. Ik vraag me af wat hém voorzweefde toen hij dat dichtte. Wij hebben het over een onschuldig jong meisje.’

‘Hij ook. Colombe betekent: onschuldig jong meisje. Ik haal het niet aan om met mijn cultuur te geuren, maar om je te bewijzen dat het idee niet zo vergezocht is als je denkt.’

Opeens stuitte deze wending in hun gesprek haar tegen de borst. ‘En hoe gaat het met de Alliance Française?’ vroeg ze, om hem af te leiden.

‘O, interessant en stimulerend, als altijd,’ antwoordde hij. ‘Tussen haakjes, ze geven vanavond een lezing door een Franse dichter: “Het absurde in de filosofie van Camus.” Heb je zin om mee te gaan? Ik heb twee kaarten. Misschien heb je van hem gehoord: zijn naam is Stanque.’

‘Dat verwondert me niets,’ zei ze, kinderachtig. ‘Maar laten we tot de zaak terugkeren. Heb je nog nagedacht over dat idee waar ik je vanmorgen over telefoneerde?’

‘Ehem - ja...’ zei hij, ontwijkend. ‘Ik moet beginnen met te zeggen dat het normaal gesproken niet mogelijk is. Het is niet wat je noemt een evenwichtig stel; het enige dat ik ze met goed geweten zou kunnen geven is een sinecure, en die vind je bij ons eigenlijk niet. Ik weet dat de Meeting for Sufferings niet de meest efficiënte organisatie ter wereld is, maar we hebben minder dood hout mee te sjouwen dan andere liefdadigheidsorganisaties.’

‘Goed goed,’ zei ze, ‘dat weet ik allemaal. Heb je wat gevonden?’

‘Dat wil zeggen ... Wil je een toetje, tussen haakjes?’ Hij leek ineens vijftig jaar jonger; als schooljongen al had hij niets kunnen verbergen.

‘Waarom doe je zo achterbaks?’ vroeg ze.

Hij keek haar niet aan toen hij antwoordde: ‘Wat zou je zeggen van de Huni-pueblo?’

‘Je bent gek.’

[p. 195]

‘Waarom niet? We hebben daar een jong Quaker-echtpaar nodig, overtuigde Vrienden. En dat schijnt die jongen...’

‘Je bent gek, Ethan! Dat labiele meisje naar de luguberste buitenpost in je collectie? Hoe kom je er in vredesnaam bij?’

‘Stella,’ zei hij. ‘Als je kleindochter inderdaad geestelijk gestoord is kunnen wij haar nergens naar toe sturen; dan moet ze naar een inrichting.’

‘De Huni-pueblo ís een inrichting! Bij die Indianen vergeleken is het dwergje McHair een nieuwlichtster: die leeft tenminste in de middeleeuwen. Als je mij vraagt...’

‘Ik vraag het jou niet,’ zei hij, met een begin van ergernis. ‘Ik zal het die jonge mensen zélf laten beslissen. Ze staan ten slotte niet onder curatele, noch van jou, noch van mij.’

‘Goed,’ zei ze, ‘geef me dan maar een kop koffie.’

Hij wenkte de ober.

‘Ik dacht dat we er net een nieuw echtpaar hadden geplaatst?’ vroeg ze. ‘Hebben we hun eerste rapport niet behandeld, op de vorige bestuursvergadering? Harner heetten ze, of zo iets.’

‘Ja, ja...’ antwoordde hij, vaag. ‘Dat is zo. Maar de man is overleden, drie maanden geleden. Sindsdien is de post onbezet.’

‘O? Waaraan?’

‘Een ongeluk. In een ravijn gevallen.’

De zure ober kwam opdagen; hij bestelde een echte koffie voor zijn waarde vriendin en voor zichzelf een koffie Hag. ‘Vandaar dat we op het ogenblik weer eens moeite hebben met Doña McHair,’ ging hij verder toen de man weg was. ‘Ze wil ons een proces aandoen omdat we het lazaret drie maanden onbezet hebben gelaten. Herbert Haring van onze Indiaanse afdeling is erheen om haar over te halen ons uitstel te geven. Vandaar dat ik zo gauw mogelijk...’ Hij liet het erbij.

‘Ah juist,’ zei ze, ‘er moet een echtpaar heen, krankzinnig of niet, als de Huni-post maar in Quaker-handen blijft.’

‘Onzin, Stella. Ik zei alleen...’

‘Je moet me niet kwalijk nemen, ik denk aan die kinderen.’

‘Goed,’ zei hij. ‘Ik denk aan de Hunis.’

De ober kwam met de koffie. Terwijl hij afrekende keek ze naar hem. Hij leek zo vaag, zo vriendelijk, op het slappe af; maar in werkelijkheid was hij net als het Genootschap der Vrienden: in laatste instantie onvermurwbaar, niet alleen voor anderen, ook voor zichzelf.

terug  begin  verder