terug  begin  verder
[p. 316]

Negen

Herbert Haring was samen met Stella Best naar de haciënda gereisd, een vriendelijk oud dametje; hij had gedurende de treinreis een hogere dunk van haar gekregen dan destijds, tijdens de bestuursvergadering van de Meeting for Sufferings. Maar na uren en nog eens uren eindeloos gekeuvel zaten ze nu zwijgend in de salon van de haciënda, in de geparfumeerde geur van de blokken in het haardvuur, met steeds langer wordende oogleden. Doña McHair en haar kleindochter waren, volgens een van de Mexicaanse dienstbodes, voor een dagreisje naar de pueblo vertrokken en konden ieder ogenblik thuiskomen. Nu zaten zij, na talloze koppen sterke koffie, te staren naar de bodem van het vat der conversatie dat ze gedurende het afgelopen etmaal tot de laatste druppel hadden leeggeschraapt. De Deense dog lag als een gevelde os voor het vuur; op een gegeven moment zaten zij beiden, had Herbert het gevoel, gebiologeerd te staren naar zijn enorme geslachtsdelen. ‘Ja,’ zei hij, om aan die fixatie te ontsnappen, ‘het is merkwaardig dat de McHairs na al die eeuwen...’

Ineens sprong de dog voor de haard op en begon te brullen als de Hond van Baskerville voor hij, met een paardesprong, tussen hen beiden door naar de deur stormde, waarbij hij het tafeltje met de lege koffiekopjes deed wankelen. Een Mexicaanse verscheen in de deuropening en kondigde opgewonden aan: ‘La señora! Doña Ana! Ze zijn er!’ Herbert nam, hoffelijk, het oude dametje bij de arm dat te fragiel leek voor deze plotselinge Spaanse opwinding, en zij haastten zich in het aardedonker naar buiten.

Op de binnenplaats beschenen de nachtkever-doorzwermde lichtbundels van twee schijnwerpers op het huis een troep muilezels en paarden, waarvan de ruiters bezig waren af te stijgen: een dikke, blonde meid in afgeknipte jeans, een T-shirt met The hell with housework erop en een eigele plunjezak om de nek. Doña McHair, als een figuur uit een sprookje, werd uit het mandje van een zijzadel geholpen door een viertal onderdanige ranchero's en verwelkomd door buigende Mexicaanse dienstmeiden. Zij trippelde op haar korte beentjes naar Stella Best toe en zei, met een kinderstem: ‘U bent mevrouw Best? Het spijt me dat we zo laat zijn. Welkom op de haciënda.’ Toen snerpte zij, met de doordringende klank van een legertrompet: ‘Dolores! Tequila para seis en la sala!’

Achter haar verscheen haar kleindochter, op dat prachtige paard waarop ze hem de vorige keer had weggebracht. Voor haar zadel zat, als een zoutzak, een slapende of dronken man, die Herbert pas herkende toen de ranchero's hem omlaaghielpen. Het was Bonifacius Baker; hij zag eruit of hij door een balk getroffen was.

‘Naar binnen!’ riep Doña Ana, soldateske kikker uit het sprookje, en dribbelde voor hen uit, de hal in.

[p. 317]

Herbert zei tegen Stella Best: ‘Zullen we?’

Het oude dametje antwoordde niet. Zij stond te staren naar het meisje in het T-shirt, dat nu op hen af kwam, wijdbeens van de zadelpijn, en zei: ‘Ha, die Oma! Nog interesse voor een baby?’ Zij haalde uit haar gele plunjezak een blèrend kindje te voorschijn, dat spartelde in het schijnwerperlicht alsof het iets was wat ze met een hengel gevangen had.

Het oude dametje staarde, sprakeloos, van het spartelende kindje naar het laconieke gezicht van het blonde meisje; toen kwamen, met een koor van ‘ooo's’ en ‘aaa's’, de Mexicaanse dienstbodes op het baby'tje af. Het meisje overhandigde het onverschillig aan de eerste de beste.

‘Dag liefje...’ stamelde Stella Best, met een schuwe beweging in de richting van haar kleindochter alsof ze haar omhelzen wilde; maar de onverschillige meid merkte het niet. ‘Hoe gaat het met hem?’ vroeg ze aan Gulielma, die met de arm om de lamzakkige Bonifacius voorbijkwam, op weg naar het huis.

‘Ik zal hem maar naar bed brengen. Denk je ook niet?’

‘Doe dat,’ zei de blonde meid, en liep met cowboybenen het huis in. Stella Best en hijzelf volgden haar, de gang door, naar de zitkamer waar Doña Ana hen zat op te wachten, met haar knooplaarsjes voor zich uit op de bank. ‘Ga zitten, ga zitten,’ zei ze. ‘De tequila komt eraan.’ Toen richtte zij zich tot hem en vroeg, ontoeschietelijk: ‘En waaraan hebben wij uw bezoek te danken, meneer Haring?’

Hij trachtte zijn stem nonchalant te doen klinken toen hij antwoordde: ‘Ik kwam nog eens een keertje met u praten, Doña Ana, over een alternatieve besteding van het geld van het legaat. We hebben een lijst opgemaakt van een aantal programma's onder de Indianen, die de Meeting for Sufferings...’

‘Wat u me ook wilt voorstellen, meneer Haring, ik geloof dat het tot morgenochtend kan wachten.’ Zij nam een sigarenkistje van de plank achter haar, opende het, en hield het aan het dikke meisje voor. ‘Probeer deze eens,’ zei ze, ‘dan zul je eens wat proeven. De tabak is gekweekt op grond bemest met de guano van prehistorische vleermuizen.’

Het meisje nam een sigaar uit het doosje, beet de punt eraf, en terwijl Stella Best en hijzelf met ongeloof zaten te kijken staken de twee bizarre dames allebei een sigaar op en bliezen de rook naar de zoldering.

‘En?’ vroeg Doña Ana.

‘Fantastisch,’ zei het meisje. ‘Dat is nog 's wat anders dan een Broncobuster.’

‘Dat zou ik denken,’ zei de dwerg, voldaan. Toen schurkte ze zich in de kussens en riep met die trompetstem: ‘Dolores! Tequila!’ Ze deed hem denken aan de papegaai van mevrouw Harner.

‘Ik - als u mij wilt excuseren...’ Stella Best stond op en liep naar de deur. Herbert maakte zich zorgen over haar, maar niet de twee dames met de sigaren.

‘Als 't u hetzelfde is,’ zei de dwerg, ‘ik wil deze jongedame onder vier ogen spreken.’

‘O - neem me niet kwalijk...’ Hij haastte zich naar buiten en zag Stella Best in de donkere gang staan, weifelend, alsof zij niet goed kon zien. Hij

[p. 318]

wist, met het inzicht dat hij alleen in oude dames had, dat zij verbijsterd was door de ontvangst van de kant van haar kleindochter. In de trein had ze eindeloos over Laura verteld; hij begreep hoe zij zich nu moest voelen, na op deze manier te zijn afgewezen.

‘Zullen we even naar buiten gaan, de frisse lucht in?’ vroeg hij, en hij nam haar bij de arm.

‘Ik begrijp het niet,’ zei het oude dametje met bevende stem. ‘Ik begrijp er niets van...’

‘Waarvan, Stella Best?’

Ze herstelde zich. ‘Ik begrijp niet wat er gebeurd is. Waar komt dat kindje vandaan? Ik bedoel - waarom zijn zij meegekomen? Ik dacht dat ze in dat Indiaanse dorpje zaten...’

‘Weet je wat?’ zei hij, opgewekt, ‘laten we eens kijken of we het meisje McHair kunnen vinden, die zal ons wel vertellen wat er aan de hand is.’

‘Ja,’ zei ze, ‘ja...’

Voorzichtig, met een tederheid alsof het zijn eigen moeder was, leidde hij het oude dametje de gang uit, de hal in. Daar hoorden ze het gekrijt van een kindje, gingen op het geluid af en kwamen terecht in een grote ouderwetse keuken waar, in een kring van koerende Mexicaanse vrouwen, Gulielma McHair bezig was de zuigeling te baden. Zij voegden zich bij de toeschouwers.

Het arme kindje scheen radeloos te zijn, en geen wonder, het moest uitgehongerd zijn; als hij die vrouwen geweest was zou hij begonnen zijn met het te voeden en daarna pas in bad te stoppen. Maar het meisje met de uilebril was bezig het scharminkelige lijfje af te sponzen alsof ze met een pop speelde; daarna wikkelde zij het in een handdoek, droogde het af en poederde het en, God helpe het arme wicht, kamde zijn haartjes. Toen bracht de dikste van de Mexicaanse vrouwen, kennelijk de kokkin, een zuigfles met een speen die hem, als leek, buitensporig groot voorkwam. Gulie McHair nam het gepoederde en gekamde mormeltje op de arm en trachtte het de rubber tepel op te dringen. Het zag ernaaruit dat het kind er niet toe te bewegen was, maar na een korte, vertwijfelde worsteling klemde het ineens de speen tussen zijn tandeloze kaakjes en begon te slurpen, zwaaiend met de vuistjes. Het was een ontroerend gezicht, maar wat hem het meest ontroerde was de manier waarop Gulie McHair naar het wezentje keek.

‘Is - is dat een Indiaantje?’ vroeg Stella Best, naast hem, voorzichtig.

Het meisje keek op. ‘Ja,’ zei ze, ‘een Huni-weesje, dat uw kleindochter gered heeft. Zonder haar hadden ze dit kindje afgemaakt.’

‘Afgemaakt?’ Het was de stem van een geordende, beschaafde wereld die opeens tot het verleden leek te behoren. Hij had zich al die tijd afgevraagd wat Stella Best die aura gaf van een verleden tijd, nu wist hij het: zij was de personificatie van een wereld die voorgoed was ondergegaan, de wereld van vóór de oorlog, wereld van hoop en vriendelijkheid en vertrouwen in de uiteindelijke goedheid van de mens. Geen wonder dat zij geen raad wist met die toffe, keiharde meid met de sigaar en de vloek op de borst. Willens of onwillens was Laura blijkbaar een representante van de nieuwe lichting van het aloude Genootschap der Vrienden.

[p. 319]

***

 

Laura zat met verbazing naar het dwergje op de canapé te kijken toen die, met een geroutineerd gebaar, haar vierde tequila achteroversloeg, met de lippen smakte en vroeg: ‘Nog een?’

‘Nee, dank u, ik heb nog,’ zei Laura. Zij had na twee van die glaasjes al het gevoel dat de kamer langzaam deinde, als de salon van de nachtboot over de Zuiderzee, waar ze eens een hele nacht gezeten had in de stank van afgewerkte stoom en oude sigaren, luisterend naar het ruisen van de golven buiten in de nacht, starend naar een dikke Groninger die, na zijn nagels met een pennemes te hebben schoongemaakt, in slaap was gevallen op de bank tegenover haar met een krant over zijn gezicht. De herinnering bracht zo'n golf van heimwee teweeg dat ze zich dwong wakker te worden in de werkelijkheid van de kamer, het houtvuur, het glaasje in haar hand. Ze zette het naast haar stoel.

Het dwergje op de canapé blies de rook van haar sigaar naar de zoldering en zei: ‘Nu, vertel het me maar. Hoe heb je het klaargespeeld dat kind er levend uit te krijgen?’

Laura sloot de ogen en leunde achterover. De salon van de veerboot helde langzaam over op een traag aanzwellende golf. O, Holland, Holland ... Wat deed ze hier eigenlijk?

‘Er zijn er die niet in de zwarte magie van de sjamaans geloven,’ zei de stem van het dwergje in de salon van de nachtboot. ‘Maar Atu is de eerste niet die ze van de mesa hebben afgewerkt: mijn schoonvader Jesse McHair, die jongen Harner, de hemel weet hoeveel ze er in de loop der jaren dol hebben gemaakt en in hun dood laten springen. Toen ik hoorde dat jullie het kindje hadden dacht ik niet dat jullie kans zouden zien het er levend uit te krijgen. Hoe ben je het plein overgekomen?’

Het plein. De hossende, joelende gedrochten. De oranje en blauwe dansers met hun veren hoofdtooi. Het gevoel opgetild te worden en weggedragen ... Ze opende de ogen. ‘Ik ben gewoon doorgelopen,’ zei ze.

‘Hebben ze dan niet geprobeerd je tegen te houden?’

Ze wilde maar dat het oude mensje erover ophield. ‘Nee,’ zei ze.

‘En Anagonga?’

‘Pardon?’

‘De sjamaan. Die moet toch op een gegeven moment geprobeerd hebben je de weg te versperren.’

‘U bedoelt meneer Sanchez?’

‘Een oude man. Mager. Je zou hem geen cent geven, maar dat is een brujo, hoor. Als jij werkelijk ergens schuldig aan was geweest, had hij je die schuld als een draak voor ogen getoverd. Dat doen ze namelijk. Ze raken je niet aan, ze houden je een soort spiegel voor, waarin je je zwartste zonde ziet. Is dat jou niet gebeurd?’

‘Nee. Wat ik zag...’

‘Vertel het me maar.’

Ze keek naar het mismaakte mensje op de canapé, haar knooplaarsjes, haar sigaar, en opeens had ze een gevoel van verwantschap. Ze vroeg zich af of de sigaar in het geval van Doña Ana dezelfde functie had. Toen zei ze

[p. 320]

kalm: ‘Ik zag mijn vader, die zijn keel doorgebeten werd door een hond en doodgeknuppeld door de Kapo's. Ik moet dat gezien hebben toen ik werd weggedragen, maar ik had het me nooit eerder herinnerd. Misschien wilde ik dat niet, of kon ik het niet aan.’

Het dwergje keek haar aan met een blik van begrip. Opeens voelde ze zich onpasselijk worden. Daar had je het. De nachtboot. Ze werd zeeziek. Ze sloot de ogen en voelde de vloer weer langzaam rijzen op een aanrollende golf.

‘Hoe ben je daar dan aan voorbijgekomen?’

‘Ik weet het niet. Door het kindje, denk ik. Mijn vader had ook geprobeerd zuigelingen te redden, maar er een potje van gemaakt omdat het zo'n lieverd was. Veel te lief, te beschaafd voor de oorlog. Hij kon de nazi's niet aan omdat hij zich domweg niet in hun wereld kon indenken.’ Ze wilde nu alles vertellen, maar er was geen beginnen aan.

Het dwergje moest zitten nadenken, want een tijdlang hoorde ze niets. Toen zei de kinderstem in de deinende, rokerige salon: ‘Dan mag dat kindje jouw vader wel dankbaar zijn. Zonder hem zou het er niet levend zijn uitgekomen.’

Ze wilde het van zich afschuiven, maar ondanks haar moeheid en dat gevoel van misselijkheid dat aanzwol en wegebde, net als de golven, dacht ze erover na. Was dat zo? Was het feit dat ze het kindje gered had te danken aan Vader? Nee, eerder aan heel Schwalbenbach: Heinzl, Obersturmführer Kroll, de Kapo's ... Ze herinnerde zich hoe ze, in haar paniek, hun geesten opgeroepen had.

‘Als ik hem was,’ zei de kinderstem, ‘zou ik dankbaar zijn dat ik tenminste niet voor niets aan mijn eind gekomen was. Dat geldt voor alle martelaren: prachtig, je leven te geven voor God, maar zonder volgelingen die je offer omzetten in deernis, en medemenselijkheid? Daar had ik het nou over, die avond toen jullie hier aankwamen: de Franciscanen die als eersten dit land zijn binnengetrokken. Reken maar dat de Indianen die aan kruisen genageld hebben en hun darmen om hun nek gewikkeld en - enfin, noem maar op. Maar niemand wist ervan, niemand zag het, niemand werd door hun offer ertoe gebracht zich aan het werk Gods te gaan wijden. Die eerste fraters, daar bid ik geregeld voor. Wat was de zin van hun folterdood? Het zand van de Llano Estacado is over hen heen geblazen, de enigen die het zagen waren de sterren. Dat kan nu van jouw vader tenminste niet meer gezegd worden.’

Zij opende de ogen en keek het mensje aan, terwijl de vloer langzaam oprees en de walm van haar sigaar voor haar ogen kringelde.

‘Ik meen het,’ zei het dwergje, ‘ik zou er maar eens over nadenken.’

Mijn God ... het Zaad! De man met de slobkousen! Nee, dat kon ze niet accepteren. ‘Laat ik u vertellen,’ zei ze, ‘om zin te geven aan de dood van mijn vader is één zuigeling niet genoeg. Voor ik vrede krijg met de manier waarop hij afgeslacht is zouden er tien, honderd, duizend...’

‘Honderdduizend,’ zei de dwerg. ‘Een miljoen. Wat doet het ertoe? Het gaat niet om het aantal, het gaat om het feit Als hij niet voor je ogen doodgeslagen was, zou dat kind nu dood zijn.’

Ze had het gevoel alsof ze meegetrokken werd door een onderstroom die

[p. 321]

sterker was dan zij. Ze verdomde het, eeuwig, toe te geven dat Ethan Woodhouse met zijn gezemel gelijk had gehad; maar vanwege de stakker op de canapé, uit eerbied voor het wonder van identificatie, en niet omdat ze overtuigd was door het argument zei ze: ‘Daar zit wat in.’

De vloer van de salon rees langzaam omhoog, de wanden kraakten, de Groninger met de krant over zijn gezicht deinde mee op de bank, in slaap.

Ze schrok wakker omdat iemand haar hand aanraakte en zag het dwergje naast haar stoel staan. ‘Ik heb je sigaar weggepakt,’ zei het mensje, ‘voor die een gat in het tapijt brandde. Ik geloof dat het tijd wordt dat je naar bed gaat, kind.’

‘Doña Ana,’ zei ze, opeens, ‘gelooft u dat God klaar is, of zélf nog in wording? Er moet toch een God komen die het onvergeeflijke zegent, tot het zelf een zegen wordt?’

Het dwergje keek haar aan met het onvoorwaardelijke begrip van de dronkenschap en zei: ‘Chica, voor de Duif is niets onmogelijk.’ Zij hief haar glaasje. ‘A nuestros muertos! Mogen zij de eeuwige rust verwerven.’

‘No,’ zei Laura, ‘het eeuwige leven.’

terug  begin  verder