‘No!’ zei Doña Ana McHair, als een koppig kind. ‘Als jullie Quakers niet binnen de maand twee verplegers sturen, zoals in de erfenisakte is bepaald, zal ik het legaat overdragen aan de Katholieke Kerk, bisdom Nieuw Mexico.’
Herbert Haring besefte dat hij geen kans maakte haar over te halen het geld voor een ander doel te besteden onder het beheer van de Meeting for Sufferings. Het was oneerlijk. Hoe kon je bekvechten met een dwerg, zonder je de mindere te voelen nog voor er een woord gesproken was? Daar kwam bij dat, net als haar irritante kleindochter die pinnig naar hem zat te staren door haar uilebril, Doña McHair geen moeite deed te verbergen dat ze hem niet kon uitstaan. Hij vroeg zich af wat de reden kon zijn voor deze antipathie. Kwam het omdat hij de Quakers vertegenwoordigde? Hadden de Harners iets gedaan wat deze mensen tegen hen ingenomen had? Als dat zo was dan waren ze er wel ruimschoots voor gestraft, de arme donders. Of was het misschien die slijmerige priester in de pueblo, die het er kennelijk op aan stuurde zich te ontdoen van de Quakers? Of zou het zijn eigen persoonlijkheid zijn die hen tegen de haren in streek? Het meisje zat naar hem te kijken alsof hij van onder een steen te voorschijn was gekropen. Nou, zij moest nodig praatjes hebben met die brilleglazen als de bodems van flessen en die dikke, negroïde lippen. Opeens haatte hij ze allemaal: de Huni Indianen, de onbeschofte ranchero's, het laatdunkende jonge meisje en de onverzettelijke dwerg. Hij moest zich maar uit de voeten maken voor hij Doña Ana zó tegen zich innam dat ze het proces zou doorzetten. Die maand uitstel had hij tenminste, zijn opdracht was voltooid. Stom, dat het venijnige oude mensje weigerde in te zien dat zij en hij eigenlijk aan dezelfde kant stonden: allebei wilden ze een eind maken aan de wassen neus van het lazaret, en het geld beter besteden, al dan niet ten bate van de Hunis. Die kans had hij, dit keer althans, verspeeld.
‘Nu,’ zei hij, en hij stond op met een glimlach, ‘dat was het dan, voor vandaag. Eind van de maand ben ik weer in Kissing Tree; misschien dat we dan verder kunnen praten.’
Het dwergje dat eruitzag als een pekinees met haar puilende ogen en haar kleine, gedrongen snoetje, zei bits: ‘Adiós!’ Zij wierp haar kleindochter een blik toe die een bevel inhield; het meisje stond op en zei: ‘Ik breng u naar uw auto.’
‘O, doet u geen moeite, ik weet hoe ik eruit moet komen.’
Zij verwaardigde zich niet hem te antwoorden; ze draaide zich om en liep de lange, schemerige gang in met de donkere Spaanse meubelen die op knieën stonden te loeren naar de deur naar het voorplein, waar zijn huurauto stond te wachten in de felle zon. Bij de voordeur vroeg ze, met een felheid die hem verraste: ‘Was dát nu de Benadering van een conflict op de manier
van de Vrienden?’ Zij keek hem door haar vingerdikke lenzen aan als een schildpad in een terrarium. ‘Is niet de eerste grondregel: “Vereenzelvig je met je tegenstander”? Als u niet zo ongeduldig geweest was...’
‘Ongeduldig? Mijn beste jongedame!’
‘Cru. Hebberig. U had net zo goed iemand kunnen zijn die probeerde haar een auto te verkopen, of een wasmachine. Ik dacht dat Quakers...’
‘Het spijt me, maar ik ben geen Quaker,’ zei hij koeltjes. ‘Ik ben maar een ongelovige sociaal werker, die de kastanjes voor de Quakers uit het vuur haalt. Nu - als u me niet kwalijk neemt...’ Hij opende de glazen voordeur en stapte het zonlicht in, dat hem trof als een emmer heet water.
Zij volgde hem. ‘Laat ik maar een eindje meerijden, anders komt u er nooit uit,’ zei ze zonder geestdrift. Voor hij had kunnen protesteren blies ze op haar vingers, een schel, ordinair geluid; een gezadeld paard kwam met slingerende stijgbeugels de patio ingedraafd, gevolgd door een bloeddorstig bulkende Deense dog. Hij rukte het portier open, vluchtte de auto in en trok het portier weer dicht. Zij ging naast hem op de voorbank zitten en zei: ‘Rijden maar.’
Hij startte de motor en reed de patio uit. In de achteruitkijkspiegel zag hij het paard, dat hen volgde in het gezelschap van de hond. ‘Moet ik langzaam rijden vanwege die dieren?’
‘Rij maar zo hard als u wilt,’ zei ze. ‘Die houden ons wel bij.’
Ze reden zonder verder een woord te zeggen het karrespoor af naar de woestijn. De wijdheid buiten de oase van de haciënda was overweldigend, en oneindig eenzaam. De toppen van de bergen aan de horizon waren wit van sneeuw, de heuvels van de woestijn leeuwinkleurig, met hier en daar de zwarte spikkels van jeneverbesstruiken, niet te onderscheiden van het zwarte vee dat door de eenzaamheid dwaalde. Het was een melancholiek landschap, alsof het doordrenkt was van de hopeloosheid van de Hunis, gekooid in de dierentuin van hun pueblo op die kale, onherbergzame rots. Geen wonder dat er niemand te vinden was om de Harners op te volgen; alleen onwereldse Quakers in Philadelphia, suffend in vrome stilte, konden over het sinistere lazaret onder de zwijgende, vijandige Indianen als ‘een roeping’ spreken.
‘Heeft u de Harners gekend, juffrouw McHair?’
‘Ja. Hier moet u rechtsaf.’
‘Door dit hek? Maar deze weg ben ik niet gekomen...’
‘U wilt toch naar Kissing Tree?’
‘Ja...’
‘Doe dan wat ik zeg, het scheelt een half uur.’
In de stilte die volgde proefde hij zijn antipathie voor het schepsel naast hem bijna met genot. Wie was het ook alweer, die geschreven had: ‘Boys seldom make passes at girls wearing glasses’? Afgezien van de bril was ze een remedie tegen de liefde: breedgeschouderd, geen boezem, een half hoofd groter dan hij en handjes die griezelig klein leken. ‘Gaat u dikwijls naar de pueblo, juffrouw?’
‘Ja.’
Niet wat je noemt een briljante gesprekspartner. ‘Wat denkt u van het ongeluk dat Harold Harner is overkomen?’
Zij dacht erover na, toen zei ze: ‘Wat de coroner het noemde na de lijk-
schouwing. Een “act of God”.’
‘Kunt u me dat uitleggen?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat u geen Quaker bent.’
Hij had moeite zijn ergernis de baas te blijven. Hij keek in de achteruitkijkspiegel naar het paard, dat met slingerende stijgbeugels achter hen aan draafde. De hond moest naast de auto meehollen; hij kon zijn gebas horen boven de motor uit. ‘Bent u dan een Quaker, juffrouw McHair?’
Hij had het ironisch bedoeld; zij verraste hem door te antwoorden: ‘Inderdaad.’
‘Ik wist niet dat er Vrienden waren in deze buurt.’
‘Ik ben de enige Quaker in de Llano Estacado.’ Zij zei het met een trots die bijna kinderlijk klonk.
‘Waar gaat u dan naar de samenkomst?’
‘Ik houd samenkomst in mijn eentje.’
‘Heeft u samenkomst met de Harners gehouden toen die hier waren?’
‘Nee.’
Ze reden weer in stilte verder; hij dacht dat hij het verwaaide boompje herkende dat ze nu naderden. Daar had de Mexicaanse ranchero hem opgepikt die ochtend; de vent moest hem langs een omweg naar de ranch hebben gebracht. Waarom? O, wat een vijandig land!
Toen vroeg ze: ‘Nu Grootmoeder u niet heeft toegestaan om het geld voor iets anders te gebruiken, gaat u een ander echtpaar sturen?’
‘Er zal niets anders op zitten. Arme donders.’
‘Wie?’
‘Wie het dan ook worden, die onder die Hunis met hun duimen gaan zitten draaien. Daar komt het op neer.’
‘Is u het hoofd van uw afdeling?’
‘Helaas niet,’ antwoordde hij, sardonisch. ‘Het hoofd van de Indiaanse afdeling is een vrouw, met de naam van Magdalen Windhammer.’ Hij hoorde hoe smalend zijn stem klonk; dat was nou echt niet nodig. Hij wilde dat het eigenwijze, schonkige wezen nu maar uitstapte en hem op zijn gemak liet vloeken en tieren, de hele weg naar het stinkende Kissing Tree.
Bij het boompje zei ze: ‘Hier stap ik uit. Volg het spoor, na de vijfde heuvelrug ziet u Kissing Tree liggen. Tot ziens.’
‘Tot ziens,’ zei hij, en reikte haar de hand; maar zij negeerde die en stapte uit. De Deense dog verwelkomde haar, brullend. Zij sloeg het portier dicht en liep naar haar paard. Hij sloeg haar in de achteruitkijkspiegel gade terwijl ze lenig in het zadel klom, het paard op de nek klopte, de teugels greep en weggaloppeerde met de hollende dog achter zich aan.
Hij schakelde in en hotste verder, het karrespoor af, dat kaarsrecht door het verlaten landschap liep. Ze moesten de Huni-pueblo maar aan de katholieken overlaten en aan de venijnige oude dwerg, met wier urine je glas kon etsen, en haar kleindochter met de worstelaarsschouders en de enge handjes. Het zag ernaaruit dat hij hier nooit meer terug hoefde te komen. Hij keek om zich heen naar het landschap en mompelde: ‘Llano Estacado, schurftplek der aarde, vaarwel, en het heilige kruis na.’
Halverwege de eeuwigheid, met een huizenhoge stofwolk achter zich aan, stond ineens een van de jeneverbesstruiken langs het karrespoor op en stak een arm uit. Hij beheerste de laffe impuls om door te rijden en stopte. Het bleek een Indiaan te zijn met een zwarte hoed, een stoffige battle-dress met korporaalsstrepen, een rij lintjes op de borst, waaronder het Purperen Hart. Hij zag er moe en verdwaasd uit; geen wonder, hij moest urenlang door de eenzaamheid hebben gelopen, zij waren mijlen van iedere menselijke nederzetting verwijderd.
Herbert draaide het raampje omlaag en vroeg: ‘En, vriend? Wat kan ik voor je doen?’
De Indiaan likte de lippen af en zei, met de stem van iemand die lang niet gepraat heeft: ‘Gaat u naar Kissing Tree?’
‘Ja.’
‘Mag ik meerijden?’
‘Stap in.’ Hij deed het portier open. De Indiaan stapte in en vulde de auto met de stank van zijn ongewassen lichaam.
Herbert glimlachte manmoedig en zei: ‘Tjonge, dit is een eind van alles weg. Hoe kom je hier terecht, midden op de Llano Estacado?’
‘O...’ zei de Indiaan, vaag. ‘Ik kom uit de pueblo.’
Opeens was Herbert in hem geïnteresseerd. Hij moest een jonge Huni zijn, die in het leger gediend had. De auto hotste verder, het karrespoor af; achter hen rees de huizenhoge stofwolk weer op. ‘Dat is een eind lopen,’ zei hij.
‘Ja.’
‘Wanneer ben je vertrokken?’
De Indiaan keek hem met een verdwaasde blik aan. Niettegenstaande de zweetlucht rook hij naar whisky. Het alcoholisme van de wanhoop, de ziekte van de Amerikaanse roodhuid. ‘Pas uit de oorlog terug?’
‘Ja.’
‘Waar vandaan?’
‘De Pacific.’
‘Ik zie dat je het Purperen Hart hebt.’
‘Ja.’
‘Daar zijn je stamgenoten erg trots op, zeker?’
De Indiaan haalde de schouders op. ‘Ik ben nog niet thuis geweest,’ zei hij.
‘O? Ik dacht dat je uit de pueblo was komen lopen?’
Het bleef zo lang stil dat Herbert dacht dat er geen antwoord op zou komen, toen zei de Indiaan: ‘Ze willen me niet toelaten.’
‘Hoe dat zo?’
‘Omdat ik het verdom me te onderwerpen aan hun poespas. Ik heb de wereld gezien. Ik heb in de twintigste eeuw geleefd. Ik verdom het.’
‘Wat?’
‘Me te onderwerpen aan de reinigingsceremonie. Maar het heeft niets te maken met onreinheid. Ze willen me weer in hun macht krijgen, de sjamaans. Daar gaat het om.’
‘Dus je bent een rebel?’
‘Een revolutionair,’ zei de Indiaan, trots. ‘Ik wil mijn volk bevrijden. Vooral de vrouwen.’
Herbert verwachtte dat hij meer zou zeggen, maar daar bleef het bij. Hoe
kon hij de man aan de praat houden? Dit was een ongezochte gelegenheid om te weten te komen wat er precies in de pueblo gaande was. Er was iets gaande; Harold Harner was op een verdachte manier aan zijn eind gekomen. ‘Waar moet je zijn, in Kissing Tree?’
‘Doet er niet toe,’ zei de Indiaan. ‘Zet me maar af, ergens in de stad.’
‘Je moet hongerig zijn. Mag ik je uitnodigen om met me te gaan eten in mijn motel? Mijn naam is Herbert Haring. Ik ben sociaal werker bij de Quaker Meeting for Sufferings, Indiaanse Afdeling. Wij beheren het lazaret in de pueblo.’
De Indiaan keek hem nietszeggend aan.
‘Wil je mij dat genoegen doen? Dan kunnen we eens rustig praten.’
‘Motel?’
‘De Huni Motorlodge, op de hoek van McHair en Maple. Ik heb nog wel geen kamer, maar er zal wel plaats zijn. Ze hebben een heel behoorlijke koffiebar.’
‘'t Valt altijd te proberen,’ zei de Indiaan.
Dat was het laatste dat hij zei. Toen zij de vijfde heuvelrug over waren zagen zij Kissing Tree liggen, een roze stadje onder de blauwe hemel, die donker begon te worden met het vallen van de avond. Het karrespoor ging over in een geasfalteerde weg vol gaten; daarna kwamen de reclameborden: Uncle Harry's Bar-B-Q pit - eat like Helen B. Happy, Huni Motorlodge - Home of Western Hospitality, en bij de spoorwegovergang: If you see a train and try to duck it - You'll kick first the gas, and then the bucket.
Het motel leek uitgestorven toen zij voorreden; het hele stadje leek uitgestorven. Misschien was het nog steeds siësta, overblijfsel uit de tijd van de Spaanse overheersing.
‘Laten we eens kijken wat er te eten valt,’ zei Herbert. ‘Er is in ieder geval plaats genoeg.’
Hij ging de Indiaan voor naar de deur van de koffiebar en duwde die open. Er zaten drie gasten, dus ze waren niet dicht. Maar een dikke dienster met een bijenkorf van peroxide-blond haar schudde haar hoofd toen Herbert zijn jasje aan de kapstok wilde hangen. ‘Sorry,’ zei ze.
‘Pardon?’
‘Hoort hij bij u?’
‘Ja...’
‘Wij bedienen hier geen Indianen.’
‘Wat krijgen we nou? Kunt u niet zien dat hij in het leger is geweest? Hij heeft het Purperen Hart!’
‘Al had hij de Congresmedaille,’ zei de dienster, ‘hij is een Indiaan, en dit restaurant is alleen voor blanken. Als u hem te eten wilt geven, ga naar Uncle Harry's Barbecue. Daar zitten ze allemaal.’
Herbert wilde verder protesteren, maar hij hoorde de deur achter zich en zag de Indiaan weglopen op de lege parkeerplaats. Hij holde hem achterna. ‘Hé! Wacht even! We gaan ergens anders heen!’
‘Laat maar zitten,’ zei de Indiaan, ‘ik heb al gegeten en gedronken.’
‘Laten we dan ergens een glas drinken! Ik wil met je praten, want kijk, het zit zo: ik kom net uit de pueblo terug, en daar is iets gaande wat ik niet begrijp. Ik bedoel: ik wou daar eens over praten, als dat mag.’
‘Drinken kan ook nergens,’ zei de Indiaan. ‘Wij mogen een fles kopen, maar nergens gaan zitten.’
‘En Uncle Harry's dan?’
‘Dat zit vol met Apaches,’ zei de Indiaan, op dezelfde toon waarop de dienster over hém gesproken had.
‘Verdomme nog aan toe!’ riep Herbert uit. ‘Wat is dit voor een stad?’
‘We mogen een fles kopen,’ herhaalde de Indiaan, onverstoorbaar. ‘Ik weet waar. Dan kunnen we in de auto gaan zitten, ergens.’
Ze stapten weer in. Herbert reed, op de aanwijzingen van de Indiaan, een achterbuurt in van adobe huisjes, waar echtparen gehurkt voor de deuren zaten en vieze kinderen krijgertje speelden, dat zouden dan wel Apaches zijn. Overal hingen dronken Indianen rond, met het hoofd op de borst tegen de muur of tegen een telefoonpaal geleund, een paar lagen midden op straat hun roes uit te slapen. Allemaal droegen ze zwarte hoeden, alsof het voorgeschreven was dat zij op een afstand te herkennen zouden zijn. Toen zei de Indiaan: ‘Hier.’
Het was een winkeltje met een roestig uithangbord: Lord Glenarven's Whisky, a little more expensive, but immeasurably better. In het raam stond een kartonnen bordje met het opschrift: Yes, we are open.
‘Wat zal ik kopen?’ vroeg de Indiaan.
Herbert begreep eruit dat hij geen geld had. Hij gaf hem vijf dollar en zei: ‘Zoek maar iets uit waar je trek in hebt.’
‘En u dan?’
‘Ik doe niet mee, ik moet nog rijden. Ga je gang: whisky, gin. Wat drink je gewoonlijk?’
De Indiaan keek hem aan, draaide zich om en liep het winkeltje binnen, waarbij een belletje overging. In de etalage, achter doorschijnend geel papier tegen de woestijnzon, stond een rij exotische flessen: Wodka, Slivovitz, Griekse Samos, zelfs Hollandse jenever, in een kruik zoals zijn oudtante die als voetenwarmer gebruikte, met op het etiket De Locomotief. De eigenaar van het winkeltje moest met opzet alleen buitenlandse drank tentoongesteld hebben, een typisch Indiaans gebaar van machteloos verzet.
Het belletje ging weer over, de Indiaan kwam naar buiten met een fles in een krant gewikkeld. Hij stapte in en zei: ‘Oké.’
‘Waar zullen we heen gaan?’
‘Waar u maar wilt. Ik vind alles goed.’ Hij schroefde de dop van de fles af en zette hem aan de mond. Hij dronk met gulzige, klokkende teugen; toen zei hij: ‘Sorry. Wilt u een slok?’
‘Nee, merci.’ Herbert reed het stadje uit, de weg naar de haciënda op. Weer begonnen de reclameborden, nu was alleen hun achterkant zichtbaar, met uitzondering van dat bij de spoorwegovergang. Remember if you will be spared: trains don't whistle because they're scared. Hij reed de woestijn in; de hemel boven de heuvels was nu donkerblauw, een paar sterren pinkten boven de einder. In de stilte huilde een verre trein; een zwarte slang met een fel zoeklicht kwam aangekropen in de verte. Het landschap leek nog troostelozer dan bij dag; de nachtwind was opgestoken, een paar spookachtige bollen van de witte amarant kaatsten over de weg.
‘Hier maar?’ vroeg Herbert.
De Indiaan knikte en zette de fles weer aan de mond. Ze moesten nodig aan hun gesprek beginnen, aanstonds zou hij laveloos zijn, net als de Apaches.
‘Wat is er gaande in de pueblo?’ vroeg Herbert.
De Indiaan keek hem lodderig aan.
‘Is er een epidemie, of zo? Ik heb de indruk uit de rapporten dat de kindersterfte enorm is toegenomen.’
De Indiaan probeerde zijn ogen op hem in te stellen. ‘Bijgeloof,’ zei hij. ‘Maar wat doe je eraan? Ze zijn bang voor Anagonga.’
‘Wie?’
De Indiaan zette de fles weer aan de mond, nam een teug en veegde zijn mond af met de rug van zijn hand. ‘Wat kan ik doen? Ik ben alleen. Ik ben de enige die teruggekomen is. Ik wil ze wakker schudden, maar ze willen niet. Ze willen verder slapen en doodgaan. Nog maar even, en er zijn geen Hunis meer. Bijgeloof.’ Hij nam weer een teug; het was duidelijk, er was niets meer uit hem te krijgen.
‘Kan ik je ergens heenbrengen?’
Hij lachte, een hinnikende lach, zonder vrolijkheid. ‘Naar die Apaches? Laat me er hier maar uit. Hier maar, hier.’ Hij opende de deur.
Herbert hield hem tegen. ‘Ik moet toch naar de stad terug. Laat ik je ergens bij een motel -’
‘Hier.’ De Indiaan trok zich los, stapte uit en deed een paar wankele stappen de woestijn in. Toen kwam hij terug en reikte Herbert de fles. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij.
‘Houd hem maar.’
‘Gracias. Que le vaya bien.’ Hij liep de woestijn in; om hem heen kaatsten de gewichtloze bollen van de witte amarant. De locomotief floot. De Indiaan ging liggen en leek deel te worden van het landschap.
Herbert startte de motor en reed terug naar de stad. Uncle Harry's Bar-B-Q pit - eat like Helen B. Happy. Motorlodge - Home of Western Hospitality. If you see a train and try to duck it - You'll kick first the gas, and then the bucket.
De trein huilde vlak bij; de zwarte slang met het schelle witte oog kroop langzaam voorbij.
Er was geen ander motel; maar de dienster in de koffiebar deed of ze hem nooit eerder gezien had. Ze nam zijn order voor hachee en Mexicaanse bonen beleefd in ontvangst. Mijn God, dacht Herbert, ik zou liever een neger zijn in Alabama dan een Indiaan in Nieuw Mexico.
De hoge, holle zaal van het Vergaderingsgebouw in Philadelphia was leeg, op een twaalftal mannen en vrouwen na die op de eerste rij aan de voet van het podium zaten. Op het podium zetelde aan een lange tafel het bestuur van de Meeting for Sufferings, zes Vrienden van over de zestig, knikkebollend of glazig voor zich uit starend, terwijl een oude zanik met een stem als een zaag, Jahleel Tucker genaamd, stond te zeuren over de Huni-buitenpost en de noodzaak deze niet uit handen te geven.
Ten slotte kon Herbert Haring het onwereldse gezemel niet langer aan-
horen; hij moest deze mensen de waarheid vertellen, daar werd hij ten slotte voor betaald. Hij stond op, hetgeen onder Quakers een teken was van nederigheid, en zei, zo teutig mogelijk: ‘Het spijt me je in de rede te vallen, Jahleel Tucker, maar ik geloof dat we het doel van deze discussie uit het oog verloren hebben. Het gaat hier niet om Quaker-vlagvertoon, het gaat om de Huni Indianen. Wat is het beste voor hén? Sedert 1927 is er niet één patiënt komen opdagen; niet één: nul komma nul!’ Dat was natuurlijk te nadrukkelijk voor dit gezelschap, maar hij kon zijn gevoelens niet onderdrukken tot hij geen gevoelens meer over had.
‘Is dat niet een beetje overdreven, Vriend?’ vroeg Eleanor Cork, met honingzoete stem. Dat kwam als een schok voor Herbert; het betekende dat zij was overgelopen naar het kamp van de oppositie, die met alle geweld het Huni-lazaret wilde voortzetten. Hij vroeg zich af wie haar beïnvloed had; net als een kussen droeg zij altijd de afdruk van degene die het laatst op haar gezeten had. ‘Eleanor Cork,’ zei hij, ‘wij hebben het zwart op wit in onze archieven. Gedurende de afgelopen achttien jaar heeft niet één Indiaan om behandeling gevraagd in het Quaker-lazaret, hetzij om een vinger te laten verbinden, of een splinter te laten weghalen, laat staan het soort trauma dat het voortzetten van een volledig geoutilleerd hospitaal zou wettigen.’
‘Kom, kom,’ zei Ethan Woodhouse.
‘Laten we dan zeggen: eerste-hulppost, lazaret, hoe je het noemen wilt. Volgens mij is de situatie de laatste tijd zelfs nog verslechterd. Wie de opvolgers van de Harners ook mogen zijn, ze zouden niet alleen totaal niets te doen hebben, maar bovendien ernstig gevaar lopen.’ Dat was sterk uitgedrukt, maar verdomme nog aan toe, Harold Harner had zelfmoord gepleegd, daar was hij nu zeker van.
‘Leg dat eens uit, jonge vriend,’ zei Jeremia Martin, die aan het linkereinde van de tafel zat. Hij deed zelden zijn mond open, maar als hij het deed werd het uitkijken, want hij was vertegenwoordiger van de conservatieve groep in het bestuur, die de beslissende macht had.
‘Harold en Valerie Harner zijn, volgens mij, met geweld verdreven. Ik ben er nog niet achter hoe dat precies gebeurd is, want Valerie Harner is nog steeds niet van de schok hersteld. Maar dit is me bij mijn laatste bezoek wél duidelijk geworden: Harold Harner heeft kennelijk te intensief gezocht naar de oorzaak van de kindersterfte in de pueblo, die altijd al een procent of tachtig bedroeg, maar sinds enkele maanden opgelopen is tot vrijwel honderd procent. Volgens het laatste rapport dat we van Harold ontvingen, voor zijn dood, overlijden vrijwel alle zuigelingen bij of onmiddellijk na de geboorte.’
‘Maar waaráán?’ vroeg Eleanor Cork.
‘Dat heeft Harold niet kunnen vaststellen, omdat de sjamaans alle contact met de bevolking beletten. Zijn informatie berust alleen op observatie, combinatie en deductie.’
‘Observatie van wát?’ vroeg Jeremia Martin.
‘Van het aantal kinderbegrafenissen. Het werd de Harners niet toegestaan daarbij tegenwoordig te zijn, ze werden zelfs door de sjamaans in het lazaret opgesloten, maar ze wisten dat het om de begrafenis van pasgeboren kinderen ging.’
‘Hoe?’
‘Dat maakten ze op uit de muziek. Het staat allemaal in Harold Harners rapport, trouwens, dat u verleden week is toegezonden met het andere materiaal voor deze Vergadering.’ Het was een steek onder water, maar er waren grenzen aan zijn kruiperigheid.
‘Reden te meer om de post opnieuw te bezetten,’ zei Eleanor Cork. De overloopster! Wie had haar toch omgepraat?
‘Als we dat konden,’ zei Magdalen Windhammer. ‘Er is niemand te vinden die bereid is de Harners op te volgen. We hebben geprobeerd wat we konden.’
‘Wat hebben jullie geprobeerd?’ vroeg Jeremia Martin.
‘We hebben alle sociale werkers aangeschreven die vroeger bij ons hebben gesolliciteerd. We hebben ons uitgesloofd om een geschikt echtpaar te vinden met de nodige kwalificaties om medische hulp te verlenen...’
‘Eerste hulp. Het is nooit de bedoeling geweest dat het lazaret bemand zou worden met artsen,’ zei Ethan Woodhouse.
‘Inderdaad, Ethan, inderdaad. Maar ook al zou het de Leiding van de Vergadering zijn dat de Huni-post bezet moet blijven, geen enkele verantwoordelijke sociaal werker is bereid zich op te sluiten in dat vijandige dorp op die rots. Daarom stellen wij voor...’
Ethan Woodhouse viel haar in de rede. ‘Gelukkig is dat niet helemaal waar: wij hebben een jong Quaker-echtpaar gevonden dat bereid is de Harners op te volgen.’
Herbert staarde verbijsterd naar Magdalen Windhammer; het was duidelijk dat ook zij hier niet van op de hoogte was. Zij wilde het woord weer nemen, maar Ethan Woodhouse was haar voor: ‘Ik weet dat sommige werkers deze overweging als sentimenteel dilettantisme bestempelen, maar ik moet de Vergadering eraan herinneren dat wij in de Huni-pueblo een spirituele roeping hebben, niet een sociale. De Hunis bevinden zich in een staat van kentering. Zij moeten de moeilijke overgang maken van een voorhistorische maatschappij naar de onze. Het doet er niet toe of het lazaret een medische functie heeft; wij, Quakers, moeten onder de Hunis blijven om het trauma van die overgang op te vangen. Daarom is het voor het bestuur van de Meeting for Sufferings van essentieel belang dat de post bezet wordt door overtuigde Vrienden. Wij prijzen ons dan ook gelukkig Bonifacius en Laura Baker bereid te hebben gevonden die roeping te vervullen.’
Magdalen Windhammer stond op. ‘De Indiaanse Afdeling wist hier totaal niets van, Ethan Woodhouse! Het is niet de eerste keer dat wij door het bestuur voor een fait accompli gesteld worden, maar dat neemt niet weg dat wij toch wel erg graag zouden willen weten over wie het eigenlijk gaat. Wie zijn die mensen? Wat voor kwalificaties hebben zij?’
Ethan Woodhouse keek rond alsof hij iemand zocht, toen vroeg hij: ‘Stella Best? Zou jij ons wat meer willen vertellen over de jonge mensen in kwestie?’
Het oude dametje uit Indiana stond op. Zij zag er ouderwets uit in haar stemmige jurk met gempje, een overblijfsel uit de vorige eeuw. ‘Het zijn Bonifacius en Laura Baker. Bonifacius is de zoon van wijlen Francis Baker uit Philadelphia, eigenaar van de Baker en Woodhouse Chocoladefabriek, en van Dorothy Baker, directrice van de Mordechai Monk Instituten voor
armlastige blinden. Hij is een achterkleinzoon van Joshua Baker, de oprichter van de chocoladefabrieken, en een achterachterkleinzoon van Bonifacius Baker van het eiland Eden, die zijn slaven de vrijheid schonk en daarna de Rebekka Baker Kostschool in Pendle Hill heeft opgericht, waar ik hoofd van ben.’
Grote hemel, dacht Herbert, wat doet het ertoe wie zijn betovergrootvader is? Het gaat erom dat Harold Harner zelfmoord gepleegd heeft, en dat niemand weet om welke reden!
‘Laura Baker,’ ging de oude vrouw verder, ‘is de dochter van wijlen Jacob Martens, omgebracht in het concentratiekamp Schwalbenbach, omdat hij joodse zuigelingen probeerde te plaatsen in arische families tijdens de nazi-bezetting van Nederland. Haar moeder was Lily Best, mijn dochter.’
Herbert stond op het punt te interrumperen, maar Magdalen Windhammer was hem te vlug af. ‘Neem me niet kwalijk, Stella Best,’ zei zij, met de sereniteit van een Zwitserse koebel, ‘de jonge mensen in kwestie hebben toch waarschijnlijk nog andere kwalificaties, behalve hun afkomst?’
De oude vrouw vervolgde, onverstoorbaar: ‘Bonifacius Baker heeft deel uitgemaakt van de Quaker Ambulance Dienst gedurende de oorlog. Hij is opgeleid voor ziekenverpleger en heeft in Europa onder de burgerbevolking gewerkt. Laura Baker was een gevangene in het concentratiekamp Schwalbenbach, tot de bevrijding. Daarna heeft zij onder de vluchtelingen en de dp's gewerkt, als kinderverzorgster.’ Zij ging zitten in een diepe stilte; zij had kans gezien de zakenvergadering te veranderen in een samenkomst. Magdalen Windhammer boog haar hoofd, maar Herbert wist dat zij zich aanstelde; zij moest net zo verontwaardigd zijn als hij over de manier waarop het bestuur zonder hen erin te kennen een besluit had genomen waarvoor zij als Indiaanse afdeling moesten opdraaien. Na eindeloze tijd vroeg Ethan Woodhouse, met gedempte stem: ‘Is het de Leiding van de Vergadering dat Bonifacius en Laura Baker aangesteld worden als vertegenwoordigers van de Meeting for Sufferings in de Hunipueblo in Nieuw Mexico?’
Vóór Magdalen Windhammer tussenbeide had kunnen komen gromde Jeremia Martin: ‘Ik verenig mij.’ Er werd instemmend gemompeld; de Indiaanse afdeling was weer eens op haar nummer gezet.
De Vergadering sloot met opnieuw een periode van stilte. Toen, eindelijk, de beproeving afgelopen was zag Herbert kans de deur als eerste te bereiken. Magdalen haalde hem in en fluisterde: ‘Wist jij hier iets van?’
‘Natuurlijk niet!’
‘Ik moet je zeggen, ik vind dit weer zó iets...’
‘Een beetje laat, lieve!’ zei hij vals, terwijl hij de deur voor haar openhield.
‘Ach,’ zei Magdalen, ‘wat ik ook te berde had gebracht, het zou geen verschil gemaakt hebben. Niet met die voorouders.’
‘Inderdaad,’ zei hij. ‘Wat wij nodig hebben, jij en ik, is een nieuw stel overgrootouders. En een borrel! Mag ik je uitnodigen voor een rondje in de bar van het Bradford Hotel?’
‘Dank je,’ zei ze, oudevrijsterachtig. ‘Ik heb werk te doen.’
‘Nou, ik niet!’ riep hij, moegetergd. ‘Ik ga me een stuk in mijn kraag zuipen, en alle Bonifacius Bakers, I, II, III, IV, V, God mag weten hoeveel het er zijn, kunnen me de bout hachelen!’
Hij liep de gang in, het Vergaderingsgebouw uit, naar het Bradford Hotel, waar hij, na zijn derde dubbele martini, de barman alles vertelde over die Quakers.
***
Bonifacius maakte zich zorgen over Laura, die hij op het eiland had moeten achterlaten voor deze bespreking, misschien drong het daarom niet dadelijk tot hem door hoe vreemd zijn ontvangst in Philadelphia was.
Het hoofd van de Indiaanse afdeling, een vrouw, gaf hem, zodra ze dat met goed fatsoen kon doen, door aan een sociaal werker die verantwoordelijk scheen te zijn voor de Hunis. De man, een eekhoornachtig kereltje met de naam Haring, liet zijn antipathie nog duidelijker blijken dan het hoofd van de afdeling al had gedaan. Hij begon het Quaker-werk in de Huni-pueblo te beschrijven met een rare, smalende aanstellerij; hij gaf hatelijke opmerkingen ten beste zoals: ‘Ja, dát kan ik natuurlijk niet met zekerheid zeggen, want ik ben nu eenmaal geen Vriend, zelfs geen bekeerde Vriend, niet eens een vriend van de Vrienden, ik ben maar een burgerdrol die in het Heilige der Heiligen verdwaald is.’ Hij maakte het zo bont dat Bonifacius na een minuut of wat zei: ‘Neem me niet kwalijk, Herbert Haring; zou je het een beetje rustiger aan willen doen? Waar ben ik eigenlijk schuldig aan?’
Het mannetje keek verrast. ‘Hoe bedoelt u?’
‘Ik heb de indruk dat je bezwaren hebt tegen de aanstelling van mijn vrouw en mij. Als je eens open kaart speelde?’
Herbert Haring wierp het potlood waarmee hij had zitten spelen in de pennebak op zijn bureau. ‘Sorry,’ zei hij, ‘ik ben blijkbaar niet bedreven in de Quaker-kunst je gevoelens te verbergen. Inderdaad, ik vind dat uw aanstelling een politieke sinecure is. Het gaat het bestuur er alleen maar om deze buitenpost in Quaker-handen te houden. Of de Indianen daar wat aan hebben speelt geen rol.’
‘Vertel me eens wat van die Indianen.’
‘U weet nergens van?’ vroeg het mannetje, overdreven verbaasd. ‘Niemand heeft zich de moeite genomen u te vertellen wat uw voorland is?’
‘Daarom ben ik hier.’
‘Goeie God! Nou, u kent de voorgeschiedenis, natuurlijk: Gulielma Woodhouse, heilig, heilig, heilig, die in 1750 of daaromtrent een bloedbroeder of -zuster werd van het Huni-opperhoofd nadat ze hem had genezen, van het pootje geloof ik. Na haar overlijden werd haar lijk gebalsemd, opgezet, hoe je het noemen wilt. Jarenlang bleef haar mummie een afgod voor ze, op een stenen stoel in de ingang van de vleermuisgrot. Een neef van haar, een zekere Joseph Woodhouse die met een Shawnee-squaw getrouwd was, is haar opgevolgd en heeft een Quaker-school gesticht in het gebouw waar nu het lazaret is. Hun kinderen gingen huwelijken aan met de Hunis; in 1845 trouwde Himsha Woodhouse, achterkleindochter van Joseph en vrijwel honderd procent Indiaanse, met een zekere Bonifacius Baker, kleinzoon van Bonifacius Baker van het eiland Eden ... wacht 's: is dat geen familie van u?’
‘Een andere tak. Bonifacius Baker van het eiland Eden had een zoon Joshua; daar stam ik van af. De Indiaanse tak stamt af van Mozes Baker,
geadopteerde zoon van mijn betovergrootvader en zijn negervriendin, Cleopatra. Zij hebben de Rebekka Baker Kostschool gesticht.’
‘O,’ zei Herbert Haring, ‘nou, dan kent u het drama met Jesse McHair?’
‘Nee.’
‘O. Nou: een jaar na de aankomst van Bonifacius en Himsha Baker, in 1846, werd de pueblo bezet door Amerikaanse troepen. Het was oorlog tussen de Verenigde Staten en Mexico; de vallei waar de pueblo in ligt was toen Mexicaans grondgebied. De Amerikanen overweldigden het dorp, Baker trachtte de soldaten te benaderen op de wijze van de Vrienden maar werd neergeschoten. Onder de troepen was een Quaker-renegaat genaamd Jesse McHair, een vrijbuiter van laag allooi. Nadat hij samen met de soldaten de schat aan goud en sieraden had geroofd die de Hunis in de vleermuisgrot verborgen hielden, ontdekte hij de ware schat in die grot: guano, de uitwerpselen van ontelbare generaties vleermuizen die daar sinds prehistorische tijden gehuisd hadden. Onmiddellijk na de oorlog kocht Jesse McHair de hele vallei, pueblo incluis, voor zijn aandeel in het geroofde goud; veertig jaar lang exploiteerde hij de guanomijn met de Huni Indianen als kompels. Hij begon een liaison met Bakers weduwe, Himsha werd de moeder van zijn enige zoon: William McHair, een dwerg. Deze trouwde, op latere leeftijd, met een andere dwerg: de huidige Doña McHair, de lastige oude dame met wie wij nu te maken hebben, een katholiek uit Colombia. Na het overlijden van haar echtgenoot, in 1927, werd Doña Ana absolute alleenheerseres over de pueblo. Zij beschouwt de Hunis als haar eigendom, anders kun je het niet noemen. De hele pueblo wordt door haar bekostigd, zonder haar geld waren de Hunis allang gedwongen geweest om van die rots af te komen en zich bij de rest van de mensheid te voegen. De sjamaans zijn in haar emplooi, de priester wordt door haar betaald - de enige op wie ze geen vat heeft, via haar portemonnaie, zijn de Quakers; het lazaret wordt namelijk bekostigd door een legaat waar ze niet aan kan komen. Maar ze heeft alles gedaan om ons weg te pesten. Ze heeft de sjamaans opdracht gegeven hun onderdanen te verbieden zich met de Quakers in te laten, de priester en zijn voorganger duidelijk gemaakt dat ze geen verbroedering van hun kant met de Vrienden wenste. Alles voor ons lazaret, leeftocht incluis, moet worden ingevoerd, want het winkeltje in de pueblo is óók van haar, net als de rest, en mag niets aan de Quakers leveren. Dit keer dacht ze dat ze ons klein gekregen had; omdat de post drie maanden onbezet was gebleven na het vertrek van de Harners hielden wij ons niet aan de bepalingen van het legaat, zei ze, dus ze ging ons via de rechter aanpakken. Ik zag kans een maand uitstel af te dingen, maar het zou haar gelukt zijn om ons te wippen, als u niet was komen opdagen. Helaas.’
‘Helaas?’
‘Wij, beroepsmensen van de Indiaanse afdeling, zijn het met haar eens: het heeft totaal geen zin om geld, dat produktief gebruikt zou kunnen worden, weg te smijten voor een lazaret waar in geen achttien jaar een patiënt is komen opdagen. En dat is nog het ergste niet. Het ziet er nu naar uit dat de Quakers in de pueblo lijfelijk gevaar lopen, in plaats van alleen maar te worden doodgezwegen.’
‘Hoe bedoel je?’
Herbert Haring aarzelde. ‘Ik geloof dat degene die u daar het beste over kan inlichten de weduwe van uw voorganger Harold Harner is, die drie maanden geleden in de Huni-pueblo is omgekomen. Zij woont hier in de buurt; ik heb gezegd dat u even langs zou komen, vandaag. Zullen we er eens heen gaan?’ Hij stond op en ging naar de deur. Voor hij die opende zei hij: ‘Ze is de dood van haar echtgenoot nog niet te boven, en als gevolg daarvan ... Ach, laat ik maar open kaart spelen. Ze is aan de drank. Het is nog vroeg, dus we hebben kans dat ze nog redelijk kan praten; na twaalven is het hopeloos.’ Hij opende de deur.
‘Ik heb over drie kwartier een afspraak met Ethan Woodhouse,’ zei Bonifacius.
‘Die kunt u altijd nog zien. Geloof me, het is van het grootste belang dat u die vrouw spreekt. Ik overdrijf niet. Het is een zaak van - enfin. Hoort u zelf maar.’
Bonifacius volgde hem de gang in.
Het huis zag er vervallen uit. De buurt moest vroeger welgesteld geweest zijn; nu was de straat geannexeerd door het negergetto. De hal was donker en stonk naar kool; toen zij binnenkwamen struikelde Herbert Haring over een driewieler en vloekte. ‘Nou is het licht óók al naar zijn grootje! Maar denk niet dat ze er iets aan zullen doen, hoor! Het huis hoort van een Quaker oude vrijster, die ingezonden stukken stuurt aan Friends' Journal over de mystieke achtergrond van de Bergrede.’
Zijn cynisme begon Bonifacius moe te maken; hij was dan ook opgelucht toen de man zei: ‘Nou, ik geloof dat ik u verder alleenlaat. Als mevrouw Harner mij ziet gaat ze me erbij betrekken. Nou - veel stichting dan maar. Tweede deur links, derde verdieping. Als u na afloop wat te vragen hebt, ik ben op mijn kantoor. Tot straks.’
De overloop van de derde verdieping was nog donkerder dan de hal; Bonifacius moest een lucifer afsteken. De geur van kool was er sterker; ergens achter een van de vier deuren drensde een kind. Toen hij op de tweede links klopte hoorde hij een schel stemmetje erachter krijsen: ‘No cojones! Masturba, padre!’
Niemand deed open. Hij klopte nog eens; dit keer krijste het stemmetje: ‘Puta, tu madre!’ De deur werd op een kiertje geopend en een hese vrouwenstem vroeg: ‘Wat mot je?’
‘Bent u mevrouw Harner?’
‘Ja. Wat mot je?’
‘Mijn naam is Bonifacius Baker, mijn vrouw en ik gaan u opvolgen in de Huni-pueblo. Herbert Haring van de Meeting for Sufferings heeft me hier gebracht. Misschien zijn er een paar dingen die u mij zou kunnen vertellen?’
Er kwam geen antwoord. De deur bleef op een kiertje staan. ‘Puta, tu madre!’ krijste het boosaardige stemmetje, laag op de vloer.
‘Nou,’ zei de vrouwenstem, ‘kom dan maar. Basta, Filipo, basta!’
Bonifacius hoorde een haastig gekrabbel, toen krijste het stemmetje: ‘No cojones! Puta, puta, puta!’ De deur ging open en de vrouw zei: ‘Kom, gauw, voor hij 'm piept!’
Bonifacius ging naar binnen, de deur werd onmiddellijk achter hem gesloten. Ter hoogte van zijn enkels krijste het boosaardige stemmetje: ‘No cojones! Masturba, padre, masturba!’
‘Filipo! Esfumáte, pibe!’ gilde de vrouw en schopte; een papegaai fladderde weg met een gefladder van gekortwiekte vleugels. Zijn klauwen krasten over het linoleum toen hij een paar meter verder belandde.
‘Trek je niks van 'm an,’ zei de vrouw. ‘Hij heeft er geen idee van wat hij zegt, ze hebben z'n onschuld misbruikt, net als van ons allemaal.’ Ze was een slonzige, verlopen vrouw, die net zo goed dertig als vijftig kon zijn. Haar bloeddoorlopen ogen staarden naar hem met de vage blik van de dronkenschap; haar blonde haar was ongekamd, haar slodderige jurk zag eruit alsof ze erin geslapen had; ze was blootsvoets. ‘Hoe heet je ook alweer?’
‘Bonifacius Baker.’
‘Gossie, wat een naam! Hebben je ouders dat met opzet gedaan, of was het weer zo'n mooie Quaker-traditie?’
Zij leek geen antwoord te verwachten. Zij schuifelde het gangetje uit; hij volgde haar een kamer in waar de kaketoe op hem lag te loeren. Het gedrocht krijste: ‘No cojones!’ en deed een uitval naar zijn linkerschoen.
‘Ga zitten, Bonifacius,’ zei de vrouw. ‘Je moet je van de rotzooi maar niks aantrekken, het is een beetje vroeg voor een beleefdheidsbezoek.’
Nu hij haar beter kon onderscheiden zag Bonifacius dat zij eens knap geweest moest zijn. Haar gezicht had een pruilend schalkse uitdrukking, die eens aantrekkelijk moest zijn geweest, maar nu een slobberige verloedering suggereerde. Ze moest al jaren geleden alcoholicus geworden zijn, niet pas na de dood van haar echtgenoot.
‘Wat is er met jouw vrouw aan de hand?’ vroeg zij opeens.
‘Pardon?’
‘Vertel me nou niet dat je naar die pueblo gaat omdat je zo van Indiaantjes houdt? Harold ook niet, hoor. Hij heeft zijn best gedaan, maar er zijn grenzen aan wat een man nemen kan van mensen van wie hij niet houdt. Waar of niet?’
‘Masturba, padre!’ krijste de kaketoe, en hupte op het bijzettafeltje. Toen de vrouw op het punt stond hem eraf te meppen krijste hij: ‘Basta, Filipo, basta!’ en fladderde eraf.
‘Mijn makke was whisky,’ zei de vrouw. ‘Toen ik D.T. kreeg heeft Harold een buitenpost aangevraagd waar hij en Jezus me van de fles konden afhelpen. Zo zijn we in de pueblo terechtgekomen. Nou, je weet wat er gebeurd is.’ Zij pafte aan haar sigaret en drukte het peukje dood in een koffiekop die al halfvol was met peukjes. ‘Hij raakte aan de peyotl, en ik bleef aan de drank. Mooi hè?’ Zij schurkte zich tegen de rug van de leunstoel waarin zij weggezakt zat. ‘Wat is er aan de hand met je vrouw?’
‘Zij heeft in een Duits concentratiekamp gezeten.’
De vrouw trok haar wenkbrauwen op, maar hij betwijfelde of de betekenis van zijn antwoord tot haar doordrong. ‘Tjonge,’ zei ze, ‘dat is dan precies waar ze wéér heen gaat. Maar dat weet je natuurlijk.’
‘Het spijt me,’ zei Bonifacius geduldig. ‘Het enige dat ik weet is dat Ethan Woodhouse ons voorgesteld heeft dat wij u en uw man op zouden volgen in de Huni-pueblo. Nu probeer ik erachter te komen wat dat precies inhoudt.
Kunt u me er wat meer van vertellen? Het soort werk, en zo?’
Zij keek hem aan met die vage blik, fronste, en sloot haar ogen. ‘Nou, dat kan ik je haarfijn vertellen,’ begon zij. ‘Je staat op het punt om dat vrouwtje van je op te sluiten in het meest Godverlaten oord in de Verenigde Staten. De pueblo ligt op een mesa van een meter of driehonderd hoog in de mooiste vallei die je ooit gezien hebt: oranje, rood, roze, met aan de horizon de sneeuwtoppen van bergen. Mooi, móói!’
‘No cojones!’
‘Harsens, Filipo! Nou, in die pueblo hokken een paar honderd mensen, in aardedonkere adobe hutjes, en daar hebben ze al zeshonderd jaar in gehokt. Ja hoor: zeshonderd jaar. Ik heb hun geschiedenis bestudeerd, voor we erheen gingen. De Huni-pueblo is een van de oudste bewoonde pueblo's in Noord-Amerika. Vraag me niet waarom, want het enige dat je er doen kunt is God op je blote knieën smeken om dood te gaan. Nou, dat heeft Harold dan gedaan. Heb je misschien een saffie bij je, vriend?’
‘Pardon?’
‘O, natuurlijk, je rookt niet, je bent een Quaker. Geef me dat pakkie sigaretten dan maar 's, daar, op 't buffet. En geef die rotpapegaai een trap als-ie op je enkels afkomt.’
Bonifacius stond op en liep naar het buffet. Het was overladen met rommel: Indiaans aardewerk, nylonkousen, een koekoeksklok op zijn rug met een rood vogeltje eruit als de tong van een gehangene. Hij vond het pakje sigaretten op een schaal verlepte koekjes. Hij zocht naar lucifers, maar zij zei: ‘Die heb ik hier. Geef me alleen die sigaretten maar.’
‘Masturba, padre!’ De papegaai kwam op zijn enkels af, vleugels gespreid, klauwen krabbelend op het linoleum.
‘Geef hem een trap!’ riep zij. ‘Geef het sekreet een rotschop!’
‘O, ik heb geen last van hem,’ zei Bonifacius; maar de kaketoe sprong in zijn stoel en krijste triomfantelijk: ‘Basta! Filipo, basta!’
‘Ga op hem zitten!’ riep de vrouw, dronken. ‘Ga op het loeder zitten! Maak een eind aan die schuttingtaal!’
‘Puta, tu madre!’ trompetterde de papegaai, en hupte weer op de grond.
Bonifacius streek een lucifer voor haar af, zij dronk de rook gulzig in; toen zakte ze weer achterover in haar stoel en vroeg: ‘Borrel?’
‘Nee, dank u.’
‘Je moet niet denken dat ik er zelf eentje wil, hoor. Ik drink nooit voor de - hoe heet dat ding? - de zon beneden de - wat ook alweer? - de bramra gezonken is. Ja, mijn vadertje was bij de Marine. Fijne vent. Dát was nog 's een vent! Niet zo'n slijmerige kweepeer, zo'n - neem me niet kwalijk. Waar waren we?’
‘U was bezig de pueblo te beschrijven.’
‘O ja, de pueblo. Honderd huisjes, op en onder en naast mekaar, als een konijnebult. Een plein, een kerk, een begraafplaats...’ Zij leunde voorover, alsof ze niet wilde dat iemand hen zou afluisteren. ‘Vol met baby's. Zui-gelin-gen.’ Zij sprak het uit in lettergrepen. ‘Toen Harold daarachter kwam...’
‘Harol!’ krijste de papegaai, op het buffet. ‘Basta Harol, basta, basta!’
‘Als hij je te veel wordt,’ zei ze, ‘dan stop ik hem in de w.c. Daar gaat hij wel het papier aan stukken scheuren, maar hij kan er verder geen kwaad.
Behalve als hij erin valt, natuurlijk; dan is de boot aan.’
‘Mij hindert hij niet, mevrouw. Wat bedoelde u...’
‘Mij hindert-ie niet! Wacht maar tot je Vader Alvarez leert kennen! Tot het een stille nacht is, en alle nachten zijn daar stil, dan zal je ze 's horen krijsen en vloeken als verdoemden in de hel, twintig, dertig van die ellendelingen! Deze was ook van Vader Alvarez - een heilige, net Sint-Franciscus. Hij schildert - kladschilder, hoor: alléén papegaaien. Hij kloddert maar raak in dat hofje, de ene papegaai na de andere, allemaal hutspot met klapstuk. Ondertussen waggelen die loeders om hem heen, bij tientallen, tierend als ketters. Dat was destijds de voorwaarde toen de eerste kerk gebouwd werd: dat de heilige papegaaien voortaan door de katholieke priesters verzorgd zouden worden, want waar nu de kerk staat stond vroeger het vogelhuis. Maar die schurftige jakhalzen van sjamaans bakten de priesters een poets door als ze er even niet waren hun kop over de muur van het hofje te steken en de stomme dieren smerige taal te leren. Begrijp je dat nou? Zo zijn ze hoor, die lekkere Indiaantjes: dat is het soort grapjes waar ze zich om bescheuren, in 't geniep, natuurlijk, in hun kiva, dat is de mannenclub, za'k maar zeggen. Lachen, gieren, brullen! En waarom? Hé! Filipo! Zeg 's iets! Pronto, pronto!’
De papegaai op het buffet keek haar star aan met een gouden oog, maar reageerde niet.
‘Vooruit! De hele dag krijs je tot ik er gek van word! Vooruit! No cojones, masturba padre, puta tu madre!’
‘Puta Harol!’ riep de papegaai.
‘Weet je zeker dat je geen glaasje wilt?’ vroeg ze.
‘Dank u. Waarom sterven er zoveel zuigelingen?’
Het leek alsof ze ineens nuchter werd; haar roes scheen in vlagen te komen. ‘Gooi me nog 's een saffie toe. Nee nee, sta er niet voor op, gooi maar! Bedankt. Ik steek 'm zelf aan.’ Zij inhaleerde diep, wuifde de lucifer uit en wierp die in de koffiekop. ‘Harold is daar nooit achter kunnen komen. Hij had zich voorgenomen de gezondheidsdienst erbij te halen, de bia, weet ik veel, maar voor die tijd ... Herbert Haring, die zich als een soort Sherlock Holmes beschouwt, denkt dat hij zelfmoord gepleegd heeft. Maar jij gaat er ten slotte heen, dus laat ik het je maar vertellen: ze hebben hem vermoord. Niet met een mes of een klap op zijn kop, nee, zo zijn ze niet, dat zou te recht door zee geweest zijn. Ze hebben hem eerst gek gemaakt met peyotl, toen zijn ze om hem heen gaan dansen tot hij begon rond te draaien als een derwisj, op een gegeven moment dacht hij met zijn gekke kop dat hij kon vliegen, en toen is hij gaan vliegen. De mesa af. Plof! Een smak van driehonderd meter.’
‘Hahaha!’ gilde de papegaai. ‘Masturba, Harol!’
‘Nou kun je wel zeggen: dat was een ongeluk, zijn voet gleed uit, maar dat is onzin. Ze lokten hem de witte cirkel in, hij draaide rond als een derwisj, spreidde zijn armen als vleugels, en woeps! Niet omdat hij dat wilde, maar omdat die twee oude knarren het wilden. Kijk uit! Twee oeroude mannen, de oorlogssjamaan, en de burgersjamaan. Als je die een witte cirkel ziet schilderen op het plein, en alle mannen gaan de kiva in, dan wordt het uitkijken. O, wat moet je dán uitkijken! De kiva, weet je wat dat is?’
‘De mannenclub, zei u.’
‘Oké, mannenclub. Een kelder, die je alleen bij de Pueblo Indianen vindt. Ik weet er alles van, Harold en ik hebben ze bestudeerd voor we erheen gingen, in de bibliotheek van Swarthmore Universiteit. Moet je ook doen. Zeg maar tegen de bibliothecaresse, de ouwe, met het witte haar, dat je naar de Huni-pueblo gaat, dan komt ze met armenvol rotzooi aandragen. Er is één boek, daar staat het allemaal in, van die tovenarij van ze. Als je een stap binnen die cirkel zet, ben je de sigaar. Want dan beheksen ze je, die twee oude kerels. Dan laten ze je dwars door de lucht zweven, overdwars bedoel ik. Dan ... nou, ga maar door. Weet je zeker dat je geen glaasje wilt?’
‘Dank u.’
‘Nou, ik - nee, ik neem er ook geen. Het is veel te vroeg. De zon is nog niet onder z'n dingetje. Geef me nog maar een sigaret. Merci.’ Ze zoog de rook weer in, wuifde de lucifer uit en wierp die in het kopje. ‘Dat moet je niet aan Herbert Haring vertellen, hoor, dat van Harold. Als die erachter komt gaat-ie alle verkeerde dingen doen. Hij is erger dan de bia. Je weet wat dat betekent, hè? Bureau of Indian Affairs. Nou, van de bia zie je nooit iemand. Wel om de haverklap dat meisje McHair, met die bril op, spion van haar grootmoeder. Die scharrelt almaar in de pueblo rond, gaat Vader Alvarez opzoeken, giechelt met de wijven - O ja: mevrouw Sanchez. De werkster. Aardig mens, alleraardigst. Maar kijk uit, hoor: óók een heks. Iedereen in dat godvergeten dorp is óf een tovenaar, óf een heks. Zet nooit één voet binnen die cirkel hoor, want als je dat doet zie je vliegende paarden, kruipende vissen, vrouwen met zeven tieten, mannen met grote - nou ja, oren. Die krijg je te zien, hoor! Dan begin je rond te draaien als een derwisj, en ... Waarom moet je er zo nodig heen?’
‘Weet de katholieke priester het?’
‘Wat?’
‘Dat van uw man?’
‘Natuurlijk. Die weet alles. Maar die kijkt wel uit. Die zit in zijn hofje en schildert papegaaien. Zondags draagt hij de mis op en neemt de biecht af van een paar oude tangen; voor de rest draait hij de griezels de rug toe, en laat ze in hun eigen sop gaarkoken. Dat hebben die Spanjaarden wel geleerd. De Quakers waren er eerder, maar die hebben het nooit geleerd. Die moesten en zouden zich met alles bemoeien. Vergeleken met die Spaanse padres zijn de Quakers marsepein. Ze zijn gewoon opgegeten door de Indianen. Echt hoor. Voor je het weet ben je ook opgegeten, jij en je knappe vrouwtje, en niemand zal het verschil zien, want dat zit hier.’ Ze tikte op haar voorhoofd. ‘Ze eten je hersens op, als wormen een appel. En je gaat je bezuipen, of peyotl eten, of hardop bidden, net als Harold, maar 't helpt allemaal niks. Je wordt opgegeten, en ze laten je overdwars door de lucht zweven met tieten van een meter die over de grond slepen, en je eindigt net zoals ik.’ Zij lachte.
Bonifacius had ineens een intens medelijden met haar. ‘Mevrouw Harner,’ vroeg hij. ‘Kan ik iets voor u doen?’
De glimlach verdween van haar gezicht. Het was alsof ze plotseling ouder werd. ‘Dank je,’ zei ze. ‘Dat is heel aardig van je, maar leeg is leeg. Hij komt nooit meer terug. Afijn, zand erover.’ Ze stond op en schuifelde naar de deur.
‘No cojones!’ riep de papegaai, maar sprong niet van het buffet.
‘Tot ziens, mevrouw Harner,’ zei Bonifacius toen ze weer in het halletje
stonden. ‘Mag ik u weer komen opzoeken wanneer we terug zijn?’
‘Dat mag je,’ zei ze, maar het klonk alsof ze er niet in geloofde. Ze opende de deur naar de overloop. ‘De groeten aan je vrouw, en wil je zo vriendelijk zijn om tegen Herbert Haring te zeggen dat het op is?’
‘Wat?’
‘Doet er niet toe. Zeg alleen maar dat het op is, dan begrijpt hij het wel. Tot ziens.’ Ze deed de deur dicht zonder zijn antwoord af te wachten.
Hij daalde de donkere trap af. De hal beneden leek lichter; hij zag de driewieler op tijd. Buiten, in de zonbelichte straat, speelden negerkindertjes tussen de vuilnisvaten. Terwijl hij de straat uit liep, terug naar het kantoor voor zijn afspraak met Ethan Woodhouse, besloot hij dat dit onzin was. Zelfs als hij mevrouw Harners beschrijving van de pueblo met een korreltje zout nam, was het onzin om iemand als Laura mee te nemen naar die spookachtige pueblo. Ethan Woodhouse had er geen idee van hoe erg zij er aan toe was.
Toen hij eenmaal tegenover de reus zat, in de kamer met de grote ramen en de schilderijen van vroegere Klerken aan de muren, leek het alsof het gisteren was dat hij daar gezeten had, hulpeloos tegen de beschuttende armen van het Genootschap der Vrienden.
‘Ja ja, ja ja,’ zei Ethan Woodhouse, achteroverleunend in zijn wipstoel met zijn handen achter zijn hoofd. ‘Maar wat geeft je de indruk dat je vrouw geestelijk gestoord zou zijn? Ik heb gelezen over haar werk in de kampen in Duitsland. Het schijnt dat ze dat heel goed gedaan heeft.’
‘O ja, zeker. Maar de Huni-pueblo is daar niet mee te vergelijken.’
‘Waarom niet?’
‘Ik heb met mevrouw Harner gepraat. Ze heeft me het een en ander verteld, en het lijkt me niet bepaald een oord...’
‘Dat wil zeggen,’ viel de reus hem in de rede, ‘als je op zoek bent naar een rustoord, waar je vrouw op haar verhaal kan komen. Maar haar grootmoeder heeft me te verstaan gegeven dat jullie een buitenpost zochten waar ze hetzelfde soort werk zou kunnen doen dat ze in Duitsland gedaan heeft.’
‘Herbert Haring zegt dat het lazaret totaal geen zin heeft.’
‘Inderdaad. Voor sociaal werkers die geen Quakers zijn. Maar wij zien het anders. De Hunis behoren tot de meest primitieve Indianen in Amerika. Ze leven nog steeds in dezelfde duisternis, dezelfde angst waarin de mens in het stenen tijdperk geleefd moet hebben. Donder, wind, regen, droogte, allemaal verschijnselen die alleen magisch verklaard kunnen worden. Allemaal demonen, die het op de mens begrepen hebben. De enigen bij wie zij heil kunnen zoeken zijn hun tovenaars, die demonen bezweren, in de toekomst zien, gedachten lezen, wonderen verrichten, de angst verlichten. Maar die kunnen onze tijd niet langer tegenhouden. Op nog geen vijftig kilometer afstand van de pueblo, in de Alamogordo Woestijn, is een half jaar geleden de eerste atoombom tot ontploffing gebracht. De pueblo moet op zijn grondvesten getrild hebben van de explosie. Niemand weet hoe de sjamaans die hebben uitgelegd, maar het moet hun duidelijk zijn dat hun uur geslagen is. Onze tijd zal binnen enkele jaren, zo niet maanden, die laatste uithoek van het stenen tijdperk bereiken. Maar hoe? Daar ligt onze roeping. De Quakers zijn al twee eeuwen lang bij het wel en wee van de Hunis betrokken. We kunnen ze niet, op dit beslissende ogenblik in hun geschiedenis, in de steek
laten. Wij moeten proberen hen te helpen de overgang te maken van het stenen tijdperk naar het atoomtijdperk, zonder zichzelf daarbij te vernietigen.’
‘Maar hoe?’
‘Dat moeten jij en je vrouw gaan uitzoeken.’
‘Maar mijn vrouw is een onstabiele...’
‘Je vrouw heeft drie jaar lang in een concentratiekamp gezeten. Als iemand het stenen tijdperk aan den lijve heeft ondervonden dan is zij het. In plaats van haar naar een sanatorium te brengen, waar iedereen zich inspant om haar ervaringen ongedaan te maken, lijkt het mij zinvoller die ervaringen te gebruiken om anderen te helpen.’
‘Maar hoe, Ethan Woodhouse? Hoe? Dat lazaret is een wassen neus, er is sinds 1927 geen Indiaan om hulp komen vragen...’
‘Wat ze ook meegemaakt heeft in dat concentratiekamp, zij heeft de angst gekend. De angst van de machteloze mens in een wereld vol demonen. De angst van de Hunis.’
Hoe kon hij de man Laura's ware toestand bijbrengen? Hoe kon hij hem doen voelen wat hij zelf gevoeld had, toen hij haar uit het zolderluik zag staren met die sigaar in haar mond? Dat was het beeld dat hem achtervolgde. ‘Ethan Woodhouse,’ zei hij, ‘ik kan dit Laura niet aandoen.’
‘Jij doet het haar niet aan,’ zei de reus. ‘Stuur haar morgen bij me, dan zal ik haar de situatie uitleggen en dan kan ze zélf beslissen wat ze wil.’
‘Ik geloof niet dat ze daartoe in staat is.’
‘Vind je het goed dat ik mijn oordeel daarover opschort tot ik met haar gepraat heb?’ De reus stond op. ‘Mijn secretaresse zit buiten, maak een afspraak voor morgen voor je vrouw.’ Hij liep naar de deur om hem uit te laten.
***
Toen de volgende middag zijn secretaresse Laura Baker binnenliet, zag Ethan Woodhouse tot zijn ergernis dat de jongen meegekomen was, kennelijk om bij het onderhoud tegenwoordig te zijn. ‘Goedemiddag,’ zei hij, en reikte haar de hand. ‘Ga zitten, Laura Baker.’
De jongen schoof een tweede stoel bij en maakte aanstalten naast haar te gaan zitten.
‘Vind je het goed, Laura, dat wij elkaar eerst onder vier ogen spreken?’ Ethan zag de jongen de kaken op elkaar klemmen, maar het meisje keek hem koel aan en zei: ‘Zoals u wilt.’
De eerste indruk die hij van haar kreeg was, vreemd genoeg, een van kracht. Als hij niet beter had geweten zou hij gezegd hebben: een van de sterkste persoonlijkheden die ooit deze kamer zijn binnengekomen.
‘Ik geloof dat het beter is als ik erbij blijf,’ zei de jongen, stuurs.
Ethan glimlachte tegen het meisje, dat hem onderzoekend zat op te nemen. ‘Laura? Zeg jij het maar.’
Zij wendde zich tot de jongen en zei rustig: ‘Goed, Bonny. Laat ons maar even.’
De jongen liep zonder een woord naar de deur; zijn Quaker-opvoeding bleek uit het feit dat hij die niet achter zich dichtknalde.
‘Zo,’ zei Ethan. ‘Ik ben blij eindelijk met je kennis te maken, Laura. Ik heb het verhaal van je ervaringen gelezen, en er is iets wat me fascineert.’
Zij leek te verstarren. Het was alsof er een poort gesloten werd. Zij was er kennelijk niet van gediend over haar verleden ondervraagd te worden.
‘Hoe heb jij, als achttienjarig kind, kans gezien je vader te achterhalen in dat kamp, onder de Duitse bezetting? Dat moet een vrijwel onmogelijke opgave geweest zijn. Of was het een kwestie van geluk?’
De vraag leek haar te verrassen. Ze had verwacht dat hij over het kamp zou beginnen.
‘Als je die expeditie hebt voorbereid en op je eigen houtje uitgevoerd is dat iets respectabels. Wil je me er wat over vertellen? Of liever niet?’
Ze bleef hem aankijken met die onderzoekende blik, alsof ze het niet vertrouwde. Maar toen hij al tot de slotsom was gekomen dat zij niet uit haar schulp te lokken viel zei ze: ‘Ik was ondergedoken bij boeren. Daar heb ik het voorbereid.’
‘Hoe? Had je landkaarten? Wist je waar hij zat?’
‘Ik wist waar hij zat. Maar ik had alleen een schoolatlas.’
‘Je moet toch alle details voorzien hebben. Het was een levensgevaarlijke tocht.’
De poort was nu open. ‘Ja, ik heb het allemaal goed doordacht voor ik eraan begon.’
‘Vertel me er iets van.’
‘Nou, ik had nagekeken op de kaart waar het was, Schwalbenbach. Ik wist niet waar het kamp was, maar ik vond de stad. Toen ben ik gaan denken: hoe kan ik daar het beste komen? Ik schatte dat het een week zou kosten, op de fiets. Mijn eerste neiging was om me te kleden op de nachten die ik in de open lucht zou moeten doorbrengen. Trainingspak, rugzak. Toen zag ik in dat dat dom was, want als de Duitsers iemand in een trainingspak met een rugzak zagen rijden wisten ze meteen dat die niet zo maar een eindje fietsen was in de buurt van haar eigen dorp. Daarom besloot ik er zo gewoon mogelijk uit te zien, alsof ik op weg was naar waar ik werkte. Dat betekende een zomerjurk, lage schoenen, en alleen maar een aktentas.’
‘En je sliep in de open lucht?’
‘Dat moest wel, in hotels vroegen ze om je persoonsbewijs.’
‘Waar sliep je dan? Aan de kant van de weg?’
‘In bosjes of struiken, waar ik vanaf de weg niet gezien kon worden. Ik had ze op de kaart aangetekend.’
‘Maar hoe zag je kans die zomerjurk fris te houden?’
‘Ik had een hangertje bij me, in mijn aktentas, en daar hing ik de jurk aan op 's avonds, in een boom, met een stukje zeildoek over de schouders zodat de dauw hem niet nat zou maken. Ik had een grondzeiltje bij me, net groot genoeg om op te liggen, en een regenjas. Ik sliep onder mijn regenjas, op het grondzeiltje, in mijn ondergoed.’
‘Ben je ooit aangehouden door de Duitsers?’
Ze zat er nu levendig bij, blijkbaar nog altijd trots op de ongelooflijke tocht van dat achttienjarige kind. En met recht, het was een fantastische prestatie, die alleen iemand met enorme wilskracht en uitzonderlijke intelligentie tot een succesvol einde had kunnen brengen. Zijn eerste indruk was
juist geweest: zij was een van de sterkste persoonlijkheden die hij ooit bij zich had zien binnenkomen. Merkwaardig genoeg scheen ze dat zelf niet te beseffen. Haar houding was die van een zwak, hulpeloos wezen, speelbal van het noodlot. Zo zag de jongen haar waarschijnlijk.
‘Ik wist dat de Duitsers mij zouden kunnen aanhouden of dat mannen me lastig zouden kunnen vallen, een eenzaam meisje op een fiets, ergens op een landweg. Daarom besloot ik te doen alsof ik zwanger was. Ik had een kussentje bij me, dat ik 's nachts als hoofdkussen gebruikte, maar dat ik 's ochtends aan mijn onderjurk speldde, onder mijn japon. Het zag er overtuigend uit. Dat moet wel, want ik ben nooit door iemand lastiggevallen.’
‘Uitzonderlijk slim, voor een meisje van achttien. Vind je zelf niet?’
Wantrouwen kwam weer in haar ogen terug.
‘Die voorbereidingen, dat doordenken, de wilskracht. Je hebt dat kamp dan toch maar weten te bereiken, nietwaar?’
De poort was weer gesloten. ‘Ja,’ zei ze.
Een tijdlang zaten zij tegenover elkaar zonder een woord. Buiten het venster ruisten de olmen; in de gang werd gelachen. Hij wist niet waarom, hij werd zich ineens bewust van zijn voorgangers, Klerken van de Meeting for Sufferings, die op hen neerkeken uit de schilderijen. Hij besloot het Licht te volgen.
‘Het is een van onze grondbeginselen dat er geen duisternis bestaat waarin niet ergens een sprankje licht verborgen is, als een zaad. De eerste Vrienden hadden het altijd over “het Zaad”. Daar bedoelden ze mee: de kiem van het goede, het goddelijke, die zelfs in de afschuwelijkste ervaringen die een mens kan doormaken verscholen ligt. Jij moet door de zwartste nacht zijn heengegaan waarin een mens verdwalen kan, de vallei des Doods uit de Psalmen. Daar kom je nooit uit, tenzij je zoekt naar dat sprankje licht, het Zaad. Je moet ernaar zoeken met dezelfde doorzettendheid, dezelfde wilskracht waarmee je de reis naar je vader volbracht. Het was een wonder, die reis; daarom geloof ik dat jij de middelen bezit om het Zaad van het goddelijke te ontdekken in het absolute kwade. Geloof me, zelfs in dat concentratiekamp is het Zaad verborgen, ergens. De zaak is het te vinden. En, als je het gevonden hebt, het tot ontkieming te brengen. Begrijp je waar ik het over heb?’
Zij keek hem aan met een onbewogen gezicht; het enige dat hij doen kon was hopen dat hij haar, niettegenstaande die zelfverdediging, toch kon bereiken.
‘Een van de voorouders van je man, de eerste Bonifacius Baker, was staljongen in Swarthmoor Hall. Je weet natuurlijk van Swarthmoor, Margaret Fell; ik hoef je dat allemaal niet te vertellen. Die staljongen is gestorven in een kerker onder het kasteel Lancaster. Zijn weduwe heeft er verslag van uitgebracht in een journaal dat je kunt vinden in de universiteitsbibliotheek van Swarthmore, die naar de Hall genoemd is, in de kelder waar de kostbare manuscripten zijn opgeborgen. De passage waar ik het over heb is opgenomen in ons Boek van Discipline. Hier, luister maar.’ Hij trok een lade open en haalde het boek te voorschijn dat hij altijd bij de hand had, en las voor: ‘De cel was een vochtige kerker zoals die waarin eens de kinderen waren opgesloten; de wanden dropen van het water; nissen, uit de rots gehouwen, dienden als slaapplaatsen. Andere gevangenen bleven daar slechts tot ze mevrouw Fraley strooigeld hadden betaald en kregen dan beter onder-
dak, maar in ons geval had rechter Sawrey opdracht gegeven dat ons geen enkel voorrecht mocht worden toegestaan, ook al betaalden wij strooigeld. Zelfs lichtere ketens waren ons niet toegestaan, die zelfs de laagste schurk voor strooigeld kocht. We kropen wat rond of zaten ineengedoken bij elkaar, niet in staat rechtop te staan omdat onze polsen aan onze enkels waren vastgeketend, misselijk van de stank van onze eigen uitwerpselen en van de hoofden van de gehangenen die in de kelder onder onze kerker werden uitgekookt.
Ofschoon hij verreweg de opgewektste onder ons was, werd Bonny snel zwakker; op kerstavond van het jaar onzes Heren 1662 stierf hij. Hij was tot het einde bij kennis en fluisterde ons toe dat hij geen pijn of angst voelde, dat hij wist dat de Heer dit alles in Zijn oneindige liefde en genade zo beschikt had. Ik, sterfelijk als ik ben, riep uit: “Waarom? Wat kan Gods bedoeling zijn dat Hij jou zo jong al van ons wegneemt?” Hij keek me aan alsof hij al ver weg was; ik dacht dat het kwam omdat het licht in zijn ogen scheen en vroeg Thomas Woodhouse de kaars weg te nemen. Ik hoorde hem fluisteren: “Ik ben het zaad van de toekomst.”
Ik wilde zijn laatste ogenblikken niet verstoren, maar ik vroeg: “Bonny, wat bedoel je?”
Hij bleef zo lang zwijgen dat ik dacht dat hij de geest had gegeven. Maar toen klonk zijn stem, zacht en kalm, met een vreemde blijdschap die me op dat ogenblik waanzinnig toescheen: “Blijf aan me denken, en rust niet tot...”
“Tot wat, Bonny? Wat?”
“Tot, dank zij jou, het zaad een oogst van Licht en Liefde heeft opgeleverd.”
De woorden leken zinloos. Ik vroeg: “Hoe dan? Wat voor een oogst?”
Weer duurde het lang voor hij antwoordde; ik begreep eruit dat hij kracht moest vergaren om te spreken. Toen zei hij: “Zodra je kunt zeggen: Als Bonny niet zo jong in de gevangenis gestorven was...”
“Ja?” drong ik aan. “Als Bonny niet ... wat dan?”
Er kwam geen antwoord. Hij was naar huis gegaan, naar God.’
Hij sloot het boek. ‘In jouw ervaringen in dat kamp ligt óók het Zaad van de toekomst, Laura. Ik weet niet wat het is, jij ook niet. Maar het is er. Wat je moet proberen te bereiken is het punt waarop je zeggen kunt: “Als ik niet in dat kamp geweest was, als mijn vader niet op die manier gestorven was...” Niemand kan die zin voltooien, behalve jij. Er ligt in de dood van je vader een belofte verborgen, hoe diep dan ook, en jij bent de enige die hem kunt vervullen.’
Bij het zien van haar gesloten gezicht werd hij bevangen door een gevoel van ontoereikendheid. Wat het Licht ook van hem verlangd mocht hebben, hij was te kort geschoten. God, dacht hij, vergeef me dat ik U gefaald heb.
***
Laura kon haar woede nauwelijks beheersen. Hij was een brave, oude man en hij bedoelde het goed, maar wat verbeeldde hij zich eigenlijk? Dat ze nu zou zeggen: ‘Dank u, dank u, dat heeft nog nooit eerder iemand tegen me
gezegd’? Wilde hij dat ze weer op de fiets zou springen en wegpeddelen, dit keer op zoek naar ‘het Zaad’? Wat verbeelde de oude zeiker zich wel? Dat het antwoord op het doodknuppelen van Vader en het aan stukken scheuren van Heinzl gevonden kon worden op een Quaker-kalender? Jezus Mina! De arrogantie van die zogenaamd ‘nederige’ Vrienden! Hij was net Oma! Misschien had hij ook iets verschrikkelijks doorgemaakt; misschien had een hond hem als kind in zijn reet gebeten, of was hij opgesloten in de bezemkast! Zou ze hem vertellen wat ze van hem dacht? Ach, laat maar. Tot haar verbazing had ze opeens ontzettende trek in een sigaar. Hoe bestond het? Als het nou chocola geweest was...
‘Laat me je iets vertellen over het werk dat ik aan je man heb voorgesteld,’ ging de oude ooievaar verder, op gepikeerde toon, alsof hij haar kwalijk nam dat ze niet blubberend voor zijn bureau op haar knieën was gevallen. Ze begreep zelf niet waarom ze zo ontzettend kwaad op hem was, evenmin als de trek in een sigaar. Die keren in de cottage had ze het alleen maar gedaan om de rook nog eens te ruiken die Heinzl zo dichtbij bracht; nu had ze zin in de sigaar zelf. Zou ze Heinzl te hulp willen roepen tegen deze kwezel? ‘Iets goeds, iets creatiefs, zelfs in de zwartste duisternis!’ Het liefst zou ze opgestaan zijn en weggelopen, maar ze moest het uitzitten, met haar handjes in haar schoot, en luisteren naar Opa Kleppertandjes, die zat te wauwelen over Indianen in een pueblo die het zo moeilijk hadden, en ook al wilden ze niet geholpen worden, ze moesten er dan toch maar heen. Wat kon het haar verdommen!
‘Daarom, Laura, kan ik jullie geen andere raad geven dan “volg het Licht”.’
Ze stond op het punt om te zeggen: ‘U bedoelt zeker: achterlicht!’ maar ze moest niet uit de rol vallen van arm, zwakzinnig vrouwtje van die flinke jongen, die God bezatte klootzak, die haar getrouwd had uit roeping. Wat was er toch? Wat had haar ineens zo ontzettend kwaad gemaakt dat ze de boel hier wel in elkaar kon trappen?
‘Nu, wat denk je ervan, Laura?’ vroeg de oude slijmerd.
‘Ik vind alles goed,’ zei ze, met een glimlach.
‘Voel je je ertegen opgewassen?’
Waartegen? Tegen een stelletje Indianen op een rots die ‘het moeilijk hadden’? ‘Ik denk van wel, Ethan Woodhouse,’ zei ze, ‘met Gods hulp.’ Dat was nou wat je noemt vals. Als er een God bestond zou Hij haar waarschijnlijk mores leren, maar het bestaan van God kon je ook wel op je buik schrijven. Als je eenmaal naakte oude mannetjes door honden achterna had zien zitten en doodbijten was het moeilijk door te gaan met bidden. Want waar was God op dat ogenblik? Dat had ze zich toen afgevraagd, kotsmisselijk, trillend van angst op de plee in de bungalow. Ze was tot de conclusie gekomen dat God Kwatsch was. Mooi Duits woord was dat, Kwatsch. Hoe spelde je het eigenlijk? Heinzl had het er aldoor over. Wat er ook gebeurde, als hem iets niet beviel zei hij: Kwatsch!
De oude man keek haar een beetje verbouwereerd aan. Hij had kennelijk niet verwacht dat ze dat zou zeggen over God. Nou, ze kon hem nog meer vertellen. ‘De Heer zal uitkomst geven,’ zei ze, en ze dacht erachter aan: ‘ouwe lul.’
‘Ik ben ervan overtuigd dat jullie steun zult vinden in je geloof, Laura...’ Hij stond op. ‘Ik zou dit boek maar meenemen. Daarin zul je ontdekken dat Quaker-vrouwen zich al eerder in zo'n situatie hebben bevonden.’
Ze kon het niet helpen, ze zei, in het Nederlands: ‘Geef mijn portie maar aan Fik.’ Bij het zien van zijn verrassing glimlachte ze. ‘Dat is Hollands voor: Nee, dank u, ik heb het al.’
‘Je zult wat inkopen moeten doen, neem ik aan.’ Hij kwam achter het bureau te voorschijn om haar naar de deur te brengen. ‘Hebben jullie geld, tussen haakjes? Zeg maar tegen je man dat hij een voorschot kan opnemen, ik zal de kassier ervan in kennis stellen. Dag, Laura.’ Hij stak zijn hand uit, zij aarzelde, toen gaf ze hem een slap kluifje. Als ze dan gek moest zijn, moest ze het goed zijn. Ze gaf hem het handje van een gek. ‘Dag Vriend,’ zei ze, en liep naar buiten, de gang in, waar de brave Bonny op een bankje zat te wachten. Hij keek op alsof ze uit de onderzoekkamer van een vrouwenarts kwam. ‘En ... ben je zwanger?’ zou hij nu moeten vragen. ‘Ja hoor,’ zou ze antwoorden, ‘van een kangoeroe. Een Quaker-kangoeroe, met een zak.’
‘En?’ vroeg hij.
‘En wát?’
‘Wat denk je van dat werk?’
‘O, best. Ik interesseer me wel voor Indianen.’
‘Maar het wordt erg moeilijk, dat heeft hij je zeker wel verteld?’
‘Ja hoor,’ zei ze, met een glimlach. En ze dacht erachter aan: en die heeft nota bene het kamp gezien. ‘Die Indianen moeten het wel erg bont maken als het moeilijker wil worden dan Schwalbenbach.’
Dat moest hij even verwerken. Ze had de laatste tijd niet veel tegen hem gezegd. Ze had eigenlijk nooit veel tegen hem gezegd. Ze moest aardiger voor hem zijn, hartelijker. Jammer dat ze dat niet tegen Oma geweest was. Al die mensen bedoelden het goed, zelfs Ouwe Knekelknietjes met zijn scheurkalender. O! Wat was ze kwaad! Ze moest maar gauw maken dat ze wegkwam, ergens gaan wandelen of zo. ‘Tussen haakjes, hij heeft gezegd dat als je geld nodig hebt, je een voorschot kunt opnemen bij de kassier.’
‘O...’ Het scheen hem te verrassen. ‘Moet jij nog inkopen doen? Zullen we samen gaan?’
‘Ach, jij hebt ook wel wat anders te doen. Laat mij nou maar alleen gaan; als je geld bij je hebt, geef me wat. Ik heb een jurkje nodig, een tandenborstel; we gaan ten slotte naar het Wilde Westen. Kun je wat missen?’ Ze had in geen weken zo druk tegen hem gepraat.
‘Ja, zeker, ja...’ Hij haalde zijn portemonnaie te voorschijn. ‘Twintig dollar? Zou dat genoeg zijn, denk je? Nee, natuurlijk niet...’ Hij haalde er een paar biljetten uit. Veertig dollar. Het kon niet op. ‘Zou je hier genoeg aan hebben, voorlopig? En weet je nou waar je zijn moet?’
‘Bonny,’ zei ze, vriendelijk, ‘schei nou eens uit met je zorgen te maken. Ik weet dat je je een aap geschrokken bent toen ik ineens die auto uitsprong, maar dat betekent niet dat ik getikt ben, geloof me nou maar. Ik zal het je bij gelegenheid wel eens uitleggen. Ja, ik weet een dameswinkel te vinden. En ik zal niet te voorschijn komen met een directoire op mijn hoofd.’
‘O...’ zei hij, ‘o, nou, goed dan. Waar zullen we elkaar ontmoeten?’
‘Dat moet jij maar zeggen, ik ben hier niet bekend. Hier buiten, op de
binnenplaats met die bankjes?’
‘Ja - dat is goed. Dan ga ik even naar de universiteitsbibliotheek, om een paar boeken te halen over de Hunis. Zullen we zeggen: vier uur, hier op de binnenplaats?’
‘Best hoor. En bedankt voor het geld. Je krijgt het terug; maak je geen zorgen.’
‘Maar dat hoeft toch niet! Ik ben toch...’
Hij had willen zeggen ‘je man’, maar bedacht zich. Hij bedoelde het goed, de brave jongen, maar ze moest gauw de benen nemen voor ze wat zei waar ze spijt van zou hebben. ‘Dag Bonny,’ zei ze, ‘tot straks.’
Ze liep in looppas de gang af, de trap af, naar buiten. Ze stak de binnenplaats over, en sloeg linksaf toen ze de straat bereikte. Ze hield de draf erin omdat ze niet wilde dat Bonny haar achterna zou komen en haar vertellen waar ze heen moest. Ze zou het zelf wel uitzoeken. Ze had veertig dollar, als ze verdwaalde kon ze een taxi nemen en zeggen: ‘Breng me maar naar de Meeting voor Sufferds.’
Het was een nieuwe ervaring, vrij rond te lopen in een stad vol gewone mensen. Nou ja, gewone mensen; Amerikanen dan. Ze keken haar belangstellend aan, ze begreep eerst niet waarom, toen besefte ze: mijn battle-dress. Het is ook onzin om al die tijd rond te blijven lopen in een mannenpak. Een aardige jurk, een beetje zomers; een pulletje ... Ze zou wel zien. Waar moest ze al die inkopen laten? Weet je wat: eerst een koffer. Een goedkope koffer. Waar kocht je zo iets?
Na een tijdje te hebben rondgezworven zag ze een warenhuis, ging naar binnen, vond de afdeling reisbagage en vroeg aan de bijbehorende juffrouw: ‘Heeft u een goedkope grote koffer?’
De kakkineuze troela nam haar van het hoofd tot de voeten op voor ze zei: ‘Wij hebben goedkope koffers óf grote koffers. De prijs is afhankelijk van de maat.’
‘Nou, laat dan maar eens wat kijken,’ zei ze, en ze dacht: als je zo doorgaat, krijg je een trap voor je kont; dan zul je eens een kikker horen kwaken. Ze was nog altijd woedend.
‘Nu,’ zei Miss Dure Koffer, ‘deze bijvoorbeeld. Heel ruim. Heel solide.’
‘Hoe duur?’
‘Drieëntwintig dollar.’
‘En dat is goedkoop?’
Het mens nam haar weer van het hoofd tot de voeten op, alsof ze haar lengte moest schatten voor een doodskist. ‘Wat u zoekt is karton,’ zei ze. ‘Dat verkopen wij niet. Dan moet u bij een drugstore zijn. Of anders gaat u naar de sportafdeling, daar kunt u een plunjezak krijgen.’
‘Da's geen stom idee,’ zei ze. ‘Waar vind ik de sportafdeling?’
‘Zevende verdieping, links.’
‘Dank u, hoor,’ zei ze, poeslief, ‘en werk maar prettig.’
Miss Koffer zei niets meer, en staarde haar na om ook haar achterkant te meten. Misschien zou het beter zijn eerst dat jurkje te kopen? Weet je wat, een beetje rondlopen, dat was eigenlijk wel zo gezellig. De plunjezak kwam altijd nog wel.
Ze dwaalde door het warenhuis. Het was ongelooflijk wat die mensen
allemaal te koop hadden; vergeleken met Duitsland was het Aladins grot. Zouden ze beseffen hoe rijk ze waren, hoe bevoorrecht dat ze zo maar een winkel binnen konden lopen van zeven verdiepingen en kopen wat ze wilden, alles wat de wereld te bieden had? Het was ongelooflijk; zo ongelooflijk dat een eenvoudig jurkje kopen een onmogelijkheid bleek. Want er waren wel honderd eenvoudige jurkjes, ze bleef het ene hangertje na het andere langs de stang schuiven, steeds besluitelozer. Ze moest maar een winkel zoeken die een beetje op Duitsland leek, waar, als je om een jurk vroeg, de juffrouw eerst om zich heen keek voor ze fluisterde: ‘Moment mal, ich habe zufällig...’ en dan kreeg je, ergens in een achterkamertje dat naar oksels rook, een hansop te zien voor een Walküre van tweehonderd pond. Deze rijkdom was overweldigend; ze was maar blij dat ze niet in Philadelphia zouden blijven. Dan maar liever de Indianen; die zouden zeker geen honderd zomerjurkjes hebben hangen in hun toko, of hoe een Indianenwinkeltje heette. Daar had Karl May het nooit over gehad: waar kochten de Indianen hun kleren? O, natuurlijk: in de trading-post. Zelfs de vertaler van Winnetou's dood had daar geen Hollands woord voor kunnen vinden.
Opeens stond ze voor een toonbank met stapels kistjes sigaren. Ze bekeek er een, Virgen de la Habana, met een Spaanse dikkerd erop met neepjesmuts en een waaier. Ye olde cheroot waren lange zwarte, met een kippeveren mondstuk.
‘Kan ik u helpen, mevrouw?’ De man klonk vaderlijk, maar het was weer zo'n kistenmaker die haar maat schatte terwijl hij stond te glimlachen.
‘Ik zoek een kistje sigaren voor mijn man,’ zei ze. Onzin eigenlijk, wat wou ze er nou mee? Maar och, een beetje praten was wel leuk.
‘Wat rookt hij gewoonlijk, mevrouw?’
‘Nou, tot dusverre rookte hij Hollandse - hoe heetten ze ook alweer? - Schimmelpenninck. Die heeft u zeker niet? Een doosje met een oude vent erop met een pruik en “Schimmelpenninck, ja, die ken ik”?’
‘Nee, Hollandse sigaren hebben we al in geen jaren meer gehad, mevrouw. Hoe kwam uw man daar aan, als ik vragen mag? O, militair, natuurlijk, ja, ik zie het. Nee, ik vrees dat hij, nu hij terug is, weer zal moeten wennen aan onze sigaren. Ik heb wel iets dat erop lijkt...’ Hij rolde een deur open onder de toonbank, haalde er na enig zoeken een kist uit te voorschijn die groot genoeg was om er een kat in te begraven.
‘Kijkt u eens, dit zijn echte havanna's. Die lijken nog het meest op de Hollandse sigaren. Rio de Oro. Prima, prima. Dat zult u zien, daar doet u uw man een geweldig plezier mee. Ruikt u maar eens.’ Hij maakte het kistje open, waarbij hij het zegeltje verbrak, en hield het haar voor.
Zij snoof de geur op. Inderdaad, ze roken net als ‘Schimmelpenninck, ja, die ken ik’. ‘Hoe duur?’
‘Dit kistje? Even kijken ... Zeventien dollar.’
‘Hoeveel zitten erin?’
‘Honderd, mevrouw. We hebben deze alleen in kistjes van honderd.’
‘Nou, weet u, hij moet ze eerst proberen, dus laat ik maar met wat kleiners beginnen. Als deze hem niet bevallen zitten we met negenennegentig sigaren.’
‘Pardon? O ja, hahaha.’ De man zette het kistje terug en rolde de deur weer dicht. ‘Nu,’ zei hij, ‘laten we eens even kijken, wat kan ik u aanbieden
dat een beetje op de Hollanders lijkt? ... Deze! U zou het niet zeggen als u ze ziet, maar deze zijn, nou ja, niet zo dicht bij de Hollanders als de Rio de Oro, maar ... Hier, ruikt u maar.’ Hij had weer een kistje opengemaakt, dit keer stond er aan de binnenkant van de deksel een plaatje van een cowboy die zijn hoed verloor op een schoppend paard. Broncobuster stond eronder, The stogey of the Far West. Ze snuffelde eraan, maar het plaatje had haar al verleid. ‘Hoeveel zitten hier in?’
‘Vijftig, mevrouw. En ze zijn voordeliger dan die andere.’ Hij draaide het kistje om: ‘Zeven dollar vijfentwintig. Nou, daar kunt u toch niet over mopperen! Dat is bijna de ouderwetse vijf cents sigaar.’
‘Ja,’ zei ze, ‘bijna.’
Toen hij het kistje wilde inpakken hield ze hem tegen. ‘Wacht, laat ik er een uitnemen, dan kan ik hem die vast geven als hij - eh - als ik hem tegenkom.’ Wat een onzin! Maar ze haalde er een uit en stak hem in de borstzak van haar battle-dress. ‘Heeft u lucifers?’ vroeg ze.
‘Ja hoor,’ zei hij, ‘die krijgt u erbij. Gratis, met de reclame van onze zaak erop. Wilt u een pak?’
‘Ja, geef maar,’ zei ze.
Hij haalde een pak te voorschijn van achter die roldeur; toen hij die bij de sigaren wilde inpakken, zei ze: ‘Geef eerst maar een doosje, dan doe ik dat bij de sigaar. Als hij dan komt, kan ik die voor hem aansteken.’
‘O - ja, leuk idee...’ Maar hij zag er niet uit alsof hij zich stond te bescheuren.
Daar ging ze dan: met een kist sigaren en een pak lucifers op weg naar de - hoe heetten ze ook alweer? - Hunis. Ze moest er wel wat bijkopen, natuurlijk; maar niet hier. Of zou ze eerst nog even naar een plunjezak gaan kijken? Nou, vooruit maar. Zevende verdieping, links.
Tjonge, dat was nog eens een sportafdeling! Golfclubs, tennisrackets, ski's, roeimachines, biljarttafels, je kon het zo gek niet bedenken of het stond er. Tjonge, wat waren die mensen rijk! Hoe hielden ze hun geld in hun zak, met al die schatten om hen heen opgestapeld? Wacht, daar had je weer zo'n troela met een gezicht van ‘ik ruik iets’.
‘Kan ik u helpen?’
‘Ik zoek een plunjezak.’
‘Dan moet u helemaal aan het eind zijn, waar u die rugzakken ziet staan. Tussen de tafeltennistafels en de scooters.’
Ze liep naar de tafeltennistafels, bekeek de scooters, toen de rugzakken. Haar hele leven had ze gedacht: een rugzak is een rugzak, maar hier bleek dat zo eenvoudig niet. Er waren minstens tien verschillende soorten, met rekjes die op je rug bleken te passen, met twee zakken, drie zakken, zes zakken, bijlen, hamertjes, fluitjes...
‘Zoekt u een rugzak?’
Het was een mens van een jaar of vijftig, met een bril aan een ketting om haar nek.
‘Eigenlijk zocht ik een plunjezak, maar misschien is een rugzak niet zo'n gek idee,’ antwoordde ze. ‘Het hangt ervanaf hoe duur ze zijn. Wat is goedkoper?’
‘Als het om de ruimte gaat heeft u meer aan een plunjezak. Deze rugzak
hier, bijvoorbeeld, kost negentien dollar. Een plunjezak van dezelfde afmetingen is een dollar of vijf.’
‘Plunjezak,’ zei ze.
Tien minuten later liep ze het warenhuis uit met een knalgele zak over haar schouder. Ze begreep zelf niet waarom ze die kleur had gekozen, het was pure brooddronkenheid. Ze was het zat om als een zedige kerkmuis te leven: ‘Ja Bonifacius’, ‘Nee, Bonifacius’, ‘Zeker, Vriend Ethan Woodhouse’, ‘Dank u, Oma’. Dan liever Laura de Broncobuster, in het Verre Westen. Moeilijk, daar een jurk voor te vinden. Misschien beter een rijbroek? Een parka?...
Een eindje verder in de winkelstraat zag ze een uithangbord: western wear for guys and gals. De etalage stond vol cowboys met donderhoeden op, leren schortjes voor met franje, en rijlaarzen met hoge hakken en printtenen. Er stond ook een vrouwelijke pop, met een knoet op haar hoofd als een korenschoof, een rode halsdoek om, een blauwe werkbroek aan en een T-shirt met het opschrift: The hell with housework. Nou, dát was haar uit het hart gegrepen! Ze ging naar binnen.
Een kwartier later kwam ze te voorschijn als het evenbeeld van de pop in de etalage: blauwe broek, T-shirt met opschrift, rode halsdoek en puntlaarzen met hoge hakken. In de plunjezak over haar schouder had ze, behalve haar battle-dress en afgedankte schoenen, een tweede T-shirt met: If you can read this you are too damn close.
Toen ze weer op straat stond had ze ineens een ontzettende trek in chocola. En waarom niet? Het was niet goed voor de lijn, maar wat kon dat schelen? Kom meid, geen gezeik: chocolaatjes. Lekker smikkelen! Hoe kwam ze toch zo baldadig? Had die oude knar haar dat aangedaan? Potverdikkie, wat had hij haar kwaad gemaakt! Het was net alsof de kwaadheid iets had losgeslagen, of opengedaan, als het deksel van een kist.
Ze snoof de buitenlucht op en begon meteen te hoesten, want buitenlucht was het bepaald niet met al die auto's. Toen zag ze Rexall's