‘En toen werd ze naar een kamertje gebracht door de officier, waar ze haar vader aantrof, met boeien vastgemaakt aan de centrale verwarming, en waar...’ Doña McHair vouwde de brief op en zei: ‘Enzovoort, enzovoort. Verder is hij niet geschikt om voorgelezen te worden.’
‘O, Grootmoeder, alsjeblieft!’ protesteerde Gulielma. ‘Grote goedheid, ik ben achttien jaar oud! Als het u te gortig wordt, laat me het dan zelf lezen!’
Doña Ana keek haar met zwarte piekoogjes aan over de rand van haar brilletje. ‘Misschien wordt het inderdaad tijd dat je over dit soort dingen hoort. Wat dat meisje is overkomen gebeurt al duizenden jaren, zolang er mensen zijn op aarde. Het gebeurde in mijn dorp, het gebeurde in de pueblo. Het gebeurt in iedere oorlog. Nu dan.’ Zij vouwde de brief weer open en hield die op armlengte voor zich, hetgeen in haar geval, stakkerdje, niet ver was, en las verder.
Het verhaal van de lijdensweg van Laura Martens bracht tranen in Gulies ogen. Zij wilde niet dat Grootmoeder het merkte, die had het land aan alle uitingen van emotie, ze nam haar bril af en hield haar hand voor haar ogen alsof ze zich op die manier beter kon concentreren. Hier zat ze, in de beschutte wereld van Grootmoeder, de ranchero's en de Indianen, een wereld die, zo lang ze zich herinneren kon, niet was veranderd, een wereld van vrijheid, vriendelijkheid ... Toen las Grootmoeders kinderstem voor hoe de jonge Quaker Bonifacius Baker en zijn Vrienden het meisje van een wisse dood hadden gered door samenkomst te houden op de veranda van de bungalow en hoe hij daarna met haar getrouwd was om haar in staat te stellen naar Amerika te gaan, naar haar moeders moeder in Indiana, die deze brief geschreven had. Grootmoeder maakte een schamper geluid toen ze dat las, maar gaf er geen commentaar op; zij las de brief ten einde, waar de vrouw die hem geschreven had haar dringend vroeg het jonge paar te willen helpen dat nu op weg naar de pueblo was. Zij vouwde de brief op, legde hem naast zich op het tafeltje, deed haar bril af, legde die boven op de brief en zei snibbig: ‘Malle kunsten!’
Het was zo'n onverwachte reactie, dat Gulie er voor de zoveelste keer met open mond van zat. ‘Waarom, Grootmoeder?’
‘Je trouwt iemand uit liefde, of omdat je ouders het gearrangeerd hebben. Niet om een goede daad te doen, dat is een onvergeeflijke belediging.’
‘Maar Grootmoeder! De jongen is een Quaker, voor hem is liefde iets - iets hógers!’ Ze kon onmogelijk beginnen Grootmoeder uit te leggen waar het de Quakers om ging; ze begreep het nauwelijks zelf, hoewel ze alles over de Quakers las waar ze de hand op kon leggen, en iedere avond voor ze insliep een hoofdstuk uit het dagboek van George Fox. Hoe kon ze een drieënzeventig jaar oude katholieke vrouw uit Colombia duidelijk maken wat
een Quaker-‘roeping’ betekende, God in je gedachten te horen zeggen: ‘De enige die Ik heb ben jij’?
‘Je bent te jong,’ zei Grootmoeder, ‘jouw hoofd is nog vol romantische nonsens. Volgens mij heeft de man die dat meisje verkrachtte haar minder kwaad gedaan dan dit heilige boontje, dat met haar trouwde om een wit voetje te krijgen bij Onze Lieve Heer. Wat een kwezel moet dát wezen!’
‘Maar Grootmoeder! U bedoelt toch niet dat het beter is om verkracht te worden?’
‘Niet half zo erg als uit liefdadigheid getrouwd te worden. Een vrouw die verkracht wordt, weet tenminste dat ze een man ertoe heeft gedreven alle ridderlijkheid, beschaving, moraal, de gevangenis, zelfs de strop te vergeten! Het huwelijk ontvangen als een gift uit de handen van een plafondheilige? Bah!’ Ze gleed de stoel af en dribbelde naar het Spaanse bureautje in de hoek, om de brief op te bergen.
‘Nou, ik hoop maar dat Vader Alvarez een milder oordeel over hem zal hebben,’ zei Gulie snibbig.
‘Vader Alvarez is mild voor iedereen, zelfs voor wie het niet verdienen.’
‘Misschien kunt u hem die brief doorsturen, Grootmoeder. Ik zal hem wel meenemen als ik ze wegbreng, als ze komen.’
‘Ik vind het niet goed dat jij om de haverklap de bergen opkrabbelt met dat paard van je, nu de sneeuwtijd is begonnen. Als ze komen moet Juancho ze maar naar de pueblo brengen, met onze muilezels.’
Gulie wilde protesteren, maar je moest oppassen met Grootmoeder. Als ze in de gaten kreeg dat je ergens enthousiast voor was, liep je de kans dat ze het verbood.
‘Help me met de puzzeltafel,’ zei het oude mensje.
Gulie pakte de kaarttafel met de halfvoltooide legpuzzel op en zette die, samen met haar, voor haar kinderstoel neer. Buiten in de patio begon Bruller te blaffen, hij moest haar voorbij het raam hebben zien komen.
Grootmoeder klom haastig in haar stoel, ze was als de dood voor de Deense dog. Geen wonder, voor haar moest Bruller de afmetingen hebben van een paard. ‘Hoe vaak heb ik je al niet gezegd om dat dier uit die patio weg te houden?’ vroeg ze, nijdig. ‘Als hij hier binnenkomt, slaat hij alles ondersteboven met die zwabberstaart van hem!’
‘Wees maar niet bang, Grootmoeder, ik neem hem mee. Ik ga toch even uit rijden.’ Zij boog zich over het oude mensje, kuste haar haren en ving een vleug op van haar ouderwetse parfum. Toen ging ze de deur uit, de patio in, en werd luidruchtig verwelkomd door Bruller. Ze nam hem bij de halsband en liet hem pas los toen ze het huis uit waren, op weg naar de stallen. Hidalgo zag hen aankomen met zijn hoofd over de onderdeur van zijn box, en hinnikte vol verwachting. Ze haalde hem van stal om hem te zadelen en hij begon zich weer aan te stellen door net te doen alsof hij bang was van Bruller, die met luid geblaf om hen heen danste. Toen klom ze in het zadel en zij draafden weg, de oprijlaan af, door de oase van oude katoenbomen de woestijn in, waar de lucht droog was en helder en je een mijlenver uitzicht had over de Llano Estacado, tot waar hij overging in de lege blauwe hemel. In gestrekte draf reed ze naar de eerste heuvelrug, waarbij Bruller blaffend meerende; toen bereikte het paard de top en daalde de helling af naar haar
geliefde plekje, de Kasteelrots, waar eeuwenlang Indianen, pelsjagers en landverhuizers hadden gekampeerd. De noordkant van de rode rots was zwart van de rook van kampvuren, waarvan de eerste moesten dateren uit de oertijd. Aan de windkant waren karresporen, afkomstig van de huifkarren van de landverhuizers, een eeuw geleden. Ze liet zich uit het zadel glijden en gaf Hidalgo een klap op zijn achterste; ze maakte zich geen zorgen dat hij ver zou dwalen, hij kwam altijd wanneer ze floot. Bruller bleef blaffen, kennelijk in de hoop dat ze een steen voor hem zou gooien. Ze deed het, plichtmatig, maar tegen de tijd dat hij ermee terugkwam en de steen aan haar voeten liet vallen, zat ze aan de voet van de rots, met gesloten ogen, samenkomst te houden. Dat deed ze iedere dag, al langer dan een jaar. De leegte van de woestijn, de stilte om haar heen gaven haar een religieus gevoel; het was heerlijk om hier te zitten mediteren. Ze wist wel niet precies wat ze moest mediteren en hoe, maar als je je ogen dichthield en je zat lang genoeg stil, dan kreeg je het gevoel alsof het nog stiller werd. Ze dacht niet aan godsdienstige dingen, tenminste niet meteen; dit keer dacht ze aan de brief.
Wat die Quaker-jongen gedaan had op die veranda in het concentratiekamp was iets geweldigs. Hij moest werkelijk in de kracht des Heren geweest zijn. Ze was blij dat ze eindelijk de term waar ze zo dikwijls over gelezen had kon toepassen. Ze vroeg zich af hoe Bonifacius Baker eruit zou zien, of hij hemels zou zijn en een beetje eng, net als Harold Harner. Als ze elkaar voor het eerst ontmoetten, zou ze hem dan meteen aanspreken met jij en jou? Wat zou hij van háár denken, zodra hij haar onder ogen kreeg? Maar het had weinig zin je te laten gaan in kinderlijke dagdromen als je eruitzag als een apin, met een uilebril. Bovendien was de man getrouwd uit roeping, dat maakte haar gemijmer niet alleen dwaas maar godslasterlijk. Ze opende haar ogen en verstijfde, want tegenover haar zat Acapito.
Na haar hele leven onder de Indianen te hebben doorgebracht zou ze toch eindelijk gewend moeten zijn aan de manier waarop ze op de meest onverwachte ogenblikken geruisloos konden opduiken, maar het gaf haar iedere keer weer een schok. Ze vroeg zich af waarom Bruller niet aangeslagen had; die was er natuurlijk met Hidalgo vandoor.
‘Zo, Acapito,’ zei ze.
De Indiaan antwoordde niet. Zijn battle-dress zag er sjofeler uit dan de laatste keer, de decoraties en het lint van het Purperen Hart waren verschoten; hij was hard bezig een landloper te worden. Doodzonde; wat was hij trots geweest toen hij dat uniform voor het eerst aan had! Hij was helemaal naar Grootmoeder komen rijden toen hij het Purperen Hart kreeg om het te laten zien, en Grootmoeder had hem twintig dollar gegeven, ook al vond ze het maar matig dat een Huni zijn weg had gevonden naar de normale maatschappij. Nou, die illusie was dan ook niet van lange duur geweest. Daar zat hij, een zwerver die nergens meer thuishoorde behalve in de woestijn, een menselijke coyote.
‘Acapito?’
Hij keek op. Zijn ogen waren bloeddoorlopen, zijn lippen gebarsten van de droogte.
‘Kan ik wat voor je doen?’ vroeg ze.
Het duurde een tijdje voor de vraag tot hem doordrong; toen haalde hij
zijn schouders op en ging weer in het zand zitten staren.
‘Binnenkort komen er twee nieuwe Quakers,’ zei ze.
Hij keek haar aan, maar reageerde niet. Misschien was hij flauw van de honger. Ze zou Juancho zeggen, als ze terugkwam, dat hij een pot bonen naar de rots moest laten brengen, in de hoop dat de stakker er nog zou zitten.
‘Waarom ga je niet mee als we ze wegbrengen naar de pueblo?’ Dat was stom; als Acapito de pueblo binnen mocht had hij het allang gedaan. Ze wist niet of hij uitgestoten was of uit eigen beweging weggegaan, maar hij was stralend en trots uit de Pacific teruggekomen met zijn medailles en naar de pueblo gegaan, en achtenveertig uur later terug komen strompelen, als een uitgeput hert, met alle ranchhonden gillend om hem heen.
‘Ze moeten niet gaan,’ zei Acapito. ‘Alleen Doña Ana en jij worden nog toegelaten, verder niemand meer.’
‘En wie heeft dat beslist?’
‘Anagonga.’
‘Nou, het spijt me voor hem, maar als Grootmoeder zegt dat er Quakers naar de pueblo gaan dan gáán ze. Dat weet je toch net zo goed als ik? Als het puntje bij paaltje komt doen de sjamaans wat Grootmoeder zegt, want zonder haar geld waren ze nergens. Hoe gaat het met Atu?’
‘Ik weet niet wat er met Atu aan de hand is. Hij wil me het niet vertellen.’
‘Misschien maakt hij zich bezorgd over de bevalling. Hoe is het met Morga?’
‘Zij moet bang zijn,’ antwoordde hij. ‘Alle kinderen sterven of worden dood geboren. Zij zou naar Kissing Tree moeten, naar het hospitaal. Maar Atu is net een bange hond; zelfs tegen mij durft hij niet hardop te praten. De enige hoop is de vrouwen. Als die met zijn allen de pueblo zouden verlaten...’
‘Ja,’ zei ze, ‘ik weet dat je er zo over denkt.’ Iedere keer als ze hem tegenkwam begon hij weer over de vrouwen die de pueblo moesten verlaten. ‘Nu, het wordt tijd dat ik terugga, ze zitten op me te wachten.’
Ze floot op haar vingers; enkele ogenblikken later kwamen Hidalgo en Bruller samen aangedraafd; de hond begon te blaffen bij het zien van de Indiaan. ‘Bruller! Koest!’ riep ze, en toen hij niet gehoorzaamde, raapte ze de steen op en slingerde die weer weg. Daar ging hij, met een stofwolk achter zich aan, en sloeg bijna over de kop toen hij op gestrekte poten de steen voorbijroetste. Ze nam haar kans waar om vlug in het zadel te klimmen; toen Bruller haar zag wegrijden liet hij de steen vallen en kwam, bassend, achter hen aan gehold.
Op het erf zag ze Juancho. ‘Acapito is terug!’ riep ze. ‘Hij zit bij de Kasteelrots, laat hem wat eten brengen!’
Juancho schudde het hoofd en zei: ‘Si, señorita. Pobre diablo.’
Ze sprong uit het zadel en gaf Juancho de teugels. ‘Loop maar even met hem rond,’ zei ze, ‘en droog hem af. Hij heeft het warm.’ Ze haastte zich naar het huis, in de hoop dat er misschien getelefoneerd was dat de Quakers onderweg waren, maar Manuela in de keuken wist van niets, en zij was de eerste die het te horen zou krijgen: twee mensen meer voor het avondeten.
Die avond, in bed, dwaalden haar gedachten af van George Fox; steeds zag ze weer de arme Acapito voor zich, al half verdwenen in de Llano
Estacado. De sjamaans waren werkelijk onmensen als het eropaan kwam. Geen wonder dat ze Atu geïntimideerd hadden; die moest natuurlijk uitkijken dat hij ze niet tegen zich innam nu zijn vrouw zwanger was, anders zagen die geniepige oude kerels slechte voortekenen bij de geboorte van het kindje om hem mores te leren. Als het in leven bleef. Het was waar, van die kindersterfte. Waarom deed Vader Alvarez daar niets aan? Onzinnige vraag. Vader Alvarez deed nooit iets.
Pas toen Bruller naast haar bed gromde en met gespitste oren zijn kop ophief hoorde zij de coyote in de verte, een langgerekt gejank, en zij dacht aan Acapito, ergens in de donkere woestijn.
Een paar dagen later kwamen de twee jonge Quakers aan, met de auto; Grootmoeder stuurde Juancho om hen bij het hek op te vangen en Gulielma was bijna niet meegegaan. Ze had die morgen lang in haar spiegel gekeken en besloten dat ze er op haar onvoordeligst uitzag. Haar pukkels waren erger dan ooit, haar haren sluiker dan ooit; als ze ze vlocht zou ze eruitzien als een squaw. Ten slotte besloot ze het toch maar te vlechten en er de twee Navahorozetjes in te doen. Zo zag ze er wel dubbel en dwars als een squaw uit, maar op deze manier kon ze tenminste haar oren verbergen, die ze eigenlijk bij haar geboorte hadden moeten couperen, net als die van Bruller. De jongen zou zich lam schrikken, maar enfin; hoe eerder hij een langsnoetapin te paard zag, hoe beter.
Ze reed samen met Juancho naar het hek op de weg naar Kissing Tree, met Bruller achter hen aan, uitgelaten als een bulkalf. Ze gingen naast elkaar op het hek zitten, maar zoals altijd was er niet veel om over te praten, want het enige onderwerp van Juancho's conversatie was paarden. Ze zaten zwijgend naast elkaar naar de horizon te turen; het duurde een uur voor ze eindelijk een stofwolk in de verte zagen, nog voor ze de auto konden onderscheiden. Opeens raakte ze bijna in paniek. Dat had ze altijd wanneer er gasten aankwamen, maar dit keer was het erger dan ooit. Ze moest zich dwingen om niet terug te galopperen naar de haciënda voor ze haar te zien kregen. Ze zei tegen Juancho, op het laatste ogenblik, dat hij maar in de auto moest gaan zitten om hen de weg te wijzen, zij zou zijn paard wel op sleeptouw nemen. Hij toonde geen verbazing, hij was ook niet bepaald een gevoelige man. Als ze een merrie geweest was zou hij zich met veel meer interesse in haar gevoelens verdiept hebben. Toen de auto bijna bij hen was en ze al te paard zat nam ze, in een dwaze opwelling, haar bril af en verstopte die in een zak van haar rijbroek. Dat betekende dat ze nu zo goed als blind was, maar ze kon de gedachte niet verdragen dat de jonge Quaker haar met bril zou zien, de eerste keer dat hij haar zag. Ze zag een vage donkere massa stilstaan en rook stof; toen sloeg een portier, de zwarte massa schoof verder. Zij klakte met de tong, greep de teugel van Juancho's paard en volgde de zwarte vlek, midden in een stofwolk. Ze kreeg het er benauwd van, maar bleef doorrijden, hooghartig, alsof ze in de verte staarde, want hij keek waarschijnlijk naar haar in het achteruitkijkspiegeltje.
***
Het beeldschone meisje met de zwarte vlechten op dat prachtige paard was de eerste Indiaanse die Laura van dichtbij zag. Zij staarde naar haar door het achterraampje terwijl zij wegreden, het meisje achter hen aan. Ze reed meesterlijk, alsof het paard deel van haarzelf was, precies zoals Karl May beschreven had.
De Llano Estacado was haar tegengevallen, na de beschrijving van Karl May. In werkelijkheid bleek het een saaie, dorre vlakte met hier en daar wat struikjes die er miezerig uitzagen, een eindeloze, kaarsrechte weg, en om het uur of zo een dorpje van armoedige huisjes die er allemaal uitzagen alsof ze tijdelijk waren, met in het midden niet een kerk maar een watertoren op dunne spinachtige pootjes, die mijlenver te zien was. Maar nu had ze dan toch die droom bereikt: de wereld van Winnetou, Old Shatterhand, Tante Drol. Ze staarde naar het Indiaanse meisje met een mengeling van bewondering en afgunst. Kijk haar nou eens rijden, op dat prachtige paard met die witte manen en die witte staart; en dan die kolossale Deense dog die met haar meeholde! Nou, het zou niet lang meer duren of zij zou er ook zo bij rijden: vrij, haar paard haar beste vriend. Ze voelde zo'n sympathie voor het meisje, zo'n vriendschap, dat ze het niet laten kon naar haar te wuiven.
Maar hoewel de jonge squaw haar recht in de ogen staarde, reageerde ze niet. Ze deed alsof ze lucht was.
Nou, dan niet! Dan maar weer naar de weg kijken. Het was natuurlijk kinderachtig om zich gekwetst te voelen; Karl May had het er aldoor over hoe lang het duurde voor Indianen je in vertrouwen namen. Maar toch, wat een bekakte troel! Ze had toch wel even kunnen glimlachen zeker, of liet ze dat aan haar knol over?
‘Hier moeten we linksaf,’ zei de man op de voorbank, naast Bonny.
De Ford hotste een karrespoor op.
***
Een groepje stoffige bomen, een soort oase in de woestijn, met weer zo'n watertoren. ‘Is dat de ranch?’ vroeg Bonifacius.
De Mexicaan naast hem zei: ‘Sí, señor, la hacienda.’
Toen ze de oase binnenreden was het eerste dat hem opviel de kruidige geur van rook. ‘Is dat cederhout, wat ze verbranden?’ vroeg hij.
De Mexicaan zei: ‘No, señor, piñón.
Spaanse dennebomen; hij had in de universiteitsbibliotheek gelezen dat de hellingen van het Sacramento Gebergte begroeid waren met die piñón. Maar de oase bestond uit schilferige katoenbomen, waarvan de takken een tunnel vormden over het karrespoor. De eersten die hen begroetten waren honden, een meute van een stuk of twaalf, van allerlei soort en ras. Ze holden met de auto mee, opgewonden keffend.
Na een bocht in het karrespoor zag hij een groepje Spaans uitziende gebouwen, uit okergeel adobe opgetrokken. Het grootste, in het midden, moest het hoofdhuis zijn; de andere waren stallen. Paardehoofden boven halve deuren sloegen hen nieuwsgierig gade. Er stonden een paar bestoven vracht-
auto's, een benzinepomp, een hoge radioantenne; nadat hij voorgereden was voor de ingang van het hoofdgebouw zag hij een kapel met een klokketorentje en een kruis.
‘Bedankt, Vriend,’ zei hij tegen de Mexicaan, stapte uit en opende het portier voor Laura.
Het meisje op het paard sprong uit het zadel. ‘Hallo,’ zei ze, onverschillig. ‘Ik ben Gulielma McHair. Jullie zijn zeker de Bakers?’
‘Ja,’ zei Bonifacius, verrast, want hij had haar voor een Indiaanse dienstbode aangezien. ‘Dit is mijn vrouw Laura.’
Ze schudden elkaar de hand. Laura keek weer eens ijzig, maar als het meisje erdoor verrast was liet ze het niet merken.
‘Ik zal jullie maar eerst even vertellen, voor ik je meeneem naar Grootmoeder, dat ze een dwerg is, zo groot als een kind van vijf. Maar jullie zullen gauw genoeg merken dat ze allerminst een kind is.’
‘Ja, dat heeft men ons verteld,’ zei Bonifacius.
‘O. Juancho, hazme el favor de secar a Hidalgo y llevarlo al establo.’ Zonder het antwoord van de Mexicaan af te wachten zei zij: ‘Deze kant uit, alsjeblieft.’
De deur bleek toegang te geven tot een hofje, waarvan de muren gefestonneerd waren met bougainvillea's. Een oeroude, knokige boom beschaduwde een glazen deur. Toen het meisje die opendeed stoof de Deense dog voor haar uit naar binnen.
Uit het binnenste van het huis klonk een hoge, schelle stem die gilde: ‘Gulielma! Roep die hond terug! Hoe vaak moet ik je dat nog zeggen! Roep hem! Vooruit, weg met dat dier! Weg!’
Het meisje verdween; Bonifacius en Laura wachtten, onzeker, op de stoep. Zij hoorden een geschuifel, een klets, en een kinderachtig gejank; het meisje dook weer op en sleepte de Deense dog bij de halsband naar buiten; zijn maat in aanmerking genomen zag hij er beteuterd uit. ‘Sorry,’ zei het meisje, onverschillig. ‘Kom maar. Grootmoeder verwacht jullie.’
Zij gingen een donkere hal binnen. Er hing een geur van wierook en oude tapijten. Het meisje liep voor hen uit, een gang in; hun voetstappen weergalmden in de holte. Toen zijn ogen aan de schemering begonnen te wennen zag Bonifacius aan de muren schilderijen waarvan het onderwerp niet meer te bepalen was, zo donker waren ze geworden met de jaren. Aan het eind van de gang was weer zo'n glazen deur, het meisje opende die en liet hen voorgaan in een laaggezolderd vertrek, met een blokkenvuur dat sterk naar piñónrook geurde. Uit de schemer kwam een kind naar hen toe; de hoge stem die ze daarstraks hadden horen gillen zei: ‘Welkom op de haciënda, meneer en mevrouw Baker. Hoe maakt u het? Ik ben Gulielma's grootmoeder.’
Ze zag er inderdaad uit als een kind van vijf; maar haar gezichtje was dat van een oude dame. Zij reikte Bonifacius een gerimpeld handje; hij schudde het behoedzaam. Toen richtte ze zich tot Laura. ‘Ik ben blij je hier te ontvangen, lieve kind. Hoe is het ermee?’
‘Best,’ zei Laura, verveeld. Zelfs het dwergje scheen niet bij machte haar belangstelling op te wekken. Het gaf Bonifacius een moedeloos gevoel. Ze werd niet beter, integendeel, het leek alsof het met de dag erger werd.
‘Gaat u zitten,’ zei het dwergje. Zij wees op ongemakkelijk uitziende armstoelen voor het vuur. Zelf liep ze naar een rustbank, bedekt met kussens. Zij hupte erop met verrassende lenigheid en wriemelde achteruit tot zij in de kussens leunde. Haar voeten, in ouderwetse knooplaarsjes, reikten niet tot de rand van de bank. Ze klapte in de handen. Ergens in de schemer verscheen een schim in een boogvormige deuropening; een vrouwenstem fluisterde: ‘Sí señora?’
‘Tequila para cuatro.’
‘Sí, señora.’ De schim verdween.
‘En?’ vroeg het dwergje. ‘Wat weet u van de katholieke missie in de pueblo?’
‘Ik weet dat er een kerk is...’ antwoordde Bonifacius.
Doña Ana keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan; het bleef stil tot de schim weer in de deuropening verscheen, een Mexicaanse vrouw in een dienstbodenjurk met een blaadje en vier glaasjes. Zij boog tegen de bezoekers en zette het blaadje neer op een lage tafel voor de rustbank.
‘Gracias.’
‘Para servirle, señora...’ De vrouw schuifelde weg, nogal haastig.
‘Gulielma!’
Het meisje stond op en tastte even rond op de tafel voor zij het blaadje vond. Het dwergje zei bits: ‘Zet je bril toch op, kind! Zo maak je ongelukken.’
Het meisje haalde met een nukkig gezicht een bril uit een zak van haar rijbroek en zette hem op. De lenzen waren zo dik dat zij haar als bij toverslag veranderden van een Indiaanse schoonheid in een kerkmuis met een piekneus; het viel Bonifacius nu pas op dat haar gezicht ontsierd was door jeugdpuistjes.
‘Nu,’ zei Doña Ana, en hief een glaasje op. ‘Dit is tequila. Proef het maar, als u er niet van houdt kunt u het laten staan. Salud!’ Met een geroutineerd gebaar leegde zij het glaasje in één wip, haar hoofdje achterover. Toen gaf zij het aan haar kleindochter, die het terugzette op het blaadje. ‘Nu, als u er dan niets van weet, is het hoognodig dat ik u iets over de katholieke missie vertel,’ ging het oude dametje voort. ‘Toen de Spanjaarden Nieuw Mexico veroverden, in 1598, waren binnen enkele jaren in alle pueblo's kerken gebouwd. Behalve één.’ Zij wees, vreemd genoeg, naar de zoldering. ‘De pueblo waar u morgen naar toe gaat. Vrijwel onbereikbaar; alleen als u arendsogen hebt kunt u hem onderscheiden, boven op de mesa. Maar waarschijnlijk ziet u niets; in ieder geval zagen de Spanjaarden niets. De eerste blanke die het dorp ontdekte was dokter Gulielma Woodhouse, een Quaker-manwijf, dat zich, naar haar levenswandel te oordelen, niet bijzonder druk maakte over haar geloof.’
‘Grootmoeder bedoelt: ze hielp de zieken zonder hen te willen kerstenen,’ verklaarde het meisje met de bril, ironisch.
‘Precies,’ zei het oude dametje. ‘De Heilige Kerk kreeg pas in 1870 vaste voet in de pueblo, dank zij wijlen mijn schoonvader, Jesse McHair.’
‘Die was zelf Quaker,’ zei het meisje, ‘maar op grond van het principe “verdeel en heers”...’
‘Vertel jij het of ik?’ snibde het dwergje.
‘Ik wilde alleen maar duidelijk maken...’
‘Jij kunt duidelijk maken wat je wilt wanneer het jouw beurt is! Waar was ik? 1870. Jesse McHair liet een kerk bouwen, installeerde een priester; wat de Quakers er daarna nog te maken hadden is niet duidelijk, want die waren tegen die tijd allemaal Indianen geworden. Maar ja, mijn schoonvader had nu eenmaal in zijn testament bepaald dat de Quakers in de pueblo moesten blijven en voor dat doel geld nagelaten. Als u dus iemand dankbaar wilt zijn, is het Jesse McHair. God hebbe zijn ziel.’ Ze zei het op een toon alsof ze God die ziel niet benijdde. Ze knipte met de vingers; het meisje stond op en gaf haar een tweede glaasje. Weer wipte ze het in één slok naar binnen, smakte met de lippen, gaf het aan het meisje terug en zei: ‘Mevrouw Baker, u drinkt niet. Vindt u het niet lekker? Het is prima tegen gassen.’
Laura keek haar uitdrukkingloos aan.
Na een gespannen stilte zei het dwergje: ‘Nu is het Gulielma's beurt. Laat ze u maar wat vertellen van de Hunis. Gulielma?’
Het meisje zei mat: ‘Goed, Grootmoeder.’ Toen verscheen de schim weer in de deuropening en mompelde iets.
‘O, het eten is opgediend,’ zei het oude dametje, ‘we gaan, anders wordt het koud. Vertel onder het eten maar over de Hunis, Gulie.’ Zij strekte de hand uit; het meisje stond op en hielp haar de bank af.
‘Als u het goedvindt, ga ik liever naar bed,’ zei Laura opeens. ‘Ik ben erg moe.’
Het dwergje keek naar haar op met slimme zwarte oogjes. ‘Natuurlijk. Dolores brengt u wel naar uw kamer. Dolores!’
‘Ik zal haar wel even brengen, Grootmoeder,’ zei het meisje.
‘Geen sprake van, jij komt eten. Ik heb geen zin om te zitten wachten en de boel koud te laten worden tot je op komt dagen. Dolores!’ De schim verscheen, haastig.
‘Dolores, acompaña a esta señora a su cuarto.’
‘Misschien zou het beter zijn als ik meeging, om te zien of alles in orde is,’ zei Bonifacius bezorgd.
‘U komt eten,’ zei het oude dametje, op een toon die geen tegenspraak duldde. ‘Uw vrouw kan alleen haar bed wel vinden.’
Bonifacius volgde haar en het meisje. De eetkamer was hoog, donker, vol met kolossale Spaanse meubelen. Op tafel stond een zilveren kandelaar met flakkerende kaarsen. Het dwergje werd in haar stoel geholpen door haar kleindochter, klapte bevelend in de handen, twee Mexicaanse bediendes kwamen binnen en begonnen schalen rond te dienen. Ze bedienden Doña Ana het eerst, daarna Bonifacius en ten slotte Gulielma. Het leek allemaal erg formeel, misschien omdat ze zo ver van elkaar af zaten vanwege de afmetingen van de tafel.
‘Frijoles y chile.’ De kinderstem van het oude dametje galmde in het gewelf. ‘We hadden u eigenlijk gedroogd bizonvlees moeten geven, want dat was het menu van de eerste Franciscanen die dit land kerstenden. Kent u Nieuw Mexico, jongeman?’
‘Ik ben in Santa Fé geweest...’
‘De Llano Estacado is in de laatste drie eeuwen niet veranderd. Zeker niet in deze streek. Alles wordt nog steeds door muilezels de bergen opgesleept,
langs smalle slingerpaadjes, door passen boven de sneeuwgrens. De woestijn is hier een onherbergzaam gebied. Canyons, arroyos, soms een paar meter diep, soms honderd. Die eerste Franciscanen moeten het gevoel gehad hebben dat ze verdwaald waren in de hel; ze kwamen uit Europa en de Europeaan heeft geen idee van dit land. Er is niets eetbaars te vinden, behalve voor Indianen: jeneverbesstruiken, cactussen, Spaanse bajonetten, salamanders, ratelslangen. Alles wat die fraters bij zich hadden was gedroogd vlees; een aantal van hen moet verhongerd zijn. Martelaren voor de Heilige Kerk, alleen was niemand getuige van hun offer. Behalve God weet niemand hoeveel van hen Christus nagevolgd hebben...’ Zij ging door over het geloof en de menselijke grootheid van die eerste zendelingen, vergetend dat ze haar kleindochter gevraagd had over de Hunis te vertellen. Ofschoon hij beleefd trachtte te luisteren kon Bonifacius Laura niet vergeten. Wat was er nu weer aan de hand? Hij begreep niets meer van haar sinds ze in Amerika waren aangekomen. Het ene ogenblik was ze door het dolle heen, zo lollig en grof in de mond als een bootwerker; het volgende ogenblik veranderde ze weer in de Laura die hij gekend had: stil, ingetogen. Hij wist niet veel van schizofrenie af, maar het begon erop te lijken dat Laura schizofreen was; ze vertoonde, meer en meer, een gespleten persoonlijkheid. Hoe zou ze er nu aan toe zijn, alleen in die vreemde slaapkamer?
‘U gaat er morgen heen,’ zei het dwergje, smekkend. ‘U moet maar beginnen met naar Vader Alvarez te gaan, die zal u wel wegwijs maken.’ Hij zag dat ze bezig was een vijg te eten. ‘Een bijzondere man, Vader Alvarez. Hij zit er al achttien jaar. Zijn voorganger, ook een bijzondere man, zat er een jaar of vijftig. Toen ik hier kwam, zestig jaar geleden, was hij al oeroud. Maar misschien had ik hem ook oud gevonden als hij twintig geweest was, ik was zelf dertien. Hoe dan ook, Vader Alvarez zal u wegwijs maken. Dolores!’ Het was een gil, waar zelfs het meisje met de bril van leek te schrikken.
De Mexicaanse dienstbode verscheen in de deuropening. ‘Si, señora?...’
‘Acompaña al señor a su cuarto.’
‘Si, señora.’
Pas toen de vrouw kennelijk op hem stond te wachten begreep Bonifacius dat hij ontslagen was. Hij bedankte het oude mensje voor de maaltijd en wenste haar en het meisje goedenacht; toen hij op het punt stond de deur uit te gaan, riep het schelle kinderstemmetje hem achterna: ‘Als ze morgen niet kan vertrekken is ze welkom, hoor! Laat haar maar hier blijven!’
‘Dank u, Doña Ana.’
‘Por aquí, señor,’ fluisterde de dienstbode.
Zij leidde hem de gang uit, een hofje in dat hij niet herkende, daarna een poortje door naar wéér een hofje. Overal hing de kruidige geur van de piñónrook. Zij bereikten een vierde hofje; hij zag een verlichte glazen deur, warrig omlijst door een klimplant. De dienstbode klopte op de deur, en Laura's stem antwoordde: ‘Binnen.’
‘Gracias, amiga.’
‘No hay de qué, señor. Buenas noches.’ De vrouw verdween in de duisternis. Chicada's sjirpten luid in de nacht; de hemel was vol sterren.
Toen hij binnenkwam zat Laura, geheel gekleed, op de rand van een bed
in een kamer vol donkere Spaanse meubelen. Zij zat er zo stijf, zo onnatuurlijk bij dat hij bezorgd vroeg: ‘Laura, was is er? Voel je je niet goed?’
‘Ik voel me best. Alleen dat geklets werkte op m'n zenuwen.’
‘Kom kom,’ zei hij, terwijl hij de deur achter zich dichtdeed. ‘Het was heel interessant wat ze ons vertelde.’
‘Interessant?’ Haar stem was venijnig. ‘Dat meisje? Die bekakte dooievisjesvreetster? En opoe klein duimpje? Nou, je kunt ze wat mij betreft allebei inpekelen in waterglas.’
Opeens werd hij boos op haar zinloze vijandigheid. ‘Laura toch!’ riep hij uit. ‘Wees toch niet zo negatief! Die mensen...’ Toen besefte hij: ze kon het niet helpen, het was deel van de last van het verleden dat ze met zich meetorste, en waaronder ze soms struikelde, als onder een kruis. ‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Ik wilde niet tegen je uitvallen.’
‘O, maar natuurlijk!’ riep ze uit, met gemaakt berouwvolle stem. ‘We moeten vooral niet onaardig zijn tegen iemand uit een concentratiekamp! Die zoveel heeft doorgemaakt dat ze er gek van is geworden! Gek! Gek! Koekoek, koekoek!’ Ze maakte horentjes met haar vingers op haar hoofd, kwam op hem af, en stak haar tong uit, vlak bij zijn gezicht.
Hij had al zijn wilskracht nodig om niet te vluchten. ‘Laura,’ zei hij. ‘Kalm, kalm nou, kalm.’ Hij dwong zich haar als een zieke te zien, die hulp nodig had. ‘Ga nu eens rustig zitten, laten we alles eens rustig uitpraten...’
‘Dat is een prima idee!’ riep ze. ‘Vóór je van wal steekt, mag ik?’ Zij liep naar haar plunjezak, ritste die open, rommelde erin, ritste hem weer dicht. Toen ze zich omdraaide had ze een sigaar in haar mond. ‘Je hebt zeker geen vuurtje, hè? Laat maar zitten, ik doe het wel aan de kaars.’ Ze beet het puntje van de sigaar, spoog het de kamer in en liep naar de kaars op het nachtkastje, om op te steken. Toen ze daar stond, handen op de knieën, paffend aan dat walgelijke ding, in obsceen contrast met haar fijnbesneden, gevoelige gezichtje, voelde hij de rust uit zich wegebben. Ze was krankzinnig! Wat was hij begonnen in zijn overmoed?
Opeens werd er geklopt; zij hoorde het 't eerst. Ze nam de sigaar uit de mond en zei: ‘We hebben visite.’
Hij zag niemand achter de glazen deur, alleen Laura's spiegelbeeld in het kaarslicht. Toen hij opendeed barstte een kolossale hond binnen die de kamer rondrende, aan Laura snuffelde, toen aan hem; een stem riep, buiten: ‘Bruller! Hier! Bruller, kom eruit! Hier!’ De hond flitste de deur uit, en het meisje met de bril kwam binnen. ‘Sorry,’ zei ze, ‘ik wilde u - eh - jullie niet storen, maar hebben jullie al samenkomst gehouden?’
‘Pardon? O, nee, nog niet.’
‘Mag ik eraan deelnemen? Ik ben een Quaker, en het is erg lang geleden dat ik voor het laatst samenkomst heb gehouden met een ander. Ik ben de enige Quaker in de Llano Estacado.’
‘Natuurlijk,’ zei hij, ‘kom binnen.’ Toen keek hij naar Laura. ‘Is dat goed?’
‘Mij best,’ zei Laura. ‘En de hond? Komt die erbij?’
De ironie leek het meisje niet op te vallen. ‘O, trek je maar niets van hem aan, hoor. Hij is nog jong, hij meent het goed. Bruller!’ Ze floot op de vingers. De hond kwam binnen als een raceauto die het stuur verloren had. ‘Liggen,’ zei ze. ‘Ga liggen!’ Het dier plofte op de grond, hijgend, met de
tong uit de bek. Toen herinnerde Bonifacius zich de scène in de auto, de dag van hun aankomst. Hij keek bezorgd naar Laura. Ze had de sigaar weggelegd toen het meisje binnenkwam, de peuk lag te roken op de kandelaar, een blauw spiraaltje dat omhoogkringelde.
Zij gingen zitten. Hij staarde naar de sigaar, wachtend tot die uit zou gaan. Hij voelde de stilte langzaam over zich komen. ‘God,’ bad hij, ‘help haar, help ons.’ De hond hijgde, buiten sjirpten de chicada's. Zo sterk werd het gevoel van de Tegenwoordigheid, dat hij het uit moest spreken, ook al was het nog te vroeg om te getuigen. ‘Het woord dat in me opkomt,’ zei hij, zacht, ‘is dankbaarheid.’ Toen liet de hond een wind.
De rest van de samenkomst was zo dood als een pier. Toen ze elkaar eindelijk de hand reikten vloog de hond overeind en het meisje stond op. ‘Dank je, Vrienden,’ zei ze, ‘het heeft me goed gedaan. Morgenochtend vertrekken we voor dag en dauw, want het is een lange rit naar de pueblo en we moeten oppassen dat we niet in de bergen blijven steken. De Paso del Muerto is niet geschikt om de nacht in door te brengen in deze tijd van het jaar. Tot morgen, dan. Dolores zal jullie roepen. Welterusten.’
Hij wenste haar goedenacht, Laura zei: ‘Maf ze,’ en pakte haar sigaar. Nauwelijks was de deur dicht of zij stak hem aan, blies een rookwolk naar de zoldering en zei: ‘Nou, we gaan alles uitpraten.’
‘Laten we dat liever morgen doen, Laura, of in de pueblo. Het ziet ernaaruit dat we daar tijd te over zullen hebben.’
Zij keek hem aan, toen zei ze: ‘Een krijgsman wint al veel, al wint hij niet dan tijd.’
‘Ik spreek helaas geen Hollands.’
‘Vondel. Een klassieke dichter.’
‘Wat betekent het?’
‘Moeilijk te vertalen. Oudnederlands.’ Ze legde de sigaar op de blaker, en trok haar jurk over haar hoofd.
Pas toen viel hem op dat er maar één bed in de kamer was.
***
Toen Gulielma de patio van Grootmoeders slaapkamer binnenkwam zag ze, door de glazen deur, dat het ritueel van voorbereidingen voor de nacht in volle gang was. Zo moesten de Franse koninginnen naar bed gebracht zijn in het couchée de la reine. De twee kamermeisjes hadden haar al geholpen met uitkleden, ze zat in haar nachtponnetje voor de spiegel op het hoge bankje, met de beentjes van de vloer; een van hen kamde haar haren, de andere was bezig de kussens van het bed op te schudden. Toen Gulielma de kamer binnenkwam flakkerden de kaarsen aan weerskanten van de spiegel en op het nachtkastje; Grootmoeder zei kribbig: ‘Doe die deur dicht, kind!’ en gluurde naar haar in de spiegel. ‘En? Zijn ze naar bed?’
‘Ja. Heeft u uw melk?’ Het was een overbodige vraag, een wit glas stond naast de blaker op het nachtkastje.
Ineens had Grootmoeder er genoeg van. ‘Basta, basta!’ zei ze tegen het kamermeisje dat bezig was haar haren te borstelen; tegen het andere riep ze: ‘Está bien! Buenas noches!’ Toen de meisjes weifelden voegde zij er kort-
aangebonden aan toe: ‘Mijn kleindochter doet de rest wel! Maak dat je wegkomt. Goeienacht.’
De twee meisjes maakten dat ze wegkwamen.
Grootmoeder strekte haar armpjes uit; Gulielma tilde haar van het bankje. Ze dribbelde naar het bed, kroop onder de dekens, nestelde zich in de kussens en zei: ‘Mijn boek! Op de kleedtafel. Onder de spiegel.’
Gulielma haalde het bibliotheekboek in de bruine kaft dat tussen de kammen en de borstels lag. ‘Wat is het?’ vroeg ze.
‘Doet er niet toe,’ zei Grootmoeder. ‘Geef hier! Nou, wat wou je?’
‘Ik wou alleen maar even zeggen dat ik morgenochtend met ze meega naar de pueblo.’ Toen ze de frons op het gerimpelde gezichtje zag voegde ze er haastig aan toe: ‘Juancho en drie van de jongens gaan mee, maar ik wil ze voorstellen aan Vader Alvarez en aan een paar andere mensen in de pueblo.’
Grootmoeder antwoordde niet. Ze tuurde naar de spiegel; dat was altijd een slecht teken. ‘Ik vind dat je die mensen met rust moet laten. Bemoei je er niet mee. Laat ze maar alleen naar de pueblo gaan.’
‘Maar Grootmoeder, ik bemoei me nergens mee! Ik ga alleen maar mee om...’
‘Bemoei je met je eigen zaken!’ riep het oude vrouwtje. ‘Zie je dan niet, dom kind, dat ze elkaar wel kunnen vergiftigen? Dat ze elkaar haten als kettinggangers, die aan elkaar geketend zijn? Dat ontbreekt er nog maar aan, dat jij je gaat mengen in een ruzie tussen twee onevenwichtige mensen! Jij blijft hier! Laat ze maar alleen naar de pueblo gaan. Daar kunnen ze elkander op hun gemak de ogen uitkrabben.’
‘Nou,’ zei Gulie, ‘áárdige manier om op het verzoek van die mevrouw in Indiana te reageren! Wat geeft u het idee...’
‘Doe niet zo gek,’ zei het oude vrouwtje, en stopte de dekens in rond haar korte beentjes. ‘De enige manier waarop je mensen kunt helpen in het leven is door ze duidelijk te zien. Niet zoals jij ze wilt zien, of zoals zij willen dat jij ze ziet: zien, zoals ze werkelijk zijn. Mijn boek.’
Gulielma gehoorzaamde, verontwaardigd. ‘Maar grootje,’ zei ze, ‘'t is toch geen wonder dat het meisje een beetje overspannen is na alles wat ze doorgemaakt heeft?’
‘Ik heb het niet over het meisje,’ snauwde Grootmoeder, ‘ik heb het over die pummel.’
‘Bonifacius? Die nobele jongen...’
‘O ja?’ Grootmoeder keek haar voor het eerst recht in de ogen, en haar blik stelde Gulie niet op haar gemak. ‘Ben je werkelijk zo onnozel, of heb je een sterkere bril nodig? Heb je niet gemerkt hoe hij je aan zat te gluren tijdens het eten? Nobele jongen! Een ezel! Een bronstige ezel bovendien. Blijf uit de buurt. Laat ze het zelf maar uitzoeken, daar in die pueblo.’ Zij opende het boek op haar schoot, het zag er opeens groot uit.
‘Welterusten, Grootmoeder,’ zei Gulie, want ze had er nu genoeg van.
‘Truste,’ zei Grootmoeder, en liet zich niet omkopen door een kusje op haar kruin. Toen Gulielma de glazen deur achter zich sloot was ze verdiept in haar boek; tenminste, zo leek het.
Gulie schrok toen Bruller haar hand likte in het donker. De nacht was vol gesjirp van krekels. Er was geen maan, de patio's waren donker; ze vond de
deur naar haar slaapkamer zonder te beseffen dat ze nauwelijks kon zien waar ze liep. Zoals altijd drukte Bruller, snuivend, zijn snuit tegen de kier van de deur, alsof er binnen iets opwindends op hem wachtte; toen ze de deur opendeed barstte hij de kamer in met zo'n vaart dat de kaars naast haar bed er bijna van uitwaaide. ‘Af, Bruller! Af! zeg ik!’ Maar ze moest zijn heupen met geweld omlaagdrukken voor hij op de grond plofte. Hij gaf een diepe zucht, legde zijn kop op zijn voorpoten, keek met verwijtende ogen naar haar op, maar zijn oren bleven gespitst in afwachting.
Zij kleedde zich uit, in gedachten. Hoe kwam Grootmoeder erbij dat Bonifacius haar had zitten opnemen? Ze zou wel gelijk hebben, ze had altijd gelijk. Ze observeerde mensen als een lynx; geen tersluikse blik ontging haar. Maar in dit geval? Ze moest het toch zelf gevoeld hebben als hij in haar geïnteresseerd was?
Ze ging aan de kleedtafel zitten en keek in de spiegel. Wat zag ze er weer uit, vanavond! Er was maar één woord voor: langsnoetapin. Dikke lippen, de bril verkleinde haar ogen tot kraaltjes, en dan dat haar! Ze kon het iedere dag wassen, het bleef vettig. Kijk nou 's! Ze lichtte met weerzin een lok op. Waarom moesten sommige mensen eruitzien zoals zij, terwijl anderen, zoals dat blonde meisje...
Zou ze met die kampdokter naar bed geweest zijn? Dat moest wel, anders zou hij haar niet bij zich gehouden hebben. Hoe zou het zijn, verkracht te worden? Niet half zo erg als uit liefdadigheid getrouwd te worden. Zou er ooit een man komen die met haar wilde trouwen, al was het maar uit liefdadigheid? Vieze oude Indiaanse sjamaans waren de enigen die met begeerte naar haar gluurden, niemand die ook maar in de verste verte op Bonifacius Baker leek.
Toen ze in zichzelf een heimelijke opwinding ontdekte bij de gedachte dat Grootmoeder gelijk kon hebben, schudde zij die schuldbewust van zich af en ging naar bed. De jongen was getrouwd. Ze moest zich schamen.
Die avond las ze niet in George Fox. Ze blies de kaars uit en lag in het donker te staren. Buiten de muur van de patio waren de stalhonden aan het keffen, ze moesten een coyote gehoord hebben.
Na een tijdje kon ze zelf, niettegenstaande hun schelle gekef, het langgerekte gejank horen, heel in de verte. Bruller gromde; ze voelde dat hij de kop ophief in het donker. ‘Af,’ zei ze, ‘ga slapen.’
Na een tijdje sliepen ze beiden, terwijl in de Llano Estacado, eenzaam onder de sterren, de coyote huilde en de stalhonden antwoordden, zinneloos nachtgeluid van de woestijn en haar echo.
***
Dat is het ergste, dacht Bonifacius, terwijl hij in het donker lag te staren, ik begin het land aan haar te krijgen. Dat mag niet, dat mag niet. Arme, verlaten ziel, die hulp nodig heeft. Ik ben de enige die God heeft om haar met Zijn liefde te bereiken.
Maar het hielp niet, dit keer. Misschien was het het eindeloze geblaf van die honden buiten, het verre gejank van een woestijnwolf, het gesjirp van de krekels. Misschien was het omdat hij zich zorgen maakte over de toekomst,
wanneer hij, alleen met haar, in dat lazaret opgesloten zou zitten. Zouden er twee bedden zijn? Hij hoopte het maar, want hij deed geen oog dicht, met zijn billen tegen de hare. Ze liet hem zo koud als ijs, toch lag hij daar met een begin van opwinding. O, wat zou hij er voor over hebben om terug te zijn in Westerdam met Lieseke, of Lieneke, of hoe ze heette! Vreemd, hij had al die maanden zonder enige moeite in ascetisch celibaat geleefd, naar geen meisje getaald. Zeker niet naar Laura; en nu helemaal niet; hoe uitgehongerd hij ook raakte, hij zou nooit verliefd worden op een vrouw met een sigaar. Hij kon de stank ervan nog ruiken, niettegenstaande de geur van de piñónrook. Waar lag dat vieze ding? Hij tastte naast zich op het nachtkastje, iets viel met een kletterende slag op de grond. Zijn horloge? Nee, gelukkig de blaker. Nou, vooruit maar. Laat maar stinken. Hij draaide zich om met een zucht, trachtte haar te vermijden, viel bijna het bed uit en moest een eindje naar voren.
‘Laat dat,’ zei haar stem, in het donker. ‘Dat stiekeme gedoe, daar word ik kots van.’
Hij voelde, opeens, de onthutsende aandrang haar een klap te geven, maar hij wist zich te beheersen. Hij moest oppassen dat ze hem niet aanstak met die stompzinnige vijandigheid, want dan mochten ze onder geen beding naar die pueblo gaan.
‘Ik ga wel op de grond slapen,’ zei hij, en stapte het bed uit.
‘Voor mij hoeft het niet,’ zei de stem in het donker. ‘Ik zei alleen maar...’
‘Ik weet wat je zei!’ schreeuwde hij ineens, zichzelf niet langer meester. Hij had er onmiddellijk spijt van. Hij tastte, met een akelig gevoel van verdriet en eenzaamheid, naar de gevallen blaker. Toen hij met het ding in zijn handen op de rand van het bed zat, blind in het donker, had hij er ineens zo'n ontzettend berouw van, voelde hij zo'n deernis voor haar, dat hij zei: ‘Vergeef me, Laura, ik ben - nou ja, ik ben geen heilige.’
‘Dat hoef je mij niet te vertellen,’ zei haar stem, vijandig. ‘De enige heilige die ik ooit gekend heb was mijn vader. En die is daarvoor dan ook aan 't kruis genageld. O ja, ik weet wel hoe jullie over hem denken! Jij en die grootmoeder van me en die kwal met de slobkousen! Jullie denken: wat een Quaker! Vliegt zijn beulen aan, in plaats van hun bek te kussen! Nou, laat ik je vertellen, die man had meer heiligheid in zijn pink dan jij en Oma en die kwal in Philadelphia bij mekaar!’ Het bed kraakte, hij voelde dat ze overeind ging zitten. Hij stond op en zocht naar de lucifers op het nachtkastje.
‘Geef me m'n sigaar,’ zei haar stem achter hem.
Hij wilde zeggen: ‘Stik met je sigaar, ik wil die rotstank niet hebben in m'n slaapkamer,’ maar wist zich te beheersen, streek een lucifer af en stak de kaars aan. Ze zat, haar haren los, haar nachtpon open, overeind in bed. Tot zijn ontsteltenis voelde hij voor het eerst een golf van begeerte voor haar. Niet omdat zij het was, maar omdat ze een vrouw was, een meid, een lichaam, net als die Lieneke geweest was, tot ze zo lief ging praten in het riet.
‘Sigaar,’ zei ze, en strekte haar hand uit.
O! Wat zou hij graag die hand een klets geven! Maar als hij dat deed ... ‘Goed, Laura,’ zei hij, en dacht: God, help me, help me, God, help.
‘Sta je nou te bidden?’ vroeg ze schamper. ‘Waar ben je bang van? Van
het duivelse in je?’
‘Waarom doe je zo?’ vroeg hij, wanhopig. ‘Ik begrijp dat je het moeilijk hebt, ik wil je ontzettend graag helpen, maar wat kan ik doen? Zeg het maar.’
‘Je kunt me die sigaar geven.’
‘Ik kan hem niet vinden.’
‘Hij is op de grond geflikkerd natuurlijk, hij lag op die blaker. Zoek hem maar.’
Hij ging op de knieën liggen en tastte achter het nachtkastje en onder het bed. Ja, daar had je hem. Bah, wat een smerig ding. Hij gaf haar de peuk tussen duim en vinger, als een dode muis.
‘Merci.’ Zij bleef naar hem kijken met die vreemde haat in haar blik terwijl hij haar de blaker reikte. Toen stak ze de sigaar aan, blies de rook in zijn gezicht en zei weer: ‘Merci.’
Op de grond gaan slapen? Op de koude tegels? ‘Ik zou graag op de grond slapen,’ zei hij, ‘maar ik geloof niet dat het verstandig is, want er is geen tapijtje, het zijn alleen maar tegels.’
‘Nou, dan kom je terug,’ zei ze, onverschillig. ‘Als je je fatsoen maar houdt. Anders ga je maar in een stoel zitten.’
Hij keek haar aan alsof hij haar voor het eerst werkelijk zag. Wat was er toch gebeurd met het stille, teruggetrokken meisje, dat hij eens in zijn gedachten ‘de Madonna van de concentratiekampen’ had genoemd? Er was niets madonna-achtigs meer aan. Wat een helleveeg! Die kampdokter moest ervan gelust hebben, niettegenstaande zijn sabel en zijn kaplaarzen. Het was voor het eerst dat hij aan die dokter dacht. Wat zou het voor een vent geweest zijn? Puilogen, stierenek, geschoren test? Nee, dat was Erich von Stroheim, de filmacteur. Hij had er geen idee van. Hoe dan ook, het was duidelijk dat de ploert haar verloederd had. Ze was zo hard geworden als een ... Voor hij het wist dacht hij: als een hoer. Hij sloot de ogen, en bad: ‘God, vergeef me, God, help me. God, gebruik mij als Uw werktuig.’
‘Nou, wil je met mij praten of met Onze Lieve Heer?’ vroeg ze. ‘Ik weet niet of je het je herinnert, maar voor die griet met de pukkels binnenkwam had jij net gezegd: “We gaan alles uitpraten.” Nou, vooruit, uitpraten. Laten we elkaar eindelijk de waarheid eens vertellen.’
‘Maar Laura!’ zei hij, oprecht ontsteld. ‘Wat bedoel je met “eindelijk de waarheid”? Ik heb niets voor je verborgen, ik heb niets te zeggen. We hebben de afspraak gemaakt dat ik je naar Amerika zou brengen, nou, dat heb ik gedaan. Maar dat heb ik niet gedaan met bijbedoelingen!’
‘O nee?’ vroeg ze. ‘Neem me niet kwalijk. Ik dacht dat je het deed om de hemel te verdienen.’
Woede vlamde weer in hem op. Hoe durfde ze! Hoe had ze de treurige moed ... Maar ze was gek, ze was emotioneel beschadigd. Dit was precies waar haar grootmoeder hem voor gewaarschuwd had, waar iedereen hem voor gewaarschuwd had.
‘Sorry,’ zei ze, ‘dat was een rotopmerking. Ik kan het ook niet helpen, sinds een week of wat ben ik soms gewoon woedend. Des duivels ben ik! En weet je waarom? Vanwege die kwijlebabbel, die zeiker van een Ethan weet-ik-veel!’ Ze pafte aan haar sigaar, een gezicht dat hem met weerzin vervulde. ‘Weet je,’ zei ze, ‘ik heb altijd over mezelf gedacht als een Quaker. Vader
was een Quaker, de fijnste, liefste - enfin, jij hebt je ook lief tegenover me gedragen. Jullie zijn allemaal lieve mensen, maar die vent, die Ethan, werd me ineens te machtig. Dat schijnheilige gezemel! “Het Zaad van het goede in de dood van m'n vader!” Kots word ik ervan! Kots, kots! En dan jij: de hele dag loop je rond met een gezicht van “wat is er met haar?” en “ik moet op haar passen, ik ben gekkenoppasser, door God belast met een halve gare”. En dan lig je stiekem, 's nachts wanneer alles donker is, me van achteren te porren! Gadverdamme! Blah!’ Ze stak haar tong uit met een gezicht, zo grof, zo walgelijk dat hij zich van haar afwendde. Hoe was het mogelijk dat iemand, die zo stil geweest was, zo afhankelijk ... Was dit de waanzin? Was er een duivel in haar gevaren? Was ze bezeten door een boze geest?
‘Waarom kom je er niet rond voor uit?’ vroeg ze. ‘Ik irriteer jou net zo als jij mij. En ik begrijp niet waarom. Je hebt voor me gedaan wat je kon. Maar ik kan mezelf geen geweld aandoen! Ik kots van de hele Quaker-troep, ik kots van de schijnheiligheid, van...’ Ze keek hem minachtend aan. ‘Moet het dan met alle geweld in het donker, stiekem, als je denkt dat ik slaap? Als je dát wilt, vooruit dan! Allee hup!’ Ze sloeg het dek op en lag bloot, haar nachthemd om haar heupen, haar dijen glanzend in het kaarslicht.
‘Laura,’ zei hij, ineens rustig, ‘zo is het niet. En daar gaat het niet om. Het gaat om die vijandigheid tussen ons. Ik vraag me af of het verstandig is als we ons, onder deze omstandigheden, gaan afzonderen in de pueblo. Of het niet beter is om nu, terwijl er nog tijd is, te zeggen: “We hebben ons vergist.” Zeg het maar. Als je denkt dat we zo doorgaan, dat we meer van deze scènes krijgen, laten we dan omkeren voor het te laat is.’
‘En dan?’ vroeg ze.
‘Nou, dan zien we wel verder. Dan ga jij ... dan ga jij een baantje zoeken, ergens, en ik ook. Dan kunnen we misschien bij elkaar blijven, misschien niet, maar dan gaan we ons niet afzonderen onder de Indianen.’
‘O,’ zei ze; en toen gebeurde er iets beangstigends. Hij zag haar, voor het eerst, voor zijn ogen veranderen van een furie in het stille, ingetogen meisje dat hem al die maanden zo volgzaam had vergezeld. Het was alsof zij terwijl hij naar haar zat te kijken een totale persoonlijkheidsverandering onderging. Hij had nog nooit eerder iemand zo, als een blad aan een boom, voor zijn ogen zien veranderen.
‘Goed,’ zei ze, opeens weer met de zachte stem die hij zo goed kende, de stem van de besluiteloosheid. ‘Als jij dat wilt is het goed.’
Ze wist blijkbaar niet meer wat ze met die sigaar moest doen, want ze keek ernaar alsof het iets vies was dat iemand haar in de hand had gedrukt.
‘Geef maar,’ zei hij.
Ze gaf hem het peukje, hij legde het op de blaker. ‘Nu,’ zei hij, ‘zullen we dan nog een keer proberen of we kunnen slapen?’
‘Goed,’ zei ze.
God had de duivel uitgedreven - voor zolang als het duurde.
***
Nou, daar lag ze dan te koekeloeren in het donker, met de dood in haar hart. Ze begreep niets van zichzelf. Ze had er geen idee van gehad dat ze hem
blijkbaar toch niet kon missen, ook al ging hij haar steeds meer op haar zenuwen werken. ‘Ergens een baantje zoeken.’ Ze wist verdomd goed dat hij had willen zeggen: ‘anders ga jij maar naar een gekkenhuis.’ Was ze inderdaad gek? Was dit nu ‘gek zijn’, dat je, in een opwelling, ineens, een rol ging spelen waar je zin in had en dat die rol je overnam, alsof je van een duin rolde en merkte dat je niet meer stil kon houden? Het was om je lam te schrikken. Zou ze werkelijk gek zijn? Geen wonder, eigenlijk; er waren er wel van minder gek geworden. Maar daar ging het niet om. Het ging erom dat ze dan toch blijkbaar niet zonder deze jongen kon, die nu zelfvoldaan naast haar lag, waarschijnlijk met zijn handen gevouwen om de Heer te danken. Hij meende het goed, en ze was natuurlijk veel te fel opgevlogen. Dat kwam omdat Heinzl ook zo begonnen was: wekenlang een lieve, aandachtige, zorgzame oom, en ineens, op een nacht ... Wat was ze toen geschrokken! Wat had ze liggen klappertanden van angst in het donker, met wijdopen ogen! Ineens had het geschenen alsof haar wereld voor de tweede keer instortte, alsof het hele geval een doorgestoken kaart was geweest: zijn begrip, zijn zorgzaamheid, zijn tederheid...
Ach, de jongen was ten slotte ook een man; hij kon het niet helpen. Wie weet had hij aan een ander liggen denken, aan dat kind met de pukkels, of aan een meisje waarmee hij vroeger eens naar bed geweest was. Dat moest toch gebeurd zijn, hij was geen groentje. Of wel? Ze wist niets van hem, wat dat betrof. Ze wist eigenlijk helemaal niets van hem. Hij was haar vreemder dan Heinzl geweest was in het begin. Zouden de Duitsers dan dichter bij de Hollanders staan dan de Amerikanen? Ze voelde zich hier een volslagen vreemde, daarom klampte ze zich aan hem vast. En nu, bij het eerste teken, schrok ze zich lam bij de gedachte dat hij zou zeggen: ‘Dan maar een gesticht in,’ of: ‘Zoek maar een andere sul die je sigarerook in zijn bek kunt blazen en uitkafferen voor schijnheilige klootzak.’ Het was dan ook een schandaal, als je naging wat die jongen allemaal voor haar gedaan had. Dan lág hij eens een keer naast haar in bed en raakte geïnteresseerd. Hij was toch niet van steen? Ze moest het eigenlijk opvatten als een compliment, want het mooie was er dan toch blijkbaar nog niet af, al was ze een pond of tien aangekomen van al dat snoepen, en stonk haar adem als een volle asbak.
Hij lag stil, alsof hij ergens naar lag te luisteren. Ze hield de adem in, en hoorde dat hij in slaap was gevallen. Het was nog wel geen snurken, maar het scheelde niet veel. Nou, daar was nou echt iemand die op zijn lauweren lag te rusten. Mensenkinderen, wat had ze zich aangesteld. Wat had ze in vredesnaam allemaal tegen hem gekrijst, enkel en alleen omdat de stakker ... Nou, stakker. De ware stakker was zij. Een slabek van jewelste, en de taal van een bootwerker, maar als het er een seconde lang op leek dat hij genoeg van haar had...
Ze lag een tijdje te luisteren naar het huilen van een verre hond, waar andere op antwoordden, dichterbij. De krekels sjirpten, sjirpten, het was alsof er iemand met een rateltje stond te draaien, een krankzinnige, die niet ophouden kon.
Zou ze krankzinnig zijn? Ze had zich vanavond niet kunnen beheersen, ook al wilde ze dat. Ze was van leer getrokken met zo'n enorm gevoel van bevrijding dat er geen houden meer aan geweest was, net als die eerste keer,
toen ze zo kwaad was geworden op die kwezel met zijn ‘Zaad’, die ook het beste met haar voor had. Ze hadden allemaal het beste met haar voor, ook Oma, die ze de stuipen op het lijf gejaagd had. Stel je voor dat ze weer eens uit haar slof schoot, en de jongen óók zou zeggen: ‘Ik smeer 'm’? Wat kon ze doen om hem vast te houden? Ze had Heinzl laten begaan, met de dood in haar hart, die eerste keer, omdat ze besefte: als ik het niet toesta, slingert hij me morgen de barak in, en dan is het maar een kwestie van tijd of ik kom bij het groepje links te staan voor zijn tafeltje tijdens de Auslese. Ze had hem zijn gang laten gaan, als prijs voor haar naakte leven. Maar een klomp ijs was ze geweest. ‘Nanu, was ist denn das? Ich glaubte er hatte dich vergewaltigt!’ Hij had het zo lief gezegd, met zo'n echte lieve verbazing, bij het zien van het bloed op het laken. Dat was nog het mooiste, iedereen had het er steeds over dat ze door de commandant verkracht was, maar dat was ze niet. Hij had gedaan alsof, alleen om Vader tot razernij te brengen. Als er iemand een werkelijke duivel was geweest, dan was het Obersturmführer Kroll.
Zonder gekheid: stel je voor dat ze het zo bont maakte dat de brave jongen naast haar het hazepad wilde kiezen, zou ze dan bereid zijn hem in haar armen te nemen en hem zijn gang te laten gaan? De mogelijkheid was nooit bij haar opgekomen, waarschijnlijk omdat hij net als Heinzl zelf nooit eerder op het idee was gekomen, maar overrompeld door zijn eigen begeerte. Hij had zich tot dusver net gedragen als Heinzl, die eerste weken; waarom was hij nu ineens veranderd? Omdat ze zo tekeer was gegaan? Of omdat ze werkelijk maar half bij kennis was geweest, de afgelopen maanden, en nu ineens wakker geworden als de oude Laura uit Westerdam, die brutaal met een bos oranje tulpen op haar bagagedrager langs de moffen was gefietst die stram in de houding stonden terwijl de hakenkruisvlag werd gehesen op het gemeentehuis?
Ineens kreeg ze een ontzettend heimwee naar dat meisje, naar Holland, naar tulpen en fietsen en mensen die haar begrepen. Hetzelfde heimwee dat haar, die middag in het stadje Kissing Tree, bij het rondwandelen door een Indiaanse buurt, terwijl hij benzine aan het tanken was, had doen stilstaan voor een winkeltje met een brok in haar keel, omdat daar een kruik jenever had gestaan met het opschrift De Locomotief. Ze had er haar laatste zakgeld aan gespendeerd, alleen maar vanwege het malle idee dat die kruik zich net zo verdwaald moest voelen als zij. En nou lag hij in haar plunjezak, op zijn kant in het donker tussen haar onderkleren, en vroeg zich af: ‘Waar ben ik nóú weer?’
Wat een onzin. Kind, dacht ze, denk 's aan het alternatief: die rivier met al die lijken. Maar hoe ze er ook aan dacht, ze kon zich niet langer voorstellen dat ze ooit werkelijk op het punt had gestaan erin te springen om er een eind aan te maken. Ze had alleen maar helemaal niet meer geweten hoe of wat: waar ze heen moest, wat er van haar moest worden. En toen was er een man gekomen die gezegd had: ‘Laat mij maar besluiten, kom maar mee.’ En daar lag ze dan, te luisteren naar honden die huilden in een woestijn, en net als die stomme kruik in haar plunjezak vroeg ze zich af hoe ze hier in vredesnaam terechtgekomen was. Ze hoorde hier niet. Als ze ergens hoorde...
Maar dat was kinderpraat.