terug  begin  verder
[p. 300]

Acht

De kleine karavaan muildieren en paarden was uit de haciënda vertrokken nog voor de storm was uitgeraasd; maar toen zij, na de Paso del Muerto te zijn doorgetrokken, aan de rand van de vallei stonden was de wind gaan liggen en de zon ging op boven een landschap van bovenaardse schoonheid.

Zoals altijd na een storm leek alles te zijn schoongewaaid: de hemel, de glinsterende toppen van de bergen in de verte, de rode klippen van de dalwand, de vallei zelf. Alles leek nieuw, onschuldig, maar het afdalen na een zandstorm was gevaarlijk. Overal lag stuifzand in banken samengewaaid als sneeuw; gelukkig dat Hidalgo het voorzichtigste paard was dat Gulie ooit had gekend; hij tastte met bijna menselijke argwaan iedere stap voorzichtig af voor hij het gewicht van zijn lichaam en haarzelf op zijn voorbenen deed rusten. De muildieren, te dom om bang te zijn, sukkelden sullend achter hem aan.

Beneden, in de vallei, waar de opgaande zon lange schaduwbanen legde over de schoongewaaide vlakte, werd het zo moeilijk het spoor terug te vinden onder het poederstof dat zij bijna niet opschoten. Maar eindelijk bereikten ze de voet van de mesa waarop de pueblo lag en begonnen hun moeizame klimtocht; toen zij aankwamen op het plateau voor de vleermuisgrot hoorden zij muziek.

Eigenlijk was het geen muziek: het ritmisch bonzen van een trom, het toonloos toeteren van een bas-occharino. Gulie had de Indianen eerder muziek horen maken, maar nooit dit soort.

Acapito, die naast haar was komen staan, zei: ‘Het is mis.’

‘Waarom?’

‘Deze muziek betekent dat de ceremonie begonnen is; nu mogen jullie er zeker niet meer in.’ Hij ging naar Grootmoeder, die door Juancho en Pedrito met rieten stoeltje en al van haar muildier afgeholpen werd, wachtte respectvol tot het oude mensje geïnstalleerd was in de ingang van de vleermuisgrot, en zei toen: ‘Doña Ana?’

‘Qué hay?’

‘Die muziek...’ Opeens werd er, boven hen, geroepen: ‘Acapito! Acapito!’

Hij keek op; een ogenblik stonden ze allemaal omhoog te staren. Toen riep de stem: ‘Acapito! Kawaljo! Atu, Atu!’

Gulie was de eerste die hem zag: het was Anagonga. Hij hing voorover uit een van de latrines aan de rand van de afgrond.

‘Ayakuhu nakayahia!’ riep Acapito.

Anagonga schreeuwde nog iets. Toen werd het stil.

‘Wat zei hij?’ vroeg Gulie.

Acapito antwoordde niet. Hij ging terug naar Grootmoeder, knielde voor haar en zei: ‘Mijn broer, Doña Ana. Hij is dood. Morga is ook dood.

[p. 301]

Het kindje is vannacht geboren, de sjamaans wilden het grijpen, maar Atu heeft kans gezien het af te geven in het lazaret. Nu hebben zij hem van de mesa gedanst. Zij zeggen, zij zullen dat doen met iedereen die probeert het kindje te redden.’

Atu en Morga, allebei dood? Gulie kon het niet geloven. Het moest een leugen zijn. De Hunis logen als kinderen, zeker als ze peyotl gegeten hadden.

‘Hebben ze dat ook met Harold Harner gedaan?’ vroeg Grootmoeder. ‘Hem van de mesa gedanst?’

‘Ja, Doña Ana.’

‘Juancho!’

De voorman kwam en knielde voor haar. ‘Sí, Doña Ana?’

‘Pak me op. We gaan naar boven.’

‘Sí, Doña Ana. Pedrito!’

Samen lichtten de twee mannen het stoeltje op en droegen Grootmoeder naar de kloof die naar de pueblo leidde. Het kon niet waar zijn, besloot Gulie. Morga misschien, hoewel ook dat ondenkbaar was; maar Atu? Alleen omdat hij zijn pasgeboren kindje het leven had willen redden?

Ineens verscheen Anagonga in de ingang van de kloof. Hij hief een hand op en zei, zonder knieval: ‘Geen toegang, Doña Ana. Religieuze ceremonie.’

‘Ik hoor dat jullie Atu hebben afgemaakt en dat er een kind geboren is dat jullie ook willen afmaken,’ zei Grootmoeder. Ze was woedend; het was de eerste keer dat haar de toegang tot de pueblo werd ontzegd.

‘Nee,’ antwoordde Anagonga. ‘Religieuze ceremonie. Geen toegang. Voor niemand.’

‘Amigo,’ zei Grootmoeder, ‘daarboven zijn drie blanken. Als één van hen een haar op het hoofd gekrenkt wordt, laat ik dit buizerdsnest uitroken door de sheriff, en jijzelf gaat de gevangenis in. Is dat begrepen?’

Anagonga was in een peyotl-roes, dat zag Gulie nu duidelijk aan zijn ogen. Het stelde haar gerust; Atu en Morga konden niet dood zijn, het kón gewoon niet! Anagonga had het alleen maar omlaaggeschreeuwd tegen Acapito om hen af te schrikken.

‘Je hebt Harold Harner ook van de mesa afgedanst, hoor ik,’ zei Grootmoeder. ‘Als er iets met deze mensen gebeurt, word je opgehangen waar ik bij sta, versta je dat?’

‘Nee, nee,’ zei Anagonga zelfvoldaan, zwaaiend op zijn benen als een dronkeman. ‘De steen, de steen!’

‘Niks steen,’ zei Grootmoeder. ‘Ik laat de National Guard komen, met helikopters. Verstaan? Ik geef jou en de rest één uur om het gif uit je lijf te springen; daarna kom ik boven.’

‘Nee nee, nee nee!’ zong Anagonga. ‘Steen, Doña Ana, steen! Boem! Pfff!’ Hij maakte een vies geluid met zijn lippen dat scheen te imiteren hoe Grootmoeder verpletterd zou worden wanneer de kei op haar viel.

‘Ga maar, dronkelap,’ zei Grootmoeder verachtelijk.

Anagonga draaide zich om en verdween in de kloof. Gulie verwachtte dat Grootmoeder zeggen zou: ‘Draag me naar boven’; maar ze keek omhoog en zag een rij hoofden over de rand gluren, naast de tuimelkei. De Hunis waren op dit ogenblik dronken genoeg om de daad bij het woord te voegen.

[p. 302]

Dat was blijkbaar ook Grootmoeder duidelijk. ‘Anda!’ zei ze. ‘Ontbijten!’

Eerbiedig droegen Juancho en Pedrito het rieten stoeltje terug naar de ingang van de grot en zetten haar neer. Juancho maakte de picknickmand open die hij had meegebracht, spreidde een tafellaken voor haar uit en begon de ontbijttafel te dekken, compleet met zilver en linnen servetten. Het leek even anachronistisch als het gebonk en toonloze geloei daarboven.

‘Acapito...’ Gulie wenkte hem; hij volgde haar naar de rand van het plateau. ‘Wat gebeurt er met de Quakers, als ze het kindje niet willen afgeven?’

Acapito keek naar de opgaande zon, de rode blokken van de Ciudad Encantada met hun zwarte schaduwen. ‘Zij zullen het eerst met list proberen.’

‘Hoe?’

‘Hen bedwelmen met peyotl.’

‘Maar dat zouden ze dan moeten eten. Ze zullen toch wel verstandiger zijn?’

‘Peyotl kan gerookt worden, ingeademd als het naar binnen wordt geblazen.’

‘Maar gesteld dat ze het uithouden in het lazaret, en Grootmoeder zou order geven over een uur naar boven te gaan?’

‘Doña Ana gaat niet naar boven,’ zei hij. ‘Zij is wel wijzer.’

‘Daar ben ik niet zo zeker van. Ze is des duivels, dat kan ik je wel vertellen.’

‘Ook al ging zij naar boven, zij komt niet verder dan de cirkel. Je kunt het horen: de kihimshy zijn al aan het dansen. Ze hebben de cirkel getrokken, die iedereen moet oversteken die de pueblo in wil, of uit. En dat kan niemand. Dat heeft Atu ook niet gekund.’

‘Waarom niet?’

‘Vanwege de demonen.’

‘De kihimshy? Ik geloof niet dat die Grootmoeder van haar stuk zullen brengen.’

‘Niet de kihimshy. De demonen in Doña Ana zelf.’

Daar had je het: zelfs de meest militante Indiaan bleef in zijn hart bijgelovig. ‘Goed,’ zei ze, ‘ik zal het met Grootmoeder overleggen.’

Toen ze tegenover het oude mensje aan het gedekte tafellaken zat begon ze: ‘Acapito zegt...’

‘Deze pancitos zijn koud,’ zei Grootmoeder, ‘de chocolate is lauw.’ Zij nam een tweede broodje en sopte het in de kom dampende chocolademelk die Juancho voor haar had neergezet. ‘Wat had die zatlap nu weer te vertellen?’ Voor Grootmoeder bestonden er geen Indianen die niet gedefinieerd konden worden met ‘zatlap’, ‘luizebos’, ‘buizerd’, of ‘rattetuig’.

‘Hij denkt dat de Bakers het kind zullen moeten afgeven, zodra ze het lazaret uitkomen. Ze moeten een cirkel op het plein oversteken en dat schijnt niet te kunnen.’

Zij verwachtte dat Grootmoeder er haar schouders over zou ophalen, maar ze zei: ‘Laten we dan maar hopen dat ze zo verstandig zijn niet dat lazaret uit te komen. Over een uur of wat liggen al die wilden met hun praatjes laveloos op de grond. In het lazaret zitten ze goed. De jongen zal het wel in

[p. 303]

zijn broek doen, maar dat meisje is anders. Die is niet van tapioca, zoals die pudding met kikkerogen.’

Ze wilde Bonifacius in bescherming nemen, maar besefte op tijd dat dit niet het ogenblik was om Grootmoeder te laten ontdekken hoe ze over de pudding met de kikkerogen dacht.

‘Eén ding hoop ik,’ zei Grootmoeder, haar derde pancito soppend, ‘dat ze niet zullen proberen te schuilen bij Vader Alvarez.’

‘Dat lijkt niet zo'n dom idee. Waarom niet?’

‘Omdat die nog banger zal zijn dan de jongen.’ Grootmoeder legde het hoofd in de nek om een hap te nemen van het druipende broodje. Toen vervolgde ze, smekkend: ‘Niet voor niets kunnen zijn papegaaien ongestraft tegen hem krijsen: “No cojones!” Ze hebben gelijk.’

 

***

 

Laura zag, doezelig van de slaap, de dageraad gloren achter de raampjes. De wind was gaan liggen. Het vuur, dat zij aangemaakt hadden toen het stil begon te worden, knapperde en siste; vinnige vonkjes spatten de haard uit. De stem van Bonny, die door bleef zeuren, werd melodieuzer; zij luisterde niet langer naar de woorden maar naar hun klanken, als naar muziek. Het kindje lag, vredig slapend, in haar armen; zij tuurde met loom welbehagen naar het blokkenvuur, de vrolijk spattende vonkjes, de rookwolkjes die speels uit de haard ontsnapten en de kamer indreven. Het was zo'n vredig gezicht dat zij de ogen sloot en indutte, maar ergens was een storend geluid, dat zij buiten trachtte te sluiten. Kscht, ga weg, dacht zij, laat me slapen. O, wat een vrede, wat een rust - ze opende de ogen nog eenmaal en tuurde naar de vonkjes, die vrolijk spattende sterretjes, en naar de blauwe rookwolkjes die speels ontsnapten uit de haard en de kamer indreven, waar zij een zwevend waas vormden, blauwe sluier van zoetgeurende...

Ineens was het alsof haar hart stilstond. De rook dreef de kamer in! Dat kon niet! ‘Bonny!’

Hij zat, het hoofd op de borst, te slapen; toch ging zijn stem verder. Toen besefte zij dat ze niet naar zijn stem had zitten luisteren met dat gevoel van welbehagen, maar naar een geluid buiten: een ritmisch gebonk, een uitheems gefluit, dat niet klonk als een muziekinstrument, maar als de hoorn van een schip.

Ze wilde het bed uitspringen, naar de haard hollen, de luikjes dichtdoen en de raampjes openzetten, want zij werden bedwelmd! De vonkjes waren niet het spatten van de dovende as, maar iets wat door de schoorsteen op het vuur was geworpen, iets wat die blauwe rook verspreidde. Iemand had de schoorsteen van boven afgedekt!

Het was alsof haar ledematen onafhankelijk van haar waren ingeslapen. Zij trachtte hen te dwingen op te staan, maar de loomheid die haar had bevangen was dezelfde als toen Heinzl haar de injectie gegeven had, voor de curettage. Toen had ze ook willen opspringen en roepen: ‘Nee, nee, ik wil het niet! Laat hem leven, Heinzl, in Godsnaam, ik smeek je, Heinzl, laat hem leven...’

De herinnering was zo werkelijk dat zij ineens bevangen werd door een

[p. 304]

afschuwelijke angst: het kindje! Net als toen, zou het kindje worden omgebracht!

Zij wist niet hoe ze het klaarspeelde. Ze wist niet of ze bad, vloekte, als een tijger tegen de tralies vloog, maar ze zag kans om op te staan, zich naar het vuur te slepen. Ze sloot de luikjes, hoewel de rook, waarvan zij de zoetige geur nu ruiken kon, haar dreigde te bedwelmen. Toen struikelde zij naar de raampjes, rukte die open, greep de tralies en dronk met diepe teugen de frisse morgenlucht in. Daarna strompelde zij naar het bed, greep het kindje, dat zo slap was als een pop met hangende armpjes, en droeg het naar het raampje. ‘Kom, liefje, kom, kom,’ fluisterde ze, ‘adem, adem liefje, adem, adem ... O God, laat haar ademen!...’

Ze trachtte het kindje te doen herleven met mond-op-mond beademing, minutenlang; toen, ineens, zoog het schaapje zijn borst vol en krijste.

Dat was het ogenblik waarop ze bijna van de kaart raakte, aan het eind van haar krachten. Maar ze brulde door de tralies: ‘Padre! Vader! Meneer Pastoor! Vader Alvarez! Help! Ze nemen ons te grazen! Help! HELP!’ Te Iaat besefte ze dat ze het in 't Hollands geroepen had, maar alla: ‘Help’ was ‘Help’. Toen ging ze naar Bonny. ‘Bonny, word wakker! Joh, word wakker!’ Ze trapte tegen zijn stoel, hij lalde iets, maar hij kwam bij. Ze greep een sigaar, beet de punt eraf, spoog die naar deur en riep: ‘Sanchez! Ouwe heks! Dit keer heb je de verkeerde te pakken!’

Hoe kinderachtig! Ze moest zich schamen, zo groot als ze was; maar ze was ineens overweldigd door verlammende angst. Ze stond een ogenblik met gesloten ogen in het midden van de kamer, zo duizelig dat ze onmiddellijk haar ogen weer opende om niet tegen de grond te slaan. ‘Laura,’ zei ze hardop, tegen zichzelf, ‘Schwalbenbach. Schwalbenbach, Laura: Schwalbenbach! Niets kan ooit zo erg zijn als Schwalbenbach!’ Toen beende ze, schaatsend van de duizeligheid, naar de emmer water in de hoek, greep die beet, slingerde de inhoud in het gezicht van de versufte jongen en riep: ‘Word wakker! Bonny, word wakker!’

Op het bed krijste het kindje; buiten, op het plein, tromden en loeiden de Indianen.

‘Bonny! Bonny!’ Zij schudde hem bij de schouders, en verloor bijna haar evenwicht. Ineens hoorde ze iemand aan de deur rammelen.

Daar waren ze! De Indianen, Sanchez! O, mijn God!

De deur sprong open en een silhouet riep, zenuwachtig: ‘Vlug! Kom mee, kom mee! Doña Ana is aangekomen! Vlug!’

Het duurde een ogenblik voor ze besefte dat het niet Sanchez was, maar een priester.

‘Ha, die Vader,’ zei ze, zo misselijk als een kat. ‘U zult me even een handje moeten helpen, want de heer des huizes is van de kaart.’

De priester struikelde naar Bonny, schudde hem bij de arm en riep: ‘Meneer Baker! Doña Ana staat bij de vleermuisgrot! Wij moeten erheen, want als zij zelf naar boven komt laten ze de steen vallen! Kom! Meneer Baker!’

Blijkbaar had de emmer water uitwerking gehad: Bonny stond op, zwaaiend op zijn benen.

De priester leidde hem zenuwachtig naar buiten; zij ging naar het bed en

[p. 305]

pakte het krijsende kindje op. Het gevoel van het scharminkelige lijfje, zo licht als een veertje, gaf haar nieuwe kracht. ‘Kom, beestje,’ zei ze sussend, ‘kom, lief diertje. Wees niet bang, er gebeurt je niets.’ Maar op weg naar de deur dacht ze: stel je voor dat iemand het uit mijn armen wil rukken? Uitgerekend nu, nu ik zo slap ben als een vaatdoek? Ze keek om zich heen naar iets waarin ze het kindje kon wikkelen, vastmaken om haar middel; toen zag ze de plunjezak. Ze legde het kindje op tafel; hoorde Bonny roepen: ‘Laura! Waar blijf je toch?!’ riep terug: ‘Ik kom!’ en kuste het stakkertje nog één keer op haar snuitje, voor ze de ritssluiting dichttrok. Toen keek ze naar de snoep en de sigaren op tafel, waar Bonny ze de avond tevoren had uitgeschud, en weifelde.

‘Laura! Kom!’

Ze trok de rits weer open en stopte een sigaar bij het kindje in de zak.

 

***

 

‘Laura! Wat teut je nou?’ Bonifacius zag, als een zwemmer onder water, hoe Laura de knalgele plunjezak om haar nek hing, en de riemen om haar middel bond, als een stewardess in een vliegtuig die een zwemvest demonstreerde. ‘Toe nou,’ zeurde hij, ‘we moeten maken dat we wegkomen voor de Indianen de deur weer dichtslaan!’ Hij wist dat hij dronken was, maar het was een plezierige situatie. Hij voelde een leutige gewichtloosheid, die zich uitte in de schelmse, aangeschoten gedachte hoe leuk het zou zijn om die grammofoonplaat weer aan te zetten en samen met de priester rond te walsen terwijl de Andrew Sisters de Tennessee Waltz door de vleesmolen mangelden, ‘En, Vader?’ zei hij olijk, ‘waar is de kermis?’ Want een stoomcarrousel bonkte en toeterde in de verte.

De priester keek hem met onverklaarbaar bange ogen aan. Hij was nog bleker dan toen hij hem in zijn hofje had opgezocht, het leek of hij op het punt stond over te geven. ‘Er is een mogelijkheid dat wij lastiggevallen worden door de kihimshy bij het voorbijgaan van de kiva.’ Hij nam Bonifacius bij de arm en begon hem mee te tronen in de richting van het dorpsplein. ‘De Modderhoofden. Een beetje vervelende mensen.’

‘Is juffrouw McHair er ook?’ vroeg Bonifacius, wiegend op de maat van de carnavalsmuziek, die luider werd naarmate zij het plein naderden.

De bange ogen van de priester keken op naar de daken, waar roerloze Indianen in dekens gehuld naar hen zaten te staren als toeschouwers in een circus. Bonifacius zag dat het voornamelijk vrouwen waren en wuifde naar hen. ‘Dag dames!’ riep hij, guitig. ‘Dag Vriendinnen! Zitten jullie gezellig een zonnebad te nemen? Word maar niet te bruin, hoor, hahaha!’

De priester werd er helemaal akelig van. ‘Denkt u dat hij het kan?’ vroeg hij, met overslaande stem, aan iemand achter hen.

Laura antwoordde, laconiek als steeds: ‘Liever zo dan bij vol bewustzijn, Padre. We moeten hem er maar met z'n tweeën doorheen trekken. Wat zei u nou over modderhoofden?’

‘Ze komen uit de kiva,’ antwoordde de priester, slikkend, ‘die put op het plein. Daar moeten we langs, er is geen andere weg naar beneden. We moeten het plein over...’

[p. 306]

Zij naderden het plein en Bonifacius zag, met opgewekte belangstelling, de ronde muur van de kiva die Laura voor een waterreservoir had aangezien. Er steeg rook uit op, en het ritmisch bonzen van de trom leek uit het binnenste te komen. Het plein was leeg, maar overal op de daken zaten vrouwen roerloos toe te kijken; hij had er niets op tegen, als ze maar eens een teken van leven gaven. ‘Dames!’ jodelde hij en hoorde zelf hoe aanstellerig hij klonk. ‘Krijgen we geen applausje bij het binnentreden van de ring, hahaha?’ Hij was nog aan het schateren om zijn eigen grapje toen hij over een witte streep getrokken werd door de priester; op dat ogenblik tuimelde uit de kiva een krijsende, joelende horde wezens: vogels, dieren, gevederde gedrochten, allemaal met maskers vol wratten en misvormd door littekens, een stortvloed van koortsgedrochten uit de cloaca van een droomachtige onderwereld, het was alsof een schilderij van Jeroen Bosch tot leven was gekomen. Ineens was hij bang, wilde zich omkeren, weghollen; maar de priester hield hem vast. ‘Niet doen, meneer Baker! Doe alsof ze er niet zijn, alsof u ze niet ziet! Het zijn clowns! Vergeet u het niet: alleen maar clowns!...’

Clowns of niet, de gedrochten die op hen af kwamen hollen waren angstaanjagend. Gemaskerde monsters met varkenskoppen, rattehoofden, één scheen een priester te moeten voorstellen, een ander een oude vrouw, de rest waren honden, vogels, allemaal kwamen zij op hen af hollen, struikelend, huppelend, als clowns in een circus, maar er was geen spoor van vrolijkheid in hun afschrikwekkende voorstelling. Zij vormden een kring om hen heen en begonnen een griezelige, karikaturale dans die Bonifacius na enkele ogenblikken begon te herkennen als de parodie van een rooms-katholieke ritus. Een van hen, de priester, leek het Pater Noster te balken, in vervoering; de rest imiteerde gelovigen die de rozenkrans reciteerden. Vader Alvarez riep: ‘O, alsjeblieft, alsjeblieft! In Godsnaam! In naam van Christus! Alsjeblieft!’ De dansers drongen dichter om hen heen; de trommel en de loeiende fluit versnelden hun ritme. De gedrochten begonnen te gillen, te fluiten, te joelen, hun sprongen werden koortsiger, obscener, ze begonnen hun eigen vodden op te vreten, een varken deed alsof hij een hoop draaide, produceerde een naturalistische drol; een hond begon die op te eten. Een vogel op stelten urineerde, tot Bonifacius' ontzetting, in een beker, gaf die aan een andere klapwiekende vogel, die hem in één teug leegdronk, met zijn snavel smekte en op zijn buik wreef alsof het heerlijk was geweest.

Toen, ineens, opende de kring zich en Bonifacius zag, uit de kiva, twee angstaanjagende schepsels opduiken. Het waren kolossale papegaaien, met felgekleurde veren, gele snavels, monsterachtige klauwen; zij kwamen met gespreide vleugels op hen af waggelen, net als de papegaaien van de priester in het hofje. ‘No cojones!’ krijsten zij. ‘Puta tu madre! Masturba, padre! Masturba!’ De priester liet zijn arm los en holde weg, niet naar de overkant van het plein maar terug naar zijn kerk. Krijsend holde de menigte monsters achter hem aan, huppend, klapwiekend, kopjeduikelend; de twee kolossale papegaaien renden met verrassende snelheid voor hem uit en sneden hem de pas af. Toen hij van hen terugdeinsde begonnen ze hem heen en weer te jagen, van de een naar de ander. Zij krijsten Spaanse obsceniteiten, pikten naar hem, krabden hem, duwden hem omver, ten slotte viel hij op zijn knieën,

[p. 307]

het hoofd in de handen, overweldigd, vernederd, een zwarte bult, en de boosaardige reuzenvogels gingen hem onderkrabbelen met het rode zand van het plein.

‘Kom, Bonny! Kom joh!’ Laura trok aan zijn arm; hij begreep dat zij wilde profiteren van het feit dat de aandacht van de monsters, althans voor het ogenblik, van hen was afgeleid. Hij strompelde, ademloos, een paar passen met haar mee; toen, met een ijzingwekkend gekrijs, braakte de kiva een nieuwe horde wezens uit, die, joelend, bij trossen van de ladder tuimelden en op hen af gehupt kwamen als gigantische padden. Het waren weer gemaskerde gedrochten, nog obscener en weerzinwekkender dan de eerste, gekleed in pandjesjassen, met zwarte hoeden op. Zij vormden, joelend, kakelend, een kring om hen heen en begonnen te bidden, te jammeren, de handen gevouwen; hij besefte, met een gevoel van onpasselijkheid, dat zij een Quaker-samenkomst parodieerden die op hem gemunt was, zoals de priester het mikpunt was geweest van de parodie van een katholieke eredienst.

Hij trachtte de paniek af te schudden die zich van hem meester dreigde te maken. Het waren clowns, het was onzin, hij moest niet aan zijn angst toegeven, hij moest weigeren in de ban van hun capriolen te raken; het waren alleen maar Indiaanse clowns die probeerden hem de stuipen op het lijf te jagen met primitieve hocus-pocus. Waarschijnlijk zaten ze onder de peyotl en waren ze zo dronken als apen; maar hoe ze zich ook aanstelden, er was geen gevaar, helemaal geen gevaar, de Hunis raakten nooit iemand aan. Het enige dat hij moest doen was gewoon doorlopen naar de overkant van het plein, waar Gulie op hem wachtte. Als hij Gulie maar kon bereiken zou hij veilig zijn.

‘Vergeef mij, Vrienden,’ zei hij, ‘het is allemaal erg grappig, heel origineel, maar als jullie mij toestaan...’

Een van de monsters, met een mombakkes vol zweren en puisten, begon te getuigen, de armen omhooggestrekt, in naturalistische imitatie van een Gewichtige Vriend die tijdens de samenkomst in vervoering raakt. Maar Bonifacius liet zich niet van de wijs brengen. ‘Als het je niet te veel is, Vriend, zou ik graag naar de overkant willen. Dank je, Vriend...’ Opeens opende de kring zich weer en kwam, uit de richting van de kiva, een walgelijk droomwezen op hem afgestrompeld. Het leek een levensgrote karikatuur van Christus, het kruis op zijn rug. Het wezen kwam op hem af, struikelend over glinsterende, bungelende tressen die uit zijn buik hingen en die Bonifacius, toen het wezen naderde, met walging herkende als darmen. Het gedrocht stond op een paar passen afstand stil, hief het hoofd op, en keek hem aan met zulke verbijsterde schrikogen, zo'n doodsangst op zijn witte gezicht, dat Bonifacius de handen wilde opheffen om de ogen te bedekken, zich te verlossen van dat visioen, maar hij kon het niet. Hij kon het niet omdat het weerzinwekkende wezen deel was van hemzelf, een beeld in de spiegel dat hij soms tersluiks had ontwaard en er onmiddellijk van weggekeken. Het was de dubbelganger die had moeten opkomen omdat hij dienst geweigerd had, de bange jongen met de platvoeten die de veteraan in de auto voor hem opgeroepen had, en die hij had zien dobberen op de golven in de film van D-Day, de jongen wiens dood hij op zijn geweten had omdat hij, getrouw aan

[p. 308]

het beginsel van de geweldloosheid, boompjes was gaan planten en ‘Ik weet niet waar de levensstroom’ zingen. ‘Nee!’ riep hij, ‘nee, nee! Zo was het niet bedoeld! Luister!’ Maar de ander, hijgend van doodsangst, trachtend zijn bungelende darmen op te houden, strompelde, gebukt onder het kruis, op hem toe.

Hij kon het niet meer aan. Hij hoorde Laura's stem roepen: ‘Bonny! Blijf hier! Bonny!’ Maar de angst, de walging, het besef van zijn onherroepelijke verdoemenis joegen hem het plein over, terug naar het lazaret. Nauwelijks draaide hij zich om en begon hij weg te hollen of de horde gedrochten hupten en kopjeduikelden met hem mee, joelend, schaterend, kakelend. Zij spogen naar hem, maakten obscene gebaren, trachtten hem beet te grijpen terwijl hij in doodsangst naar het straatje holde naar het lazaret. Maar toen hij de witte streep bereikte werd hij gegrepen. ‘God! God!’ krijste hij; maar het was te laat. Iemand nam het monster het kruis van de schouders, legde het op de grond; terwijl hij gilde, worstelde, zich hulpeloos verweerde, werd hij ruggelings op het kruis gedrukt. Hij was zo bang dat hij braakte, zijn hoofd opzij; zijn polsen werden gegrepen, draadnagels werden in zijn handpalmen gepriemd, een vreselijke pijn; hij hoorde de hamerslagen waarmee hij, krijsend, aan het kruis genageld werd.

Hij trachtte te bidden: ‘God, lieve God, vergeef me. Ik bedoelde het niet zo, ik wist het niet, ik...’ Maar alle groteske, honende Quaker-smoelen om hem heen begonnen te blaten, te mekkeren, te jammeren, monsterachtige karikaturen van opportunistisch gebed.

‘Mijn God, mijn God!’ riep hij, smekend, ‘Gulie, Gulie!’ Alsof de jongen met de bungelende darmen op die bekentenis gewacht had, zag hij ineens het walgelijke monster boven zich opdoemen. De doodsbange, radeloze ogen staarden in de zijne, de jongen boog zich over hem, de stank van zijn adem deed hem de ogen sluiten. Toen ging het monster op hem liggen en zij werden, eindelijk, één.

‘God!’ krijste hij, en trachtte zich los te rukken. Maar hij zag een schaduw boven hen een speer opheffen, omlaagrammen, en voelde een afschuwelijke pijn in zijn hart. ‘God, God...’

Hij verloor het bewustzijn, verstikt in het vergoten bloed van zijn dubbelganger, dat het zijne was.

 

***

 

Toen Laura Bonny zag vallen en omcirkelen door die carnavalspoppen stond zij een ogenblik in twijfel. Moest ze hem beschermen? Zij was niet onder de indruk van het idiote gespring en gebuitel om hen heen; ze had maar één angst: dat, zodra haar aandacht afgeleid zou zijn, een van die gillende, springende zatlappen zou proberen haar de baby afhandig te maken; dat, daar was ze van overtuigd, was de bedoeling van de hele vertoning. Eerst hadden ze de priester weggejaagd, nu Bonny; nu was het haar beurt, tenzij ze de overkant van het plein zou weten te bereiken vóór de tierende horde die Bonny omringde haar kon achterhalen. Zij bedacht zich niet langer, liet Bonny aan zijn lot over en holde naar het steegje dat naar de uitgang van de pueblo leidde.

[p. 309]

Voor ze de overkant bereikte kwam er, van twee kanten, een krijsende horde gemaskerde gedrochten op haar afgestormd, één van rechts, uit een zijsteeg, de andere van links, uit het reservoir. De joelende, tierende menigte versperde haar de weg en begon om haar heen te dansen, te buitelen en te hossen, gillend dat horen en zien verging. Ze drukte de plunjezak tegen zich aan, in afwachting van de poging haar het kind afhandig te maken die ze wist dat op komst was. Inderdaad kwam er, opeens, een reuzenvogel op haar afgestormd door een opening in de kring van hossende gedrochten; een van de gigantische papegaaien die de priester hadden aangevallen.

‘Ga weg!’ riep ze. ‘Ksst! Flikker op, rotvogel!’ Ze besefte dat ze bezig was in een val te lopen: ze had de carnavalspop een ogenblik aangezien voor een boosaardige vogel. ‘Het is een vent,’ zei ze tegen zichzelf. ‘Denk erom: het is een vent, misschien onze vriend Sanchez met een feestneus!’ Het was alsof die gedachte haar immuun maakte voor de hocus-pocus van de carnavalsdieren, die steeds dichter om haar heen dansten, gillend, blatend, kraaiend, blaffend, mekkerend. ‘Het zijn mensen,’ herhaalde zij, ‘laat je niet door hun maskers van de wijs brengen, het zijn mensen, mensen!’ Toch groeide in haar een angst, een paniek die dreigde haar te overweldigen. Ze dacht erover om te bidden, maar zag in dat het in haar geval geen effect zou hebben, want ze geloofde niet meer in God sinds Vaders dood. Wat kon ze doen? Hoe kon ze die bloeddorstige kindermoordenaars vellen met hun eigen wapens? Ze begon, uitdagend, te zingen in het Hollands: ‘Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven, heb je wel gehoord van de zevensprong? Jij zegt dat ik niet dansen kan...’ Ze kende het liedje niet verder, maar herinnerde zich, met een gevoel van overmacht en bevrijding, wat zij van plan was geweest, toen zij zich uit het lazaret naar buiten waagde. ‘Schwalbenbach!’ riep ze. ‘Dachten jullie dat je mij de stuipen op 't lijf kon jagen, na Schwalbenbach?’

Een walgelijk zwijn kwam op zijn achterpoten op haar afgewaggeld, met een fakkel. ‘Kijk aan,’ zei ze, ‘daar hebben we Dikkie Bigmans! Ga weg! Ga je broertje bang maken!’ Het zwijn kwam, gillend, op haar af, zwaaiend met de fakkel; ineens stak hij die onder de plunjezak met het kind. Zonder erbij te denken griste ze de fakkel uit zijn hand alsof hij haar het ding had aangeboden, ritste de plunjezak open, grabbelde erin, haalde de sigaar te voorschijn, ritste de zak weer dicht, beet het tipje van de sigaar, spoog het in de bek van het zwijn, en stak de sigaar aan met de fakkel. De vlam was zo heet dat ze dacht: Kijk uit! Je haren gaan in de fik! Maar ze blies de eerste rookwolk naar het varken, en gaf hem met een gebaar van bravoure de fakkel terug. ‘Dag, Dikkie,’ zei ze, ‘ga maar lekker verder spelen.’ Met een gevoel van triomf liep zij door naar de overkant, de sigaar tussen de tanden.

Achter het gejoel en het getier van de buitelende gedrochten, het gebonk van de trommel en geloei van de fluit, was iets anders ontstaan: een vormelijke muziek, die uit de kiva scheen te komen. Opeens besefte ze, met een kramp in haar maag, dat ze de kiva aan haar rechterkant had in plaats van haar linker. Ze was bezig terug te lopen naar het lazaret.

Ze stond stil. De kring hossende demonen opende zich en zij zag een rij statige, gedisciplineerde dansers, gekleed in fel oranje en blauwe kostuums met veren hoofdtooien, die een ballet uitvoerden aan de voet van de kiva.

[p. 310]

Terwijl zij daar stond, van haar stuk gebracht, drong het tot haar door dat het schijnbaar bandeloos rondhossen van de gillende poppen om haar heen, zelfs hun plotselinge uitvallen in de richting van het kindje, gehoorzaamden aan dezelfde discipline als het ballet aan de voet van de kiva. Ze begreep niet waarom, maar het besef dat er aan de schijnbare chaos van de joelende gedrochten een discipline ten grondslag lag was angstaanjagender dan toen ze nog gedacht had dat iedereen op zijn eigen houtje brooddronken rondsprong. Opeens was de sigaar niet langer een symbool van haar overwicht, maar van gebrek aan inzicht, een gebaar van panache dat machteloos was tegen de genadeloze discipline van de slagorde die haar nu stuurloos rond begon te drijven op dat plein, rond, rond, tot ze alle besef van richting verloren zou hebben en door de knieën gaan. Maar dat zou haar niet gebeuren! Ze dwong zich met inspanning van al haar wilskracht de gedrochten recht in de wrattenbek te kijken en te denken: mensen! Het zijn mensen! Jij bent een kerel, en jij bent een kerel ... Zij dwong zich bewust te blijven van de richting waarin ze haar dreven, zij keek omhoog naar de daken vol roerloze toeschouwers, naar de toeschouwers, naar de afgeknotte toren van de kiva waarvoor de dansers hun statige ballet uitvoerden, een falanx van paradijsvogels in primaire kleuren, prachtig om te zien ... Het lukte haar! Het lukte haar zich los te maken uit de beheksing van die bende wilden met mombakkesen van Cladder! Ze baande zich een weg terug naar het straatje dat naar de uitgang leidde, roepend: ‘Schwalbenbach! Denken jullie dat ik me de stuipen op mijn lijf laat jagen door een stelletje feestneuzen, na drie jaar Schwalbenbach? Heinzl! Siegfried! Veeg ze de straat af!’

Het werd stil met een onverhoedsheid die haar in de war bracht. Als bij toverslag verdween de boosaardige horde monsters, papegaaien, zwijnen, priesters, Quakers, huppende padden in de zijstraatjes. Het gebonk van de trom hield op, het getoeter van de fluit; de dansers stonden stil, verstijfd in de beweging die zij bezig waren uit te voeren toen de muziek tot zwijgen werd gebracht. Opeens wist ze: nu komt het, nu gaat het komen, nu moet ik eraan geloven.

Ze stond, moederziel alleen, midden op het plein, en haar hart zonk haar in de schoenen. Ze stond daar, als een stier in een arena, te wachten op iemand die nu komen zou om haar de doodsteek te geven. De toeschouwers staarden omlaag in de arena, stil, roerloos. In die stilte van roerloze afwachting hoorde zij het kindje in de plunjezak huilen. Het gesmoorde geluid deed haar ontwaken uit de verlamming van de angst. Zij opende de zak en haalde het kindje eruit; het dun gekrijt klonk luid in de stilte op het plein. Zij drukte het lichaampje tegen zich aan, kuste het hoofdje; toen zag ze, over het hoofdje van het kind heen, een van de dansers naderen. Toen hij dichterbij kwam herkende zij het gezicht onder de veren hoofdtooi. Het was Sanchez.

‘Dag meneer San...’

Haar stem bleef in haar keel steken, want opeens vervaagde de gestalte van de langzaam naderende man in zijn kleurige kostuum. Opeens had ze het gevoel alsof ze opgetild werd, op haar kant gelegd, en het plein, de gebouwen van opzij zag. Het was alsof ze door sterke armen werd weggedragen, toen flitste een geelzwarte streep onder haar voorbij. Ze hoorde

[p. 311]

een woest gebrul, een afgrijselijke gil en zag Siegfried Vader naar de strot vliegen en er een stuk uitrukken. Een stem boven haar riep: ‘Siegfried! Fuss! Fuss!’ De hond ging onmiddellijk liggen; Vader sloeg de handen aan de keel, bloed spoot tussen zijn vingers, hij zakte op de grond. Toen kwamen Kapo's op hem afgestormd met opgeheven knuppels en beukten, beukten, beukten op hem los, scheeuwend: ‘Judengeziefer! Schwein, Schwein, venerisches Schwein!’

‘Nee nee!’ gilde zij, en wilde haar ogen met haar handen bedekken; maar het kon niet, ze had iets beet. Het kindje. Ze zag het wijdopen mondje, de zwaaiende knuistjes, en besefte, als in een droom, dat het visioen werkelijkheid was, dat ze dit werkelijk gezien had. Ze had hem voor haar ogen zien vermoorden. Heinzl wendde zich langzaam om, weg van het afgrijselijke schouwspel, dat visioen uit de hel; toen begon het kindje te huilen.

Misschien had het al die tijd al gehuild, maar het geluid was niet tot haar doorgedrongen. Half in de droom riep ze: ‘Heinzl, laat me gaan!’ Het was alsof zij weer op haar benen gezet werd, met haar gezicht naar het visioen. De Kapo's beukten, beukten op hem los, vloekend. Vader reutelde, rochelde van pijn, in doodsnood, als een dier. Wat haar verlamde, wat haar belette één stap te doen, was het besef dat het háár schuld was. Toen hoorde zij het kindje weer, in haar armen. Zij liep langzaam op hem toe en zei: ‘Ik doe het, Vader, ik zal het voor je doen, ik zal het voor je redden, heus, geloof me, ik speel het klaar, het is niet voor niets geweest, alles is goed, Vader, alles is goed, ik zal het voor je doen, ik zal het doen...’ Tranen liepen langs haar wangen, maar het was alsof, met die belofte, de angstdroom van haar week, alsof ze wakker werd tegenover de Indiaan met de veren, het kindje in haar armen. ‘Sorry, Sanchez,’ zei ze, ‘het gaat niet door. Ik heb een toverwoord: Schwalbenbach.’ Ze had het gevoel alsof het nog steeds deel was van de droom, maar ze zei: ‘Schwalbenbach, Sanchez, Schwalbenbach. Je kunt het niet, want ik heb Schwalbenbach overleefd.’

Toen de Indiaan onverzettelijk voor haar bleef staan, riep ze, in vertwijfeling: ‘Heinzl! Obersturmführer Kroll! Kapo's! Dokter Wassermann! Rabbi Hirsch! Frau Rosenkrantz! Vader! Help me! Help me erdoor!’

Toen stapte de Indiaan opzij.

Verbijsterd door haar kracht, die niet de hare was, liep zij, het kindje tegen zich aangedrukt, naar de ingang van het steegje, onder de bescherming van allen die in Schwalbenbach waren omgekomen, beulen en slachtoffers, samengebald tot één onverzettelijke kracht.

Ze stapte de lijn van de cirkel over; opeens, met een gejoel en een getier, dat haar van schrik deed verstijven, hoorde zij de horde achter zich naderen. Alle gedrochten die haar gesard hadden holden haar voorbij, het straatje in, langs de rand van de kloof waarin zij moest afdalen, naar de ronde steen, die als een rode bol afgetekend stond tegen de blauwe hemel. Daar dromden zij omheen, joelend, juichend in victorie, en zij wist wat haar te wachten stond. Als zij, met het kindje op de arm, in die kloof afdaalde zouden zij de steen laten vallen op het ogenblik dat zij eronderdoor liep, en hij zou haar en het kind verpletteren. In haar hart wist ze: nu ben ik er geweest. Ze kuste het hoofdje van het kind. ‘We zijn er geweest, popje,’ zei ze. ‘Nou, we hebben ons best gedaan.’

[p. 312]

Ze keek op met tranen in de ogen en zag, tegen de blauwe lucht, de roerloze vrouwen in hun dekens naar haar staren. Opnieuw had ze het gevoel moederziel alleen in een arena te staan; in een opwelling hief ze het kindje naar hen op en toonde het, klein, machteloos spartelend, aan al die roerloze wijven. ‘Daar gaat-ie dan, dames!’ riep ze. ‘Daar gaat jullie toekomst! Kijk nog maar even, want ik neem haar mee. Ave, dames! Zij die gaan sterven, groeten u!’

Hoe was het mogelijk, dat zij op zo'n ogenblik van hoge ernst zich zo theatraal kon aanstellen? Want dat was het: ze brulde het alleen maar om zichzelf moed in te spreken, want ze wist niet wat ze nu beginnen moest. Toen, tot haar verrassing, begonnen de roerloze toeschouwsters te bewegen.

Een voor een stonden de vrouwen op de daken op, schuifelden naar de ladders en daalden achterwaarts af, het plein op. Een ogenblik dacht ze: nu gaan zij me te lijf, maar er gebeurde iets raadselachtigs: de vrouwen stelden zich in één rij achter elkaar op. Als bij het begin van een spelletje haasjeover bukten zij, één voor één, legden hun deken over hun voorgangster heen, en begonnen op die manier een slang te vormen. Toen kwam er een op haar toe, legde een hand op haar schouder en maakte haar met gebaren duidelijk dat ze zich bij de rij moest voegen. Zij bukte zich, greep zich vast aan haar voorgangster, iemand legde een deken over haar heen en zij werd bij het middel gegrepen door iemand achter haar. Eindelijk begreep zij wat de bedoeling was: de vrouwen zouden samen met haar in de kloof afdalen als een lange slang, zodat de mannen van bovenaf niet zouden kunnen zien wie onder de steen voorbijschuifelde.

Ze stond, leek het, een half uur in het donker, haar voorhoofd op het achterwerk van haar voorgangster, bijna verstikt door de stank van ongewassen vrouwenlijven, terwijl de slang achter haar werd voortgezet. Eindelijk kwam er beweging in de wachtende stoet. Het kindje onder zich als een apin schuifelde zij achter haar voorgangster aan, schuifelde, schuifelde; op een gegeven moment voelde ze dat de weg omlaagging, zij waren in de kloof.

Met haar hart in haar keel begon zij af te dalen. Zij kon haar voeten niet langer zien; zij was verblind door zweet dat in haar ogen brandde. Opeens begon het kindje te blèren; zij drukte het stijf tegen zich aan om het geluid te smoren. Dat ontbrak er nog aan, dat ze, net op het ogenblik dat ze onder de kei door liepen ... Ze schuifelde, sulde, schuifelde; opeens richtte haar voorgangster zich op, de deken gleed van haar af.

Ze stond op het plateau voor de vleermuisgrot, met om haar heen een drom vrouwen. Terwijl ze, in het overweldigende licht, om zich heen staarde hoorde zij een stem juichen, buiten zichzelf van vreugde, een man, die gilde.

‘Hoezee!’

 

***

 

Acapito sprong rond als cen gek, gillend: ‘Oesee, oesee, kawala oesee, oesee!’

Oesee: ‘vrij’, eindelijk begreep Gulielma waarom al die vrouwen uit de kloof te voorschijn kwamen, zich oprichtten en met uitgestreken gezichten hun dekens weer omsloegen. Zij hadden, eindelijk, besloten de pueblo te verlaten om een eind te maken aan de kindermoord. Toen zag zij Laura Baker

[p. 313]

in hun midden opduiken, met een zuigelingetje op de arm. Ze had het gehaald! Ze had het kind gered! Maar waar was Bonifacius?...

Zij wachtte met stijgende ongerustheid tot hij zou opdagen, maar de enigen die te voorschijn kwamen waren vrouwen, die op een kluitje gingen staan, hun dekens om hun schouders, en de vlammende toespraak over de vrijheid waar Acapito aan begonnen was onbewogen over zich heen lieten gaan. Hoog boven hen, aan de rand van de kloof, stond een groepje clowns met gedrochtelijke maskers te schreeuwen en hun vuisten te schudden bij de tuimelkei. Het was een historisch ogenblik, maar Gulielma had er oren noch ogen naar, want waar was Bonifacius? Ze vroeg het aan een paar squaws, maar die keken haar aan alsof ze de menselijke taal niet machtig waren. Opeens, in een gemeenschappelijke opwelling, als een koppel ganzen, draaiden zij zich om en begonnen, met dezelfde onbewogen gezichten, weer de kloof in te klimmen, terug naar de pueblo. Acapito stond er met stomheid geslagen naar te kijken, toen begon hij hun toe te schreeuwen dat ze gek waren, dat dit hun kans was om hun ketenen te slaken, dat ze, nu ze zich eindelijk bevrijd hadden uit de slavernij, niet alles weer ongedaan moesten maken; maar hij kon, wat hun betrof, net zo goed tegen de rots staan krijsen. Ze klommen, de een na de ander, weer naar boven met dezelfde trage, slome bewegingen waarmee ze naar beneden waren gekomen. Toen de laatste verdwenen was zakte Acapito op de hurken, als een bokser die knock-out was geslagen.

Maar Gulie had geen ogen voor hem. ‘Waar is Bonifacius?’ vroeg ze aan Laura, die naast Grootmoeder op de grond was gaan zitten, het baby'tje op de arm.

‘O, dat weet ik niet,’ antwoordde het meisje, vaag. Ze zag er volkomen uitgeput uit, en had grote zweetplekken onder de oksels van haar T-shirt met het opschrift The hell with housework.

‘Alsjeblieft,’ drong zij aan; ze was er nu zeker van dat er iets met hem gebeurd was. ‘Alsjeblieft, wat hebben ze met hem gedaan? Waar is hij?’

Laura keek naar haar op, alsof ze moeite had haar ogen in te stellen. ‘Ze zaten hem achterna. Ik denk dat hij teruggegaan is naar het lazaret.’

‘Wie hebben hem achterna gezeten?’

‘Laat haar met rust, Gulie,’ zei Grootmoeder afkeurend. ‘Als jij hem wilt gaan zoeken, ga je gang.’

Gulielma klom zo snel als ze kon het steile pad naar de pueblo op. Toen ze de top bereikte had ze de squaws ingehaald, die langzaam, als een kudde vaarzen, terugsjokten, het dorp in. Zij baande zich een weg en holde naar het plein. Daar waren kochina-dansers in hun kleurige kostuums bezig terug te klimmen in de kiva, de clowns stonden rond een houten tobbe hun gezichten te wassen, maar ze had geen ogen voor hen. Zij holde het plein over, naar het lazaret. Toen zag ze hem.

Hij lag op zijn rug, met gespreide armen, op een kartonnen kruis. Hij lag zo stil dat ze dacht dat hij dood was. Ze knielde naast hem en raakte zijn schouder aan. ‘Bonifacius? Bonny?’

Hij bewoog, en rolde opzij. Zijn ogen waren omhooggedraaid, alleen het wit was te zien; zijn gezicht was bleek als was, zijn mond hing open. Op de dwarsbalk van het kartonnen kruis stond in blauwe letters: Pet condensed

[p. 314]

milk, one pint, case of twenty-four.

‘Bonny,’ drong zij aan, ‘Bonny! Bonny, alsjeblieft...’

Hij lag daar zo hulpeloos, zo vernederd, dat zij zich met een roekeloze tederheid over hem boog. Alles wat zij was, alles wat zij had ging uit naar die arme, dappere man, verstrikt in een koortsvisioen van angst.

‘Bonny?’ fluisterde ze, en kuste zijn voorhoofd. Het was klam van zweet. ‘Bonny, alles is goed ... alles is goed, ik ben het, Gulie.’

 

***

 

In de duisternis waarin hij verdronken lag flitste een zilveren glimp, alsof er ergens een visje zwenkte. Het deed hem niet ontwaken, het maakte alleen de foltering wreder, want het was een flits geweest van vrijheid, leven, licht - alles wat hij voorgoed verloren had. Hij sloot de ogen om het niet nog eens te zien, niet opnieuw die wanhoop te voelen. De duisternis, de roerloosheid waren eeuwig, en daarom op de een of andere manier te verdragen.

Maar ofschoon hij zijn ogen gesloten hield zag hij het weer, duidelijker dit keer: de flits van een zwenkend visje in het donker. Hij wist dat hij zich een ondraaglijke foltering op de hals haalde, maar hij kon het niet laten: hij wachtte op de terugkeer van het visje, die flitsende glimp in het donker.

Na een lange tijd zag hij het weer: een zilveren glimp van vrijheid, leven, licht. Wat was het toch? Een vis? Een ster? Een speer? Die gedachte gaf hem een stekende pijn; langzaam daagde de herinnering aan wat er met hem gebeurd was. Speer. Doorstoken met een speer, aan het kruis. Hij lag, gedoemd tot eeuwige roerloosheid, genageld aan een kruis.

Daar kwam het weer: helderder dit keer. Het was geen vis; het moest een ster zijn, want het was alsof, boven hem, een sterrenhemel een ogenblik werd onthuld door een wak in de wolken, een glimp van het heelal, van de tegenwoordigheid Gods.

Bij die gedachte werd hij overweldigd door een verdriet, zo diep, dat hij zijn ogen weer sloot en tranen langs zijn gezicht voelde lopen. Hij was gedoemd eeuwig zo te liggen, op de bodem van de oceaan van duisternis en dood, genageld aan het kruis; zijn ziel zou nooit, nooit meer de Tegenwoordigheid beleven. Opeens werd het verlangen om die belevenis nog één keer te ervaren zo sterk dat hij alles wilde geven, alles wat hij nog bezat, voor één seconde van het besef van de Tegenwoordigheid. Ook al zou hem dat niet de vrijheid schenken, het leven, hij wilde zich er alleen maar van bewust zijn, alleen maar weten dat God bestond. Zelfs in de diepste diepte van de verdoemenis, zelfs op de bodem van de oceaan van duisternis en dood, genageld aan een kruis voor alle eeuwigheid, wilde hij weten dat, ergens, die andere oceaan bestond, de oneindige oceaan van licht en liefde.

De duivelen geloven ook en zij sidderen. Waar kwam dat vandaan? Uit de bijbel? Ja, maar waar? Behoedzaam tastte zijn bewustzijn in de duisternis waarin hij gekluisterd lag. Jacobus. De brief van Jacobus. Gij gelooft dat er een God is en gij doet wel; de duivelen geloven het ook en zij sidderen.

Het besef bracht een plotselinge, wonderbaarlijke trilling van leven teweeg, een flonkering van innerlijk licht. Opeens besefte hij dat het visje, de ster in de wolken, niet buiten hem maar binnen in hem was geweest. Binnen

[p. 315]

in hem. De vijand binnen in u.

Hij lag roerloos op de rand van de bewustwording. De vijand binnen in hem. Hij was het slachtoffer geworden van de vijand binnen in hem. Welke? Wat was verantwoordelijk geweest voor zijn dood? Want er was geen twijfel aan, hij was dood, dit was de vergetelheid, de eeuwigheid, dit was wat er lag aan gene zijde van de horizon voor hen die gezondigd hadden.

Daarna, de begeerte voleindigd zijnde, baart de zonde, en de zonde, voleindigd zijnde, baart de dood. Ja, dat wist hij nu. Maar welke zonde? Laura? Had hij Laura verraden? Hij had iemand verraden; hij was verdoemd omdat hij iemand verraden had.

Terwijl hij zich hiervan bewust werd leek de glans, het licht binnen in hem te groeien. Ergens hoorde hij een geluid, het eerste geluid op de bodem van de oceaan van duisternis en dood. Muziek? Hij sloot de ogen en concentreerde al zijn aandacht op het geluid. Het was een stem. Een prachtige stem, die, op wonderbaarlijke wijze, het licht in hem deed groeien, als een dageraad. Wat zong de stem? Een naam?...

Toen schoot hij omhoog uit de duisternis, een pijl, een vogel. Hij brak door het oppervlak met een fontein van vonken, en staarde in het meest verblindende blauw dat hij ooit had gezien.

‘Bonny ... Ik ben het, Gulie...’

De wereld kantelde, de hemel werd zee; hij sloot de ogen en viel in de hemel, vol hartverscheurend verdriet over het leven dat hij verknoeid had. Hij wilde het niet opnieuw doormaken, hij wilde terug naar de vergetelheid; hij sprong in de hemel en viel, tuimelend, wachtend op de smak van het spiegelend vlak.

‘Bonny ... Kom...’

Het was de verkeerde stem.

‘Bonny ... Sta op ... ik ben het...’

‘Laura,’ zei hij, met oneindige weemoed.

‘Ze heeft het klaargespeeld,’ zei de stem. ‘De baby is gered.’

‘O,’ zei hij, met opeens een onwaardige haat tegen het kindje. Onwaardig, want het was zo lief geweest, ze hadden zo hef gedanst.

‘Kom,’ zei de stem, ‘sta op. Ik zal je helpen.’

I was dancing with my darling - to the Tennessee Wa-haltz ... Langzaam, vol weemoed, schaatste hij terug naar het leven dat niet lokte, het leven zonder Laura, zonder de Madonna met de sigaar.

‘Gaat het? Kun je lopen, denk je?’

‘Ja,’ zei hij.

‘Steun maar op mij,’ zei het exotische meisje naast hem, bezoekster van een andere planeet, met blakkerende spiegeltjes in plaats van ogen.

Of was dit de andere planeet?

Oranje, blauw, een oneindige verte, en de Tennessee Waltz.

terug  begin  verder