terug  begin  verder
[p. 279]

Zeven

Op maandag kwam er een brief van Herbert Haring waarin hij aankondigde dat hij van plan was woensdag langs te komen met Laura Bakers grootmoeder, op weg naar de pueblo, waar zij haar kleindochter wilde bezoeken.

Dinsdag was de dag van Grootmoeders wekelijkse expeditie naar Kissing Tree. Daar haalde ze twee boeken uit de bibliotheek, bezocht de bank om sherry te drinken met de directeur terwijl ze de weekstaten doornam, lunchte met de eigenaar van het hotel, inspecteerde nieuw aangekomen kleertjes in de kinderafdeling van Maison Fifi, en ging theedrinken met de pastoor, voor ze om vijf uur weer naar huis werd gereden door Juancho in haar twaalfcilinder Marmon, een klap in het gezicht van de benzinedistributie. Gulie wachtte tot het oude mensje vertrokken was, zadelde toen Hidalgo op en galoppeerde weg in de richting van de bergen. Niettegenstaande Grootmoeders bevel dat ze de Quakers in de pueblo met rust moest laten, kon ze de verleiding niet weerstaan hen te gaan opzoeken, bovendien had ze nu een reden.

Er lag een meter sneeuw in de Paso del Muerto; Hidalgo zakte er tot aan zijn buik in weg. Even dacht ze erover om het op te geven, maar ze zette door. Zij liet hem langzaam, voorzichtig, zijn eigen weg zoeken; toen hij eindelijk de bergkam bereikte lag de vallei aan haar voeten, purper en rood. Die purperen waas aan de einder waarschuwde haar, maar ze besloot het erop te wagen. Ze daalde af in het dal met een gevoel van roekeloze opstandigheid.

In de kom van de vallei was het bloedwarm; zij draafde in gestrekte draf naar de Huni-mesa. Hidalgo krabbelde snorkend het loodrechte pad op; voor de vleermuisgrot droogde zij hem af, gaf hem een steelpannetje haver uit de voedertas en liet hem aan zijn lot over. De rest van het pad beklom ze te voet, gadegeslagen, vreemd genoeg, door twee hoofden die over de rand van de kloof gluurden, naast de tuimelrots. Waarom waren er schildwachten vandaag? Was er iets gaande?

Op het eerste gezicht leek het alsof er niets bijzonders aan de hand was in de pueblo. Op straat liepen vrouwen met mandjes op hun hoofden; op de daken zaten de mannen, in hun dekens gehuld. Maar toen ze bij het oversteken van het plein langs de kiva kwam, voelde ze de spanning in de atmosfeer. Zij werd zich bewust van een heimelijke achterbaksheid in de gezichten van de vrouwen die aan haar voorbijschuifelden, niemand beantwoordde haar groet, zij wendden zelfs hun hoofden af om te voorkomen dat zij hen zou aanspreken. Ze begreep er niets van; ze had deze mensen haar leven lang gekend, zij waren altijd nurks en zwijgzaam geweest; maar nu bejegenden ze haar bijna met vijandigheid. Voor het eerst had ze het gevoel een indringster te zijn. Wat was er toch aan de hand?

[p. 280]

Zoals bij ieder bezoek aan de pueblo klopte ze eerst aan bij Atu en Morga. Ze lichtte de houten klink op om naar binnen te gaan, en ontdekte tot haar verrassing dat de deur van binnen gegrendeld was. Dit was nog nooit voorgekomen. Ze klopte nog eens. ‘Atu? Morga? Ik ben het, Gulie! Mag ik binnenkomen?’ Het bleef zo lang stil dat ze dacht dat zij niet thuis waren, misschien had Morga haar kindje al gekregen en lag ze bij haar moeder, of die van Atu en Acapito. Maar toen hoorde ze een geschuifel, een grendel werd weggeschoven en de deur op een kiertje geopend.

‘Ik ben het, Gulie. Is alles goed?’

De deur werd na een aarzeling wijder geopend, ze glipte naar binnen. Het was donker in het lage kamertje, het stonk er naar piñónrook en de zoetige kruiden die zij pruimden. Toen haar ogen aan het donker gewend raakten zag zij Atu voor haar staan met iets in zijn hand - een pistool, nota bene! ‘Wat is dat nou? Ben je bang voor dieven?’

De Indiaan stopte het ding in zijn broekriem en mompelde: ‘Schoonmaken. Wil niet schieten. Morga, daar.’ Hij maakte een gebaar met zijn hoofd naar het bed van huiden in de hoek, waarop het meisje lag. Zij was nu zo hoogzwanger dat haar buik niet meer bij haar leek te horen.

‘Hoe gaat het ermee?’ vroeg Gulie, en ging op de hurken naast het bed zitten. ‘Is het zover?’

‘Ja...’ zei het meisje. Gulie voelde haar voorhoofd; het was nat van zweet. Ze had er niet veel verstand van, maar het zag ernaaruit dat de geboorte inderdaad ieder ogenblik verwacht kon worden.

‘Ik zou maar niet met pistolen spelen,’ zei ze tegen Atu, toen die naast haar kwam staan. ‘Ga de vroedvrouw maar roepen, want het is zover, lijkt me. Ligt ze al lang zo?’

De Indiaan keek op haar neer zonder te antwoorden. Hij zag er, net als de anderen, uit alsof hij iets voor haar wilde verbergen. In zijn geval was er geen vijandigheid; het leek of hij ergens bang voor was. Het zou wel de angst van de jonge vader zijn. Hij was zo vaag en met zijn hoofd in de wolken, dat hij onder deze omstandigheden niets waard was. ‘Haal de vroedvrouw nou maar,’ drong ze aan. ‘Ik zou nou echt niet langer wachten. En leg dat ding weg! Als het afgaat krijg je nog een kind met een hazelip.’

Hij reageerde altijd op haar grapjes, ook al begreep hij ze niet; dit keer leek het niet tot hem door te dringen. Hij stond haar aan te kijken, met die rare angst in zijn ogen, op het punt haar iets te vertellen, of te vragen. Maar hij keerde zich om, liep naar de deur, opende die op een kiertje om naar buiten te gluren; toen wenkte hij haar en fluisterde: ‘Vlug, vlug!’

‘Goed,’ zei ze. ‘Ik kom volgende week weer, dan zal het kindje er zeker zijn. Moet ik nog iets tegen je broer zeggen? Hij doet de groeten trouwens. Heb je een bericht voor hem?’

Hij keek haar aan alsof hem iets op de tong lag, maar hij dorst het niet uit te spreken. ‘Vlug,’ zei hij. ‘Ga nu, vlug!’ Hij gaf haar een duwtje, met het gevolg dat ze de straat opstruikelde. Dat was haar nog nooit gebeurd; de jongen moest werkelijk helemaal uit zijn doen zijn.

Toen ze de hoek omsloeg naar het lazaret stond ineens Anagonga voor haar. Ze had hem altijd een oude griezel gevonden vanwege de enge wellust waarmee hij haar placht aan te gluren, nu schrok ze van hem. Hij zag

[p. 281]

eruit alsof hij peyotl gegeten had, zijn ogen waren glazig, met wijde pupillen; hij staarde haar met onverholen vijandigheid aan. ‘Waarheen?’ vroeg hij, gedempt, alsof hij niet wilde dat iemand anders het hoorde.

Ze had altijd vrij door de pueblo gelopen; nog nooit hadden ze haar een vingerbreed in de weg gelegd.

‘Naar Vader Alvarez. Waarom? Wat is er?’

Hij gaf geen antwoord. Hij staarde haar strak aan; toen stapte hij opzij en liet haar door.

Ze moest nu wel de richting van de kerk inslaan, want hij stond haar na te kijken. Bovendien was het misschien beter eerst eens aan Vader Alvarez te vragen wat er aan de hand was, voor ze de Quakers opzocht. Hij moest er een verklaring voor hebben, want ook al vertoonde hij zich nooit buiten de muren van zijn hofje, hij wist alles.

Zoals gewoonlijk vond ze hem op zijn krukje achter zijn ezel in het midden van het hofje, bezig aan wéér een papegaaieschilderij vol vloekende kleuren. De kaketoes gingen te keer als ganzen, hij keek verschrikt om. ‘Gulielma! Wat een verrassing! Waar kom jij vandaan?’

‘Nou,’ zei ze, ‘ik kom uit de lucht vallen. Hebt u de ballon niet gezien?’

Ook hij ging altijd op haar grapjes in, hoe flauw ook; dit keer niet. ‘Dat is fijn, zeg. Fijn dat je er bent. Ik had net een brief willen schrijven aan je grootmoeder. Zou jij die mee willen nemen, aanstonds? Wanneer ga je terug?’

‘O, over een uurtje. Ik moet voor donker thuis zijn, en het is zo heiig dat we best eens een zandstorm zouden kunnen krijgen.’

‘O?’ zei hij, ‘ik ben nog niet boven geweest, ik heb niets gezien. Over een uurtje? Goed, dan zal ik hem nu even schrijven. Kom langs voor je weggaat, dan geef ik hem mee.’

‘Goed,’ zei ze. ‘Laat 's kijken waar u aan bezig bent.’ Zij boog zich over zijn schouder, deed alsof ze het schilderij bekeek; toen zei ze terloops: ‘Die rare atmosfeer in de pueblo. Wat is daar de reden voor?’

Hij zat even stil, toen antwoordde hij, ontwijkend: ‘Niets, voor zover ik weet. Ik kom niet veel buiten. Misschien de zandstorm? Als je tenminste gelijk hebt.’

De brave man had natuurlijk weinig kans om te liegen, hij was altijd alleen. Zij kende hem voldoende om te weten dat ze er niet op moest doorgaan, anders zou hij helemaal in zijn schulp kruipen. Eerst maar over koetjes en kalfjes praten; misschien kreeg ze aanstonds de kans meer uit hem te krijgen.

Zij bekeek het schilderij; het was zo mogelijk nog erger dan de reeks die eraan vooraf was gegaan. Het groen was dit keer bijzonder giftig, en het rood en het geel modderiger dan gebruikelijk. ‘Dat schiet al aardig op,’ zei ze, diplomatiek.

‘Ja,’ zei hij. ‘Kijk: dit keer heb ik iets interessants gedaan, iets nieuws. Een beetje geïnspireerd door je vrind Atu, zijn muurschilderingen in de kerk. Kijk: die wolk hier, boven de kop van de vogel...’

‘Is dat een wolk?’ vroeg ze, tactloos. ‘Ik dacht dat het een bergtop was.’

‘Nee nee, natuurlijk niet. Een bergtop heeft een punt, dan zou ik er een punt op gemaakt hebben. Als je kijkt in de kerk, dan zul je zien dat, op het schilderij van de ver - nou ja, al die vrouwen en die Mexicanen - daarboven

[p. 282]

is ook zo'n wolk, zó sprekend, die komt er helemaal uit. Ik heb geprobeerd dat ook te doen. Vind jij dat hij eruit komt? Alsof je hem zo in je hand kan nemen?’

‘Maar je kunt een wolk toch niet in je hand nemen, Vader? Waarom moet hij er met alle geweld uitzien als een soort kadetje?’

Hij keek haar, van onderen, fronsend aan. ‘Nou ja, dat is onzin natuurlijk. Ik bedoel niet een kadetje, ik bedoel - nou ja, laat maar. Laat me eerst nog maar een keertje proberen. Het moet zó worden dat je zegt: “Wat een wolk! Ik heb nog nooit zo'n wolk gezien! Wat een” - nou. Ja. H'm.’ Hij klonk alsof hij ineens van het woord ‘wolk’ geschrokken was, de rare man.

‘Wat is er gaande in de pueblo, Vader?’

Hij staarde haar met voorgewende verbazing aan. Ze wist dat hij met een uitvlucht zou antwoorden. ‘Ga je naar de Quakers, of ben je daar al geweest?’

‘Nog niet.’

‘Nu, misschien wil jij het ze dan ook eens zeggen, Gulielma.’

‘Wat?’

‘Dat ze zich nergens mee moeten bemoeien. Dat ze zich met hun eigen moeilijkheden moeten bezighouden. Ik heb hem het verslag van pater Alfonso te lezen gegeven; hij weet nu wat er met Harold Harner gebeurd is. Laat hij daar lering uit trekken en zich niet inlaten met conflicten onder de Indianen. Zeg jij dat ook nog maar eens. En zorg dat je grootmoeder de brief die je aanstonds komt halen zo gauw mogelijk krijgt. Vandaag nog.’

Ze had nooit kunnen ontdekken wat er precies met Harold Harner gebeurd was, maar uit de paar woorden die Grootmoeder had losgelaten had ze opgemaakt dat er iets boosaardigs gepleegd was in de pueblo, iets waaruit bleek dat, niettegenstaande de oppervlakkige familiariteit waarmee ze haar behandelden, de gedachten en de gevoelens van deze oermensen een raadsel bleven voor iedereen die geen deel uitmaakte van hun clan. ‘Welke conflicten, Vader? Kunt u me dat niet vertellen?’

‘Nee, Gulielma. Het gaat jou niet aan. Het gaat mij niet aan. Het is van het grootste belang dat de twee jonge mensen in het lazaret nog eens extra op het hart gedrukt wordt dat het hun ook niet aangaat. Wat de provocatie ook moge zijn.’

‘Provocatie? Hoe bedoelt u?’

‘Ga nu maar,’ zei hij, en keerde haar de rug toe.

Zij liep terug naar de kerk. De gazen gordijntjes bolden in de wind die was opgestoken; toen ze buitenkwam zag ze dat het mistiger was geworden in de vallei. De bloemen op de zerken ritselden; beneden, op de vlakte, joeg de wind al stofspiralen op. De wolken boven de bergtoppen aan de einder waren hoger, wolliger geworden; windveren waaierden boven de witte spits van El Capitan. Er was nu geen twijfel meer aan; ze moest zorgen dat ze de pas over was vóór de storm. Zodra het zand begon te stuiven in de vallei zou ze geen hand voor ogen meer kunnen zien.

Ze holde naar het Quaker-hospitaaltje en bonsde op de deur; hij werd onmiddellijk opengedaan door Bonifacius Baker met een witkwast in de hand. ‘Vriendin Gulie!’ Hij zwaaide de deur open. ‘Kom binnen, kom binnen!’

[p. 283]

‘Ik kan niet lang blijven...’ Opeens voelde ze zich verlegen. ‘Ik kom alleen maar even kijken hoe jullie het maken, en of jullie misschien iets nodig hebben van de haciënda. We staan op het punt een zandstorm te krijgen...’

‘Kom toch binnen, kom binnen!’

Zijn vreugde haar te zien leek zo oprecht dat ze, tot haar ontsteltenis, voelde dat ze bloosde. ‘Ik kan heus maar even blijven, de storm...’ Maar ze ging naar binnen, om in het schemerdonker van het lazaret haar blos te verbergen.

‘Wij zijn net bezig de zoldering te witten,’ zei hij vrolijk, alsof hij de somberheid van het lage, holle vertrek wilde verdrijven. Ze kende het lazaret al jaren, nog nooit eerder was zij zich ervan bewust geworden hoe somber en melancholiek het was. Ze hadden de afgelopen dagen hard gewerkt; de planken stonden vol flesjes, potjes en dozen met daaronder de bijbehorende etiketten, ze hadden een instrumententafeltje klaargezet met een sterilisator en glazen potten, maar toch leek het allemaal doelloos, alsof het een uitstalling was voor een verkoop. Toen zag ze het blonde meisje op een trapje staan, in een T-shirt met het opschrift The hell with housework en een afgeknipte blauwe werkbroek, haar haren opgebonden met een doek. ‘Hallo, mevrouw Baker,’ zei ze, onzeker.

‘Dag tante Drol,’ zei het meisje. Het klonk niet aardig.

‘Ik zie dat u hard aan de gang geweest bent.’

‘Dat zou ik denken. Om te beginnen hebben we ons het leplazer gesjouwd met die pakken. Waarom mogen de Mexicanen eigenlijk de pueblo niet in?’

‘Dat was nadat Jesse McHair ze ophitste om hier - eh - wandaden te plegen.’

‘O, je bedoelt de vrouwen te verkrachten? Ja, dat leest hij me 's avonds voor, in plaats van Prikkebeen. Koppie thee?’

‘Nee, dank u. Ik moet ervandoor, want ik moet eerst nog even bij de priester langs voor een brief... O, wat leuk!’ Ze had een beeldje ontdekt, typisch door Atu gemaakt, van een coyote met welpjes. ‘Ik zie dat u Atu hebt leren kennen?’

‘Wie is dat nu weer?’ vroeg het blonde meisje.

‘De beeldhouwer.’ Ze nam het beeldje in de hand; het was werkelijk schattig, Atu op zijn best. ‘Hij is goed, hè? Heeft u dit gekocht, of heeft u het op zicht?’

‘Hij heeft het me cadeau gedaan,’ zei het meisje.

‘O? Dan heeft u bepaald indruk op hem gemaakt.’

‘Dat zou ik niet weten. Ik kwam voorbij, bekeek die dingen, toen zei hij ineens: “Hier, gratis, pik 'm!” Nou, dat liet ik me geen twee keer zeggen. Is het niet gebruikelijk dat hij zijn werk cadeau geeft?’

‘Nee, zelfs niet aan mensen die hem goed kennen. Hij verkoopt het altijd.’

‘Misschien is het de bedoeling dat ik ook betaal. Misschien wil hij iets van me. Hij zag eruit alsof hij het stiekem deed; er zaten twee oude kerels op een dak die ons in de gaten hielden. Wie zijn dat?’

‘Acaba en Anagonga, de kihimshy.’

‘Wat betekent dat?’

‘Modderhoofden.’

[p. 284]

‘Sjieke naam voor een priester.’

‘De Hunis hebben geen priesters. Het zijn heilige clowns, die bij religieuze ceremonies maskers dragen met puilogen, en allemaal wratten...’

‘Tjonge,’ zei het meisje, ‘dat zou iets zijn voor de Maandvergadering in Westerdam. Kom joh, laten we de zoldering afmaken, anders stinkt het aanstonds zo, als we naar bed gaan, hè? En we moeten nog eten ook, dan smaakt alles naar witkalk.’

‘Lukt het een beetje, het koken?’ vroeg Gulielma.

‘Daar bemoeien we ons niet mee. Mevrouw Sanchez brengt iedere avond de prak binnen. In een pot.’

‘Mevrouw wie?’

‘Sanchez. De werkster. Ken je die niet?’

‘Nee...’ Zij kende iedereen in de pueblo; er was geen mevrouw Sanchez.

‘Meneer Sanchez dan? Nee? Nou, misschien is het een van die oude knarren met een jurk aan. Bonny, laten we toch maar uitkijken dat ze ons niet vergiftigen.’

‘O, daar hoeft u niet bang voor te zijn,’ zei ze, ‘wat de Hunis ook tegen iemand hebben, ze zullen hem nooit met een vinger aanraken. Dat hebben ze zelfs met mijn overgrootvader niet gedaan, toen ze hem terechtstelden.’

‘Hoe stel je iemand terecht zonder hem aan te raken?’

‘Ik dacht dat u daarover gelezen had in het verslag van Vader Alfonso? Daar staat het in beschreven.’

‘O, zover zijn we dan nog niet. Nou, als je haast hebt zou ik 'm maar piepen, zus. Ik ga verder kwasten.’

‘O - ja - tot ziens dan. Ik kom binnenkort weer eens aan.’

‘Je doet maar,’ zei het meisje, en doopte de kwast in de kalk. ‘Zoals wij in Holland zeggen: hij die als Vriend hier binnen ... Hoeps!’ Een ogenblik leek het alsof ze met trapje en al om zou vallen, maar ze zag kans haar evenwicht te bewaren.

‘Kom, ik breng je naar je paard,’ zei de jongen. ‘Waar staat het?’

‘Voor de vleermuisgrot.’

‘Oké. Ik ben zo terug, Laura.’

Toen pas herinnerde Gulie zich de boodschap waarvoor ze gekomen was. ‘Neem me niet kwalijk, dat had ik bijna vergeten: uw grootmoeder komt, overmorgen, u en uw man opzoeken, samen met Herbert Haring. Ik zal ze wel brengen.’

‘O,’ zei het meisje. Ze leek niet verrukt door het vooruitzicht.

Buiten, in het verblindende zonlicht, zei hij: ‘Moeten we niet eerst naar de priester, voor die brief?’

‘O ja - dat is waar. Bedankt!’ Haar aandacht was afgeleid door de glimp van de vallei die ze had opgevangen tussen de huizen. ‘Kijk,’ zei ze, ‘het zand begint te stuiven. Laten we er de pas in zetten.’

Op een holletje liepen ze naar de kerk. De stilte daarbinnen was drukkend. Boven hun hoofden golfden de gordijnen.

‘Prachtig beeld,’ zei hij, op de crucifix wijzend.

‘Het was eerst nog veel mooier,’ zei ze, haar stem galmend in de holte. ‘De atoombom heeft het zijn nek gebroken.’

‘Ja, dat heeft de priester me verteld. Dat moet een hele schrik geweest

[p. 285]

zijn, hier, die explosie.’

‘Geloof dat maar. Zelfs de haciënda stond op zijn grondvesten te trillen. We dachten eerst dat het een aardbeving was, en holden naar buiten. Toen zagen we de wolk, achter die bergen: een hoge witte paddestoelwolk.’ Ze hadden het deurtje naar het hofje bereikt. ‘Ik geloof dat je beter hier kunt blijven,’ zei ze. ‘Hij zal die brief wel klaar hebben. Ik kom zo terug.’

‘Goed,’ zei hij. ‘Ik wacht wel even.’

 

***

 

Nadat Gulie in het hofje was verdwenen, slenterde Bonifacius langs de wandschilderingen. Hij bleef staan voor het tafereel van een blanke man, opgejaagd door nachtmerrieachtige monsters, die van de mesa sprong. Het leek op Bruegels schilderij van de dood van Icarus, want het leven in de pueblo ging ongestoord voort; op de daken zaten de vrouwen, in hun dekens gehuld, voor zich uit te staren; voor de kiva voerde een groep dansers in kleurige kostuums met veren hoofdtooien een ballet uit, zo scheen het tenminste. Op een volgend tafereel kwam een dwergje met een kindje het plein oprijden, op een reusachtig muildier, een soort mismaakte Maria, voor wie alle Indianen knielden. Het laatste van de reeks was het meest boeiende schilderij: op de achtergrond een hoge witte wolk in een lege blauwe hemel die, als een vuist, de Heilige Drieëenheid van Hun tronen had gestoten. De duif van de Heilige Geest fladderde weg; God de Vader, met witte baard, tuimelde ondersteboven omlaag, Zijn herdersstaf verliezend; de Zoon, Zijn rokken wapperend om de heupen, viel achterover, als uit een raam, Zijn stralenkrans keilde weg in het blauw. Op de voorgrond steeg een grote zwarte adelaar of aasgier op uit de pueblo met trossen zuigelingen in de klauwen, de snavel druipend van bloed, terwijl op het plein doodsbange Indianen vluchtten met de handen voor de ogen. Vreemd schilderij. Het stelde duidelijk de ontploffing van de atoombom voor; maar wat had de Drieëenheid ermee te maken? Wat betekende die adelaar?

Hij hoorde het deurtje weer opengaan en daar stond Gulielma, een slank, rijzig silhouet tegen het licht van het kleurige hofje. Wat een contrast met Laura met haar zwabberboezem en haar stinksigaar. Hij schrok van de afkeer die in hem loskwam. ‘En?’ vroeg hij. ‘Heb je de brief?’

‘Ja. Nu moeten we flink aanstappen.’ Ze deed het deurtje achter zich dicht. ‘Je kunt buiten het zand al ruiken. Het wordt nu menens.’

Ze liepen haastig de kerk uit. Op het kerkhof fladderden de papieren bloemen aan de kruisen; de vallei was nu zo wazig dat hij de rotswand in de verte nauwelijks meer kon onderscheiden.

‘Je moet je vrouw vertellen dat ze alle kieren goed dichtplakt met leukoplast,’ zei ze, ‘en de deurtjes voor de haard dichtdoet. Als het zand eenmaal begint te stuiven dringt het overal doorheen.’

‘Dat zal ik doen, zodra ik terug ben.’

In de pueblo waren de vrouwen bezig deurkieren en ramen dicht te proppen met oude kranten; toen ze de rand van de afgrond bereikten waar het pad naar de vallei begon, hoorde hij de deuren van de pleetjes bonken in de wind. Gulielma ging hem voor het steile pad af; op het plateautje voor de

[p. 286]

vleermuisgrot verwelkomde haar paard hen met een gehinnik en kwam op hen toegedraafd. Het scheen dat het de storm voelde aankomen.

‘Kunnen we nog even gaan zitten?’ vroeg hij, toen ze wilde opstijgen.

Het leek haar te verrassen. ‘Dat zou ik graag doen, maar ik moet zorgen dat ik de vallei uit ben voor het echt gaat stormen.’

‘Een paar minuten zullen toch geen verschil maken?’

Zij weifelde, toen zei ze: ‘Een paar minuten dan.’ Zij klopte het paard op de nek; het sjokte teleurgesteld weg. ‘Hier maar.’ Zij liep naar een platte rots in de ingang van de grot en ging zitten.

Hij voegde zich bij haar en keek uit over de vallei.

‘Hier, op dit voetstuk, heeft een paar eeuwen lang een stenen stoel gestaan met de mummie van Gulielma Woodhouse,’ zei ze.

‘O? Wie heeft die weggehaald?’

‘Jesse McHair.’

Enkele ogenblikken zaten zij zwijgend naast elkaar; toen zei ze: ‘Ik heb een boodschap voor jullie van Vader Alvarez. Hij zegt dat hij het al met je erover gehad heeft, maar hij wil je nog eens op 't hart drukken dat je je niet moet laten betrekken in onderlinge geschillen tussen de Indianen. Tenminste, ik neem aan dat hij dat bedoelt. Het is duidelijk dat er iets gaande is in de pueblo. Dat gebeurt zo af en toe, een familievete, of een huwelijk waar de partijen geen zin in hebben en dat de sjamaans toch doorzetten.’

Hij had de behoefte haar in vertrouwen te nemen, te vertellen over Laura, wat ze die nacht gefluisterd had, dat hij nu niet meer wist wat hij van haar moest denken. Maar het zou een onvergeeflijke indiscretie zijn. Bovendien zou zij er niets van begrijpen, kamp Schwalbenbach en de haciënda waren werelden van elkaar verwijderd.

‘Heb je het erg moeilijk?’

Ze moest zijn gedachten geraden hebben. Het lag hem op de lippen om te zeggen: ‘Ik zit ergens verschrikkelijk over in,’ maar hij beheerste zich. ‘Een beetje,’ zei hij. Hij voelde dat dit niet genoeg was, het leek op een afwijzing. ‘Laura is degene die het moeilijk heeft, eigenlijk. De overgang van de ene wereld naar een andere, begrijp je. Niet alleen de emotionele overgang, ook de morele.’ Nu moest hij oppassen, anders flapte hij het er toch uit, en wat Laura ook gedaan mocht hebben, dit had ze niet verdiend. ‘Het is een omschakeling van al haar waarden. Ik probeer haar ermee te helpen, maar dat kan iemand uiteindelijk enkel maar alléén doen. Alleen met God.’

‘Ik ben ervan overtuigd dat ze het zonder jou helemaal niet zou kunnen.’

‘Ik weet het niet. Echt niet. Ik heb het gevoel dat mijn rol uitgespeeld is. Ik bedoel: dat ik haar niet verder van nut kan zijn.’ Hij moest haar nu maar laten gaan. Ze zat trouwens toch op hete kolen. In zijn hart hoopte hij dat ze zou blijven, al was het alleen maar om nog even naast elkaar te zitten zonder te praten.

‘Maar - neem me niet kwalijk, ik wil niet onbescheiden zijn - jullie zijn toch getrouwd?’

‘Uitsluitend voor de wet. Om haar in staat te stellen Amerika binnen te komen als de vrouw van een staatsburger; anders had ze geen visum gekregen. Maar het was nooit de bedoeling dat wij bij elkaar zouden blijven als ze hier eenmaal was. We verwachtten dat ze naar haar grootmoeder zou

[p. 287]

gaan; maar dat is anders gelopen. Toen ze haar grootmoeder ontmoette kwam er een persoonlijkheidsconflict. Wat ik zei: ze leven in totaal werelden. Hun waarden zijn onverenigbaar. Dat kan ook niet anders.’

‘Haar grootmoeder komt overmorgen.’

‘Ja. Dat is een opluchting, moet ik bekennen.’

‘Houdt je - Laura het niet vol, hier in de pueblo?’

‘O ja - zij wel. En ik ook. Maar samen is het moeilijk.’ Hij voelde dat als ze nu door zou vragen hij het niet langer voor zich zou kunnen houden. Hij moest er met iemand over praten, iemand uit zijn eigen wereld; hij moest het uitspreken en zich opnieuw oriënteren, hij was volkomen de koers kwijt.

‘Ik wil er graag verder over praten. Ik kom overmorgen haar grootmoeder en die man Haring brengen, als het niet meer stormt. Misschien dat we dan een gelegenheid kunnen vinden? Nu moet ik heus weg. Mijn paard weet dat beter dan ik.’

Ze had gelijk; het draafde zenuwachtig heen en weer aan de rand van de afgrond, alsof het wilde maken dat het wegkwam. Hij hielp haar opstaan, zij stofte het zitvlak van haar rijbroek af, liep naar haar paard en zette de voet in de stijgbeugel. ‘Tot overmorgen dan.’

‘Tot overmorgen. Goede reis.’

Ze steeg op. In het zadel, met de teugels in de hand, zei ze: ‘Sorry. Ik zou niets liever willen - maar je zult zelf zien: als de storm eenmaal doorzet is het alsof de wereld vergaat. Ga maar gauw die kieren dichtstoppen.’

‘Dat zal ik doen,’ zei hij. ‘Dank je. Dag.’

Zij klopte haar paard op de nek, klakte met de tong; het daalde af in de kloof naar de vallei. Zij keek niet meer om.

Hij zou nu naar huis terug moeten, samen met Laura het gebouwtje zanddicht maken; maar hij ging weer op de platte rots zitten in de ingang van de grot. Had hij maar met Gulie mee kunnen gaan! Achter haar op dat paard klimmen; samen met haar terugvluchten naar hun vertrouwde wereld, weg van de vrouw die nu op hem wachtte, een vreemde uit een land van wreedheid, angst, waar dochters verliefd werden op de moordenaars van hun vader, en schuine moppen tapten met Duitse beulen, een sigaar in hun bek.

Zijn haat tegen Laura was opeens zó fel dat hij knielde en zijn handen vouwde op de rots en bad - tot God, Gulielma Woodhouse, zijn voorouders, al de godvruchtige Quakers die hem waren voorgegaan. Hij bad om kracht, om hulp. Om de beschermende armen van het Genootschap der Vrienden.

 

***

 

Ze had het niet laten merken, maar het bericht dat Oma onderweg was had Laura volkomen van haar stuk gebracht. Het gevoel van veiligheid was ineens verdwenen; het leek of ze weer veranderde in dat teruggetrokken meisje, de bangerd die niets voor zichzelf kon beslissen, die huilend bleef zoeken naar haar verloren liefde, een spook. Ineens had ze het weer: dat gevoel van angst, dat ze bezig was zichzelf een rad voor ogen te draaien, dat haar zogenaamde nieuwe persoonlijkheid, de Laura wie geen zee te hoog ging, zelfbedrog was, een rol die ze speelde. Kijk nou eens naar jezelf, dacht ze, daar sta je: honderdvijftig pond schoon aan de haak, en als je die koffer met snoepgoed leeg

[p. 288]

hebt, maak er dan maar tweehonderd van. Je bent bezig jezelf te veranderen in een dikke troel, een soort toffe Amsterdamse werkster. Maar er zijn maar twee woorden voor nodig om alles weer ongedaan te maken: Oma komt. Ze wilde dat die Indiaanse trut maar thuis was gebleven met haar jongensheupen en haar zandlopersmiddeltje en haar bekakte praat; ze had haar de witkwast in haar snoet moeten douwen en zeggen: ‘Meid, flikker op! Ga spelen!’

Was ze nou wérkelijk zo? Welnee. Pure aanstellerij. Ze had geprobeerd zichzelf door middel van een zelfgeschapen toneelfiguur uit de bangheid te sleuren. Ja, ze was bang, bang! Aldoor bang, overal van, van alles! Sinds die hond naast haar had zitten hijgen tot ze gillend uit de auto was gerold, had ze geen werkelijke kracht meer. Soms leek het alsof. Vanmorgen, bijvoorbeeld: in geen jaren had ze zo lang achter elkaar en met zoveel plezier gewerkt. Ze had de hele zoldering praktisch alleen gedaan, want Bonny met zijn praatjes deed niks anders dan naar de plee gaan, en op zijn hoofd krabben en zeggen: ‘Wil je een kopje thee? Ik maak een kopje thee.’ Hij met zijn thee! Nou, daar stond ze dan, in haar doorgezwete T-shirt, onder de witkalk, haar knoet op haar test, een afgeknipte broek aan, bantoe-billen en de boezem van een koe. Leuk, als je daar een hele persoonlijkheid omheen fantaseerde; in werkelijkheid niet om aan te zien, een dikke, vieze toddik. Ze kon dat rolletje van Laura de Broncobuster onmogelijk volhouden als Oma kwam, want die zou er natuurlijk dwars doorheen kijken. En als die haar een sigaar zou zien opsteken, wat zou ze zeggen? ‘Ben je nou helemaal gek geworden, Laura? Wat stelt dat voor?’ Of was het oude dametje zo met haar eigen vreselijke ervaringen uit de vorige eeuw bezig dat ze andere mensen nauwelijks zag? Eigenlijk deed het er niet toe, het lag aan haarzelf. Oma of geen Oma, ineens waren de zemelen uit de pop gelopen. Nou, dacht ze, haal de toverstaf er maar weer 's bij, want zo wordt het niks.

Ze liep naar de plunjezak, ritste hem open en haalde een sigaar uit het kistje. Ze stond eraan te paffen toen de deur openging en Bonny binnenkwam met een gezicht of hij zijn boodschappen in de gracht had laten vallen. ‘Zo,’ zei ze, de sigaar tussen de tanden, en ze wuifde de lucifer uit. ‘Meester-dokter hooimaker schijnt een sluiertje voor te doen, hè?’

Hij staarde haar aan alsof hij haar voor het eerst zag en zei toen: ‘Het spijt me, maar ik heb er geen idee van waar je over praat.’

‘O, schei toch uit, vervelende knul,’ zei ze, weer in het Hollands. ‘Ik bedoel,’ ging ze verder in het Engels, ‘het wordt een beetje heiig, hè? Zou dat die zandstorm zijn waar trulla het over had?’

Kijk hem nou toch eens kijken, die malle jongen. ‘Is er iets, poes?’ vroeg ze, en ze voelde tot haar ontsteltenis opeens een felle haat tegen die klamme kwal met zijn cowboyhoed. Waarom, in vredesnaam? Waarom die zelftwijfel op hém afreageren?

‘Gulielma zegt dat wij onmiddellijk de kieren van de deuren en van de ramen moeten dichtplakken met leukoplast vanwege de zandstorm. Je kunt hem al horen.’

Inderdaad: ze hoorde een hoog, nerveus gegons buiten dat niets te maken had met het geluid van de wind zoals zij het kende, een soort zenuwachtige trilling, met soms het geritsel van zand tegen de perkamenten ruitjes. ‘Nou,’ zei ze, ‘als Mie met de patrijspoorten dat zegt moeten we het meteen doen.

[p. 289]

Zij heeft de wijsheid in pacht, dat is duidelijk.’

De brave, fatsoenlijke jongen beheerste zich, krampachtig. ‘Mag ik vragen over wie je het hebt?’

‘Ik bedoel tante Drol. De strijkplank met de twee erwtjes.’ Ze liep, opzettelijk waggelend, naar de emmer en greep de kwast. ‘Maar laten we eerst de zoldering even afwitten.’ Sarren was het, jennen. Ze rustte blijkbaar niet voor ze de stakker weer aan het krijsen had.

Maar hij hield zich goed. ‘Ik zou zeggen, eerst de ramen en de deuren, Laura,’ zei hij rustig. ‘Als we daarmee klaar zijn en het is nog licht, zal ik je graag helpen met de rest van de zoldering.’

‘O, nou, reusachtig zeg. Weet je wat, ga jij plakken, en ik kwasten. Wat zeg je daarvan?’

Ze zag aan zijn ogen dat het hem bijna te machtig werd. O mijn God, dacht ze, mijn God, waarom doe ik dit toch?

Ineens had ze weer dat ontzettende heimwee naar het lieve, aanhankelijke meisje aan boord van de woonboot dat voor eeuwig verdwenen was.

 

***

 

Na de beschaafde vrouwelijkheid van Gulielma McHair waren Laura's stinksigaar en grove taal meer dan hij kon verdragen. Maar hij wist niet hoe hij haar aan moest pakken; daarom glimlachte hij en herhaalde: ‘De deur en de ramen, Laura. Wat hebben we eraan als aanstonds de hele boel onder het zand zit...’

‘Leukoplast zei ze? Ze is stapelgek. Hoeveel meter denkt ze dat we bij ons hebben? Bovendien is het daarna niet meer te gebruiken. We kunnen beter die kieren dichtstoppen met closetpapier. Ik weet niet wat de Meeting voor Sufferds zich van ons voorstelt, maar we hebben honderdvijftig rollen. Kom, pak een schroevedraaier en een rol retemeier! We gaan kiertjes proppen.’

Zij wierp hem een rol toe, die hij ving met de opwelling om hem terug te slingeren, maar hij moest zich beheersen. Ze was een arme, gestoorde ... Hij kon het niet meer geloven. Een hoer, een vette hoer in een doorgezweet T-shirt en afgezakte shorts die nu, op een stoel, pleepapier in de deurkieren ging staan proppen met een schroevedraaier. Een harteloze sloerie die met de moordenaar van haar vader ... Nee! dacht hij, in Godsnaam, laat je niet meesleuren in de oceaan van dood en duisternis. Hou je vast aan de gedachte: God, ik vertegenwoordig God...

‘Je hebt me natuurlijk gehoord, vannacht,’ zei ze opeens, onverwacht, papier proppend op het trapje. ‘Oké: ik was verliefd op hem. Ik ben nog verliefd op hem. Ik zou er tien jaar van mijn leven voor geven als hij me nog één keer in zijn armen kon nemen, zoals vroeger. Ja, je hebt met een gevallen vrouw te maken.’ Ze deed een trek aan haar sigaar, legde hem op het trapje, en ging door met papier in de kier te proppen. ‘Als ik je dát aan je verstand zou kunnen brengen, hoe het gekomen is, en waarom, wie hij was en wie ik was - dan zou je me misschien eindelijk als een mens zien, in plaats als een soort - weet ik veel. Maar ik kan 't me voorstellen, hoor. Wist jij veel wie je aan de haak sloeg, op die brug, die nacht.’

‘Vertel er 's wat van,’ zei hij zo gewoon mogelijk, ‘als je het niet ver-

[p. 290]

velend vindt.’ Ineens was er iets veranderd, voor het eerst had hij het gevoel dat ze toenadering zocht in plaats van hem af te stoten. Hij begon de andere kier van de deur vol te proppen.

‘O,’ zei ze laconiek, en deed weer een trek aan haar sigaar, ‘dat is een heel verhaal; maar als je het horen wilt, waarom niet? Ik was de geboren onschuld toen ik op de fiets eropuit trok om mijn vader te zoeken. Ik had zo in m'n hoofd: ik ga hem wat lekkers brengen, iedere dag, op het bezoekuur, en misschien eens in de week een eindje wandelen, en ... Ethan, hoe hij dan ook heet, vond het geweldig, de manier waarop ik die rit had voorbereid en uitgevoerd; maar laat ik je vertellen, het was meer geluk dan wijsheid. Ik wou bij God dat ik géén geluk had gehad. Wie weet leefde hij dan nu nog, de lieverd.’ Ze glimlachte, een scheve glimlach die hem door hart en ziel ging. ‘Enfin: Heinzl. Afgeleid van Heinrich. Hauptsturmführer Heinrich Schmidt, Lagerarzt. Engel, duivel, alles door elkaar. De kant die ik te zien kreeg was de lieve, zorgzame man die me over de dood van mijn vader heen hielp. Zonder hem zou ik stapelgek zijn geworden, na wat er gebeurd was in dat kantoortje.’ Zij bekeek haar werk keurend, en zei: ‘Geef nog 's een rol. Ik geloof dat het wel gaat, zo. Er komt volgens mij geen krummeltje zand door.’

Hij gaf haar een rol. ‘Op welke manier hielp hij je eroverheen?’

‘Nou, ik werd wakker in een bed en toen zat er een officier naast me die vroeg: “Wie geht's denn, liebes Kind?” Nou, ik gillend overeind vliegen. Maar hij was zo rustig, zo lief; één en al begrip, geduld, liefheid. Niet kleverig, alsof hij eropuit was om met me naar bed te gaan. De eerste weken was daar geen sprake van, dat verzeker ik je. Gedurende die weken was hij m'n biechtvader. Een soort priester. Hij begreep, vóór ik het zelf begreep, wat me tegen de muur opjoeg, waarom ik steeds weer als een gek begon te gillen zodra ik even boven water kwam.’

‘Waarom was dat dan?’

Ze trok aan haar sigaar, trok een vies gezicht en zei: ‘Bah! Na een trek of wat smaken die dingen niet meer. Je kunt net zo goed op een dode rat zuigen. Ga eens weg.’

Hij stapte opzij: zij schoot de natte peuk met vinger en duim de haard in.

‘Kom, proppen,’ zei ze, ‘want ik hoor het nu echt blazen, buiten. Je vriendinnetje heeft gelijk gehad, aanstonds waaien ons de vellen van onze broek.’

Het was duidelijk dat haar ogenblik van openhartigheid voorbij was.

 

***

 

Hidalgo stoof met losse teugel over de vlakte. Gulie wist bij ervaring dat het het beste was hem het initiatief te laten; hij wilde zelf zo snel mogelijk de sneeuwgrens bereiken, waar ze buiten het bereik zouden zijn van het zand, dat nu ieder ogenblik werkelijk kon gaan stuiven. Maar toch was ze er met haar hoofd niet bij. Wat haar uit het gesprek met Bonifacius was bijgebleven en haar steeds opgewondener maakte was dat de jongen niet verliefd was op die Laura, dat ze alleen maar in naam man en vrouw waren, dat hij, duidelijk, niets liever wilde dan haar kwijt te zijn. Ze hoefde zich dus niet

[p. 291]

langer van de zondige gedachten af te wenden die ze, tot dusver, met alle macht had proberen te onderdrukken, want ze waren niet zondig meer. Hij was vrij, hij had Laura alleen maar in staat gesteld naar haar grootmoeder te gaan. Nu was die grootmoeder onderweg, overmorgen zou ze in de pueblo zijn, misschien zou ze haar klein...

Hidalgo stond zo abrupt stil, dat ze bijna over zijn hoofd vloog. Ze klampte zich met alle macht aan zijn manen vast, terwijl de hengst hinnikend op zijn achterbenen oprees. Pas toen ze hem weer in bedwang had zag ze wat hem aan het schrikken had gemaakt: een spookverschijning die uit de vlagende stofwolken was opgedoken, Acapito.

Met haar hart nog in de keel reed ze stapvoets op hem toe, Hidalgo sussend op de hals kloppend. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg ze.

‘Ik - ik moet met je grootmoeder spreken! Wil je me achterop nemen?’ Zijn stem was schor van het stof.

Hidalgo te belasten met het gewicht van een tweede ruiter was een slecht idee onder de omstandigheden; maar ze kon de jongen niet achterlaten. Als hij in de vallei achterbleef zou hij in het stuivende zand kunnen omkomen, want hij had geen deken bij zich.

‘Ben je je deken kwijtgeraakt?’ vroeg ze.

‘Nee nee, ik bedoel - ik heb - ik moet je grootmoeder spreken! Zo gauw mogelijk. Het is erg belangrijk...’

‘Nou, klim er maar op,’ zei ze. ‘Je moet het me aanstonds maar vertellen; nu moeten we zorgen dat we wegkomen.’

De storm floot in de kloven van de rotsen, het striemende zand begon pijn te doen op haar gezicht. Hij wilde vóór haar in het zadel klimmen, maar ze zei: ‘Nee, achter me. Hou je vast.’ Hidalgo protesteerde, hinnikend, tegen de zware last, maar de angst voor het stuifzand deed hem gehoorzamen. Acapito sloeg zijn armen om haar middel, zij riep: ‘De zadelknop! Pak je aan de zadelknop vast!’ De hengst stoof ervantussen met een snelheid van veertig kilometer per uur.

De rest van de rit bande alle andere gedachten uit haar hoofd. Ze had grote moeite Hidalgo te beletten het spoor te verlaten; het was korter als ze de hoek afstaken, maar het zand stoof nu zo dicht dat ze over een kwartier geen hand voor ogen meer zouden kunnen zien en alleen het spoor nog kunnen volgen.

Ze haalden het op het nippertje. Het was een wonder dat Hidalgo nog de kracht bezat om, toen ze eenmaal het steile slingerpad van de dalwand bereikten, hen, snorkend van inspanning, omhoog te sleuren. Voor ze de sneeuwgrens bereikten had de storm hen achterhaald. Poedersneeuw stoof om hen heen als zand, pas toen het paard, uitgeput, de luwte van de Paso del Muerto instrompelde hield zij de teugels in en zei: ‘Nou, stap maar af, anders sterft het dier onder het zadel.’

Acapito sprong in de sneeuw; zij liet zich uit het zadel glijden. ‘Help me even hem af te drogen,’ zei ze, ‘hier, laten we mijn deken maar over hem heen gooien, anders krijgt hij longontsteking. Goed zo, goed zo, braaf, dat heb je geweldig gedaan, geweldig hoor.’ Zij kuste het hijgende paard op de neus, droogde zijn kletsnatte hals en borst; toen ze klaar waren zei ze: ‘Nou, laten we een uurtje pauzeren; hij moet op adem komen. Wat deed je eigen-

[p. 292]

lijk in de vallei? Was je weer in de pueblo geweest?’

‘Dat heb ik geprobeerd,’ zei Acapito. Hij leunde tegen de rotswand, huiverend. Ze wist dat hij loog; hij had natuurlijk niet geprobeerd in de pueblo te komen, hij had voor de zoveelste keer op het laatste ogenblik de moed verloren. Om de autoriteit en de macht van de sjamaans te trotseren was dan ook geen kleinigheid voor een Huni, ook al had hij het Purperen Hart.

‘Ik heb je broer en je schoonzuster gezien,’ zei ze, ‘als je mij vraagt kan het kind ieder ogenblik geboren worden.’

‘Zonder die zandstorm zou ik haar zijn gaan halen, voor het te laat is.’

‘Hoe bedoel je, te laat?’

Hij keek haar aan met die donkere, uitgehongerde ogen, en zei: ‘Ik ben er nu achter waarom er de laatste maanden zoveel kinderen gestorven zijn. Ze worden omgebracht door de sjamaans, onmiddellijk na de geboorte. Alle mannen doen eraan mee, en de vrouwen laten het toe, omdat ze in de legende geloven. Ze hebben de witte wolk gezien.’

‘Welke?’

‘De mens is onsterfelijk door zijn kinderen, tot er één hoge witte wolk zal oprijzen achter het gebergte in een blauwe hemel, die kondigt het einde van de mensheid aan in een regen van vuur. De sjamaans zien het als hun plicht om te zorgen dat er geen Huni-kinderen worden blootgesteld aan de regen van vuur. Kinderen die tóch verwekt worden, door stommelingen zoals mijn broer, worden door de sjamaans gegrepen zodra ze geboren worden. De Hunis zijn bezig zelfmoord te plegen, net als zeventig jaar geleden, toen met Jesse McHair.’

Het leek een fantastisch verhaal, toch verklaarde het Atu's pistool, de sjamaans die haar aldoor observeerden, de zenuwachtige praatjes van Vader Alvarez...

De brief! Als Acapito de waarheid sprak, zou de brief van de pater het bevestigen. Toen met de Harners had Grootmoeder hem de les gelezen omdat hij te lang gewacht had met haar te waarschuwen; zij was ervan overtuigd geweest dat ze de dood van de man had kunnen voorkomen, ze had een hoge dunk van haar eigen autoriteit. ‘Geloof je dat Grootmoeder er iets aan doen kan?’ vroeg ze.

‘Als ze op tijd komt. Vervloekt, dat die storm uitgerekend nú...’ Hij schudde zijn vuist tegen de hemel; de sneeuw stoof in wervelende wolken over de bergkam.

‘Laten we dan maar gaan,’ zei ze, ineens ongerust over Bonifacius. Vandaar dat Vader Alvarez er zo op aangedrongen had dat hij zich niet moest bemoeien met conflicten in de pueblo. ‘Kom, ga weer zitten zoals je zat, hou je vast aan de zadelknop.’

Hij gehoorzaamde, sloeg zijn armen om haar heen en greep met zijn magere bruine handen de zadelknop vast. ‘Kalm nou maar, kalm,’ zei ze tegen Hidalgo en klopte hem op de hals. ‘Kalm, kalm.’

Maar ze had goed praten; zodra de hengst het pad begon af te dalen voelde ze hoe zenuwachtig hij was van uitputting en angst. Bovendien begon het donker te worden. Het zou een hachelijke rit worden.

De sneeuw wervelde omhoog achter de bergrug. Het paard met de twee

[p. 293]

ruiters daalde af in de Llano Estacado, waar het donker al gevallen was.

 

***

 

Laura was aan de laatste kier bezig toen de storm met volle kracht losbarstte. De wind floot onder haar handen; het toiletpapier wapperde wild over haar schouder. De laatste halve meter viel bijna niet meer dicht te proppen, maar het lukte. Ze stak de schroevedraaier onder haar broekriem, klom van het trapje af en zei met dezelfde onverwachte, laconieke openhartigheid, alsof ze er al uren over bezig waren: ‘Weet je dat Heinzl een van de fatsoenlijkste mensen was die ik gekend heb? En hij moet, thuis, een fantastische dokter geweest zijn. Toch sorteerde hij in het kamp iedere dag mensen uit voor de gaskamers bij de Auslese, en hield een hond die afgericht was om vluchtelingen de strot door te bijten. Gek, hè? Zo'n goede dokter zijn, zo met z'n patiënten begaan, zo van Mozart en Rilke houden, en dan in het kamp ... De Canadese generaal die ons bevrijdde zei: “Ik wil die man begrijpen, alleen als ik die man kan begrijpen kunnen we een volgende oorlog voorkomen.” Ik had het hem graag willen uitleggen, maar ik kon het niet. Ik kan het nóg niet. Ik weet alleen dat als Vader en hij elkaar hadden leren kennen, in vredestijd, ze de dikste vrienden waren geworden.’ Ze stak een sigaar op, en zei opeens, paffend: ‘Weet je wat ik nog het ergste vind? De verspilling. Niet zozeer van Vader, van Heinzl. Vader was een lieve man, maar als je op zijn leven terugkijkt, was het toch eigenlijk afgelopen. Moeder was dood. Hij kon mij niet eeuwig vasthouden. Hij heeft iets groots gedaan, het is misgegaan. Goed, hij is aan zijn eind gekomen door, zeg maar, een afschuwelijke onschuld van mijn kant. Want dat is het natuurlijk wat mij aldoor dwarszit. Als ik niet was komen opdagen met die kinderideeën in mijn hoofd van hem saucijzebroodjes brengen en zijn wasje voor hem doen en eens in de week een eindje wandelen, dan was hij misschien aan zijn eind gekomen zoals die anderen in het lazaret of ze hadden hem, net als de rest, half dood gewerkt en daarna in de Auslese op transport gesteld naar het Vernichtungslager. Je moet begrijpen, dit zijn dingen waar ik nu al wekenlang mee aan het vechten ben, sinds die toestand met die hond in de auto. Het ergste, wat jij misschien niet begrijpen kunt, is de verspilling van Heinzl. Joh, je hebt er geen idee van wat een geweldige dokter hij had kunnen zijn als hij zich niet in een ogenblik van stommiteit gemeld had voor de Waffen-SS om een betere kans te krijgen op een assistentschap en eerder een praktijk te krijgen. Hij heeft mij de brieven laten lezen van zijn vader, voor wie hij een soort ideale zoon was. Hij probeerde in zijn leven waar te maken wat die oude man van hem verwachtte. En, bij God, Bonny, hij hád het gekund. Hij wás nobel, vol deernis, en ja, goddelijkheid. Maar ergens liep hij van de rails en veranderde in het beest van Schwalbenbach. En weet je wat ik nou zo graag zou willen? Als ik ooit bid tot God, wat ik niet vaak doe, want ach, zo gelovig ben ik nou ook niet meer na alles wat er gebeurd is, maar als ik ooit werkelijk zou bidden, weet je wat ik dan bidden zou? Dat ik, dat meisje dat hij dan toch maar van de wanhoop gered heeft nadat zij door haar eigen stomme onschuld haar vader had omgebracht, dat ik, Laura, van God gedaan zou krijgen dat Heinzl ooit nog eens, in een volgend leven, mag worden

[p. 294]

wat hij worden kon, dat hij de belofte mag waar maken die in hem lag. Jezus, Bonny, ik hield van die man, ik geloof dat je nooit zult begrijpen hoeveel ik van hem hield, en daarom, o, ik wou dat ik dát voor hem doen kon! Hem terugbrengen naar God en zeggen: “Kijk, ach, het was wel een dubbeltje op zijn kant, maar hij heeft het toch nog gehaald. Hij is toch nog de dokter geworden waarvan hij droomde en waarvan zijn vader wist dat hij het eens worden zou.” Nou, meneer Quakerisme, laat mij daar dan het antwoord maar 's op horen van het religieus Genootschap der Vrienden.’

Zij zag hoe vol goede wil hij naar haar keek, maar dat hij nooit, in geen duizend jaar, zou kunnen begrijpen waar het werkelijk om ging. Toch wilde ze het nog één keer proberen, want op dat ogenblik leek dat het belangrijkste, het enige dat zij voor hen beiden doen kon.

‘Bonny,’ zei ze, ‘lieve jongen, Ethan Slobkous had het over “het Zaad”. Geloof me, dat is slap gelul. Ik heb de beste, edelste man van de wereld zien veranderen in een moordenaar, een beul, omdat hij niet anders kon. Begrijp je dat dan niet? Lieve jongen: hij wilde mij redden. Om mij te redden moest hij hun spel meespelen. Om mij veilig in dat huisje te houden met die rood en wit geblokte gordijntjes en die schemerlamp moest hij doen wat de anderen van hem verwachtten. En als ik ooit tot God bidden zou, of jij zou voor mij willen bidden, Jezus, Bonny, wil je dan bidden dat het allemaal uitgeveegd mag worden? Dat de nobele, menselijke man, die ik om mijnentwille heb zien veranderen in een monster...’

Ineens vloog de deur open. Slingers papier fladderden de kamer in. Een Indiaan tuimelde naar binnen met een bundeltje dat hij op de tafel neerlegde terwijl de storm rondwervelde in het lazaret. ‘Niet afgeven!’ riep hij. ‘Deur dicht, de knip, de knip!’ Hij vluchtte weer naar buiten en trok de deur achter zich dicht. De storm floot door de kieren. Zand spoot naar binnen.

Ze herstelde zich van de schrik en riep: ‘Joh, laat liggen. De boel stuift onder! We moeten eerst die kieren weer stoppen! Vooruit!’

Toen ze voor de tweede keer de laatste fladderende strook in de laatste kier hadden gepropt en het gillen van de wind ophield, hoorden ze een gesmoord geluidje uit het bundeltje op de tafel. Het bewoog.

Een ogenblik stonden ze aan de grond genageld; toen liepen ze naar de tafel. Zij deed het bundeltje open.

Het was een kindje, een meisje, pasgeboren; de navelstreng was niet afgebonden, zij bloedde.

Zij had de kinderachtige opwelling om het op een gillen te zetten; maar niet Laura de Broncobuster. Die dekte het kindje toe en zei tegen de doodsbleke jongen aan de andere kant van de tafel: ‘Nou, joh, het schijnt dat we een baby hebben. Sigaar?’

 

***

 

Bonifacius schrok wakker. ‘Kom joh!’ riep ze. ‘Sta nou niet te kijken of je het in Keulen hoort donderen! Die navelstreng moet afgebonden worden, anders bloedt het stakkertje dood. Tweede plank, rechts in de hoek - en vergeet maar je handen te wassen, daar is geen tijd voor. Kom!’

Hij haalde de instrumenten, het steriele lint; zij deed het handig en kundig.

[p. 295]

Waarom had die Indiaan dit kindje hier gebracht? Wiens kind was het?

‘Gaas. Leukoplast. Kom, joh!’

Hij was op weg naar de tafel toen de deur weer opensprong en de storm opnieuw naar binnen stoof. Laura vloekte en wierp het dekentje over het kind.

Het was mevrouw Sanchez. Zij duwde de deur dicht; de wind floot door de kieren, zand stoof naar binnen als buiswater. ‘Ik kom kindje halen,’ zei ze, en liep naar de tafel.

Laura versperde haar de weg. ‘Sorry. Daar komt niets van in.’

De oude Indiaanse keek haar verbaasd aan; toen riep ze, luid om het gegier van de wind te overstemmen: ‘Mijn neefje! De moeder is dood! Ik neem kindje mee!’ Zij wilde naar de tafel gaan, maar Laura hield haar tegen. Bonifacius begreep het niet; waarom wilde ze het kind niet afgeven als het familie van mevrouw Sanchez was?

‘Sorry,’ herhaalde Laura. ‘Dit is een hospitaal. Wij hebben hier alles om voor een zuigeling te zorgen. We hebben net de navelstreng afgebonden, nu gaan we het kind baden; dan zullen we het de fles geven; morgenochtend kan de vader het meekrijgen, als de storm bedaard is.’

‘Nee, nee, niet vader,’ zei mevrouw Sanchez, grimmig. ‘Ik moet kindje hebben. Nú, nú!’ Zij trachtte zich een weg te banen naar de tafel, maar Laura zei: ‘Sorry, morgenochtend, als de storm bedaard is. Ga nou maar rustig naar huis, en geef ons de gelegenheid om dat kind te verzorgen. Goeienavond.’

Mevrouw Sanchez keek haar een ogenblik strak aan; toen zei ze, rustig: ‘Geef kindje mee, nu. Ik eis.’

Laura kwam er niet van onder de indruk. ‘Ga nou maar rustig naar huis.’ Zij trok de deur open en duwde de oude vrouw tegen de wind in naar buiten. Toen ze de deur met moeite weer sloot en grendelde begon de storm weer te gillen door de kieren en zand spoot naar binnen. ‘Als jij nou die kieren weer dichtstopt,’ zei ze, ‘dan ga ik me verder met het kind bemoeien.’

Hij begon de kieren opnieuw vol te proppen met strengen papier. De manier waarop Laura de oude Indiaanse de deur had uitgewerkt was in strijd met het beginsel van de geweldloosheid, hij zou het anders hebben aangepakt. Toen hij de laatste fluitende kier tot zwijgen had gebracht vroeg hij: ‘Waarom heb je dat kind niet meegegeven, Laura? Je hebt mevrouw Sanchez nu tegen ons ingenomen, dat begrijp je zeker wel.’

Zij was net klaar met het navelstrengetje te verbinden; het kindje lag met wijdgesperde mond te krijsen en met armpjes en beentjes te spartelen. ‘Stil maar, beestje, stil maar.’ Ze nam het in de armen, kuste het hoofdje, maar het kind bleef spartelen en krijsen. ‘Zodra ze stil is,’ zei ze, ‘zal ik een flesje klaarmaken. We zullen maar wachten met baden, anders krijgt ze helemaal een stuip. Wil jij de primus aansteken?’

‘Waarom, Laura? Waarom wilde je het niet afgeven?’

Zij keek hem verwonderd aan, het krijsende kindje in de armen. ‘Aan een vent die zich als vrouw verkleedt? Die het heeft over “neefje” terwijl het een meisje is? Wij zijn hier bovendien niet om slofje-onder te spelen met pasgeboren zuigelingen tijdens een zandstorm; het was niet in het belang van het kind. Vooruit, de primus!’ Zij probeerde het kindje met wiegen tot

[p. 296]

bedaren te brengen, maar het gekrijs werd wilder. ‘Weet je wat,’ zei ze, ‘ik zal de grammofoon aanzetten, misschien helpt dát.’ Zij overhandigde hem het spartelende wezentje en ging de koffergrammofoon halen.

Zodra hij het scharminkeltje in zijn armen had en voelde hoe weerloos het was, hoe volkomen aan zijn genade overgeleverd, wist hij dat Laura gelijk had gehad.

‘I was dancing - with my darling - to the Tennessee Wa-haltz...’

Hij begon rond te dansen met het krijsende kindje om het te sussen, met het hoofdje op zijn schouder, zijn linkerhand beschermend op het ruggetje. Hij danste met langzame, wiegende passen; het kindje werd stil; het lijfje schokte nog na van het snikken.

‘So I lost my little darling - the night they were playing - the beautiful Tennessee Wa-haltz...’

‘Vooruit joh,’ zei Laura, toen het liedje ten einde was. ‘Nog één dans, dan kookt het water en zullen we eens zien of Miss Huni aan de fles wil.’

‘I was dancing - with my darling...’

Hij danste, het hoofdje van het kindje op zijn schouder.

De wind bolderde in de schoorsteen en rammelde met de deurtjes van de haard.

 

***

 

Maar dit keer miste de Tennessee Waltz zijn uitwerking: het kindje begon weer te krijsen in Bonny's armen; misschien was het het geweld van de storm, die nu het gebouwtje op zijn grondvesten deed schudden en de kaarsvlam trillen. Het water in het pannetje deed er zo lang over om aan de kook te komen dat Laura besloot toch maar te beginnen met het kind een badje te geven.

Zij spreidde een handdoek uit op tafel met het badje erop, zette de kinderzeep en de babypoeder klaar; als het niet zo gewaaid had, zou ze het vuur aangestoken hebben en de handdoek voorgewarmd. Ze probeerde de temperatuur van het water met haar elleboog, en zei tegen Bonny: ‘Nou, geef maar hier.’

Hij reikte haar het kindje. Ze nam het over met de hand onder het achterhoofdje en liet het zakken in het warme water. Het raakte er helemaal overstuur van; met stijfgesloten ogen en een muil als een zwaluwjong spartelde het in haar handen; water spatte flonkerend in het kaarslicht. Toen ze een washandje nam en het lijfje inzeepte werd het zo glibberig dat het maar een haar scheelde of het ontglipte haar. ‘Kom joh, help 's!’ riep ze. ‘Die handdoek daar! Oké, sta klaar; als ze eruit springt, vang haar op. Nou, wij gaan verder...’

Maar het arme ding ging steeds wanhopiger tekeer; op het laatst zag het ernaar uit dat het bezig was in een shock te raken. Ze wikkelde het in de handdoek, wiegde het sussend; maar het bleef moord en brand krijsen. ‘Weet je wat,’ riep ze, ‘ga nog maar even dansen, dan maak ik de fles klaar!’

Zij overhandigde hem het spartelende wurm, wond de koffergrammofoon op, en daar begonnen de gilpinnen weer: ‘I was dancing - with my darling...’

[p. 297]

Het water begon te pruttelen, ze maakte een blikje babymelk open, goot het in een gesteriliseerd flesje in de verhouding die op het blikje stond voor nouveaux-nés - new-borns - recién nacidos, viste de speen uit het water die zij mee had laten koken, en koelde het flesje af in de emmer.

‘Nou,’ zei ze, ‘laten we 's kijken of dít helpt.’ Zij reikte hem de fles.

Terwijl de Andrew Sisters het liedje ten einde kweelden trachtte hij het kind de speen in de mond te stoppen. Het vocht, worstelde, gilde, stikte bijna in haar eigen speeksel.

‘Weet je wat,’ zei ze, ‘ik klim in bed, geef haar aan mij, dan doe ik net of ik haar de borst geef.’

Zij trok haar laarzen uit, klom in bed, ging tegen het hoofdeinde zitten en strekte de armen uit. Hij reikte haar het spartelende wezentje, zij legde het kindje aan de borst.

Het was tegen alle regels; zuster Flora, die haar in het vluchtelingenkamp had opgeleid als kinderverzorgster, zou ervan door de grond gegaan zijn. Maar na een paar sabbelingen klampte het reutelende wurm ineens de tandeloze kaken op elkaar en begon, met onthutsende kracht, aan haar tepel te trekken als een pomp, en haar borst met de knuistjes te kneden.

Hij zat naast haar bed, de ogen gesloten, de handen in de schoot. Zij wist niet of het preutsheid was of religieuze meditatie.

Nou, daar zat ze ze dan, met een kind aan de borst. Ze dacht aan het kind dat ze niet had mogen krijgen, aan de nachten die ze heimelijk in tranen had doorgebracht, nadat Heinzl haar had geaborteerd. Zijn argumenten waren overtuigend geweest, maar wat een verdriet, wat een eenzame wanhoop...

Zij keek op, zag Bonny met hemelse ogen naar haar staren, en wist wat hij dacht: de Madonna van de concentratiekampen. Ze stond op het punt iets te zeggen, maar tilde het kindje op, legde het hoofdje op haar schouder en klopte het op de rug. Opeens liet het wezentje zo'n boer dat Bonny, die de ogen inmiddels had gesloten, riep: ‘Wat was dat?’

‘Miss Hunis eerste boer.’

‘O? ... O...’

Ineens had ze medelijden met hem. Hij hield van haar, dat wist ze, de toegewijde, zwijgzame Quaker met de afwashanden, de ingetogen bangerd. Kassian voor hem, dat ze veranderd was in Laura met de patjepeeërs-manieren; maar het ingetogen meisje had de zuigeling zonder meer aan die gluiper van een Sanchez overhandigd. Wat was die eigenlijk met het kind van plan geweest? Waarom had de vader het, zo uit de schoot van zijn vrouw, bij hen ondergeschoven? Wat was er aan de hand in de pueblo?

Ze herinnerde zich hoe ze zich gevoeld had toen ze hier was aangekomen; het gevoel dit al eerder te hebben meegemaakt, de opwelling om Duits te gaan praten ... Dat was het! In de pueblo hing dezelfde atmosfeer die ze gevoeld had toen ze kamp Schwalbenbach binnenging: een sfeer van doodsangst.

‘Zeg, Bonny,’ zei ze, rustig om het slapende kind niet te doen schrikken. ‘Ik geloof dat het geen slecht idee zou zijn als jij 's aan die priester ging vragen of wij vannacht in zijn pastorie terecht kunnen met dit kind. Ik heb het gevoel dat we daar veiliger zouden zitten dan hier. Ik zou er niet al te lang mee wachten.’

[p. 298]

‘Maar als ik de deur opendoe...’

‘Ik dek het kind wel toe. Ga maar, ik geloof dat het dringend is.’

Hij ging naar de deur, schoof de grendel weg; zij dekte het kind toe met de deken; maar hij bleef aarzelen met zijn hand op de klink.

‘Toe nou,’ zei ze.

‘Het gaat niet,’ zei hij. ‘De deur wil niet open.’ Hij lichtte de klink op en trok aan de deur. ‘Ze hebben hem van buiten afgesloten.’

De zuigeling begon weer te huilen, een dun, hopeloos geluid in het bolderen van de storm.

‘Wat nu?’ vroeg hij.

‘We moeten zien dat we er op een andere manier uitkomen.’

‘Maar hoe?’

‘Laat me daar 's over nadenken.’ Hij keek haar zo bang en bezorgd aan dat ze zei: ‘Weet je wat: laten we samenkomst houden.’

Hij ging weer naast haar zitten. Zij vouwde de handen, sloot de ogen, boog het hoofd en dacht: hoe zou ik proberen hier binnen te komen als ik die Sanchez was? De deur is gegrendeld. Die zou hij eventueel kunnen inrammen, maar hij zal het eerst op een slinkse manier proberen. Door de raampjes? Die zijn van buiten met ijzeren spijlen beveiligd. Wij kunnen er niet uit, hij kan er niet in. Door het dak? Misschien. Een gat maken in de zoldering en daardoor naar binnen komen. Een luik in de vloer? Nergens te zien, de enige plaats zou onder het bed zijn. Aanstonds maar eens naar kijken. Wat waren er verder nog voor mogelijkheden? De schoorsteen?

‘Bonny,’ zei ze, midden in de stilte, ‘ik heb het! Vlug, vlug!’ Ze sprong uit bed. Het kindje begon te blèren. ‘We kunnen eruit door de schoorsteen! Hier: wikkel het kind in de deken. Weet je wat? De plunjezak! Doe het kind in de zak, ik klim de schoorsteen in met een touw aan mijn broekriem, dan, als ik boven ben, hijs ik haar op. Hebben we touw?’

Hij zei iets over de gereedschapskist, maar zij wist dat zij geen touw hadden. Het enige dat ze doen kon was het laken aan repen scheuren en aan elkaar knopen. Ze voegde de daad bij het woord. ‘Vooruit, joh! Pak de plunjezak! Keer hem om op het bed, vlug!’

Hij gehoorzaamde.

 

***

 

Laura's dubbele persoonlijkheid had hem met afkeer vervuld; nu was de sigaarpaffende meid met de schuttingtaal een rots in de branding. Zij knoopte het eind van de repen beddelaken om haar middel. ‘Dek dat kind af!’

Hij smoorde het gekrijt van het kindje in de deken.

Zij opende de deurtjes van de haard, as en zand stoven naar binnen; ze klom erin. Het geloei in de schoorsteen verstomde toen haar bovenlijf in de holte verdween. Met inspanning van al haar krachten klom zij omhoog, roet en gruis wolkten de kamer in, toen plofte ze naar beneden en kwam weer te voorschijn, roetzwart. ‘Barst!’ zei ze, ‘barst, barst, barst!’ Ze kroop de haard uit, sloot de ijzeren deurtjes. ‘Ik ben te vet! Zo komen snoepers te pas. Kijk 's hoe ik eruitzie! En dat allemaal voor niks!’

‘Wat doen we nu?’

[p. 299]

‘Weet ik veel! Ik ga eerst mandiën.’ Zij sloeg de deken terug, het kindje lag wanhopig te krijsen.

‘Kom, joh, dans nog maar een nummertje.’ Ze trok haar broek uit en liep in haar blote achterste, haar dijen en kuiten zwart van het roet, naar de grammofoon en wond die op; de vrouwenstemmen begonnen weer te kirren; hij danste, de ogen gesloten, met het kindje in de armen. ‘Hou je ogen niet dicht, joh,’ zei haar stem, ‘anders ga je tegen de grond.’

Terwijl hij verder danste zag hij hoe ze zich probeerde schoon te maken met alcohol, maar het enige dat ze bereikte was dat ze de zwarte vegen uitsmeerde. Ze gaf het op.

‘Nou,’ zei ze, ‘zodra de storm een beetje bedaard is gooi ik een raampje open en brul: “Help!” Dat is het enige dat er nog op zit: de priester laten weten dat we in de val zitten.’

Ze klom in bed en strekte de armen uit. ‘Geef maar op,’ zei ze.

Hij gehoorzaamde. De wind schudde het gebouwtje, rammelde met de luikjes, deed de kaarsvlam flakkeren; het kindje, na een korte worsteling, begon ineens weer te zuigen en haar borst te kneden.

Ze keek op, en zei: ‘Weet je wat: lees nog 's wat voor uit dat verhaal van die pater. Wie weet staat daar iets in wat ons op een idee kan brengen.’

‘Ja,’ zei hij, ‘dat is goed.’

Het boek lag op de schoorsteenmantel. Hij bladerde erin om terug te vinden waar ze gebleven waren.

‘De executie van Jesse McHair, waarvan ik, gezeten in mijn loggia, getuige was, begon met een muziek die ik nooit eerder gehoord had: een trom, een basfluit, een eentonig geloei en gebonk zonder herkenbare melodie, dat zelfs mij, in mijn hooggelegen observatiepost, in de ban bracht van zijn hypnotische ritme. Toen zag ik twee felkleurig gevederde dansers uit de kiva komen en een witte cirkel schilderen op het plein. Toen deze voltooid was begonnen de voltallige kochina's, veertig in getal, een ceremoniële dans binnen de cirkel. Het kwam mij voor dat de dansers zichzelf in een trance brachten door zich aan het ritme van de trom en de fluit te onderwerpen. Toen verscheen Jesse McHair op het plein.

Zodra hij de dansers zag, begon hij te schelden. Hij schudde de vuisten, beduidde hun dat zij ruimte moesten maken; hij leek meester van de situatie tot hij voet zette binnen de cirkel. Op dat ogenblik kwam een nieuwe groep dansers met gruwelijke maskers voor uit de kiva getuimeld, en omcirkelden hem. Ik kon niet duidelijk zien wat er in hun midden voorviel, de dansers verplaatsten zich langzaam naar de overkant van het plein, waar de cirkel uitmondde in het steegje dat naar de afgrond voert. Ik kon, vanuit de loggia, zien dat Jesse McHair langzaam naar de rand van de afgrond werd gedreven door de gemaskerde gedrochten. Op een gegeven moment, met een kreet van waanzin, spreidde hij de armen en sprong van de mesa.’

De wind bolderde in de schoorsteen, deed de deurtjes klepperen voor de haard. Bonifacius las voort, terwijl het kindje, persend met de knuistjes, vruchteloos verder zoog.

terug  begin  verder