terug  begin  verder
[p. 245]

Zes

De karavaan muildieren en paarden kroop langzaam voort door de Llano Estacado onder een hemel vol schapewolkjes, van onderen pastelkleurig belicht door de zon die nog niet was opgegaan. De woestijn leek eindeloos, een vale uitgestrektheid met hier en daar een boompje, een kreeftvormige cactus, de gedaanten van jeneverbesstruiken. Tegen zonsopgang begon de wind weer door de oneindigheid te waaien, en kwamen de gewichtloze bollen van de witte amarant weer in beweging. Zij rolden en kaatsten over de vlakte, vluchtende spoken van de nacht.

De hemel werd lichter met aan de horizon een violette nevelbank. Karresporen werden zichtbaar die de vlakte doorkruisten; uit de nevelbank doemden, hier en daar, de toppen van heuvels op, als piramiden. Toen rees de zon boven de horizon en de woestijn vloeide ineens vol kleur. De mistbank in de verte werd roze, daarna goud; de sluiers vielen van de piramiden. Boven de horizon doemde een kolossale tafelberg op, een mesa met de afmetingen van een bergketen. Op de platte top verrezen oranje torens, die zich aftekenden tegen de donkere wolk van de wijkende nacht. Eindelijk rees de zon in volle glorie, de oranje torens werden rood, de donkere wolk bleek een beboste bergrug te zijn, met hier en daar besneeuwde toppen.

Niemand in de karavaan zei een woord. Het was alsof het uitzicht dat de zon onthulde hen stil gemaakt had. De ranchero's op hun mustangs, die de bepakte muildieren voortdreven, waren opgehouden met hun gekwebbel. Gulie McHair, Indiaans en exotisch op haar prachtige izabellakleurige paard, die bezig was geweest Bonifacius over de Hunis te vertellen, werd tot zwijgen gebracht door de majesteit van het landschap. Naarmate de zon rees leken zij kleiner te worden in de verlatenheid; de afstand die zij nog moesten afleggen om de bergrug te bereiken leek opeens groter. Bonifacius hield zijn paard in en wachtte tot Laura hem ingehaald had. ‘En?’ vroeg hij, ‘hoe gaat het?’

‘Goed,’ antwoordde zij, glimlachend. Ze zag eruit alsof ze haar leven lang paard gereden had, toch wist hij dat dit de eerste keer was. Zij was weer haar ware zelf: rustig, volgzaam; onvoorstelbaar, dat dit stille, lieve meisje hem die nacht de huid had vol gescholden, een sigaar tussen de tanden, wijdbeens in bed met de schaamteloosheid van een sloerie. Maar hij kon het niet helpen, hij was nu constant voorbereid op de metamorfose van het lam terug in een tijgerin.

Ze deden er de hele morgen over om de hoogvlakte te bereiken. Het pad was vol haarspeldbochten en bezaaid met stenen; sommige gedeelten waren zo steil dat hij Laura ongerust gadesloeg als haar paard na een felle aanloop omhoogklom, waarbij zijn hoeven een cascade van rollende stenen lossloegen. Maar zij bleef zelfverzekerd; geen ogenblik zag zij eruit alsof ze

[p. 246]

bang was. Verbazend, hoe die paarden en muilezels klimmen konden; het verbazendst van al was Gulies hengst, die als een berggeit omhoogstoof. Bonifacius ontdekte dat zij alles aan haar paard overliet; ze liet soms de teugels los en klampte zich vast aan haar zadelknop.

Hoe hoger zij kwamen, hoe kouder het werd, ook al stond de zon nu hoog aan de hemel, gesluierd door dunne witte wolken. Het gefilterde licht leek weer alle kleur uit het landschap te logen, tot de berghelling zo grauw werd als as. Nergens was enig teken van leven te bekennen; pas toen zij, eindelijk, de hoogvlakte bereikten zag hij de eerste bomen. Een smal paadje slingerde erheen, tussen kolossale rotsblokken. Toen zij op het punt stonden aan die nieuwe etappe te beginnen zei Gulie McHair: ‘Nou, hier ga ik terug.’ Zij klopte op de nek van haar rusteloze hengst, die nat was van zweet. ‘Als ik nu niet omkeer ben ik niet voor donker thuis. Juancho zal jullie naar de pueblo brengen. Ik hoop over een dag of wat te komen kijken, ik zal het tenminste proberen. Veel succes dan maar, en tot ziens.’ Ze deed haar paard zwenken. Het steigerde zenuwachtig, ze kalmeerde het door het weer op de nek te kloppen en iets in het oor te fluisteren. Het was een romantisch gezicht, zoals ze daar tegen de witte hemel stond, op de rand van het niets; toen verdween zij in de afgrond.

‘Nu,’ zei hij, ‘Juancho! Hoe ver is het nog?’

‘Vier uur, señor, misschien vijf, het hangt ervanaf hoeveel sneeuw er ligt.’ De Mexicaan klonk vriendelijk genoeg, maar Bonifacius had het gevoel dat zijn houding veranderd was nu Gulielma was verdwenen. Hij leek minder onderdanig, en had opeens haast. ‘Anda! Vámonos! Vámonos!’ schreeuwde hij tegen de ranchero's, die op hun beurt tegen de muilezels schreeuwden, en daar ging de karavaan omhoog naar de sneeuwgrens.

Eerst waren de bomen scharminkelig en de sneeuw dun en goor; de hoeven van de paarden en de muildieren schraapten huidkleurige littekens van zandsteen in het mos. Allengs werden de bomen hoger, het woud dichter. Dit waren de piñóns, die de haardvuren in de haciënda voedden; grove kerstbomen, met naalden zo dik als takjes. Het spoor slingerde steeds steiler omhoog, tussen bomen en rotsblokken; na een eindeloos geklauter waar de dieren doorweekt van raakten werden de bomen dunner, maar de sneeuwlaag dikker. Zij naderden een bergkam, waar het spoor in de strakblauwe hemel leek uit te monden. De zon was aan het zinken en begon hen te verblinden; de sluier van witte wolken was verdwenen. De eerste muilezel, bepakt en beladen, klom de hemel in, aarzelde, en verdween, suilend, in het niets. De een na de ander verdween over de bergkam, Juancho op zijn Arabisch paard, de ranchero's op hun mustangs, de muilezels met hun zwabberende last. Toen het zijn beurt was bleef Bonifacius staan.

Aan zijn voeten lag een vallei zoals hij nog nooit eerder gezien had. Het dal moest een kilometer of twintig breed zijn, begrensd door rode klippen. De kleuren waren ongelooflijk: oranje torens met rode kantelen; op de bodem van de vallei lag een groep baksteenkleurige rotsblokken verspreid, als de bouwvallen van een voorhistorische stad. De zon wierp zwarte en purperen schaduwen tussen de rotsblokken en op de okeren vlakte. In de verte, boven de rode klippen die de vallei begrensden, rezen de beboste flanken en besneeuwde toppen van een volgende bergketen op, met daar-

[p. 247]

achter, nog hoger, wazig witte pieken die als wolken boven de einder leken te zweven.

Toen zij het bergspoor afdaalden veranderde het uitzicht. De rotsblokken in de diepte leken nu op een Moorse stad in een woestijn; op een gegeven moment werd die overeenkomst zo sterk dat Bonifacius dacht dat hij mensen zag bewegen tussen de bouwvallen. Maar toen zij dieper afdaalden in de vallei zag hij dat het verbeelding was, er viel geen sterveling te bekennen. Zij reden een volkomen verlaten landschap binnen, vol luchtspiegelingen die de illusie gaven van menselijke nederzettingen. Maar het was een volslagen levenloze leegte; nog nooit eerder had hij zo het gevoel gehad dat de mens pas aangekomen was op aarde. Zij daalden dieper af en zochten hun weg tussen enorme rode rotsblokken, die van de steile dalwand moesten zijn gevallen. De schaduwen werden langer, de bodem van de vallei werd donkerbruin, de Moorse stad veranderde in de ruïnes van een Romeinse. De torens, die in paren naast elkaar leken te staan, werden bouwvallen van triomfbogen. Pas toen zij de bodem bereikten en de karavaan de verwoeste stad binnentrok, besefte hij hoe gigantisch die torens waren; ze bleken huizenhoog. Er hing een vreemde atmosfeer van stilte, van dood. Hij had nog nooit eerder zo'n landschap gezien, zelfs niet geweten dat zo iets bestond in de Verenigde Staten. Het leek een andere planeet, Jupiter, Saturnus. Vergeleken bij deze levenloze verlatenheid leek de haciënda, die zo eenzaam had geschenen, te nestelen in een dichtbevolkt land. Terwijl hij, overweldigd door de sombere majesteit van deze necropolis, langzaam verder reed langs een vaag spoor tussen de huizenhoge torens, dacht hij steeds weer Indiaanse schildwachten te zien, boven op die hemelhoge ruïnes. Maar het moest gezichtsbedrog zijn, want niemand zou erop kunnen klimmen; de muren waren loodrecht, soms hingen zij zelfs over; de bouwvallen stonden op een voetstuk van puin, dat in de miljoenen jaren na hun geboorte van hun flanken moest zijn gebrokkeld.

Toen zij de laatste toren achter zich hadden gelaten reden zij een tijdlang door de leegte, daarna ging het spoor onverhoeds weer omlaag. Zij hadden de rand van een kom in het dal bereikt. In het midden stond een suikerbroodvormige rots, massiever dan de gevaarten die zij achter zich hadden gelaten. De rots was volkomen naakt, fel oranje, eenzaam op de donkere vlakte. Juancho hield zijn paard in en liet de karavaan voorbijtrekken tot Bonifacius en Laura hem bereikten. Toen wees hij op de mesa en zei: ‘De pueblo, señor.’

‘Waar?’

‘Bovenop. Als u goed kijkt, zult u een kerkje zien, señor. Twee torentjes. Helemaal bovenop.’

Bonifacius tuurde, de hand boven de ogen tegen de zon, maar hij kon niets onderscheiden op de onherbergzame rots.

‘Ziet u het, señor?’

Na een tijdje leek het inderdaad alsof hij piepkleine gebouwtjes begon te onderscheiden op de platte top van de mesa. Maar het kon net zo goed gezichtsbedrog zijn, zoals de Indiaanse schildwachten. Hij keek om voor zij in de bergkom afdaalden; de Romeinse ruïnes waren nu felrood in de ondergaande zon, daarachter lag de klip van de dalwand waarlangs zij waren afgedaald. Op deze afstand leken de kloven Egyptische beelden, kolossale

[p. 248]

sfinxen en goden, een fresco nagelaten door een verdwenen beschaving. Nooit eerder had hij zo'n verlatenheid gevoeld, het leek alsof hij, overal om zich heen, de sporen zag van een uitgestorven ras van reuzen.

‘We moeten haast maken, señor, anders is het donker tegen de tijd dat we aankomen. Het laatste stuk van het pad is gevaarlijk, erg steil.’

‘Wat mij betreft, hoe eerder hoe liever.’

‘Vamos! Vamos! Anda!’

De karavaan sjokte voort op een sukkeldraf, een groepje mieren in de eenzaamheid van het donkerende dal.

 

***

 

De tocht duurde zo lang en het landschap was zo dor dat Laura, ondanks de zadelpijn, wegdoezelde in een halfslaap, waaruit zij pas ontwaakte toen zij aan de voet van de mesa stonden waarop de pueblo lag. De wanden van de mesa waren loodrecht en torenhoog; in het licht van de ondergaande zon hadden zij een roestige kleur.

‘Laten we even op adem komen, voor we aan de laatste klim beginnen,’ zei Bonny.

De ranchero's stonden om hen heen op hun dampende paarden; de muildieren, met de koppen omlaag, leken ingeslapen van vermoeidheid.

‘Groeit er iets daarboven?’ vroeg zij aan de Mexicaanse voorman.

‘No, señora, nada. Geen aarde; aarde alleen in het kerhof en de patio van de priester. Naar boven gedragen, in mandjes.’

‘En water! Hebben ze dat?’

‘Si, señora. Grote, open putten, die de regen opvangen.’

‘Regent het hier dan wel eens?’ De hemel leek zo leeg, de vallei zo onvruchtbaar, zo dood.

‘O ja! Regen, donder, storm, u zult het wel zien. Niet divertido daarboven, als het onweert.’

‘Zijn de Indianen aardig?’ vroeg ze, kinderlijk.

‘Nee,’ zei de man, prompt. ‘Niet aardig. Silenciosos, muy silenciosos.’ Toen riep hij: ‘Antonio! Pancho!’ De ranchero's sloegen de muildieren op de schonken en riepen: ‘Anda! Anda!’ Zonder wakker te worden, scheen het, schaarden de lastdieren zich op een rijtje achter elkaar en begonnen het steile smalle pad te beklimmen. De ranchero's volgden; toen Bonny zich bij hen wilde aansluiten hield de voorman hem tegen. ‘No no señor,’ zei hij. ‘Wachten! Veel stenen. Boemboembom - Au!’ Hij greep naar zijn hoofd.

‘We moeten wachten,’ zei Bonny tegen haar, overbodig. ‘Het schijnt dat er nogal wat losse stenen zijn op dat pad.’

Ze wachtten lang voor de voorman zei: ‘Oké!’ Bonny wilde hem laten voorgaan, maar hij schudde het hoofd: ‘U eerst, señor! Dan de señora, dan kom ik. Als er stenen losraken ben ik het: “Au!” Beter ik dan señor of de señora.’

Bonny zette zijn paard in beweging; zij volgden hem. Het gaf haar een gevoel van veiligheid dat de voorman achter haar reed, want het pad dat zij nu moesten beklimmen was zo griezelig steil dat ze nauwelijks kon geloven dat haar paard op de been kon blijven. Het was eigenlijk geen pad; het was

[p. 249]

een kloof, met aan weerskanten loodrechte wanden. Het spoor leek als een kurketrekker omhoog te leiden, maar zij kon niet meer dan enkele meters voor zich uit zien, dan was er weer een bocht. Het was erg glad en lag vol stenen; de arme man achter haar moest bekogeld worden door rollende keien. De hoeven van Bonny's paard en het hare gleden steeds uit; iedere keer als dat gebeurde rommelde er weer een lawine stenen, met galmende echo's.

Zij wist niet hoe lang het duurde, maar het moest minstens drie kwartier later zijn dat zij, na de zoveelste bocht, opeens een terrasje bereikten aan de rand van een duizelingwekkende afgrond. De muilezels en de ranchero's met hun paarden stonden op een hoopje bij elkaar voor de ingang van een donkere grot. De zon was ondergegaan; het was er bitter koud. De bodem van de vallei, diep beneden hen, was verdwenen in een blauwachtig meer van duisternis, waaruit de toppen van de rotsblokken in de verte als eilandjes staken. De besneeuwde bergen in de verte leken te fosforesceren in de diepblauwe hemel.

‘Dit is de vleermuisgrot,’ zei de voorman. ‘Hier nestelen de vleermuizen, miljoenen, die omstreeks dit uur naar buiten zwermen. Vies. Heel vies: luizen.’

‘Waar zijn ze nu?’ vroeg Bonny. Hij zag er zo pips uit dat ze zich afvroeg of hij hoogtevrees had. Ze moest zelf ook maar niet in die afgrond kijken.

‘O, die zijn in Mexico, voor de winter, señor. Nu, vanaf hier moet u alleen verder. Wij laden de muilezels af, morgen moet u zelf de pakken komen halen.’

‘Waarom?’

‘Pueblo verboden voor Chicanos,’ zei de voorman. ‘Wij mogen er niet in. U gaat dit pad op, dan rechtuit het plein over, dan ziet u vanzelf het lazaret liggen. U kunt het lopen; als de señora te paard wil gaan moet u het aanstonds terugbrengen.’

‘Wil je dat?’ vroeg Bonny.

‘Misschien beter,’ antwoordde ze. ‘Ik heb erge zadelpijn.’

‘Goed,’ zei hij. Hij reikte de voorman de hand, daarna al de andere ranchero's, die er verbaasd door waren en hun handen eerst afveegden aan hun broeken. Zij steeg af en volgde zijn voorbeeld, mompelde tien keer: ‘Gracias, gracias, adiós,’ eindelijk kon zij weer op haar paard klimmen, met een gevoel alsof ze voortaan wijdbeens door het leven zou moeten gaan. Bonny greep haar paard bij de teugel en leidde het naar weer zo'n spleet in de loodrechte rotswand, waar een pad bleek te zijn. Toen hoorde ze de voorman achter haar roepen: ‘Señora! Kijk omhoog! De steen!’

Zij keek omhoog en zag een grote ronde kei, oranje in de blauwe lucht. Zij zou niet beseft hebben hoe kolossaal het ding was als ze niet, vlak bij, twee hoofden over de rand had zien gluren.

‘Tuimelsteen!’ riep de Mexicaan achter haar, met echo's. ‘Eén klap met hamer, en Rrroem! Boem! Iedereen beneden dood! Plats! Derrie! Haha!’ Zijn achterlijke lach klonk luguber, ze wou dat hij zijn mond hield.

Bonny leidde het paard de kloof in. Dit pad was, zo mogelijk, nog steiler dan het vorige; ze klampte zich aan de zadelknop vast. Op een gegeven

[p. 250]

moment sulde ze met paard en al terug, Bonny op zijn hurken met zich meesleurend. Stenen rolden daverend naar beneden. Maar opeens, met dezelfde abruptheid waarmee ze opgedoken waren op het terras voor de vleermuisgrot, stond ze in de ruimte.

De blauwe koepel van de hemel boven de top van de wereld waarop zij leek te zweven, deed haar duizelen. Ze keek om zich heen; het eerste dat ze zag was een rij houten krotten aan de rand van de afgrond. Ze leken te klein voor hutjes; toen zag ze bruine strepen op de rotswand en hier en daar een papiertje; zij besefte dat het pleetjes waren. Het leek een ontheiliging van de oneindigheid die hen omringde, maar het idee dat mensen met hun billen boven dit duizelingwekkende tafereel van de eerste scheppingsdag hingen, gaf haar een gevoel van veiligheid. Achter de pleetjes zag zij lage adobe gebouwen, van twee en drie verdiepingen, aan elkaar gebouwd, die precies dezelfde kleur hadden als de rots. Boven de blokkendoos van daken staken twee stompe kerktorentjes uit. Er hing een zoete, kruidige geur, dezelfde als in de haciënda. Bonny leidde het paard langzaam het dorpje binnen. Hier en daar lagen stapels brandhout midden op straat, maar er was geen teken van leven. Zij zag niemand, zelfs niet achter de raampjes van de oosters uitziende bouwsels, of op de platte daken die, naar het bleek, door ladders werden bereikt. Uit de schoorstenen kringelde dunne grijze rook, verder bewoog er niets; het dorpje leek uitgestorven. De hoefslag van haar paard weergalmde in de lege straatjes. Het was alsof deze huisjes al eeuwen geleden verlaten waren, of niet alleen alle leven hier had opgehouden maar ook de tijd, omdat er geen mensen meer waren om zich ervan bewust te zijn. Zij staken een plein over, zij zag een stompe ronde toren met een houten dak erop, dat moest het waterreservoir zijn. Aan de andere kant van de markt was weer zo'n smal straatje met aan het eind een laag, lang gebouwtje van maar één verdieping. In de deuropening stond het eerste menselijke wezen: een oude Indiaanse vrouw, met een plat gezicht met hoge jukbeenderen en uitdrukkingloze zwarte ogen. Zij droeg een slonzige pullover, een lange rok waarvan de zoom was losgeraakt, geruite karpetsloffen; Laura had zich de pueblo-Indianen anders voorgesteld, de vrouw leek op een bedelares.

‘Ik ben mevrouw Sanchez,’ zei de vrouw, toen zij haar bereikten. ‘Uw huishoudster.’

Laura gleed uit het zadel en wankelde van pijn, zij moest zich eerst aan het paard steunen voor zij, wijdbeens, naar de vrouw toe kon waggelen. De vrouw stond haar op te wachten, en staarde naar haar met zwarte spleetogen zonder enige uitdrukking.

‘Buenas noches, mevrouw Sanchez.’

‘Het eten staat klaar,’ zei het standbeeld, draaide zich om en verdween in het gebouwtje. Laura volgde haar naar binnen.

De deuropening was zo laag dat zij zich moest bukken. Toen struikelde zij; ze had in het halfdonker niet gezien dat er een afstapje was. Het vertrek was lang en smal. Drie perkamenten raampjes, schemerig blauw, gaven het iets kils, een onderwaterlicht. De lage zoldering was gesteund door zware balken, de muren waren witgekalkt, aan de wanden hingen lege planken. Aan het eind was een soort vlonder, waarop een tafel en een paar stoelen stonden, daarachter een open haard met een blokkenvuur, dat miezerig vlamde en de

[p. 251]

kamer vulde met die geurige rook. Pas toen ze bij de tafel stond zag ze, in de hoek, een bed: een lompe twijfelaar, die eruitzag alsof de planken met een bijl waren gefatsoeneerd.

‘Chile con carne,’ zei mevrouw Sanchez, en wees op een zwarte pot die aan een ketting boven het vuur hing. ‘Ik kom morgenochtend terug, als u mij nodig heeft.’

‘O, alstublieft, als u zo vriendelijk wilt zijn...’ Ze wist niet hoe ze haar moest aanspreken, of wat te zeggen; het was allemaal zo vreemd.

‘Señora.’ De vrouw maakte een buiginkje en verdween door de lage deuropening, de blauwe avond in.

‘Nu,’ zei Bonny, toen ze alleen waren, ‘daar zijn we dan. Welkom thuis.’ Hij stond, een vage gestalte in de blauwe schemering, bij de deur met haar gele plunjezak. ‘Waar wil je deze hebben?’

‘O, op het bed maar, voorlopig.’

Hij liep naar het bed, struikelde over het vlondertje, wist zich staande te houden, maar botste met de zak tegen een stoel die met een bons omviel. ‘Sorry,’ zei hij, en zette hem weer overeind. ‘Het is hier aardedonker, laat ik maar beginnen met kaarsen te gaan halen. Ik moet toch dat paard terugbrengen.’ Hij plofte de plunjezak op het bed en liep met holle voetstappen over het vlondertje naar de deur. ‘Tot dadelijk. Je vindt het toch niet vervelend om even alleen te blijven?’

‘Nee hoor,’ zei ze. ‘Als ik weg ben als je terugkomt, zit ik in de Kneipe.’

Toen ze alleen achterbleef had ze ineens het gevoel dat ze dit al eerder had meegemaakt. Ze probeerde na te gaan wat haar dat gevoel gaf, maar kwam er niet achter. Het holle vertrek was zo vreemd, het hele dorp zo uitheems, dat er geen associatie leek te kunnen bestaan met iets wat vroeger gebeurd was. Toch bleef het gevoel dit al eerder te hebben meegemaakt haar achtervolgen. Ze ging op de rand van het bed zitten en keek om zich heen.

Ze moest het besef van tijd verloren hebben terwijl ze daar zat, want ineens was Bonny terug. Hij kwam binnen met een pak, dat hij naar de tafel torste. ‘Hier zitten ze in, denk ik,’ zei hij, en begon erin te rommelen. Ze had er geen idee van waar hij het over had. ‘De Mexicanen, tussen haakjes, blijven kamperen in die grot, vannacht. Ze hebben er blijkbaar geen zin in om de vallei in het donker over te steken.’

‘Geef ze ongelijk,’ zei ze. ‘Heb je nog andere Indianen gezien?’

‘Nee.’

‘Raar, vind je niet?’

‘Och, die komen wel te voorschijn, morgen.’

‘O. Nou, ik ga even een frisse neus halen...’ Ze bukte naar buiten.

De stilte in het lege dorp was unheimisch. De hemel was nu diepblauw, er waren sterren. Heel hoog, in het zenit, was het nog licht. Opeens klonk achter haar een nasaal gezang van kleine, schelle vrouwenstemmen. Het was zo onverwacht dat ze er kippevel van kreeg; ze ging weer naar binnen en zag Bonny bij de tafel staan in het licht van een kaars op een fles. Hij keek als een goochelaar die wachtte op applaus; op de tafel stond een koffergrammofoon. De schelle stemmetjes schetterden: ‘I was dancing, with my darling, to the Ten-nes-see Wa-haltz...’

‘Waar heb je die vandaan?’ vroeg ze verbaasd.

[p. 252]

‘Hij stond hier, op de grond, met deze plaat erbij. De Andrew Sisters.’

‘So I lost my little darling, the night they were playing, the beautiful Ten-nes-see Wa-haltz,’ miauwden de zingende katten.

Zij liep naar het bed, opende haar plunjezak en haalde er een marsreep uit. Zij reikte hem die en zei: ‘Hier, fangen wir an mit einem Stückchen Schokolade.’ Toen hij haar verbouwereerd aankeek drong het pas tot haar door wat ze gezegd had. ‘Sorry,’ zei ze. ‘Ik denk nog wel 's in het Duits, als ik moe ben. Hier. Vang.’ Zij wierp hem de reep toe.

‘...the Ten-nes-see-ee Wa-haltz...’ herhaalden de katten; toen liep de plaat af met een schurend geluid en stopte met een klik.

‘Weet je wat?’ Hij legde de reep op de tafel. ‘Die bewaar ik tot na het eten. Ik heb gekeken, maar de borden zitten niet in dit pak. Vanavond zullen we uit de pot moeten eten.’

‘Och, waarom niet?’ antwoordde ze, ‘we zullen ook in hetzelfde bed moeten slapen. Die pot kan er nog wel bij.’

‘Ja,’ zei hij, ‘dat is vervelend.’

‘Och.’ Ze haalde de schouders op. ‘Alles went. Zit het bestek er wel in?’

‘Ja, hier.’ Hij grabbelde in het pak en haalde er vorken en lepels uit te voorschijn.

‘Nou, zal ik de pot dan maar op tafel zetten?’

Hij reikte haar een handschoen die hij uit het pak opgediept had. ‘Gebruik deze maar,’ zei hij, ‘anders brand je je aan het hengsel. Het zal wel gloeiend zijn.’

‘Dank je.’ Zij trok de handschoen aan en tilde de pot van de haak boven het vuur. Hij was loodzwaar. ‘Een onderleggertje hebben we zeker ook niet?’

‘Nee,’ zei hij. ‘We hebben het wel, maar waar? ... Wacht! Ik heb wat anders.’ Hij rommelde weer in het pak en haalde een nummer van Friends' Journal te voorschijn. ‘Zet hem hier maar op.’

‘Vind je dat niet zonde? Het wordt er roetzwart van.’

‘Ach, liever dat krantje zwart dan de tafel. Anders moet je je daar morgen een ongeluk op boenen.’ Hij vouwde het krantje open. ‘Zo.’

Zij zette de pot neer en nam het deksel eraf; hij snoof de damp op die eruitkwam.

‘Mmm! Mexicaanse bonen.’

‘Leuk is dat,’ zei ze, lachend.

‘Waarom?’

‘Jedes Bönchen gibt sein Tönchen.’

‘Pardon?’

‘Niks. Een melig Duits grapje.’ Zij ging tegenover hem op een van de stoelen zitten. Stevig leken ze niet. ‘Doe maar voorzichtig aan,’ zei ze, ‘anders liggen we aanstonds allebei met onze poten in de lucht.’

‘Hè?’ Hij scheen niets meer te begrijpen.

‘De stoelen. Gammel. O, sorry. Heb ik weer Duits gepraat?’

‘Hollands denk ik, dit keer.’

Ze reikte hem de hand. ‘Zullen we dan maar?’

Zij zaten een tijdje met gebogen hoofden, in stilte, hand in hand. Zoals altijd voelde zijn hand onwennig aan, als die van een vreemde. ‘Smakelijk eten,’ zei ze.

[p. 253]

Hij drukte de hare. ‘Nou, laten we eens proeven wat mevrouw Sanchez voor ons bekokstoofd heeft. Hoe wist ze eigenlijk dat we eraan kwamen?’

Ze dacht erover na. ‘Daar zeg je wat.’

‘Ze moet ons hebben zien aankomen.’

‘Weet je hoe lang het duurt om zo'n pot bonen klaar te maken? Die moet ze vanmorgen vroeg opgezet hebben. Toen wij wegreden uit de haciënda.’

Hij blies op een vork vol bonen. ‘Heet,’ zei hij, ‘kijk uit.’

‘Ze zullen wel verspieders hebben. Dat hebben alle Indianen, zegt Karl May.’

‘Wie is dat?’

‘Een schrijver van kinderboeken. Een Duitser. Daar was ik gek op toen ik klein was. Mijn vader las er altijd uit voor; zelfs toen ik zeventien was nog wel eens.’

Hij proefde de bonen. ‘Heerlijk. Probeer 's.’

Zij volgde zijn voorbeeld. ‘Hm. Niet te pedis voor je?’

‘Wat is dat?’

‘Pedis. Würzig.’

Hij keek haar aan met moe geduld. ‘En wat is “würzig”?

‘O, neem me niet kwalijk. Ik weet niet wat er met me is, vanavond. Ineens denk ik aldoor in het Duits. Het betekent scherp. Gepeperd.’

‘O.’

Ze aten een tijdje in stilte; toen zei hij: ‘Als je mij vraagt is het hier best uit te houden. Wie weet krijgen we nog patiënten ook. Ik zal maar beginnen, morgenochtend, met die priester op te zoeken om mijn opwachting te maken. Een beetje vlagvertoon is wel nuttig.’

‘Vergeet niet, voor je op visite gaat, dat we eerst die pakken naar boven moeten zeulen. Dat zijn er nogal wat.’

‘O, dat doen we samen; dan is het zo gebeurd.’

‘Dat weet ik nog zo net niet. Dan moeten we ze gaan uitpakken en die planken inruimen, al die flesjes, potjes, pakken verband. Daar doen we minstens een dag over.’

‘Komt tijd, komt raad,’ zei hij, bezadigd.

Ze wou iets zeggen over scheurkalenders, maar liet het er maar bij. Hij was een brave jongen, en ze zaten hier dan toch maar als twee mussen op een rots op de maan.

 

***

 

Het was vervelend dat er maar één bed was; Bonifacius treuzelde zo lang mogelijk, ofschoon het steeds kouder werd en het vuur begon te doven. Ten slotte moest hij eraan geloven, en hij zei: ‘Nu, zullen we dan maar? Ik begin het koud te krijgen.’

‘Oké,’ zei ze. Ze was in een van haar vriendelijke buien; maar hij wilde dat hij een veldbed had meegebracht. Ze kleedden zich uit met de ruggen naar elkaar toe, op een gegeven moment keek hij om. Ze stond spiernaakt voor het vuur, bezig haar nachtpon te warmen.

‘Uitstekend idee,’ zei hij. ‘Ik denk dat ik dat ook ga doen.’ Hij haalde de pyjama te voorschijn met de rode en witte strepen die hij gekocht had in de

[p. 254]

Army & Navy Surplus Store in Philadelphia, vlak voor ze weggingen. Hij wachtte met het ding te warmen tot zij haar nachthemd had aangetrokken, want om samen spiernaakt voor het vuur te staan was te veel van het goede.

Ze sloeg de gewatteerde deken open waarmee het bed was bedekt, en zei: ‘Oef! Wat stinkt dat ding, zeg!’

‘Waarnaar?’

‘Weet ik veel. Stof, muf. Morgen maar eens goed uitschudden. Wie weet welke roodhuid daar met zijn zweetvoeten onder heeft gelegen.’

‘Ik geloof niet dat dat de juiste houding is tegenover onze toekomstige patiënten.’

‘Nou, kom nou! Ik mag toch wel zeggen waar het op staat? Het is zeker niet het goddelijke in die Indianen dat zo stinkt.’

Hij sloot de ogen terwijl hij, in zijn pyjamabroek, voor het vuur het jasje stond te warmen.

Hij hoorde het bed achter zich kraken. Toen zei ze: ‘En koud! Kom er gauw bij liggen, het lijkt wel een ijskast. En de lakens zijn zo ruw als beton.’

‘Ik kom,’ zei hij.

Even was het stil. ‘Tjonge,’ zei ze, ‘het is maar gelukkig dat er hierboven geen stieren zijn.’

‘Pardon?’

‘Als jij met die pyjama aan naar buiten zou gaan, werd je zo op de horens genomen. Wie heeft dat ding in vredesnaam voor je uitgezocht?’

‘Ikzelf.’

‘Nou, gefeliciteerd.’

Hoewel hij het zelf ook een onding vond, irriteerde het hem toch. ‘Ach,’ zei hij, ‘we kunnen niet allemaal een subtiele smaak hebben. Bovendien was het de enige die ik krijgen kon.’

‘Het kan mij niet schelen, hoor,’ zei ze. ‘Als je nou maar gauw in bed komt, want, man, ik lig te klappertanden. Kom nou!’

‘Ik kom eraan.’ Hij trok het jasje aan, en liep, als een wandelende strandbal in de schreeuwende pyjama, naar het bed.

Ze zat bibberend overeind met haar handen om haar schouders, erg jong in het kaarslicht, haar haren opgestoken.

‘En hoe is de matras?’ vroeg hij, terwijl hij het dek opsloeg.

‘Kom maar, dan zul je het wel merken.’

Hij klom in het bed en merkte dat het geen matras was maar een strozak vol bulten. ‘Nou, dat hadden ze eigenlijk net zo goed kunnen laten.’

‘Och,’ zei ze, en ze ging liggen, ‘we zullen er wel aan wennen. Misschien neemt dat ding wel onze vorm aan.’

‘Tjonge, wat is het koud, zeg!’ Het was alsof hij zijn voeten in een ijskast stak.

‘Schei uit,’ zei ze. ‘Ga liggen, jóh. Mag ik op je rug komen? Of kom jij op de mijne?’

‘Kom jij maar op de mijne, anders is het weer mis,’ zei hij, zonder nadenken. Hij had er onmiddellijk spijt van.

Hij dacht dat haar stilte niet veel goeds voorspelde, maar zij drukte zich tegen zijn rug aan en zei: ‘Het spijt me, van gisteren.’ Haar adem was warm

[p. 255]

achter zijn oor. ‘Ik weet het, soms ben ik een loeder, ik kan het niet helpen. Er is een verklaring voor, die ik je bij gelegenheid wel eens zal geven.’

‘Goed,’ zei hij. ‘We hebben alle tijd. Zal ik de kaars uitblazen?’

‘Wat mij betreft, ga je gang.’

Hij blies de kaars uit, maar het werd niet donker. De nagloeiende as in de haard vulde het lange, lage vertrek met een rossig licht. Niet bepaald een uitnodigend kamertje. ‘Nou,’ zei hij, in de holte starend, ‘hier hebben dan een stuk of twaalf Quaker-echtparen gelegen, net als wij.’

‘Knus idee,’ zei ze, achter zijn oor.

‘Dat bedoel je ironisch, zeker?’

‘Nee hoor. Ik vind het een fijn idee dat er tenminste al eens eerder iemand geslapen heeft. Anders zou ik gillend de benen nemen.’

‘Vind je het dan zo griezelig, hier?’

‘Jij niet?’

‘We moeten morgen maar proberen het een beetje gezellig te maken.’

Een tijdje lagen ze zo. Zijn voeten bleven koud, maar zijn rug werd warm.

‘Die mevouw Sanchez,’ vroeg ze, slaperig, ‘zou die werkelijk Sanchez heten? Of heeft ze een Indiaanse naam? Liggende Marmot of zo?’

‘Waarschijnlijk,’ antwoordde hij. ‘Toen Gulielma Woodhouse hier voor het eerst aankwam, hadden ze zeker geen Spaanse namen.’ Hij staarde in de donkere schemering vol schaduwen. Gulielma Woodhouse, zou die dit lazeret gebouwd hebben? ‘We hebben vergeten samenkomst te houden,’ zei hij.

Zij knorde achter hem. Toen zei ze, slaperig: ‘Kunnen we dat niet liggende doen? Het is zo koud.’

‘Ja,’ zei hij, ‘ik zie niet in waarom niet. Zullen we dan maar?’

‘Joe.’

Hij sloot de ogen. Onmiddellijk voelde hij weer die zelfde dankbaarheid in zich opwellen die hem de avond tevoren tijdens de samenkomst ertoe gebracht had te getuigen. Toen had de hond er eentje laten vliegen en een eind gemaakt aan zijn devotie; nu groeide het gevoel van dankbaarheid uit tot vreugde. Al was het dan na vallen en opstaan, ze hadden samen een weg afgelegd die ongelooflijk leek: van kamp. Schwalbenbach naar de Hunipueblo in Nieuw Mexico.

De dovende blokken knapten in de haard. Hij voelde haar schokken op zijn rug in haar slaap. Het duurde niet lang of hij was zelf ingeslapen in de vrede van de Tegenwoordigheid.

 

***

 

Ze werd half wakker doordat hij de radio aanzette, gezongen dansmuziek. Ze wachtte op de piepjes van het tijdsein, en dan de stem van de nieuwslezer: ‘Gutenmorgen, meine Damen und Herren. Hier sind die Nachrichten. Das Oberkommando der Wehrmacht macht bekannt...’ Toen drongen de woorden van de dansmuziek tot haar door: ‘I was dancing, with my darling, to the Ten-nes-see Wa-haltz, when an old friend, I happened to see...’ Zij opende de ogen.

‘Goeiemorgen. Ik had je willen laten uitslapen terwijl ik naar de priester

[p. 256]

was, maar ik dacht dat je misschien zou schrikken als je wakker werd en ik was er niet.’

‘Om je de waarheid te zeggen, schrok ik ervan dat je er was,’ zei ze, suffig.

‘Pardon?’

‘Hoe laat is het?’

‘Halfacht. Wie dacht je dan dat ik was?’

‘Mevrouw Sanchez,’ zei ze, haar ogen gesloten, nog steeds niet helemaal terug in de werkelijkheid.

‘O, die is al geweest. Ze heeft brood voor het ontbijt gebracht, als je het brood noemen wilt.’

‘Wat zijn het, kadetjes?’

‘Pardon?’

‘Sorry, ik droomde in het Hollands, denk ik. Broodjes?’

‘Nee, een soort matses. Hier - wil je er eentje proeven? Of wil je eerst een kop koffie?’

Ze opende de ogen en zag dat hij haar iets voorhield dat eruitzag als een stuk oude pannekoek. Ze snuffelde eraan, het rook naar Indianen. ‘Dank je,’ zei ze, ‘ik denk dat ik maar even wacht. Lief van je, om me te laten slapen. Hoe laat is het?’

‘Halfacht.’

‘O ja, dat had ik al gevraagd. Sorry.’ Ze rekte zich uit onder de dekens, geeuwde, en ging overeind zitten. Het was nog altijd koud; ze warmde haar schouders met haar handen. ‘Hoe kom je al aangekleed?’ vroeg ze, toen ze hem zag staan. Het was licht in de kamer, de matglazen ruitjes waren goud in de zonsopgang. Hij stond bij de tafel, geheel gekleed, met zijn vest van schapevacht aan en zijn cowboyhoed op zijn hoofd. Heinzl had altijd zodra hij binnenkwam, onmiddellijk zijn pet afgezet.

‘...the Ten-nes-see Wa-haltz...’ miauwden de stemmetjes, toen liep de plaat af met een luid geschuur, en een klik.

‘Wat staat er aan de andere kant, eigenlijk?’ vroeg ze.

‘Roll out the barrel.’

‘O ja, dat ken ik. Rats, kuch en bonen heet het bij ons.’

‘Wil je het horen?’

‘Nee, dank je wel. Je had het over koffie. Heeft ze die ook gebracht?’

‘Nee, die moeten we zelf maken. Ik heb water in de pot opgehangen.’

Ze keek naar de haard; het vuur brandde met nieuwe blokken. ‘Tjonge,’ zei ze, ‘je bent wat je noemt bezig geweest. Heb je de pot eerst omgewassen?’

‘Ja, wat dacht je?’

Ze ging weer liggen, het was te koud. Ze trok de deken op tot onder haar kin, en keek naar de zoldering. Vieze oude balken, een plafond van gebarsten cement. ‘Niet fris,’ zei ze, ‘maar er zijn tenminste geen spinnewebben.’

‘Waar?’

‘In de hoeken van de zoldering. Maar hij moet wel nodig gewit worden.’ Ineens herinnerde zij zich het grapje. ‘Ken jij die over wat vrouwen van verschillende nationaliteiten zeggen terwijl ze...’ Ze bedacht zich.

‘Er zijn geen spinnewebben,’ zei hij, ‘omdat er geen spinnen zijn. Spinnen

[p. 257]

vind je alleen als er muggen zijn, en die hebben ze niet hier in de pueblo. Daarvoor is het te hoog, en 's nachts te koud.’

Ze geeuwde; midden in die geeuw had ze ineens een ontzettend verlangen naar Heinzl, zó intens dat tranen in haar ogen schoten. O, wat een koude, eenzame boel! Er was eigenlijk geen pest meer aan, aan het leven.

Ze ging weer zitten en vroeg onvriendelijk: ‘Komt er nog wat van, van die koffie?’

‘Ik zal eens kijken.’ Hij ging naar de haard en lichtte het deksel van de pot, maar ze had gezien dat ze hem weer kopschuw gemaakt had. Hij dacht weer: Ze is gek, knettergek, je weet van het ene ogenblik op het andere niet hoe ze uit zal pakken. Het wás haar schuld; tenzij ze hem vertelde waarom ze soms ineens uitviel, zou de stakker het nooit begrijpen.

‘Das Oberkommando der Wehrmacht macht bekannt dass die Truppen des Generals Paulus in Stalingrad einen entschiedenen Sieg erkämpft haben...’

Nee; wat ze ook deed, ze mocht het hem nooit vertellen. Hij was een lieve jongen, maar hij zou het niet kunnen begrijpen. Dat kon Oma niet eens. Ze kon niemand bedenken die het wel zou begrijpen, behalve misschien dokter Wassermann; maar die had ze het nooit verteld. Zou hij het doorzien hebben? Waarschijnlijk niet; zelfs hij had gedacht dat ze zich alleen maar aan Heinzls brute wellust onderwierp om haar leven te redden. Brute wellust! Die engel van tederheid ... ‘Als een mens twee tegenstrijdige kanten heeft, dan betekent dat niet dat hij gek is,’ zei ze. ‘Ik ken er genoeg die in hun gezin engelen van liefheid zijn, en buitenshuis bloedhonden.’ Waarom zei ze dat nou? Alleen maar om Heinzl erbij te betrekken? ‘Ik bedoel, naast ons woonde een agent, die was altijd vreselijk lief voor zijn vrouw en voor zijn dochter, dat kon je duidelijk zien. Hij bracht bloemen mee en zo, en je kon ze horen zingen bij het afwassen. Maar als hij in dienst was, en er was iemand een tikje aangeschoten, nou, dan ging hij er meteen met de knuppel overheen.’ Onzin, maar ze kon zo gauw niets anders bedenken.

‘Van Loon?’ vroeg hij.

‘Nee, aan de andere kant.’

Hij bleef voor het vuur staan met zijn rug naar haar toe, het leek alsof hij in de vlammen staarde. Toen vroeg hij: ‘Laura?’

‘Ja?’

‘Ik dacht dat jullie huis het laatste in de straat was.’

Sodeju, ze was er weer eens ingestonken. ‘Met andere woorden, ik ben gek?’

Maar hij ging er niet op in. Hij bleef met de rug naar haar toe in de vlammen staan staren. ‘Laura,’ zei hij, op een toon van: nu komt het.

‘Wat?’

‘Gisteravond zei je tegen me: “Soms ben ik een loeder, ik kan het niet helpen. Er is een verklaring voor, die ik je bij gelegenheid wel eens zal geven.” Weet je dat nog?’

‘Nee.’

‘Waarom vertel je het me nu niet? Ik geloof dat het belangrijk is.’

Ineens had ze er genoeg van; ze dacht er niet over om van hem een biechtvader te maken. ‘Dat zei ik omdat ik je niet wilde kwetsen. Bovendien lag ik lekker, ik verrekte van de kou. Ik vind je heel aardig, en ik heb veel

[p. 258]

aan je te danken, maar daar blijft het dan ook bij. Oké?’

Hij draaide zich om en keek naar haar met een glimlach. ‘Ik wou dat je me vertrouwde.’

‘Nou, ik zou zo zeggen dat ik je vertrouwde toen je zei: “Ga mee naar Amerika...”’ Hè, wat vals! ‘Sorry, neem me niet kwalijk. Er is eigenlijk niets te vertellen. Het is gewoon - nou ja, in dat kamp zijn dingen gebeurd waar ik misschien wel eens een keer over zal praten. Maar nu nog niet.’

Zijn glimlach verdween, in plaats daarvoor kwam de uitdrukking van een begrafenisondernemer. ‘Ik weet 't, je moet verschrikkelijke dingen meegemaakt hebben. Denk niet dat ik dat niet begrijp.’

Ze stond op het punt om te zeggen: ‘Nou, dat is fijn hoor, geef me dan maar een sigaar.’ Maar ze hield het voor zich. Gek dat ze ineens weer zo'n zin in een sigaar had. In de geur, niet de smaak, want daar draaide je hart in je lijf van om. Dan liever maar een reep chocola, zodra hij weg was. Wat had hij eigenlijk met de reep gedaan die ze hem gisteren had aangeboden?

‘Nu,’ zei hij, ‘ik ga. De priester zal wel wakker zijn.’

‘Wil je niet wachten op de koffie?’

‘Nee. Zet jij hem maar, dan drink ik een kopje als ik terugkom.’

‘Veel plezier.’

‘Tot straks.’ Daar ging hij, zes voet lang, tweehonderd pond schoon aan de haak, met donderhoed. Een brave jongen, maar op dat moment was ze hem liever kwijt dan rijk. Ze wachtte tot hij de deur uit was; toen zwaaide ze haar benen uit bed en stond op. Wat waren die tegels koud! Ze hupte naar de haard, trok een stoel bij, strekte haar voeten uit naar de warmte en staarde in de vlammen. Ineens was ze weer terug aan boord van de woonark, met Vader en Caesar en Winnetou's dood en buiten de verre lichtbundels van zoeklichten. Weer werd ze overrompeld door het gevoel dood te zijn zonder het nog te beseffen, rond te dwalen in een droom waaruit ze niet wilde ontwaken, omdat ze de waarheid niet onder ogen dorst te zien. Het meisje dat die avond in de vlammen had zitten staren, met Caesar snurkend voor het vuur, was dood; zij was haar spook, half bewust, met soms die vreselijke ogenblikken van het te weten.

‘En waar zal haar graf zijn? Bida heeft gehoord dat Nscho-tschi, de schone dochter van de Apachen, hem haar ziel heeft geschonken, daarom zal zijn lijk naast het hare rusten, opdat zijn geest zich in de eeuwige jachtgronden met de hare verenigen zal.’

Nu, daar zat ze dan: in het land van Karl May, waar dat meisje over gedroomd had bij het luisteren naar de stem van haar vader, starend in de vlammen: beelden van Indianen op mustangs, dravend door de woestijn, pelsjagers met breedgerande hoeden die aan kampvuren de vredespijp rookten met roodhuiden ... Nu zat ze in werkelijkheid onder de Indianen. Geef mij die droom maar, dacht ze. Geef mij de eeuwige jachtgronden maar, waar wij samen zullen jagen. ‘Verdammt noch mal, Heinzl!’ Ze sprong op en liep weg van het vuur.

Was dat het begin van de waanzin: hallucinaties? Tegen jezelf praten? Maar goed dat Bonny haar niet gehoord had, met zijn vcjb-glimlach en zijn hoed van Tante Drol, anders zat ze morgen in Meerenberg, of hoe dat

[p. 259]

hier heette, een Quaker-gesticht. ‘Huize Margaret Fell’ zou het wel heten, of ‘Kriebeltjes Hoogtepunt’. Nee, dat was een boek van Willem van Iepen-daal, dat had Vader ook voorgelezen.

Het viel niet mee je aan te kleden met een sigaar in je mond; op een gegeven moment stond ze met één arm door een mouwtje van haar T-shirt en een Broncobuster tussen de tanden. ‘Al doende leert men,’ zei ze hardop, en legde de sigaar op de blaker. Pas toen ze met haar hoofd in haar T-shirt zat besefte ze dat ze weer tegen zichzelf had staan praten, en ineens was ze bang. God, bad ze, lieve God, help me erdoor of maak er een eind aan.

Maar dat was aanstellerij. Ze dook met haar hoofd uit het T-shirt. Ze had helemaal geen zin om er een eind aan te maken. Ze wou alleen weten wie ze was: dat kind voor het vuur aan boord van de woonboot, of dit kind voor dit vuur, of, wie weet, geen van beiden. Soms, de laatste tijd, had ze het gevoel van een rups die bezig was in een vlinder te veranderen. Maar, helaas, ze was waarschijnlijk aan het veranderen van een vlinder in een rups.

En lachen! Gek, hoe je je op je eentje kon staan bescheuren om zo'n melig grapje. Gek was het woord.

 

***

 

Het kerkje stond in een begraafplaats, aan de rand van de afgrond. Het was een kleurloos bouwsel met twee lompe torentjes en een ijzerbeslagen deur, die er eerder uitzag als de deur van een fort dan die van een Godshuis. Er was een zijvleugel, de pastorie waarschijnlijk, met een open loggia op de hoek van de tweede verdieping. De enige manier om de kerk te bereiken was door de begraafplaats, een trieste kleine akker met een adobe muur eromheen. Er was een hekje, dat luid knerste in de stilte; toen Bonifacius het kerkhof binnenging hoorde hij een zacht geritsel; het bleken de papieren bloemen te zijn waarmee een paar van de kruisen in het kerkhof waren versierd en die fladderden in de morgenwind. Op de kruisen stonden onleesbare namen, alle naar de kerk gekeerd. Achter de muur lag het onmetelijke uitzicht van de vallei, waarvan de bodem donker was omdat het zonlicht nog niet zo diep reikte. Boven de wazig-violette einder zweefden de toppen van besneeuwde bergen in de blauwe lucht. Prachtig, maar de verlatenheid was huiveringwekkend, de eenzaamste plek die hij ooit had bezocht. In de pueblo was nog steeds geen mens te bekennen.

Toen hij naar de kerkdeur liep zag hij dat, gedurende de paar minuten dat hij naar het uitzicht had staan kijken, het vale gebouw een zachtroze kleur had gekregen in het licht van de opgaande zon. De huizen van het dorp hadden ook kleur gekregen, beige, zachtgeel, oranje; gisteravond waren ze rood geweest. Daarom was de pueblo nooit ontdekt, eeuwenlang. Net als de mesa zelf veranderde het dorpje van kleur, als een kameleon.

In een stilte die dieper scheen door het ritselen van de papieren bloemen liep hij naar de stoep en duwde de deur open. Het knerpen van de scharnieren weergalmde in de holte. Het was er ijskoud, de muren waren dikker dan een meter, en schemerdonker. Toen zijn ogen aan het donker gewend waren zag hij aan het einde van het kerkgewelf een altaar, met daarachter

[p. 260]

een muurschildering: een glimlachende zon, een schreiende maan, drie primitieve heiligen zonder perspectief om een crucifix heen die wel perspectief had, omdat hij werkelijk was. Toen Bonifacius naderbij kwam zag hij een uitgemergelde Christus, met het hoofd voorover hangend aan zijn gescheurde handen. Zijn haar hing omlaag in verwarde tressen. De pijn van het uitgemergelde lichaam was bijna voelbaar; het was het meest overtuigende beeld van de kruisiging dat hij ooit gezien had, zonder twijfel een meesterwerk, maar afschrikwekkend. En er kon geen twijfel aan bestaan dat Christus een Indiaan was. Hij keek de kerk rond. Er waren geen banken, alleen een houten biechthokje, vrolijk beschilderd, met gordijntjes. De muren waren beschilderd met een fresco dat, voor zover hij kon nagaan, episodes uit de geschiedenis van de Hunis voorstelde, gesluierd door smook van de olielampjes die eronder hingen. Het was een reeks bloedige taferelen, maar geen van hen kon het realisme van de crucifix benaderen. Iedere keer als hij ernaar keek gaf die hem een huivering; het was alsof hij, in levenden lijve, aan de voet stond van het werkelijke kruis op dit spookachtige Golgotha. Hier en daar, hoog op de muren, waren regenbogen geschilderd met daaronder exotische vogels, bruin en wit met rode koppen, die op gekruiste rozen stonden. Hoog boven in de muren waren horizontale ramen met roze en gele vitrage, die meer bij het Huis van de Opgaande Zon in New Orleans leken te behoren dan bij een kerk; de wind deed ze zachtjes golven.

Achter het altaar was een deurtje waarvan hij verwachtte dat het naar de sacristie leidde, maar het bleek toegang te geven tot een hofje met een lage, gewelfde ommegang en in het midden een wemeling van kleurige bloemen. Een priester in een zwarte pij zat met zijn rug naar hem toe tussen de bloemen, aan een ezel met een schilderij erop waarin hij volkomen verdiept scheen. Bonifacius kuchte om zijn aandacht te trekken, de man schrok en, ineens, kwamen alle bloemen uit het hofje op hem af fladderen, krijsend: ‘Masturba, padre! Puta tu madre! No cojones! No cojones!’

Bonifacius deinsde terug terwijl de papegaaien buitelend neerstreken aan zijn voeten, krijsend als duivels. De priester achter de ezel was opgestaan; hij was groot, zo blond dat zijn wenkbrauwen niet te zien waren, met ogen van een ontroerende onschuld. ‘Goedemorgen,’ zei hij, met een Spaans accent. ‘Ik ben Vader Alvarez. Ik hoorde dat u gisteravond aangekomen bent. U bent meneer?...’

‘Baker. Bonifacius Baker. De naam van mijn vrouw is Laura. Hoe maakt u het?’

‘O, heel goed, heel goed,’ zei de priester, terwijl hij hem voorzichtig de hand drukte. ‘Ik hoop dat mijn papegaaien u niet aan het schrikken hebben gemaakt?’ De ondieren wriemelden om zijn enkels, vloekend als ketters; het was maar goed dat hij rijlaarzen aan had.

‘Nee, helemaal niet,’ antwoordde hij. ‘Het zijn interessante dieren.’

‘O ja, ja!’ De priester leek opgelucht dat zij een gespreksonderwerp hadden gevonden. ‘De papegaai is een heilig dier voor de Hunis. U bent door de kerk gekomen, dus u heeft ze natuurlijk op de muren zien staan. Zij worden nog steeds door de sjamaans gebruikt, ik bedoel de veren. Heeft u ook het houtsnijwerk aan de balken gezien?’

‘Nee,’ antwoordde Bonifacius, afgeleid door de vogels, die hij op zijn

[p. 261]

voeten voelde krabbelen.

‘De medicijnmannen beschilderen de doden voor ze begraven worden, hun gezichten dan, en ze knippen hun haar, en vlechten er papegaaieveren in. De gezichten van mannelijke doden worden met figuren beschilderd, en die van de vrouwen ingesmeerd met stuifmeel.’

‘En die van de kinderen?’

De priester keek hem aan met ronde ogen. ‘Hoe - wat - ah, ja! De kinderen! Ja...’

‘Hahaha! No cojones!’ De leider van de papegaaien, want daar leek het op, kwam met gespreide vleugels op Bonifacius af voor een nieuwe duikvlucht, krijste: ‘Masturba!’ en begon aan zijn linkerlaars te pikken.

‘Duw hem weg,’ zei de priester. ‘Geef hem gewoon een duwtje, met uw voet.’

‘O, dat is niet nodig,’ zei Bonifacius. ‘Ik heb er geen last van.’

‘Zullen wij - wilt u even meekomen naar mijn loggia?’

‘Graag.’

De priester liep de ommegang af; Bonifacius volgde hem, met op zijn hielen de enkelhoge meute, die schaterde en tierde. Aan het eind van de ommegang was een deurtje, waar de priester hem opwachtte. ‘Ik geloof dat het maar beter is als u eerst gaat,’ zei hij, ‘dan hou ik ze tegen, ziet u, anders komen ze ons achterna. Ze zien nooit iemand, nooit, dus u kunt zich voorstellen, ze zijn erg opgewonden. Ja, gaat u maar! Vlug!’ Bonifacius glipte naar binnen, achter zich hoorde hij de priester roepen: ‘Nee, nee! Weg! Ga weg! Felix! Arturo! Ga weg! Ksst!’ Toen trok hij de deur dicht. ‘Gaat u voor, naar boven.’

Bonifacius beklom een steil, schemerig wenteltrapje; na de derde bocht bereikte hij de loggia die hij vanuit het kerkhof gezien had, open aan drie kanten, met een witgekalkte zoldering. Er stonden twee rotanstoelen en een gammel tafeltje; de balustrade van de loggia was van hout, de stijlen waren versierd met snijwerk en uitgeloogd door de zon.

‘Ga zitten, ga zitten,’ zei de priester.

Bonifacius liet zich voorzichtig in een van de stoelen zakken; hij zeeg krakend opzij. De priester ging naast hem zitten; zijn stoel zakte de andere kant op. ‘Wel wel,’ zei hij. ‘U moet het die vogels maar niet kwalijk nemen, hoor. Het zijn beste dieren. Verstandig, slim! Daar hebt u geen idee van. En? Wat zegt u van m'n uitzicht?’

Het was adembenemend. Nu de zon hoger stond was het Egyptische fresco van de dalwand in de verte rood geworden, de Moorse stad fel oranje, met lange zwarte schaduwen. De sneeuwtoppen aan de horizon zweefden nog steeds boven de mistbank van het verre gebergte, de hemel was leeg en blauw, een dieper blauw dan hij ooit had gezien. De huizen van de pueblo waren nu oker, met blauwe schaduwen. De loggia lag zo hoog dat hij op de daken kon kijken; nog steeds was er niemand te zien. ‘Kunt u me soms zeggen waarom ik nog geen Indiaan gezien heb, behalve mevrouw Sanchez? Verschuilen ze zich voor ons?’

‘O, dat heeft niets te betekenen,’ zei de priester. ‘Ze kijken de kat even uit de boom. U moet niet vergeten: we zien hier nooit iemand. Ik bedoel, alleen dat meisje McHair; maar die is - u kent de geschiedenis van de

[p. 262]

familie McHair?’

‘Ik weet dat Jesse McHair een zoon had, die een dwerg was.’

‘En weet u wat daarmee gebeurd is?’

‘Nee.’

‘O - nu, ik geloof niet dat ik een indiscretie bega als ik u dat vertel. William McHair was al van middelbare leeftijd toen zijn vader, Jesse, een bruidje voor hem bestelde in Zuid-Amerika: de tegenwoordige Doña McHair. Zij was nog héél jong en werd, geloof ik, geleverd door een agentschap in New York dat zich specialiseerde in gedrochten voor circussen. Niet bepaald een veelbelovend begin voor een huwelijk, zou je zeggen, maar het werd een héél goed huwelijk. Idyllisch, bijna. Altijd hand in hand, en heel lief voor elkaar, en - enfin, hartroerend. Ze kregen een zoon: Absalom. Géén dwerg; hij was normaal. Een artistieke, gevoelige jongen. Hij zou de haciënda erven, en alles wat daarbij hoort: deze vallei, de pueblo, enfin: het keizerrijk van de McHairs, zeg maar. Zijn ouders hadden gearrangeerd dat hij zou trouwen met de dochter van een grootgrondbezitter, Montoya, bijna net zo gefortuneerd als de McHairs. Maar de jongen was verliefd geworden op een lid van hun keukenpersoneel, een Mexicaans meisje, van wie verder niets bekend is. Absalom wilde met haar trouwen, zijn ouders weigerden, er werd een kindje geboren, een meisje. Na de geboorte verdween de moeder, naar men zegt door Doña McHair verbannen, of weggekocht, wat dan ook. In ieder geval: ze verdween, de datum van het huwelijk met de dochter van de Montoya's werd vastgesteld, maar op de avond voor het zou plaatsvinden hing Absalom zich op. Vreemd, vindt u niet: Absalom? Alsof de twee dwergen, bij zijn geboorte, zijn lot hadden bepaald door hem die naam te geven. Enfin, dat zal wel een romantische gedachte zijn. William, de vader, stierf kort daarna, je zou kunnen zeggen: aan een gebroken hart. Doña McHair erfde de haciënda en alles wat daaraan vastzit: banken in Kissing Tree, olie hier, tabaksplantages daar, het keizerrijk. Zij nam het kindje tot zich, en sindsdien wonen ze met hun tweeën op de haciënda: grootmoeder en kleindochter. Het meisje moet op haar beurt het keizerrijk erven; haar grootmoeder heeft haar als een soort vertegenwoordigster onder de Hunis aangesteld. Daarom komt ze hier zo vaak, voelt u wel?’

‘Ah, juist.’

‘Heeft u een hobby, als ik vragen mag?’

De vraag was zo onverwacht dat Bonifacius hem verbaasd aankeek. ‘Nee - hoe dat zo?’

‘Er gebeurt hier nooit iets. Behalve het meisje McHair komt hier nooit iemand. Dat is natuurlijk ontzettend saai. Ik ben gaan schilderen, en ik moet zeggen, het geeft me grote voldoening. Vandaar dat ik dacht ... Ik zou het doen, als ik u was. Niet schilderen, speciaal, iets anders, mandjes maken boetseren, waterverf. Aquarelletjes, daar vráágt dit landschap om. Ik kan het niet, ik heb het geprobeerd, maar het werd een soort soep. Probeert u het eens. Waterverf. U heeft zeker geen waterverf bij u?’

‘Helaas niet, nee.’

‘Nu, dan moet u wat anders zien te vinden, want het is een saaie boel hier, als u niets te doen heeft.’

‘Wij hopen dat wij iets te doen zullen krijgen in het lazaret.’

[p. 263]

De priester keek naar het uitzicht toen hij zei: ‘Dat is een pijnlijk punt. Ik zeg het eerlijk. Ik bedoel: er gebeurt ook dáár niets. We hebben voorgangers van u bij ons gehad, die hadden ook niets te doen. Volgens mij is de laatste zo ongelukkig aan zijn eind gekomen omdat hij geen andere interesse had die hem bezighield.’

‘Zijn vrouw schijnt te denken dat hij moeilijkheden heeft gekregen door de kindersterfte, waar hij de Gezondheidsdienst bij wilde halen, of het Bureau for Indian Affairs.’

‘Helaas, mevrouw Harner - nou ja - ze is niet altijd, hoe zal ik zeggen, zuiver op de graat. Ik bedoel: arme ziel.’

‘Is het waar dat de kindersterfte in de pueblo zo hoog is, de laatste tijd?’

‘Ach - hoog, hoog. Er is natuurlijk geen vergelijk met de rest van Amerika. Maar daar valt weinig aan te doen. De gezondheidszorg hebben de Hunis zelf in handen. In hun ogen bestaat ziekte niet, zoals wij die zien. Ziekte is, volgens hen, het gevolg van slechte gedachten, zondige daden...’

‘Maar, naar uw eigen ervaring, is het waar dat de laatste tijd de meeste kinderen sterven bij de geboorte of onmiddellijk daarna?’

‘Mijn eigen ervaring? Hoe bedoelt u?’

‘U leidt de begrafenissen toch, neem ik aan?’

‘O. Ja. Nu. Er worden heel weinig kinderen geboren. Voor zover ik weet is er op het ogenblik, bijvoorbeeld, maar één jong vrouwtje in verwachting. En die is kerngezond, dunkt mij. Maar zoals ik al zei: er zijn gebieden waarop de Indianen, ik bedoel dan de sjamaans, geen inmenging dulden. Wij, als buitenstaanders, moeten ons daarbij neerleggen, want anders - nou ja, zo is het nu eenmaal. Gelooft u me: beeldjes, aquarelletjes. Lezen is natuurlijk ook heel absorberend. De geschiedenis van de Hunis, bijvoorbeeld - fascinerend. Als die u interesseert wil ik u wel een boek lenen dat u beslist moet lezen. Dat geeft u een goed inzicht van wat er hier gaande is, ik bedoel, van de traditie. Ik wilde maar dat uw voorganger het gelezen had, dat zou geloof ik een verschil gemaakt hebben. Een groot verschil.’

‘Wat is het voor een boek, als ik vragen mag?’

‘Iets unieks: niet gedrukt, maar met de hand geschreven. U kunt, neem ik aan, ouderwets handschrift lezen? Nou ja, ouderwets, het is vijftig jaar oud. Mijn voorganger, Vader Alfonso, heeft het geschreven. Een vrome man. Hij kende de Hunis beter dan wie dan ook. Zijn verhandeling gaat over één bepaald aspect van de cultuur hier, maar speciaal voor u erg interessant, heel belangrijk. Zoals ik zei, het is jammer dat uw voorganger er niet in geïnteresseerd was. Ik heb het hem ook te leen gegeven, maar nee, hij had andere dingen aan zijn hoofd. Hij had zijn vrouw, die veel zorg nodig had. Heeft u haar ontmoet?’

‘Ja.’

‘Ach, natuurlijk, dat zei u. Neemt u me niet kwalijk.’ Weer keek de priester naar het uitzicht. Toen vroeg hij, terloops: ‘Heeft zij u nog andere dingen verteld? Over de tradities of zo?’

‘Ze heeft over de dood van haar echtgenoot gesproken, in algemene termen. Ik weet niet precies wat er met hem gebeurd is; heeft hij zelfmoord gepleegd?’

‘Welnee!’ protesteerde de priester. ‘Geen sprake van! Dat wil zeggen, in

[p. 264]

zekere zin plegen we allemaal ... h'm.’

Bonifacius begreep dat het woord zelfmoord beter niet meer gebruikt kon worden. ‘Hoe zou u het dan willen noemen?’ vroeg hij.

‘Ik zou zeggen, och, laten we er nu maar niet verder over zeuren. De man had moeilijkheden, zijn vrouw was een last voor hem, een grote last - ik zou zeggen: leest u dat boek nu eens. Het is natuurlijk een beetje ouderwets en een beetje langdradig voor de smaak van tegenwoordig; maar ja, u heeft zeeën van tijd. U zult u echt moeten instellen op het tempo hierboven, want dat is heel anders dan beneden. De tijd gaat hier veel langzamer. Dat wil zeggen: aan de ene kant gaat hij vlugger omdat alle dagen hetzelfde zijn; je denkt dat hij niet voorbijgaat en ineens: hoeps! Wéér een jaar. Maar het zijn volle, zonnige jaren, dat zult u zien. Als u zich maar in uzelf keert, als u maar uw eigen leven leeft binnen de muren van dat huisje, zoals ik hier mijn eigen leven leef, alleen met God. U zult zien: heel sereen, heel rustig, op voorwaarde dat u zich niet bemoeit met wat er in het dorp gebeurt. En dit is zeker niet het ogenblik om eraan te beginnen.’

‘Hoe dat zo?’

‘Laat ik u dat boek geven. Leest u dat eerst; dan gaan we daarna nog eens praten. Ik bedoel: dat geeft ons dan een onderwerp van gesprek. Heeft u de crucifix gezien?’

‘Ja, inderdaad.’

‘U heeft gezien dat de nek gebroken is?’

‘Dat is me niet opgevallen. Ik dacht dat het zo hoorde.’

‘Nee nee, die is gebroken, toen met de atoombom. U weet natuurlijk, ze hebben de eerste atoombom laten ontploffen in de Alamogordo Woestijn hier vlak bij, achter de bergen.’ Hij wees naar de zwevende sneeuwtoppen, een eeuwigheid ver van hen verwijderd. ‘Nu, toen die dreun kwam, en dat wás me er een, hoor, we schrokken ons allemaal een ongeluk, toen is de crucifix van de muur gevallen en heeft zijn nek gebroken. Maar ik laat hem maar zo, want ach, je moet aan antieke dingen niet gaan morrelen.’

‘Ik vind hem erg indrukwekkend zoals hij is.’

‘Ja,’ zei de priester, ‘ja, dat is hij. Ik sta er dikwijls voor, en dan komt er altijd een ogenblik waarop ik moet knielen.’ Hij stond op. ‘Zullen we dan maar? Laat mij voorgaan, dit keer, vanwege de jongens.’

Hij ging voor, het trapje af. Toen hij de deur opende krijsten de papegaaien in obscene verrukking. Bonifacius volgde hem, de ommegang af, naar het deurtje naar de kerk, met de tierende kaketoes op de hielen. Bij het deurtje zei de priester: ‘Als u even wacht zal ik dat boek pakken, ja? Eén seconde!’ Hij liep weg op een holletje; de papegaaien weifelden, toen besloten ze zijn fladderende pij en klepperende sandalen te volgen. ‘No cojones! Masturba padre!’ De priester vluchtte het deurtje door, de straatvogels scholden toen hij het voor hun snavels dichtsloeg. Even later kwam hij weer te voorschijn met een boek in de hand. De papegaaien stortten zich op zijn tenen, maar hij scheen ertegen te kunnen, of eraan gewend te zijn.

‘Hier,’ zei hij, en reikte Bonifacius het boek. ‘U moet er wel voorzichtig mee zijn, hoor, want het is nogal oud, nou ja, oud, een jaar of vijftig, hè. Voorzichtig dus, en goed lezen, hoor! Heus, u zult zien, het is heel belangrijk voor u. Nu, ik vond het bijzonder aardig, meneer Baker, dat u langsgekomen

[p. 265]

bent. Doet u uw vrouw de groeten, ik hoop dat u beiden hier een prettige tijd zult hebben. Tot ziens, tot ziens...’ Hij opende de deur, hield de papegaaien met de voet tegen; Bonifacius vluchtte, na een haastige groet, het schemerige gewelf in, langs de crucifix met de gebroken nek en de hangende haren. Hoog boven hem golfde de overspelige vitrage.

Toen hij terugkwam in het lazaret en ‘Laura!’ riep, kwam er geen antwoord. Een ogenblik maakte hij zich ongerust, toen begreep hij dat ze op weg moest zijn gegaan naar de vieze hokjes aan de andere kant van het dorp. Als zij er over een minuut of vijf nog niet was, zou hij haar tegemoetlopen. Hij legde het boek dat de priester hem gegeven had op de tafel, trok een stoel bij, en opende het. Op het titelblad stond, in ouderwets schoonschrift: ‘Een geval van hekserij onder de Huni Indianen. Opgetekend door Alfonso Foglia S.J.’

Hij sloeg het blad om. ‘Inhoud. I: De historische achtergrond van het conflict tussen de familie McHair en de Huni Indianen. II: De gedragingen van Jesse McHair die aanleiding werden tot zijn beheksing door de Hunitovenaars. III: De methode volgens dewelke Jesse McHair tot zijne eigene executie werd gedwongen. IV: De executie zelve. V: De betekenis van deze gebeurtenissen voor de H. Kerk.’

 

***

 

De Indianen waren eindelijk te voorschijn gekomen; toen Laura door de smalle straatjes naar de latrines liep zaten op de daken roerloze gedaanten gehurkt, gehuld in dekens, en zure vrouwen met spleetogen liepen langs haar alsof ze lucht was.

Ze waggelde, wijdbeens van de spierpijn, het dorpsplein over met het waterreservoir. Aan de voet ervan zat een Indiaan star voor zich uit te staren, alsof hij deel uitmaakte van een wassenbeeldenspel, die taal noch teken gaf toen ze voorbijkwam. Ze had haar T-shirt aan met If you can read this you are too damn close, misschien namen ze het letterlijk op.

Ze was nooit op de latrines in kamp Schwalbenbach geweest, maar ze had ze geroken, zomers, vooral 's avonds als het warm weer geweest was; de pleetjes op de rand van de afgrond stonken net zo. Ze wist niet of die dingen privé waren, maar ze wankelde naar een van de hokjes toe, trok het wrakke deurtje open en deinsde terug. Het binnenste had geen vloer, het bevatte alleen een balk, gladgesleten door duizenden Indianenbillen, met daaronder de duizelingwekkende afgrond. Er hing een bos krantenpapiertjes aan een draadnagel; ze vroeg zich af of ze er een paar op de balk zou leggen, zoals Moeder haar had geleerd te doen op de bril in publieke toiletten, maar ze moest nu doorzetten, anders durfde ze aanstonds helemaal niet meer te gaan zitten.

Toen ze weer uit het hokje te voorschijn kwam hoorde ze zichzelf zeggen: ‘Nah, gehen wir mal wieder nach Hause.’ Wéér Duits! Kwam het omdat hier dezelfde atmosfeer hing? Ze had nooit door het kamp gelopen, behalve op de dag van de bevrijding, maar de gevangenen zouden haar zeker net zo bejegend hebben als de Indianen: door haar heen gekeken alsof ze lucht was. Ze zouden natuurlijk nooit iets tegen haar hebben durven ondernemen, de

[p. 266]

Häftlinge, maar ze zou lucht voor hen geweest zijn, net als voor deze mensen hier. Terwijl ze door de nauwe straatjes terugliep deed ze iets wat ze op de heenweg niet had durven doen: ze keek naar binnen door een paar raampjes. Hoewel de meeste glasgordijntjes hadden ving ze toch hier en daar een glimp op van de kamertjes erachter; ouderwetse leunstoelen, tafeltjes met vaasjes vol plastic bloemen, op één vensterbank stond een porseleinen herder en herderinnetje die elkaar te grazen namen op een witte boomstronk. Nee, om nu te zeggen: ik ben doorgedrongen in een voorhistorische cultuur, dat niet. Vooruit meid, dacht ze, er moet gewerkt worden! Al de voorraden staan nog bij die grot! Ik ben toch benieuwd hoe wij tweeën die naar boven moeten krijgen met die spierpijn; het ziet er niet naar uit dat de mensen hier popelen om ons te helpen.

Bij het oversteken van het marktplein keek ze in het voorbijgaan opnieuw naar het ronde reservoir met het houten dak en zag die Indiaan weer zitten, nu met een deken voor zich uitgespreid, waarop een aantal beeldjes en vaasjes van aardewerk waren uitgestald. Ze stond stil om ze te bekijken. Diertjes, vogeltjes, een vrouw die een kindje op de rug droeg, allemaal in dezelfde beige kleur als het dorp, met donkerbruine meetkundige figuurtjes erop geschilderd. De Indiaan was nog vrij jong; hij zat daar met zijn buitenlandse gezicht nog steeds als een pop in een wassenbeeldenspel. Wel een verschil met de Indianen van Karl May: haviksneuzen, veren hoofdtooien, tomahawks, wampum, en een borrelende vredespijp. Deze leek eerder een Mongool.

Ze stond op het punt verder te lopen toen ze dacht: hij zit daar toch niet voor niets, die jongen? Aan zijn dorpsgenoten hoeft hij die dingetjes niet te verkopen, die zullen wel ziek zijn van zijn popjes en beestjes. Hij zit daar voor mij. Ze hurkte voor de deken en bekeek de beeldjes van dichterbij. Er was één diertje bij, een hondje of een vosje met twee welpjes, dat wel aardig was. Ze nam het op en vroeg: ‘Is dit te koop?’

Eerst dacht ze dat hij niet wou antwoorden want hij keek strak naar de hemel. Toen schudde hij zijn hoofd, en fluisterde, zonder haar aan te kijken: ‘Neem mee. Vlug. Kost niets.’

Iets in zijn stem deed haar omkijken; zij zag, op het platte dak van een van de huizen, twee oude Indianen op hun hurken zitten, in hun dekens gehuld, die ook star voor zich uit zaten te staren. Het duurde even voor het tot haar doordrong dat ze naar haar keken; niet, zoals de rest, langs haar heen.

‘Vlug!’ fluisterde de jonge Indiaan. ‘Kost niets! Pak! Vlug!’

Zij zei: ‘Bedankt. Dat is heel vriendelijk van u,’ en stond op, want het was duidelijk dat hij van haar tegenwoordigheid verlost wilde zijn vanwege de twee oude mannen op dat dak. Ze waggelde het straatje in naar het lazaret; ze had een gevoel van opluchting toen ze uit het gezichtsveld van die twee was verdwenen. Zouden het dezelfde twee geweest zijn die over de rand hadden gekeken toen zij, gisteren, omhoog had gekeken naar die ronde steen? Ineens had ze het gevoel dat er hier iets gaande was; maar het leek haar beter om zich daar niet in te verdiepen; ‘Spreche, sehe, und höre kein Böses,’ had Heinzl gezegd toen ze voor de eerste keer door de gordijnen had gekeken en de Häftlinge stram in de houding op de appèlplaats had zien

[p. 267]

staan, terwijl de gluiperige Kapo's langs de rijen liepen, hun knuppels gereed, om te zien of er iemand wankelde, die dan een pak ransel kreeg. Dat waren altijd de oude mannetjes. Ze zette het op een hollen; ineens had ze de schrik te pakken.

Toen ze binnenkwam in het lazaret zag ze Bonny aan tafel zitten lezen. Onder normale omstandigheden zou ze gezegd hebben: ‘Hé, gebeurt er nog wat? Je gaat toch niet zitten lezen voor we al die pakken naar boven gehaald hebben?’ Maar het gezicht van de goeierd met dat boek voor zich was zo huiselijk, zo geruststellend dat ze zei: ‘Ha die Bonny!’ alsof ze een week was weggeweest en blij hem terug te zien.

Hij keek op. ‘Waar kom jij vandaan?’

‘Ik ben naar het toilet geweest, die duiventilletjes aan de rand van de afgrond, weet je wel. Nou, laat ik je vertellen, doodeng: tweehonderd meter diep, en niets anders dan een balkje om je aan vast te klampen.’ Ze ging bij hem aan tafel zitten. ‘En ik heb net een cadeautje gekregen. Hier.’ Ze zette het beeldje van het vosje voor hem op tafel.

Hij nam het op en bekeek het. ‘Van wie?’

‘Van de beeldhouwer zelf, op de markt, bij dat waterreservoir.’

‘Dat is geen waterreservoir, dat is de kiva.’

‘Nou, wat het dan ook is. Daar zat-ie, met een deken voor zich met allemaal van die beeldjes erop. Ik nam aan dat ze te koop waren en vroeg: “Hoeveel kosten ze?”, en toen fluisterde hij, heel raar: “Kost niks, gratis, pik er een, vlug vlug!” Daarbij keek hij naar twee oude kerels, op een dak. Heel oud, net Chinezen, het enige dat ontbrak waren baardjes. Wie zouden dat zijn, denk je?’

‘Sjamaans waarschijnlijk. Priesters.’

‘Nou, ze keken me beslist niet aan als priesters.’

‘Hoe dan?’

‘Nou, alsof ik...’ Ze wilde zeggen: ‘vóór de bevrijding door het kamp gelopen was in mijn gebloemde jurk,’ maar misschien beter van niet. ‘Alsof ik een hoer was in Spakenburg. Dat zegt jou natuurlijk niks, maar je begrijpt wat ik bedoel.’

Hij bekeek het beeldje weer en zette het terug op tafel. ‘Ach, je hebt tenminste een begin gemaakt.’

‘Laten we dat hopen. Wat lees je daar?’

Het was een oud cahier; hij bladerde terug tot het titelblad. ‘Een geval van hekserij onder de Huni Indianen.’

‘Verbaast me niks,’ zei ze. ‘Als er ergens hekserij bestaat moet het hier zijn. Waar gaat het over?’

‘De dood van Jesse McHair. Om te beginnen, laat me je vertellen...’

Ze legde haar hand op zijn arm. ‘Laten we beginnen met die pakken te gaan halen. Dan kunnen we terwijl het nog daglicht is eerst de boel inruimen; dan doen we, vanavond, het houtvuur aan en dan kun je me er alles over vertellen.’

‘Goed idee,’ zei hij. ‘Ben je sterk genoeg om zo'n pak te dragen, dacht je?’

Ze lachte. ‘We zullen zien. Loop jij maar achter, dan val ik tenminste zacht.’

[p. 268]

***

 

Drie uur lang sjouwden ze zich een ongeluk met die pakken, het waren er over de dertig. De ochtend tevoren voor zij uitreden uit de haciënda had Bonifacius zich afgevraagd waarom ze de voorraden over al die pakken hadden verdeeld, nu begreep hij het. Hij was blij dat ze zo klein waren, want tegen het eind wogen ze elk een ton bij het omhoogkrabbelen door de sleuf, onder de dreiging van die ronde kei op de rand van de kloof. Een paar keer zag hij twee hoofden naar hen gluren.

Laura zweette als een otter, en geen wonder, ze was behoorlijk mollig, maar het zware werk scheen haar goed te doen. Op het laatst begon ze te zingen bij het klimmen, een liedje waarvan hij de woorden niet verstond, behalve het begin: De zak van Sinterklaas. Hij had de indruk dat het schuin was, maar hij kon zich vergissen; in ieder geval werkte ze als een paard tot ze, hijgend, het laatste pak op de grond liet vallen in het lazaret en zei: ‘Zo. En nou ga ik poedelen, want ik stink als een bok.’

‘Waar wou je het water vandaan halen?’

‘Daar zeg je wat. Is dat geen regenbak, dat ding op de markt?’

‘Nee. Het enige water dat we hebben is de emmer die mevrouw Sanchez vanmorgen heeft neergezet, en er zit zowat niets meer in, net genoeg voor een kopje thee.’

‘Dan maar thee,’ zei ze. ‘Laten we hopen dat ze gauw weer komt. Zullen we gaan uitpakken?’

Ze brachten de rest van de dag door met het inruimen van de planken van het lazaret. Ze waren geoutilleerd voor alle gevallen op de lijst door de Meeting for Sufferings bijgesloten, van Aambeien tot Zuigelingen. Het leek op de apotheek in het vrachtwagentje van George Weatherby, alleen waren de hoeveelheden groter. Ze waren net klaar toen mevrouw Sanchez op kwam draven met een juk met twee emmers water, die hij zich haastte van haar over te nemen.

‘La cena viene ahora mismo,’ zei ze, voor ze weer de benen nam.

‘Wat had ze nou weer te vertellen?’ vroeg Laura.

‘Ze zegt dat het eten dadelijk komt.’

‘Zou er nog tijd zijn om me te wassen? Ik stink mezelf in zwijm.’

‘Je praat weer Hollands. Of was het Duits?’

‘Hè, verdarrie,’ zei ze. ‘Neem me niet kwalijk, ik weet niet wat er met me aan de hand is. Hoe dan ook, ik wou me gaan wassen.’

‘Ik zou wachten tot ze geweest is, na het eten.’

‘Nooit zwemmen na het eten,’ zei ze, en trok zonder meer haar T-shirt over haar hoofd.

‘Mevrouw Sanchez kan ieder ogenblik komen!...’

Maar daar stond ze, in haar bustehouder en slipje. ‘Mevrouw Sanchez is ook een vrouw,’ zei ze, en wierp het doorweekte T-shirt slonzig op de grond. ‘Het kan geen kwaad dat ze me in m'n blote kont ziet staan, dan weet ze tenminste dat we als man en vrouw leven. Aan de lakens zal ze het niet zien.’

Wat was dat nou weer voor een opmerking? Hij wendde zich geërgerd af en ging het vuur aanmaken. Achter zich hoorde hij haar rammelen met emmers en plassen en proesten als een nijlpaard. Hij had geen lucifers in

[p. 269]

zijn zak, die lagen op tafel; toen hij zich omdraaide ving hij een glimp van haar op: een mollig Rubens-lichaam, ingezeept van kin tot kruis. Hij wendde zich af en ging het vuur aansteken.

Toen hoorde hij de deur opengaan; daar stond mevrouw Sanchez op de drempel naar Laura te kijken. Ze kwam langzaam naar de tafel zonder haar loerende blik van het ingezeepte blote lijf af te wenden, zette de ijzeren pot met een bons op het vlondertje en zei: ‘Frijoles.’

‘Gracias, Vriendin. Dat is bijzonder vriendelijk...’

Ze lette niet op hem, ze had alleen ogen voor Laura op haar langzame weg terug naar de deur. Het werd Laura blijkbaar te machtig, want die draaide haar de rug toe. ‘Buenas noches,’ zei mevrouw Sanchez, als een snauw, voor zij de deur met een bons achter zich dichttrok.

‘Nou, ik zou me nu maar afdrogen,’ zei hij. ‘Meer publiek komt er vanavond niet.’

Ze antwoordde niet. Ze droogde zich af, liep naar het bed, sloeg het dek op en haalde haar nachtpon te voorschijn, die ze aantrok. Hij lichtte het deksel van de ijzeren pot en snoof de geur. ‘Hmmm,’ zei hij, ‘het zal wel weer, hoe noemde je het ook alweer? pedis zijn, maar het ruikt heerlijk.’

Zij kwam naar de tafel en ging zitten, maar zag eruit alsof ze niet luisterde. Ze staarde naar de pot, in gedachten.

‘Hé, word eens wakker!’

Ze keek hem aan. ‘Zal ik jou 's wat vertellen?’

‘Wat?’

‘Die mevrouw Sanchez, hè?’

‘Wat is er met haar?’

‘Dat is geen vrouw. Dat is een man.’

‘Je bent gek!’ Dat had hij niet moeten zeggen, maar het was eruit voor hij het wist. ‘Hoe kom je dáárbij?’

‘Moet je mij vertellen! Zelfs al was ze van de verkeerde kant, zo kijkt alleen een vent. En dan nog een ouwe vent. Wacht 's even!...’

‘Wat nou?’

‘Zij keek net zo naar me als die twee oude mannen op dat dak, vanmorgen. Die waarvan jij zei dat het priesters waren. Wie weet is zij ook een priester, die ons alleen maar bedient om te kunnen spioneren.’

Hij glimlachte. ‘Je hebt te veel boeken gelezen van - hoe heet hij ook alweer? May?’ Maar ze had hem toch een huiverig gevoel gegeven. Het verhaal van Vader Alfonso waarin hij vanmorgen had zitten lezen was bepaald geen kinderlectuur.

‘Het is maar dat we haar of hem in de gaten houden,’ zei ze, en lichtte op haar beurt het deksel van de pot op om de geur van de frijoles op te snuiven. ‘Ruikt heerlijk. Laten we hopen dat er geen rattekruit in zit.’

‘Laura, schei nou uit met die onzin! Het is hier al spookachtig genoeg zonder dat jij spionnen onder het bed gaat zien. Kom, we gaan eten.’

Ze keek hem verwonderd aan. ‘Ik vind er niets spookachtigs aan. Een vent is een vent, en ik kom er liever nu achter dan dat ik vandaag of morgen wakker word met mevrouw Sanchez achter me in plaats van jou.’

Hij wist niet wat hij daarop zeggen moest.

‘Zolang ik maar weet hoe de vork in de steel zit, gaat mij geen zee te hoog,

[p. 270]

hoor,’ ging ze verder. ‘Mevrouw Sanchez met enge ogen jaagt me de stuipen op 't lijf, maar meneer Sanchez met rokken aan, die lust ik. Gefrituurd, met een uitje. Wil je bidden?’ Ze reikte hem haar handen met een gebaar alsof ze hem wilde laten zien dat ze ze gewassen had.

Hij nam ze in de zijne, boog het hoofd en sloot de ogen, maar stichtelijk waren zijn gedachten niet. Mevrouw Sanchez een man? Onzin. Het zou wel weer een symptoom van haar instabiliteit zijn; dat verontrustte hem meer dan mevrouw Sanchez. Het kon gewoon niet, het was onzin. Hij moest oppassen dat hij niet in de ban raakte van de atmosfeer hier.

‘Amen,’ zei ze, en drukte zijn handen. ‘Sorry als ik je onderbroken heb, maar ik verrek van de honger. Tjonge zeg, dat was me een sjouwpartij, vandaag! Maar wel goed voor m'n lijn, hoor. Kijk 's hoe vet ik word! Heb je het gezien?’

‘Ja, ik heb het gezien,’ zei hij neutraal.

‘Nou, een beetje turnen morgenochtend, weet je wel. Ik wacht tot mevrouw Sanchez er is, dan ga ik een paar diepe kniebuigingen doen en touwtje springen, dat ze goed wippen, en dan moet jij 's naar haar kijken! Mevrouw, ha! Als 't een beetje wil moet hij op handen en voeten de deur uit.’

Hij onderdrukte zijn ergernis. Hij had kennelijk de verantwoordelijkheid voor een geestelijk gestoord iemand, daar kwam het op neer, dat naakt rondspringen en die smerige praatjes, en kijk haar nu eens eten! Als een varken schrokte ze het voedsel naar binnen. Hij voelde een stijgende weerzin tegen de sigaarrokende, wijdbeense kenau met haar op de tanden; maar dat was juist het tragische. Ze had duidelijk een gespleten persoonlijkheid: de ingetogen, tragische Madonna van de concentratiekampen was niet alleen een totaal andere vrouw, maar behoorde tot een totaal andere wereld: de geestelijke wereld waarin hij op zich had genomen haar van de vloek van haar verleden te bevrijden door te appelleren aan het god ... Ze liet een keiharde boer.

‘Sorry. Daar schrok je van, hè?’

‘Ja,’ zei hij. ‘Ik geloof, ook al zitten we hier maar met ons tweeën en eten we samen uit dezelfde pot, dat we toch moeten proberen een vliesje van beschaving te bewaren, hoe dun dan ook.’

Zij keek hem onderzoekend aan door de damp van de frijoles; toen zei ze, ineens: ‘Je had liever dat ik me maar weer koest hield, hè? Dat lieve meisje, weet je wel, dat overal bang van was, dat zo op je leunde? Dat was wel fijn, hè? Het spijt me, joh, maar die heb ik me tegengegeten. En weet je wanneer? Toen ik op het matje moest komen voor de snuffel met de slobkousen, hoe heet hij nou, die heilige van jullie? Meneer Quakerisme.’

‘Ethan Woodhouse...’

Ze schoof haar stoel achteruit. ‘Laura Martens,’ zei ze, zalvend, ‘je moet proberen het Zaad van het goede in de dood van je vader te ontdekken. Zal ik jou eens wat voorlezen, Laura Martens, uit de geschiedenis van het Genootschap der Vrienden? Over de voorouders van je echtgenoot? Bonifacius Baker lag te sterven in een kerker van het kasteel Loevestein, of hoe het ding heet, en zijn laatste woorden waren: “Zaad! Zaad! Ik ben het Zaad!”’ Ze keek hem aan op de manier waarop ze hem die nacht in de haciënda aangekeken had, met een vijandigheid waar hij koud van werd.

[p. 271]

‘Nou,’ zei ze, grof, ‘toen dacht ik: nee! Dat verdom ik! Mijn vader is omgekomen op een manier die jij je nooit zult kunnen voorstellen, niemand kan zich dat voorstellen, zeker niet die Quaker-kwal met de slobkousen, die tegen me aan zat te zemelen met hemelse ogen en oren vol ouderlingenharen. Ik verdom het, hoor je me? Ik verdom het!’ Zij sloeg met haar vuist op de tafel. ‘Ik ben bereid om mee te spelen met de stichtelijkheid en de smoelen van oude lappen en de hemelse ogen en het gezeik over het goddelijke in de broek van mevrouw Sanchez, maar ik laat jullie niet de dood van mijn vader veranderen in een bidprentje! Hoor je me? Ik verdom het, Bonifacius Baker, met je uitgestreken tronie! Versta je me? Ik vraag je wat!’

‘Ja, ik versta je,’ zei hij, uiterlijk rustig.

‘Nou, wil je dat dan maar in je oortjes knopen, poes? Je mag achter me liggen gluipen in je blote gat, je mag net doen of je slaapt en mijn rokken optillen, ik geef je wel een klets, dan gaat het wel over. Maar je zal niet de dood van mijn vader met poeiersuiker bestrooien, begrijp je dat? Dat probeerde die grootmoeder van me al, en ik kan jullie wél vertellen: ik vertrap het! Ik verdom het! Nooit, nooit, nooit! Er wás geen goeds in de manier waarop ze hem afgemaakt hebben, doodgeknuppeld door die ploerten! Wie zegt dat daar zaad van het goede in schuilt, verdient dat zijn ballen worden afgesneden en in zijn bek gepropt! Ja, kijk maar! Kijk maar verschrikt! O, wat verschrikkelijk, dat dat meisje zulke walgelijke dingen kan zeggen! Broerlief, poesje van me...’ Haar stem werd vleiend, en ze strekte haar hand naar hem uit. ‘Dat hebben ze met mensen gedaan, snuitje, ja hoor. Ze hebben van alles met mensen gedaan wat jij nooit van je leven in je ergste droom zal zien verschijnen. De mens is niet goed, Bonny! De mens is een duivel. En God hebbe onze ziel. Nou jij weer.’ Ze ging verder met eten, als een varken.

Hij zat roerloos naar haar te kijken, en merkte pas toen ze stil geworden was dat hij zat te beven als een riet. Mijn God! Wat had hem bezield, toen hij tegen Stella Best verkondigde dat alleen de liefde dit meisje kon bevrijden? Ze was bezeten. Het was duidelijk dat ze bezeten was door een boze geest van vernielzucht en haat. Hij vroeg zich af hoe lang hij dit uit zou kunnen houden.

‘Wat zit je nou weer te kijken?’ vroeg ze. ‘Heb ik je aan het schrikken gemaakt? Sorry, hoor. Maar weet je, het is net als met die zogenaamde mevrouw Sanchez: als ik het maar wéét. Mevrouw Sanchez is een man, oké. Dat kan ik aan. Ik ben geen engel, maar een duivel van binnen. Oké, dat kan ik aan. Als ik het maar wéét. Begrijp je dat dan niet? De griezeligheid begint, de angst begint, als ik mezelf ga wijsmaken dat ik anders ben dan ik ben. Ik heb dan ook besloten om er nou maar rond voor uit te komen. Ik boer. Ik spring rond in mijn blote kont. Ik sla bierkaaitaal uit. Ik snoep me het leplazer, en word dik, en af en toe heb ik zin in een fijne sigaar. Nou, daar zul je aan moeten wennen, joh. Je moet niet denken dat, als ik je weer achter me voel friemelen in de koffer, ik das Gebet einer Jungfrau ga zingen met een kleis in mijn keel. Die tijd is voorbij. De kerkmuis is dood.’

‘Het spijt me, Laura,’ zei hij, rustig. ‘Ik spreek geen Hollands.’

‘O, sorry. Wat ik bedoel is -’

‘Ik weet wat je bedoelt,’ zei hij, met opeens een drift die hem overrompelde. ‘Ik zou nou verder maar eten, en er het zwijgen toe doen. Je bent

[p. 272]

duidelijk genoeg geweest.’

‘O,’ zei ze, laconiek. ‘Dus de ware Laura wil meneer niet accepteren? Het moet met alle geweld die tut met de klamme handjes zijn, dat meisje dat haar tongetje verloren is in dat vreselijke kamp? Nou, schrijf dat maar op je buik, broer.’

‘Ik spreek geen Hollands,’ herhaalde hij.

‘Oké, oké, sorry. Al die talen lopen op een gegeven moment door elkaar. Wat ik zeggen wil is: ik heb geprobeerd de kat terug te stoppen in de zak, maar het lukt me niet. Je vriend met de slobkousen heeft hem eruit gelaten, en hoe ik het ook probeer, ik kan hem er niet meer in krijgen. En ik verdom het bovendien. Nou - nu wil je zeker samenkomst houden om de lucht te zuiveren? Ik vind het best, hoor. Tussen haakjes: lekker, die troep, vind je niet? Er zit wat in dat een man beter kookt dan een vrouw. Dat zeggen de Fransen, en die kunnen het weten.’ Ze stond op, liep naar de haard, gooide een paar blokken op het vuur, stofte haar handen af, en zei: ‘Weet je wat? Hou jij maar samenkomst in je eentje, dan ga ik op mijn nest liggen. Bid maar voor me, en dan zal je 's zien: je voelt je zó weer boven Jan. Sorry dat ik je aan het schrikken gemaakt heb.’ Zij liep naar het bed, sloeg het dek op, klom erin en ging met haar rug in de kussens naar hem zitten staren, met felle blauwe ogen waar de waanzin uitstraalde.

‘God,’ bad hij, ‘help me, help me.’ Want voor het eerst was hij werkelijk bang.

 

***

 

Ineens had ze weer trek in een sigaar, maar hij zat met zulke kol-ogen naar haar te kijken dat ze besloot het maar niet te doen, ze had het al bont genoeg gemaakt. Kijk hem nou eens zitten, de stakker. Het was alsof ze zijn gedachten hoorde: ‘Knettergek, gevaarlijk, vandaag of morgen snijdt ze me m'n strot af!’

Toen ze dat dacht werd er een domper op haar vreugde gezet. Het gevoel van vrijheid, van wakker te zijn geworden als de oude Laura verdonkerde. Ze zag zichzelf in de spiegel van zijn gezicht: kijvende hoer met vetrollen, die stonk uit haar bek als een asbak. Wat zou Vader van haar denken als hij haar zo kon zien, om van horen maar niet te spreken? Zou hij net zo van haar schrikken als de jongen, die er nu bij zat alsof hij de efriet uit de fles had zien komen? Leuk sprookje was dat: De efriet uit de fles. Dat had Vader een keer voorgelezen, thuis. Chocolademelk, lange beschuitjes...

Ineens had ze weer zo'n ontzettend heimwee naar die oude Laura, het meisje dat aan Vaders voeten gezeten had met haar hoofd tegen zijn knie en geluisterd naar zijn lieve stem, dat ze zei, in een opwelling: ‘Je zou me dat verhaal van de priester vertellen, weet je wel? Waarom lees je het niet voor? Ga bij het vuur zitten en lees me lekker voor. Dat zou ik nou echt fijn vinden. Wil je dat doen?’

Hij keek nog altijd naar haar als een hond die een trap gekregen had. Maar waarom eigenlijk? Hij was toch een flinke vent? Ze besloot van haar hart geen moordkuil te maken. ‘Weet je, Bonny, ik begrijp eigenlijk niet goed waarom je in je broek zit te doen van angst. Dat is toch onzin? Je bent toch