terug  begin  verder
[p. 345]

Twee

Kennedy Airport. New York - Biafra - Colombia
winter 1969

‘Passagiers voor Bogotá, attentie alstublieft!’ brulde de luidspreker boven het getinkel van de piano uit. ‘Pan American vlucht nummer 607 heeft één uur vertraging. Ik herhaal...’

‘O hemeltje,’ zei Bonifacius, ‘ik vraag me af wat er nu weer aan de hand is. Nou, je zult hier nog een uur moeten rondhangen, Himsha. Misschien heeft mijn vliegtuig ook vertraging. Laten we in ieder geval nog maar een glas wijn bestellen.’

Het meisje tegenover hem glimlachte ondeugend in het kaarslicht. ‘Als je maar niet dronken wordt, Paps,’ zei ze. ‘Maar vooruit, waarom niet? We hoeven geen van beiden meer te rijden, vanavond.’

Bonifacius trachtte de aandacht van de dienster te trekken. Hij wist niet of hij haar ‘juffrouw’, ‘dienster’ of ‘Vriendin’ zou noemen; maar zij weigerde in hun richting te kijken. Ze was bezig de bestelling op te nemen van de mensen aan het tafeltje naast hen; toen ze wegliep riep hij: ‘Juf - eh - Vriendin!’

De vrouw stond stil alsof hij gefloten had. ‘U wenst?’ Haar gezicht was achterdochtig.

‘Wij zouden graag nog een glaasje van die heerlijke wijn hebben,’ zei hij overdreven, om bij haar in het gevlij te komen. ‘Hij is werkelijk verrukkelijk. Het eten trouwens ook.’

‘Nou, dat is dan fijn,’ zei de dienster, blijkbaar tot de slotsom gekomen dat hij onschadelijk was. Zij pakte de lege glazen.

‘Laten we er een karafje van maken,’ zei Himsha.

‘Groot of klein, dame?’

‘Ach, groot maar.’

‘Himsha!...’ Maar de vrouw was al weg. ‘Jij kunt geen maat houden,’ zei hij. ‘Als je moeder ons zou kunnen zien..’

‘Ja, waarom is ze eigenlijk niet meegekomen? Dat was je me aan het vertellen.’

‘Joshua heeft griep, en Carry moet naar de dokter vanwege haar knie, enfin: de gebruikelijke crisissen. Bovendien vond ze het erg duur van Kissing Tree naar New York en terug. Maar je weet best dat ze in haar hart niets liever zou hebben gewild.’

‘Onzin,’ zei Himsha. ‘Ik weet hoe ze het land heeft aan afscheid. Als ik naar het zomerkamp ging, bracht ze me ook nooit naar het station. Dat deed jij altijd.’

‘Nu,’ zei hij, vergoelijkend, ‘daar zitten we dan weer. Wéér een zomerkamp, zou je kunnen zeggen. Zie je ertegenop?’

‘O nee.’

Hij besefte dat hij dit niet had moeten vragen. Natuurlijk zag ze ertegen-

[p. 346]

op; het was haar eerste wildernis-expeditie.

‘Is ze nog altijd kwaad omdat ik de academie heb opgegeven om dokter te worden?’

‘Stel je voor! Daar heeft ze zich al jaren geleden bij neergelegd.’

De dienster kwam met een karaf rode wijn en zette die tussen hen in. ‘Nog iets anders?’

‘Nee, dank je, Vriendin.’ Hij zag de vrouw vragend naar Himsha kijken, toen krijste een schelle stem aan het tafeltje naast hen: ‘Dienster!’ Het was een blauwharige oude vrouw, kennelijk aangeschoten, die een leeg martiniglas omhooghield en de olijf erin liet tollen.

‘Nu,’ zei hij, en hij schonk de wijn in hun glazen, ‘daar gaan we dan. Op ons beider veilige thuiskomst.’ Hij hief het glas en zij volgde zijn voorbeeld. De wijn was te koud en rins, maar hij begon de smaak te pakken te krijgen. Op het dansvloertje schuifelde een paartje van middelbare leeftijd op de maat van Wagon Wheels, dat door de pianist uitgehamerd werd alsof het een pianola was. Himsha staarde naar de dansers, het was duidelijk dat zij met haar gedachten mijlenver weg was, waarschijnlijk al in de bergen van Colombia, waar de epidemie woedde. Dezelfde bergen waar, bijna een eeuw geleden, Doña Ana McHair geboren was. Hij staarde naar haar, in het kaarslicht. Misschien kwam het door de wijn maar hij voelde zich opeens ontroerd. Herinneringen drongen zich aan hem op: de pueblo, de keren dat hij met haar in zijn armen gedanst had, een piepklein krijsend wezentje, terwijl buiten de krankzinnige Indianen aan het loeien waren op hun basfluit en aan het bonzen op hun trom om zich op te zwepen tot een mensenoffer. Dan al die jaren nadat Gulie en hij haar geadopteerd hadden; het wonder van het talent dat opbloeide uit de eerste gekraste kinderkrabbels; en daar zat ze nu, een mooie jonge vrouw, zelfbewust, met een roeping. Wat een verschil met die andere jonge Vrienden, met wie hij ruzie had gekregen tijdens de Jaarvergadering! Zijn protest dat het niet de functie van Vrienden was om politiek bij een oorlog betrokken te worden maar om voor de slachtoffers te zorgen was uitgekreten voor ‘traditionele, laffe afzijdigheid’. Vergeleken bij de brutale brulapen met hun lange haren en hun halfbakken notie van de Beginselen was zij een toonbeeld van rust en wijsheid, een nieuwe belichaming van de tijdeloze Quaker-persoonlijkheid. De hippies hadden haar tijdens de Jaarvergadering uitgenodigd met hen mee te gaan, als scheepsarts, met het jacht waarmee zij naar Noord-Vietnam wilden varen met een symbolische lading medicijnen, tegen het uitdrukkelijke verbod van de Amerikaanse regering in. Ze hadden zelfs de treurige moed gehad het schip de Margaret Fell te noemen! Maar Himsha had geantwoord dat ze andere verplichtingen had, en hij ... De pianist zette de Tennessee Waltz in.

Tot tranen geroerd door de wijn, de herinnering en het historische ogenblik nodigde hij haar ten dans. Ze aarzelde een seconde, legde toen haar servet weg en stond op. Hij nam haar in de armen, slank, fragiel, onbeschrijfelijk ontroerend; samen walsten zij rond op het dansvloertje, op het wijsje dat zoveel betekenis voor hen had. Op een gegeven moment kon hij zich niet langer beheersen en kuste haar haren; een harde vrouwenstem brulde van dichtbij: ‘Bah! Bláh! Vieze ouwe bok! Schaam je je niet, ouwe smeerlap?!’

[p. 347]

Hij stond verbijsterd stil en zag dat zij voor het tafeltje beland waren met de dronken vrouw, die naar de dienster gewuifd had met haar glas. Er zaten twee mannen bij die trachtten haar tot bedaren te brengen, maar zij liet zich niet de domper opzetten. ‘O ja!’ riep zij. ‘Ik weet het wel! Ik weet dat ik dit soort dingen niet zeggen mag! Maar het wordt tijd, vind ik, dat iemand ze zegt! Dat er oorlog is in Vietnam betekent niet dat iedere blanke ouwe bok met Aziatische tieners kan gaan dweilen!’

Het was zo onrechtvaardig, zo dwaas, dat hij erom moest lachen; maar de wijn, het gevoel van Himsha in zijn armen, de volheid van het ogenblik deden hem besluiten de oude vrouw te benaderen op de aloude manier van de Vrienden. ‘Ik kan begrijpen dat het je ergert, Vriendin,’ zei hij. ‘Maar ik verzeker je dat je je vergist. Vind je het goed dat ik er even bij kom zitten? Er is namelijk een verhaal aan verbonden.’

De vrouw mompelde: ‘Mot je mij vertellen.’ Maar ze was van haar stuk gebracht.

‘Kom, Himsha,’ zei hij, ‘laten we even gaan zitten en onze Vriendin hier vertellen wat dit muziekje voor ons betekent.’

 

***

 

Het was een van die ogenblikken waarop Himsha haar vader haatte en wat hij vertegenwoordigde: het sentimentele Quakerisme dat haar haar leven lang geërgerd had. Ze voelde de opwelling haar tasje en haar flightbag te grijpen en te vluchten naar het wachtlokaaltje voor PanAm 607 naar Bogotá. Maar, zoals al eerder gebeurd was, liet ze zich paaien door Vaders ontwapenende openhartigheid. Hij was zonder enige schaamte wanneer het erop aan kwam ‘aan het Licht in de ander te appelleren’; hij merkte niet eens dat het lallende oude mens te dronken was om overeind te zitten, laat staan een Quaker-avondwijding in zich op te nemen over het goddelijke in de Tennessee Waltz. Maar hij was ten slotte zelf op weg naar Zuid-Vietnam, dus in zijn geval was het niet uitsluitend geloof en geen werken. Voor hem was het afscheid bovendien navranter dan voor haar; zij was al half in Colombia, en ziek van het vooruitzicht, overtuigd dat haar benoeming als assistent-interniste op een afschuwelijk misverstand berustte.

Terwijl Vader over de pueblo en de Tennessee Waltz begon te vertellen, vroeg zij zich wanhopig af waarom ze destijds niet naar Moeder geluisterd had in plaats van zich door Laura Martens' voorbeeld te laten beïnvloeden. Nu ze al die romantische dromen in daden moest omzetten werd haar pas duidelijk dat zij totaal ongeschikt was voor dit werk. Zij was te broos, te gevoelig; de zieke kinderen in het universiteitsziekenhuis hadden haar al tot tranen toe bewogen. Wat zou er gebeuren wanneer ze geconfronteerd werd, niet met één of twee arme stumperdjes, maar met een hele volksstam van kinderen die in doodsangst en pijn stierven? Laura Martens was het bewijs dat om dit werk te doen je de huid van een rinoceros moest hebben, de moed van een leeuw, het uithoudingsvermogen van een kameel. Wat ter wereld had haar het idee gegeven dat zij, Himsha, opgevoed door twee zachte, lieve mensen, dochter van een artiest, die formidabele vrouw zou kunnen evenaren? En daar zat Paps, dierbaar kletsend tegen dat dronken

[p. 348]

mens! Wanneer hij eenmaal het evangelische bit tussen de tanden had was er geen houden meer aan; bovendien had hij dit keer nog te veel wijn op ook. Ze luisterde naar het overbekende verhaal van de Tennessee Waltz, en hoe ze nu ging werken onder de Indiaanse kinderen in Colombia, waar een epidemie heerste, en hoe hij op weg was naar Vietnam via Biafra, waar hij de vrouw zou gaan bezoeken die haar uit de pueblo naar beneden had gedragen, en die nu aan het werk was voor de kinderslachtoffers van de burgeroorlog in Nigeria. Na een tijdje werd ze er toch door geroerd, want niettegenstaande zijn weeë sentimentaliteit hield ze echt van hem. Er was geen man ter wereld van wie ze meer hield. Hij zag er niet uit: dik, kinderlijk, een kalf van een man; maar toch was hij, zoals hij daar zat te praten, het eindresultaat van driehonderd jaar Quakerisme. Ten goede en ten kwade belichaamde hij het Genootschap der Vrienden.

De dronken vrouw die zo kwetsend begonnen was, raakte in de ban van het verhaal. Ze luisterde hoofdschuddend, tranen liepen langs haar gezicht, ze rolde met haar ogen en sabbelde meermalen aan haar lege glas; toen het verhaal was afgelopen kon ze niet uit haar woorden komen, zo hartstochtelijk verontschuldigde ze zich: ‘O, lief, lief meisje! Het spijt me zo, kindje! O, ik wist 't niet, echt, waarachtig, ik wist 't niet! Ik dacht alleen maar dat die ouwe bok - O God, o God!’ Ze legde een perkamenten klauw op Himsha's hand. ‘En waar ga je naar toe, diertje? Vertel 's, wat is het adres van je hospitaal?’

‘O, dat weet ik niet...’

‘Dat weet ik,’ zei Paps. ‘Wacht, ik zal het voor je opschrijven, Vriendin.’

‘Luister 's, lieverd,’ bazelde het dronken mens, ‘ik heb een pruimenkwekerij in Californië, hele boomgaarden, honderdduizenden bomen; laat ik jou nou 's wat lekker fruit in blik sturen voor die arme Indiaanse kindertjes. Da's nou het minste wat ik kan doen, hè, schat. Da's nou echt 't minste. God zegen je, kind, God zegen je, man. God zegene jullie allemaal, iedereen!’ Zij liet haar hoofd met een bons op haar armen vallen en begon te snurken.

Himsha stond op; Vader moest haar voorbeeld wel volgen. Zij namen afscheid van de overlevenden aan de tafel die er gegeneerd uit zagen, niet onder de indruk van het larmoyante verhaal. Paps bracht haar naar hun tafel terug met zijn arm om haar schouders. ‘En, Himsha,’ zei hij, stralend van zelfgenoegzaamheid, en drukte haar tegen zich aan, ‘was dat niet een merkwaardig ogenblik van Leiding?’

‘Ja,’ zei ze, ‘heel merkwaardig.’ Berouwvol voegde zij eraan toe: ‘Ik wist niet dat je via Biafra zou gaan? Ik dacht regelrecht naar Saigon?’

‘De Meeting for Sufferings heeft me gevraagd om bij Laura langs te gaan op doorreis naar Vietnam, met een brief van het Londense Service Committee. Je weet dat de Engelse Quakers in Nigeria werken en wij Amerikanen in Biafra.’ Hij zei het met voldoening. ‘Zoals altijd werken Vrienden ook nu weer onder de slachtoffers aan beide kanten van het front.’

‘Is dat ook niet de bedoeling van de jonge Vrienden die met de Margaret Fell naar Noord-Vietnam onderweg zijn? Om aan weerszijden van het front in Indo-China te werken?’ Ze zei het met een spoortje wraakzucht; zijn demonstratieve goedheid had haar opnieuw verleid iets te zeggen waarvan

[p. 349]

ze wist dat hij erop zou reageren als een stier op een rode lap.

De zelfgenoegzaamheid verdween van zijn wijnblozende gezicht. ‘Die jongens met hun lange haren? Die hippies? Als je mij vraagt, zouden die brutale lummels zich geen “Quakers” mogen noemen vóór ze eerst hebben uitgevonden wat het eigenlijk betekent, Quaker te zijn, waar het ons drie eeuwen lang om gegáán is! Het Genootschap is niet een grabbelzak vol progressieve stokpaardjes, een zelfhulp-bazaar voor onbesuisde halfwassen die Jezus de eerste communist noemen, en al onze Vergaderingsgebouwen en begraafplaatsen willen verkopen voor de armen! Het Genootschap is niet iets wat je kunt kneden naar puberteitsstemmingen en politieke doeleinden: het is een religieus genootschap! Neem die belachelijke expeditie met dat jacht naar Hanoi! Wat voor zin heeft die expeditie, wat voor doel? Het is door de wet verboden, de medicijnen die ze meenemen zijn minimaal, uitsluitend symbolisch. Maar ze hebben wél een televisieploeg aan boord om er een film van te maken! Wat moet Jan met de Pet wel niet denken van de Quakers, als hij naar zijn teevee kijkt tussen zijn sokkevoeten met een flesje bier in zijn hand, en hij ziet een pin-up in een bikini die ligt te luieren op het dek van een zeiljacht dat tien buisjes aspirines naar Noord-Vietnam brengt?’

‘Maar Paps...’ Ze had het aan zichzelf te danken.

‘Ik ben niet van plan om de Beginselen en de ervaring van de tegenwoordigheid Gods overboord te zetten omwille van een stelletje snotneuzen, die denken dat het een tof idee is om de regering te pesten, en die zich dan Quakers durven noemen!’

‘Maar Paps, de theologie...’

‘Ik praat niet over theologie! Theologie verdeelt, dienstbaarheid verenigt! Wat zij doen is pesten, jennen, het establishment het zuur opjagen! Je kunt hoog springen of laag springen, volgens mij is dat niet de Benadering van een conflict op de manier van de Vrienden!’

Gelukkig kwam de dienster om hem de rekening voor te leggen. Hij zette zijn bril op, zijn wenkbrauwen gingen omhoog en zijn getuigenis werd tot zwijgen gebracht bij het zien van het bedrag.

 

***

 

‘Nee, nee, wij zijn er bijna! Het is vlak om ze hoek...’ Niettegenstaande het Scandinavische accent klonk de stem van de Zweedse dokter in het donker schril van de zenuwen. Laura dacht zelfs dat ze zijn tanden hoorde klapperen.

De nacht was aardedonker. Boven het geforceerde gieren van de motor van de vrachtwagen uit kon zij het gesjirp van tropische krekels horen, of wat ze ook waren, als een eindeloos, eentonig gerol van dobbelstenen. Opeens draaide de chauffeur zijn koplampen aan: zwarte figuurtjes sprongen uit de rimboe de weg op met geweren in de aanslag. ‘Turn off your lights!’ schreeuwden ze. ‘Mother-fucker! Turn off your goddamn lights, or I'll shoot your balls off!’

Wel wel, de stem van ‘vooruitgang van vrede’, zoals ditmaal de revolutionaire leuze luidde. De chauffeur gilde iets vreedzaams terug, ze kon het niet

[p. 350]

verstaan; de lichten werden uitgedraaid, de vrachtwagen hotste verder in het duister, het oerwoudpad vol kuilen af.

‘Ze hebben gelijk,’ mompelde de Zweedse dokter achter haar. ‘Zodra ze vliegtuig ze licht ziet, laten zij ze boms vallen.’

‘Ach, zo'n vaart zal het wel niet lopen,’ zei ze sussend. De man was zo verschrikkelijk zenuwachtig dat iets kalmerends het beste antwoord leek. Zelf voelde ze geen vrees, geen spanning, niets, alleen maar de uitputting waar ze al jaren aan gewend was, en een huilerige weemoed die nieuw was. Ze moest nog afgematter zijn dan ze dacht; vanaf het ogenblik dat ze voet aan land gezet had in deze bloeddoordrenkte hoek van het oerwoud was ze op de rand van tranen geweest. Toch was het hier niet erger dan op andere rituele slachtplaatsen die ze de afgelopen jaren bezocht had; hetzelfde gevoel van futiliteit, dezelfde zinloze wreedheid, dezelfde stank van ziekte en honger, dezelfde standrechtexecuties, dezelfde rauwe stemmen die obscene vloeken brulden in de nacht. Pas ongeveer honderd kilometer achter het front begonnen woorden als ‘vrijheid’ en ‘onafhankelijkheid’ zin te krijgen; hier, waar de waanzin van de oorlog in volle koorts raasde, was er alleen maar bloed, geweld, zinloze wreedheid en stervende negerkinderen met holle ogen en puilende buikjes, in sommige gevallen blond, het laatste stadium van verhongering. De blonde negerkindertjes waren onherroepelijk ten dode opgeschreven, net als, waarschijnlijk, de vloekende vrijheidsstrijders die door het oerwoud zwierven met Amerikaanse geweren of Sovjet-geweren of Engelse of Franse of Belgische, en die mother-fuckers krijsten, op koplampen vuurden, laagvliegende vliegtuigen en schaduwen die de nacht doorspookten. Ze had het allemaal honderd keer gezien en ervaren, waarom greep het haar ditmaal aan alsof het de eerste keer was? Het was echt niet erger dan het bloedbad in de Congo, de slachting van de Indianen in Brazilië, de martelkamers van Algerije. Waarom voelde ze zich hier steeds op het punt in tranen uit te barsten, overweldigd door die vreemde, verlammende weemoed? Het zou wel komen door iets wat ze gegeten had; waarschijnlijk de stokvis, daar werd ze altijd misselijk van niettegenstaande het voortreffelijke eiwitgehalte. Misschien ook was het de hartverlammende duik geweest die het vliegtuig had genomen voor het op de donkere airstrip landde. Het kon ook zijn dat ze domweg te oud werd voor dit werk.

‘Hier is ze hospitaal,’ zei de Zweed, met een klank van opluchting.

De duisternis was doorschijnend geworden; ze hadden een open plek bereikt. De vrachtauto stond stil, de chauffeur riep iets; ze hoorde het geluid van een ijzeren hek dat openknerste; toen reed de vrachtauto verder en kwam uiteindelijk tot staan voor een laag wit gebouw, schijnbaar dakloos in de nacht. Er was nergens licht; beenloze spoken zweefden door de duisternis; een van hen zei met een vrouwenstem: ‘Hello there, ik dacht dat jullie nooit zouden opdagen! Hebben jullie de stokvis bij je?’

‘Ja, en een vet wijf,’ zei de chauffeur, alsof zij deel uitmaakte van het menu.

‘Dat is wel genoeg!’ riep de Zweed achter haar met een zinloos vertoon van autoriteit. Hij kon hier nog maar kort zijn, anders zou hij wel ontdekt hebben dat negers nooit een blad voor de mond namen. Zij wás een vet wijf; op die manier wisten de beenloze spoken in het donker tenminste hoe

[p. 351]

zij zich haar moesten voorstellen nu ze zich uit de cabine van de vrachtauto liet zakken. ‘Goeienavond, ik ben dokter Martens, Meeting for Sufferings. Ik kom de kinderen halen.’

‘Ha, die dokter!’ Het was dezelfde stem die haar nu, uitgelaten, in het Hollands antwoordde. ‘Kent u me nog? Ik ben zuster Hartveld! Ramallah, Palestina! Weet u nog?’

‘Natuurlijk,’ loog Laura, en tastte in het donker naar de hand waarvan ze wist dat hij haar was toegestoken. ‘Hoe gaat het ermee, zuster Hartveld?’

‘Fantastisch, dokter, fantastisch! Het is een fijn hospitaaltje, hoor! Werkelijk, echt waar! Maar wacht even, ik zal u eerst even voorstellen aan de andere zusters. We zijn allemaal Hollands, hoor, we werken voor Terre des Hommes. Jongens, dit is de beroemde dokter Martens, je weet wel wie ik bedoel.’

In het donker werd beleefd gemompeld; Laura werd voorgesteld aan vier witte gedaantes zonder hoofden die allemaal zweethanden hadden. De hitte was drukkend; nu de motor van de vrachtwagen stilgevallen was waren de krekels in het oerwoud oorverdovend.

‘Deze kant uit, dokter,’ zei de leutige stem.

Laura sjokte, moe, achter de geestverschijning aan die, nu haar ogen aan het donker begonnen te wennen, een paar benen kreeg en een hoofd met een verpleegstersmuts. Toen zij de hal van het ziekenhuis binnenkwamen en Laura haar gezicht kon onderscheiden in het licht van een kaarslantaarn aan de muur herinnerde zij zich pas wie zuster Hartveld was: een van die kundige, onverstoorbaar opgewekte hoofdzusters die leken te floreren in situaties waarin iedereen met normale zenuwen vertwijfeld raakte. Terwijl ze het ziekenhuisje werd rondgeleid herkende zij in zuster Hartvelds geestdriftig commentaar de symptomen van het rampsyndroom: alle normale normen die voor de ziekenverpleging golden over de muur gezet, alle improvisaties met trots gedemonstreerd alsof het beter was om zuigelingen melk te laten slobberen uit halve kokosnoten met een gaatje dan uit gesteriliseerde zuigflessen. In Palestina, in Algerije, in de Congo, in Brazilië, overal was het precies zo geweest: crisiscondities geestdriftig aangepakt met verplegingspraktijken van honderd jaar geleden door ongelooflijk capabele, onvermoeibare hoofdzusters, stralend van zelfvertrouwen, die hun gedwongen improvisaties beschouwden als triomfen van vindingrijkheid en vakkundigheid, wat ze dan ook waren. Maar zodra de juiste instrumenten aankwamen en normale verplegingsprocedures werden hersteld, begonnen deze hoofdzusters, aangetast door het rampsyndroom, te verleppen en te pruilen en eindigden met hun koffertje te pakken, mompelend over ‘ambtenarij’ en ‘computerverpleging’. Ze waren waarschijnlijk even nodig als de enkele versteende denneappels in iedere boom in de Californische wouden, die alleen na een bosbrand tot ontkieming kwamen en onder normale omstandigheden onvruchtbaar afstierven.

‘We hebben natuurlijk moeten improviseren,’ zei zuster Hartveld terwijl ze voor haar uit marcheerde, een gang vol schaduwen in die naar zalen leek te leiden. ‘Dit was oorspronkelijk een school, die ze geëvacueerd hebben omdat hij niet gecamoufleerd was, de Nigerianen gingen almaar door met bommen erop te slingeren. Wij hebben het hele geval, met inbegrip van de binnenplaats, gecamoufleerd met netten en palmtakken, en de hele com-

[p. 352]

pound in 't prikkeldraad gezet, want we zijn in de eerste plaats een voedingshospitaal, dat betekent dat we enorme voorraden hebben; tot we ons in het prikkeldraad wikkelden hadden we iedere nacht plunderaars. Nu is de hele mikmak een soort fort geworden. We hebben natuurlijk nog altijd diefstal; we hebben Biafraans personeel dat altijd probeert voedsel te smokkelen voor hun familie, zeep, luiers. De luiers wikkelen ze om hun middel, dus ik heb een soort ramjet aangesteld bij het hek, die aan het eind van iedere wacht de dames fouilleert; als er iets gevonden wordt gaan ze de laan uit. Dat klinkt hard, maar het moest. We hebben hier honderden mensen die voor ons werken, als we - Nou, dit is dan zaal A, minder urgente gevallen. “De gewoontjes” noemen wij ze.’ Ze deed een deur open; Laura ging het schemerig verlichte zaaltje binnen. Ze werd getroffen door de bekende stank van ziekte, verwaarlozing en dood. Ze had het wel honderd keer geroken, maar dit keer leek het weer alsof het voor het eerst was: weer stond het huilen haar nader dan het lachen. Wat was er toch met haar aan de hand? ‘Heeft u er wat op tegen als ik opsteek?’ vroeg ze.

‘Natuurlijk niet, dokter! Ga uw gang!’ Zuster Hartveld straalde; toen Laura een sigaar aanstak riep ze uit: ‘Nou weet ik dat u het bent! Ik heb er op lopen wachten!’

‘Nee toch,’ zei Laura. Met haar sigaar strijdlustig tussen de tanden liep zij, in fikse wandelpas, langs rijen en nog eens rijen zielige gezichtjes, uitgemergelde lichaampjes, gezwollen buikjes, bij twee en drie tegelijk in de bedden, met daaronder, op matrassen, nog een laag ellende en lijden en grote zwarte ogen die haar in sprakeloos onbegrip aanstaarden.

‘In normale doen hebben we tweehonderdvijftig bedden,’ zei zuster Hartveld opgewekt, ‘maar zoals u ziet, we zijn zo overbelast dat we driemaal zoveel patiënten hebben moeten onderbrengen, we hebben ze zelfs onder de bedden moeten leggen. We kunnen ze toch niet terugsturen, zeg nou zelf? Trouwens, deze kinderen zijn eraan gewend, hoor. Afrikaanse families...’ En daar kwamen ze, uitgesproken op leutige, hartige toon: de trieste symptomen van het rampsyndroom. Vergeleken bij andere veldhospitalen achter het front was dit niet een van de slechtste; alleen het feit dat er alleen kinderen in de bedden lagen maakte het jammerlijk. Toen zij zaal C bezochten, ‘de hopeloosjes’, honderden blonde negertjes met puilend gezwollen buikjes en de droevigste ogen van de mensheid, kreeg Laura het gevoel dat ze het niet meer uithield. Ze stond op het punt rechtsomkeert te maken toen er buiten geschreeuwd werd en geroepen, gevolgd door geweerschoten. Een jonge pleegzuster kwam aangehold, met ogen als schoteltjes, en riep: ‘Deserteurs! Deserteurs! Ze zijn onze voorraden aan het roven!’

‘Welgodzalmebewaren!’ riep zuster Hartveld, en hees haar korset op onder haar verpleegstersjas. ‘Ik zal ze mores leren...’

‘Nee! Ik wil niet dat u naar buiten gaat! Ik - ik verbied u naar buiten te gaan!’ Het was de Zweedse dokter, wiens tegenwoordigheid Laura vergeten was. Hij stelde zich, zijn armen gespreid als een vogelverschrikker, in de deuropening op om de vrouw de weg te versperren.

‘Terwijl jullie dit onder elkaar uitvechten,’ zei Laura, ‘zal ik een woordje met die heren gaan wisselen.’

Noch de dokter, noch de zuster besefte dat het een vlucht was. Zij volgden

[p. 353]

haar, protesterend, terwijl zij de gang afbeende met haar sigaar tussen de tanden en de lantaarn van de muur nam.

‘Geen licht! Wij mogen geen licht tonen!’ riep de dokter, zijn stem vrouwelijk van de zenuwen.

Laura schreed met de lantaarn naar de deur, rukte die open en plonsde de bloedwarme tropennacht in, zo blind als een mol. Ze hoorde geschuifel en gefluister, en boven alles uit het geratel van de krekels. ‘Stop!’ brulde ze, in het wilde weg. ‘Stop! En flikker op, jullie!’ Het geschuifel hield op; toen werd ineens de loop van een geweer in haar maag geramd, en een zwetend negergezicht met puilende ogen verscheen in het lantaarnlicht. De ogen waren bloeddoorlopen, krankzinnig van oorlogswaanzin. ‘Hou je rotsmoel, gore snol!’ siste hij.

‘Kalm aan, baby,’ zei ze paffend aan haar sigaar, en constateerde met voldoening de verbazing op het gezicht van de arme drommel. ‘Je moet met tegen mij brullen, boy. Maak nou maar dat je wegkomt, voor het te laat is. Als de mother-fuckers die ons een paar minuten geleden aangehouden hebben op de weg jullie hier vinden, schieten ze de familiejuwelen onder je kont vandaan. Dat weet jij net zo goed als ik.’ Nu, daar had je het: de Benadering van een conflict op de manier van de Vrienden, moderne versie.

De bloeddoorlopen ogen knipperden; ze zag hoe uitgeput de jongen was die haar nog steeds onder schot hield met zijn geschenk van de westerse wereld. Een M-6 geweer, dus dit keer was de schenking door de Verenigde Staten gedaan, één natie onder God, met rechtvaardigheid en vrijheid voor allen.

‘Waar was dat?’ vroeg hij, schor.

‘Een paar minuten de weg op. Dus ik zou me kameraadjes maar bij elkaar roepen en maken dat ik wegkwam, anders zijn jullie de bolknak.’

‘Zeg, luister (s, smerig vet...’ Zij hoorde tranen in zijn stem, haalde een sigaar uit haar borstzak en stak die in zijn mond.

‘Daar,’ zei ze, ‘en maak nou maar dat je wegkomt. Goeienavond.’ Zonder op zijn reactie te wachten maakte ze rechtsomkeert en liep terug naar het hospitaal waar een groepje toeschouwers in witte jassen in de deuropening stond. Ze keek niet om, want ze wist wat er zou gebeuren. Ze had gelijk: er klonk een fluitje, geroep, geschuifel en toen het geluid van hollende voetstappen. Tegen de tijd dat ze de deur bereikte hoorde ze het hek achter zich knersen. Nou, dat was dan weer eens meer geluk dan wijsheid geweest.

‘Ziezo,’ zei ze, ‘het is gebeurd. Nou, waar zij de kinderen die ik verondersteld word op te pikken?’

Tot haar verrassing werden twee armen om haar nek geslagen en een natte kus op haar wang gedrukt. ‘Dokter Martens!’ riep de uitbundige zuster Hartveld uit, ‘u bent geweldig, hoor! Fantastisch!

De andere zusters lachten, zenuwachtig van opluchting. ‘Nou, collega,’ zei Laura tegen de Zweed, ‘laat dit een les voor u zijn, voor de volgende keer.’

‘Ik - ik zou zelf gegaan zijn, ik bedoel - ik stond op ze punt zelf te gaan...’ stamelde de man.

De zusters giechelden.

‘Nou, waar zijn die kinderen?’

‘In het weeshuis, dokter Martens.’

[p. 354]

‘En waar is dat?’

‘Even verder, in de richting van het dorp; misschien vijf minuten. Wilt u er nu heen?’

‘Als 't u hetzelfde is.’

‘Goed, jongens,’ zei zuster Hartveld. ‘Terug naar je zaaltjes. Ik ga dokter Martens even naar het weeshuis brengen. Ben zo terug.’

‘O - maar u kunt niet alléén gaan!’ protesteerde de Zweed, in een poging zijn mannelijk prestige te herwinnen.

‘Maak u geen zorgen, dokkie,’ zei zuster Hartveld met vernederende vriendelijkheid. ‘Ik sta m'n mannetje. Nou, dokter Martens: deze kant uit, alstublieft.’

Laura vroeg zich af of ze iets aan de Zweed moest doen, maar iedereen moest uiteindelijk het ogenblik van de waarheid op eigen kracht overleven. In Stockholm, of waar hij ook vandaan kwam, was hij waarschijnlijk een briljante kinderarts, met veel sympathie voor zijn patiënten. Om onmenselijkheid op deze schaal aan te kunnen moest je, helaas, zo hard als een bikkel zijn.

Toen zij de binnenplaats overstaken zag ze dat de hemel boven het oerwoud was opgeklaard; de rosse gloed van de dageraad broeide achter de bomen. Het kabaal van de krekels leek minder te zijn geworden; in het woud begonnen de vogels de wereld over te nemen van de insekten. Ze kon nu zonder lantaarn zien waar ze liepen. Het korte opkikkertje van de crisis was uitgewerkt, ze voelde opnieuw die rare weemoed over zich komen, dat gevoel aan de rand van tranen te zijn, nergens over, over alles: de eindeloosheid van het lijden, de eenzaamheid van ieder kind dat haar door de jaren heen had aangestaard met hetzelfde sprakeloze onbegrip als de kinderen onder die bedden.

‘Zeg, dok,’ zei de zuster plotseling, terwijl zij naast elkaar door de dageraad stapten. ‘Mag ik u een probleempje voorleggen? Ik heb het aan dokter Banglulson gevraagd...’

‘Dokter wie?’

‘De Zweedse kinderarts hier...’

‘O, ja. En?’

‘Ik weet het,’ zei de zuster, intiem, ‘voor ons Hollanders is het een gekke naam. En nog toepasselijk ook, onder ons gezegd en gezwegen.’

‘Vertel het maar. Wat voor probleem?’

‘Nou, weet u: we zijn hier wel vanwege de kinderen, maar er zijn ontzettend veel lijders aan framboesia in 't bos, die aan komen waggelen tegen de avond, zó zielig, met die afgrijselijke dikke olifantspoten, en dus heb ik ze maar een injectie gegeven met Salvarsan, daar hebben we een hele mik van gekregen uit Amerika. U weet natuurlijk: een prima effect, onmiddellijk; na een dag al begint de zwelling te slinken...’

‘Maar je moet ze drie injecties geven, wil het een blijvend effect hebben.’

‘Precies, daar gaat het nou om: doordat hij zo'n fantastische verlichting geeft, die eerste, komen ze niet meer terug voor de twee volgende. Het is doodzonde, maar de injectie doet pijn, en daar zijn ze bang van, en ze denken dat ze genezen zijn, ook al vertel je ze honderdmaal dat ze terug moeten komen omdat 't anders geen waarde heeft. We hebben van alles

[p. 355]

geprobeerd: pakjes tabak bij de tweede injectie, ik heb ze zelfs een borreltje aangeboden. Dokter Banglulson zegt: weigeren die eerste injectie te geven als ze niet beloven terug te komen, maar dat is natuurlijk kulkoek, dat voelt u wel ... Wat moet ik doen? Ik heb me suf geprakkizeerd.’

‘Laat ze een kwartje betalen voor de eerste injectie,’ zei Laura, moe, ‘geef ze tien cent terug voor de tweede, en vijftien voor de derde.’

Even was het stil, toen zei zuster Hartveld, eerbiedig: ‘Jessis, dok ... U bent werkelijk - nou já. Zo'n reputatie krijg je natuurlijk niet voor niets. Hoe komt u daar nou bij, als ik vragen mag? 't Is gewoon geweldig, natúúrlijk is dat de oplossing, maar hoe kómt u daar nou op?’

‘Ach,’ zei Laura, sjokkend door de warme aarde van het omgewoelde spoor. ‘Als je zolang in 't vak bent als ik kom je zo'n beetje alles tegen.’

Een paar minuten later riep zuster Hartveld uit, met onvermoeibare opgewektheid: ‘Hier zijn we! Het weeshuis.’ Zij duwde de deur open van weer zo'n laag wit gebouwtje met een gecamoufleerd plaatijzeren dak, kennelijk ook een voormalige school. Het gejammer van kinderen werd hoorbaar.

‘Dat gejengel, daar moet u zich niets van aantrekken, hoor!’ riep de zuster vrolijk; ‘dat betekent alleen maar dat ze honger hebben, de dondersteentjes.’

Een negerverpleegster kwam hen tegemoet, maar Laura kon niet horen wat ze zei omdat ze de deur van de zaal had opengelaten en het geschreeuw en gekrijs alle andere geluiden overstemden. Zuster Hartveld riep, met haar mond dicht bij Laura's oor: ‘Ze heeft ze al uitgesorteerd! De uwe zitten in dit zaaltje! Allemaal van u!’

Laura hief de hand op ten teken dat ze het begrepen had, klemde haar sigaar tussen de tanden en beende met een waggelpas op het lawaai af. Zodra ze het vertrek binnenkwam werd het gekrijs minder; net als in het geval van de plunderaar scheen haar verschijning alleen al effect te hebben. Zij was zich ervan bewust dat ze een intimiderend schouwspel moest zijn, zoals ze daar stond in de deuropening, breedgeschouderd, met zware borsten en massieve heupen, een nijlpaard in een mannenbroek. Toen kwam er uit de schemerige verwarring een figuurtje op haar afgedribbeld, een naakt negerkleutertje, brullend van wanhoop, dat zijn uitgemergelde armpjes naar haar uitstrekte met een onbegrijpelijk gebaar van herkenning.

‘Kijk 's wie we hier hebben,’ gromde ze, boog zich voorover en pikte het schepseltje op, dat veel te licht was voor zijn maat. ‘Nou dan, nou dan,’ zei ze, ‘wat is er nou weer aan de hand? Wat is dit voor nonsens?’ Toen drukte ze het huilende kind tegen het doosje Willem II in haar borstzak. Het kind sloeg zijn armpjes om haar hals en drukte zich zo vast tegen haar aan dat ze wist dat het een toer zou zijn om zich weer van hem te bevrijden.

Maar dat wilde ze nog niet dadelijk, want het sidderende lijfje met het grote uitgemergelde hoofd, dat nu op haar schouder rustte, gaf haar kracht en een gevoel van doelbewustheid. ‘Nou, daar gaan we dan maar weer voor niks,’ zei ze, en droeg het kind naar buiten in de dageraad.

 

***

 

‘Het vliegveld is een stuk asfaltweg in het oerwoud!’ riep de piloot. ‘Als u

[p. 356]

aan uw kant naar buiten kijkt, kunt u het zien!’

Bonifacius gluurde uit het raampje naast hem; het enige dat hij kon zien was oerwoud, van horizon tot horizon, als een eindeloos veld boerenkool. De stank van de lading stokvis was verstikkend in de hitte; de ruggen van de piloot en de navigator waren donker van de zweetplekken. De spanning in de atmosfeer was gestegen, Bonifacius kon hem nu lichamelijk voelen. Zij waren blijkbaar de gevarenzone binnengevlogen, ze konden ieder ogenblik onder vuur genomen worden.

Hij tuurde zenuwachtig de verdonkerende hemel af en verwachtte het zwarte stipje van een vijandelijk vliegtuig te zullen zien. Maar hij zag alleen maar één eenzame ster in de blauwe leegte. De piloot en de navigator, de enige bemanning van het vrachtvliegtuig waarin hij de enige passagier was, waren ook bezig de hemel af te turen; hun ongerustheid was nu duidelijk. Hij vroeg zich af wat voor soort mannen vrijwillig deze gevaarlijke taak op zich namen, om medicijnen, melkpoeder en stokvis naar de omsingelde uithoek van het oerwoud te vliegen, het enige dat nog over was van Biafra. Ze waren Scandinavisch; hij had de indruk dat ze meer avonturier dan humanist waren.

‘We zullen even blijven cirkelen!’ riep de piloot. ‘Het is nog te licht!’

Bonifacius knikte en leunde achterover in zijn stoel. Hij had niet geslapen sinds New York, zesendertig uur geleden. De vliegveldterminus in Libreville, Gabon, was te lawaaiig geweest en de banken te plakkerig van de hitte om te kunnen slapen; nu werd hij overmand door moeheid.

Hij moest ingedut zijn, want toen hij wakker werd was het donker. De motoren van het vliegtuig ronkten plotseling sneller; het vlieguig dook steil omlaag, de schijnwerpers in de vleugels flitsten aan, belichtten enkele seconden een nauwe sleuf in het oerwoud; toen werden ze weer uitgedaan. Het vliegtuig gierde met een roekeloze duik omlaag in de duisternis. Bonifacius greep de armleuningen van zijn stoel, koud van schrik, toen raakten de wielen de grond met een smak die hem door merg en been ging; de machine rolde, zwabberend, nog een eind verder voor zij tot stilstand kwam.

‘Oef!’ zei de piloot in het donker. ‘Nou, we hebben dan weer 's een keer geluk gehad. Oké, mister, dit is het eindpunt.’

De deur vloog open en in de opening verscheen het bovenlijf van een man. ‘D'r uit!’ waarschuwde een stem. ‘Ze zijn vlak boven! D'r uit, d'r uit!’

‘Oké, oké,’ zei de piloot laconiek. ‘Ik moet even de kist van m'n reet gespen.’

Bonifacius deed zijn veiligheidsgordel af en ontdekte dat zijn handen beefden. Ergens boven hen klonk het gestadig gedreun van een vliegtuigmotor.

‘Wat is de retourlading vandaag?’ vroeg de navigator.

‘Zestig kinderen,’ antwoordde het bovenlijf, ‘en één nijlpaard van een wijf.’

Dat moest Laura zijn, besloot Bonifacius; toen veranderde de nacht plotseling in een felwitte dag waarin de bomen van het oerwoud en een rij vrachtwagens scherp stonden afgetekend.

‘D'r uit!’ riep de neger in de deuropening. ‘Dat zijn vuurpijlen!’ Iemand duwde Bonifacius de deur uit, hij miste een trede en viel languit op

[p. 357]

de grond, die rook naar het reptielenpaviljoen in de dierentuin in Philadelphia.

Hij werd op de been gesleurd en naar een lage, met aarde bedekte schuilkelder aan de rand van het oerwoud geduwd. Hij was bezig naar binnen te bukken, ademloos van angst, toen achter hem de hel losbarstte: de daverende smakken van ontploffingen, het venijnig gerattattat van een machinegeweer, het staccato geblaf van afweergeschut, vlak bij. In het halfdonker, dat naar sigaren rook en vol leek met roerloze lichamen, begon een kind te huilen. Een kalme, spottende stem zei: ‘Kijk 's wie we dáár hebben! Waar kom jij in vredesnaam vandaan, Bonny?’

Hoewel hij haar gezicht niet zien kon wist hij dat haar verrassing voorgewend was. Hij had Operations in Gabon gevraagd zijn aankomst aan te kondigen via de radio. De stem in het donker riep de Laura op die hij als jongen gekend had, niet de befaamde mensenredster die hem, heimelijk, met ontzag vervulde. ‘Vertel me nou niet dat je mijn telegram niet gekregen hebt,’ zei hij, terwijl overal om hen heen in het oerwoud bommen ontploften; hun doffe dreunen deden de aarde trillen. Het huilende kind stak andere aan: overal begonnen stemmetjes te jammeren en te krijten.

‘Ja, ik heb het gekregen,’ zei Laura's laconieke stem. ‘Wat is dat voor een bericht, dat je bij je hebt?’

Hij vertelde haar, met zijn hart in zijn keel, dat de kinderen in plaats van naar Engeland naar Zwitserland zouden worden vervoerd, en van daaruit, individueel, naar Quaker-families in Europa en de Verenigde Staten. Zijn bericht was niet bijster samenhangend, want de bommen leken dichterbij te vallen; het venijnige geratel van het machinegeweer overstemde het gehuil van de kinderen.

‘Kinderen, kalm nou! Kalm, koest!’ riep Laura's stem. Opeens sprong een vlam op in het donker; haar gezicht, oud en dik, zweefde in de nacht terwijl ze een sigaar aanstak.

‘Uit met dat licht, licht uit!’ riep een opgewonden mannenstem ergens in een hoek.

‘Kalm maar, baby,’ zei Laura, paffend, ‘schreeuw niet zo; en laat het maar rustig lopen, we hebben luiers genoeg.’ Toen ging de aanstekervlam uit; de duisternis die viel leek dieper dan tevoren. Bonifacius werd overmand door een plotselinge moeheid. Buiten waren de ontploffingen opgehouden; het machinegeweer was stil; in het oerwoud werd gelachen en gejouwd. Het krijten van de kinderen werd ook minder, tot het niet meer was dan een zeurig drenzen.

‘Nou, het ergste schijnt voorbij te zijn,’ zei Laura. In het donker gloeide haar sigaar.

Een schim verscheen in de ingang van de schuilkelder en een jolige stem riep: ‘Oké. All clear! Jullie mogen naar buiten, kom er maar uit!’

In de hoek van de schuilkelder bewoog iemand; een gedaante strompelde voorbij, kokhalzend, bukte de deur uit en verdween in de nacht, waar Bonifacius hem kon horen braken. Zelf was hij nog misselijker dan in het vliegtuig, toen de angst hem voor het eerst overvallen had. Toch zou hij hier aan moeten wennen; in Vietnam zou het niet veel beter zijn.

‘Nou,’ zei Laura's stem. ‘Ik denk dat wij hier maar rustig blijven zitten,

[p. 358]

want de kinderen zijn tot bedaren gekomen. Het heeft geen zin ze zenuwachtig te maken voor ze het vliegtuig in moeten. Ik zal de lantaarn eens aansteken, dan kan ik je tenminste bekijken.’

Opnieuw sprong de aansteker tot leven; zij reikte hem die. ‘Hier, hou 's vast. Ik doe de lantaarn open, dan kan jij hem aansteken. Ik heb maar één arm vrij, vanwege het kind om mijn nek.’

Hij stak de kaars in de lantaarn aan; in het schijnsel van het vlammetje zag hij haar te midden van een groep slapende kinderen zitten. Eén hield ze aan haar borst gedrukt; het kind sliep met zijn hoofdje op haar schouder, de armpjes om haar nek; het leek zich zelfs in zijn slaap stijf aan haar vast te klampen. Er was zo iets zieligs aan het kwabbige lichaam, de driedubbele kin, de hangwangen, het slordige grijze haar, dat hij zei: ‘Je ziet er prima uit, Laura, de omstandigheden in aanmerking genomen.’

De blauwe ogen namen hem spottend op. ‘Je was altijd al galant, Bonny,’ zei ze met een glimlach. ‘Je ziet er zelf ook niet slecht uit, al moeten we met z'n tweeën vier keer zo zwaar wegen als toen we elkaar voor het eerst ontmoetten.’

‘Dat weet ik nog zo net niet...’ Hij wilde dat die misselijkheid verdween; hij voelde hem nu in zijn keel. Hij vroeg zich af of hij ook naar buiten zou moeten hollen als die andere man om te gaan overgeven. De kinderen waren stil geworden; ze moesten uitgeput zijn, net als hij. ‘Wie heb je eigenlijk om je nek hangen?’ vroeg hij.

‘Weet ik veel; het een of andere aapje dat tegen me opsprong toen ik deze lading kwam halen,’ zei ze onverschillig. ‘Hij is niet meer van me af te slaan; net een gorillajong. Ik raak hem in Libreville wel kwijt, of waar dan ook. Hoe was de vlucht?’

‘Griezelig.’

Zij grinnikte. ‘Laten we een dooddoener gebruiken: “De Heer zal uitkomst geven.” De formule die onze voorgangers hebben gevonden voor situaties zoals deze.’

‘Ik ben ervan overtuigd dat Hij dat doen zal ook,’ zei hij, geërgerd door haar spotzucht.

Zij trok aan haar sigaar en blies de rook in zijn gezicht. ‘Zie je wel,’ zei ze, ‘geen enkele bekeerde Vriend zal ooit de innerlijke zekerheid kunnen bereiken die het geheim is van geboren Vrienden. Je bent een stralend voorbeeld van selectief fokken, Bonny, een Mendeliaans wonder van erfelijke kwaliteiten.’

‘Praat geen onzin,’ zei hij; de misselijkheid bereikte zijn mond. ‘Hoe kun je het vertrouwen in Gods voorzienigheid erven?’

Zij grijnsde, één oog dicht vanwege de sigarerook. ‘Ik heb het niet over vertrouwen in Gods voorzienigheid,’ zei ze, ‘maar over die monumentale rust van je. Ik geloof niet dat je zelf beseft hoe indrukwekkend je sereniteit en je geduld zijn. Je bent een toonbeeld van de Quaker-persoonlijkheid, na driehonderd jaar geperfectioneerd.’

Het leek een bizar gesprek onder de omstandigheden; hij had een gevoel van onwerkelijkheid; er was een element in deze ontmoeting wat hij nog niet onder woorden kon brengen. ‘Waar heb je het over, Laura? Je bent toch zelf een geboren Quaker? Je vader en je moeder...’

[p. 359]

‘Mijn moeder wel, maar mijn vader was geen Quaker,’ zei ze. ‘Hij was een Hollandse jongen van gereformeerde huize, die het geloof van zijn vaderen wilde omzetten in daden. Hij wilde de Bergrede in praktijk brengen, en hij dacht dat de Quakers dat deden. Hij kon niet weten dat hij, als ordinaire Hollandse dakhaas, nooit een angorapoes zou kunnen worden; net als alle bekeerde Vrienden, die denken dat Quaker worden iets is wat je besluiten kunt. Het heeft mij zelf een mensenleven gekost om erachter te komen dat dat een illusie is. Quaker-theologie, zelfs de “Quaker goede werken” zijn niets nieuws onder de zon; de katholieken, de presbyterianen, de anglicanen, welke sekte dan ook besluiten op een gegeven moment dat het misschien geen gek idee zou zijn om hun preken in daden om te zetten. Ben ik een Quaker? Moet je me zien! Moet je me horen!’

‘Laura,’ zei hij geduldig, ‘voor mij ben jij de verpersoonlijking van de beschuttende armen van het Genootschap der Vrienden.’

‘Doe niet zo gek! Vergeleken met jouw innerlijke rust is mijn Quaker-zijn een rotlachertje. Nee, wat ik ben is een Hollandse gereformeerde troela, die de wereld aangrijnst als het plaatje op een pak Quaker-havermout.’

Hij vergat de misselijkheid, zijn zweetdoordrenkte kleren die aan zijn lichaam plakten. ‘Laura,’ zei hij, ‘het kan me niet schelen wat je van jezelf zegt, voor mij straal jij het Licht uit.’

Zij nam de sigaar uit haar mond, tipte de as eraf en zei: ‘Brave jongen, dat is een van die frasen die, wat mij betreft, geen flikker betekenen. Ik reageer niet op bepaalde uitdrukkingen en woorden met een geconditioneerde reflex. Het enige dat ik op dit ogenblik uitstraal is de stank van diarree. Ik hoop dat dit wurm om mijn nek de andere kant haalt, waar die ook zijn moge.’ Met een gebaar van ruwe tederheid knuffelde zij het slapende kindje.

‘Laura,’ zei hij, ‘je weet het misschien zelf niet, maar op het moment dat ik binnenkwam was er iets, hier in deze schuilkelder, wat sterker was dan mijn angst, mijn misselijkheid, de schok je stem te horen: het besef van de Tegenwoordigheid.’

Zij stak de sigarepeuk in het zand naast de lantaarn en zei: ‘Bonny, je bent een ongeneeslijke romanticus. Je bent verblind door het apejong dat ik in mijn armen heb. Haal hem weg, en wat blijft er van me over?’

‘Laura,’ zei hij, ‘dat is precies wat ik bedoel.’

 

***

 

Nou, wat zeg je me daarvan! Hij was nog altijd van de tongriem gesneden, de oude evangelist. Maar ze kon toch de ban van die rituele gemeenplaatsen niet van zich afschudden; ze moest toch ook een geconditioneerde reflex ontwikkeld hebben. Niettegenstaande haar besluit niet meer in de val te lopen van de kwalijke illusie dat God belichaamd was in stervende kinderen, voelde ze toch een zeker ontzag, dat haar kwaad maakte. ‘Het is me ter ore gekomen dat jij aan het bekvechten bent geweest met de jongens van de Margaret Fell tijdens de laatste Jaarvergadering,’ zei ze.

Hij sprong letterlijk in de val. ‘Dat heb ik zeker!’ riep hij, verontwaardigd. ‘De brutale lammelingen! Neem me niet kwalijk, ik weet dat het niet quakerlijk is om agressief te zijn, maar volgens mij vormen die snotjongens een

[p. 360]

gevaar voor het Genootschap, voor de essentie van de Beginselen.’

‘Nee toch,’ zei ze, opeens belaagd door een gevoel van verlies, een terugkeer van de weemoed die haar achtervolgd had vanaf het ogenblik dat ze aankwam in deze godverlaten uithoek van het oerwoud. ‘Vertel me er 's wat van,’ zei ze.

‘Nou - op de tweede dag van de Vergadering in Cape May kwam het bericht dat Hanoi en Haiphong gebombardeerd waren. Natuurlijk had dat een golf van afschuw en ontzetting onder de Vrienden tot gevolg. Iedereen vroeg zich af hoe we erop moesten reageren. Die jonge langharige piechems, die zeggen dat Jezus de eerste communist was en dat “Quakerisme” noemen, kwamen met een onzinnig idee op de proppen: dat wij allemaal, mannen, vrouwen, kinderen, de hele Jaarvergadering, naar het vliegveld van Washington zouden gaan om op de startbanen te gaan liggen en zo de vliegtuigen met volksvertegenwoordigers en senatoren te beletten op te stijgen, die weigerden dit bombardement van de burgerbevolking ter sprake te brengen in het Huis van Afgevaardigden voor ze met vakantie gingen. Niemand heeft dat natuurlijk au sérieux genomen; toen begonnen ze mensen op te trommelen om met een bus naar Washington te gaan, op de publieke tribune te gaan zitten, en als het Huis weigerde om op de laatste dag de bombardementen te bespreken en de zitting ophief om met vakantie te gaan, zouden ze weigeren de tribune te verlaten. Nou, ik ben opgestaan om te debatteren met hun woordvoerder, een halfwas met haar tot op zijn stuit. Ik vroeg: “Als jullie weigeren om de tribune te verlaten, wat gebeurt er dan?” “Nou,” zei hij, “dan worden we weggedragen door de politie.” “Goed,” zei ik, “wat gebeurt er dán?” “Nou,” zei hij, “dan worden we naar het politiebureau gebracht en beschuldigd van ordeverstoring.” “Goed,” zei ik, “wat gebeurt er dán?” Hij keek me aan of hij zich afvroeg: waar stuurt die vent op aan? Toen zei hij: “Natuurlijk krijgen we dan een boete!” “Goed,” zei ik, “wie gaat die boete betalen?” “Weet ik veel,” zei hij, met de nonchalance die die jongens allemaal hebben zodra je over iets fundamenteels begint, “dat doet de Jaarvergadering wel. Of de Meeting for Sufferings. Weet ik veel, daar zijn fondsen voor.” “Dus waar het op neer komt,” zei ik, “is dat iemand anders voor jullie getuigenis moet opdraaien. Ik poneer dat dat niet quakerlijk is.” De jongen keek me aan alsof ik een kapitalistisch zwijn was, of hoe ze het noemen. “Oké, Vriend,” zei hij, met een snier, “wat zou jij dan een quakerlijke reactie noemen?” Ik antwoordde: “Mensen te dwingen jullie met geweld die zaal uit te dragen, is geweld plegen. Het is altijd de getuigenis geweest van het Genootschap der Vrienden geen geweld te provoceren, maar zich te ontfermen over de slachtoffers van het geweld.” Toen keek de jongen me met een valse grijns aan en zei: “Oké, Vriend. Waarom doe je dat dan niet?” Daar zat ik, met mijn mond vol tanden. Ik heb me, meteen, gemeld bij de Meeting for Sufferings en gevraagd: “Wat kan ik doen in Vietnam?” Nu hebben ze me uitgestuurd om weeskinderen van gemengd ras bij elkaar te zoeken uit verschillende weeshuizen en over te brengen naar de Verenigde Staten, waar ze geadopteerd zullen worden door Quaker-families.’

Zij keek naar zijn dikke gezicht, nat van het zweet, zijn ogen die een beetje puilden, zijn rondgeschouderde lichaam. Toch had hij waardigheid, een massieve kracht; het was alsof ze een Amerikaans klipperschip in actie

[p. 361]

zag. ‘Kijk aan,’ zei ze, ‘dan zijn we nu in dezelfde business.’

‘Himsha ook,’ zei hij, met vaderlijke trots. ‘Goddank is zij niet een van die naarlingen met hun zeiljachtexpeditie. Ze zit nu in Colombia, waar ze deelneemt aan het bestrijden van een epidemie van een besmettelijke kinderziekte. Ik weet niet wat het is, niemand weet het nog, maar ze schijnen er bij dozijnen te sterven. Ze is uitgestuurd als deel van een Quaker medische ploeg, ook al is ze nog pas een laatstejaarsstudente. Het is haar eerste opdracht.’

‘Nou, je zult wel trots op haar zijn,’ zei ze, en die dwaze, redeloze weemoed maakte zich weer van haar meester. Overal om hen heen lagen kinderen te slapen, zo uitgeput en zwak van honger dat alleen het geweld van de oorlog hen nog wakker kon maken. Het zou niet meevallen om hen aanstonds aan boord van dat vliegtuig te drijven; dat zou wel overhaast moeten gebeuren, dat was altijd zo.

‘Dat zou jij ook moeten zijn,’ zei hij.

‘Pardon?’

‘Trots op Himsha. Ze heeft jou als voorbeeld genomen.’

Ja, dat was waar ook. ‘Nou, laten we hopen dat ze het niet al te moeilijk zal hebben als ze eenmaal met de werkelijkheid geconfronteerd wordt na al die jaren van nobele dromen.’

‘Laten we hopen dat zij gesteund zal worden door de tegenwoordigheid Gods,’ zei hij, simpel en oprecht, maar toch irriteerde hij haar.

‘Herinner jij je nog mijn grootmoeder, Stella Best?’ vroeg ze.

‘Natuurlijk.’

‘Die heeft eens iets tegen mij gezegd waar ik het de laatste tijd steeds meer mee eens ben. Voor mij is het begrip van “de tegenwoordigheid Gods” te theologisch, te abstract. Grootmoeder noemde het gevoel dat we soms hebben van gesteund te worden door een Macht die ons gebruikt voor Zijn eigen oogmerken niet “God” maar iets anders: “de tegenwoordigheid, in welke vorm dan ook, van Vrienden die ons zijn voorgegaan.”’

‘Interessante gedachte,’ zei hij, met het ervaren geduld van de geboren Quaker.

Opeens werd ze overweldigd door een golf van verlangen, een sentimentele hunkering naar onsterfelijkheid, de wens dat iets van haar bewaard zou blijven, een sprankje, hoe zwak en machteloos ook, van de Laura die haar warmte ontleende aan het lijden van kinderen en dat de ‘tegenwoordigheid Gods’ noemde. Misschien deed deze gedachte haar, toen er geroepen werd: ‘Het vliegtuig is klaar, instappen allemaal!’ Bonifacius op beide wangen kussen. ‘Dag Bonny,’ zei ze, een ogenblik zonder het zwaard en het schild van de agressiviteit. ‘God zegene je, lieve vriend. Lieve, lieve vriend.’ Toen, met geroep en handgeklap en rauwe woorden, schudde ze de uitgeputte kinderen wakker en begon hen door de lage deuropening van de schuilkelder naar buiten te drijven, de nacht in, waar het vliegtuig stond te wachten, spookachtige zilveren vogel in het sterrenlicht.

 

***

 

Het was voor het eerst in hun leven dat zij hem gekust had, en Bonifacius

[p. 362]

was erdoor ontroerd. Hij keek toe hoe de kinderen, een kudde strompelende pygmeeën, naar het vliegtuig werden gedreven. Zij was de laatste die de trap opklom; het slapende jongetje dat zij al die tijd mee had gedragen nog steeds om haar nek. Voor ze in het binnenste van het vliegtuig verdween wuifde ze, dat dacht hij tenminste, en hij wuifde terug.

De motoren kwamen brullend tot leven; hij keek toe hoe het vliegtuig voorbijwaggelde in een korte, desperate aanloop en slaakte een zucht van verlichting toen het, vlak boven de kruinen van de bomen, omhoogscheerde en zijn landingsgestel introk. Hij hoorde het klimmen, en tuurde naar de kleine blauwe vlammen van de uitlaten tot die in de donkere hemel verdwenen.

Opeens barstte een vuurwerk los onder de sterren. Het was een feestelijk gezicht, maar hij begreep met schrik dat het ontploffende granaten waren van afweergeschut. De fonteinen van licht bleven openbarsten en in kleurige vonken omlaagsproeien; opeens was er een ontploffing, een gigantische, verblindende ster die gedurende enkele ogenblikken in de hemel stond voor hij omlaagstortte. Hij besefte, met schrik en afgrijzen, dat de ster het vliegtuig was, dat brandend neerstortte.

Hij hoorde een doffe dreun, een tweede ontploffing in het oerwoud, toen een afschuwelijke stilte waarin hij, in de verte, een dun gejoel hoorde: het gejuich van de achterlijke helden die deze overwinning hadden behaald. Hij trok zich onmiddellijk terug van het geweld dat hij in zich voelde ten opzichte van die barbaren. Het goddelijke! dacht hij. Ik moet het goddelijke benaderen in de mannen die haar hebben gedood. Ik móét, ik móét; als ik dat niet doe, is alles verloren.

Die nacht, in de schuilkelder, terwijl hij zat te wachten op het vertrek van het volgende vliegtuig, schreef hij aan Himsha en vertelde haar over Laura en hoe zij gestorven was.

 

***

 

De hemel was leeg en kobaltblauw, een dieper blauw dan de hemel boven de Llano Estacado. In de verte, onvoorstelbaar ver, veel verder dan de bergen gezien vanuit de pueblo, lagen besneeuwde toppen, klein en toch zo scherp afgetekend dat zij op tandjes leken, glinsterend in de zon. Het Spaanse kerkje, dat allang verlaten leek en dat Himsha van plan was in te richten als noodhospitaal, moest eeuwenoud zijn, ouder dan het kerkje in de pueblo; de berghelling waarop het lag was bezaaid met kolossale rotsblokken, die rondgestrooid moesten zijn in een voorhistorische vulkaanuitbarsting. Het landschap leek nog verlatener en uitheemser dan de vallei met de mesa waarop zij geboren was; het uitzicht van het punt waar zij zat was van een eenzaamheid op continentale schaal, maar toch van een elementaire schoonheid. Op dat ogenblik echter had Himsha daar geen oog voor; zij zag, met stijgende ontzetting, een stoet Indiaanse vrouwen langzaam omhoogklimmen, naar haar toe, met hun zuigelingen op de rug. Daar zat ze, la bruja, de toverarts die de getroffen kinderen hun gezondheid terug zou geven, en voelde de opwelling te vluchten, blindelings de vallei in te hollen en te verdwijnen tussen de kolossale rotsblokken. Zij sloeg de hopeloze processie vrouwen

[p. 363]

met ontzetting gade, want ze had geen medicijnen. Het was haar beloofd, maar het was er nog niet; zij had niets anders dan een eerstehulpdoos en twee Indiaanse hulpverpleegsters, wier taal zij nauwelijks sprak en die haar nog niet hadden ingehaald. Men had haar in de vallei verzekerd dat de pakken met vaccin en andere medicijnen al in het kerkje afgeleverd waren; maar toen ze het bereikte was er niets.

Wat kon ze doen? Hoe kon ze hen helpen, die sombere vrouwen met hun bolhoeden, hun platte, gesloten gezichten en de droevige stervende baby's op hun ruggen? Ze zou verwantschap met hen moeten voelen, zij was speciaal voor deze taak uitgezocht omdat ze zelf Indiaanse was, een volbloed Huni. Maar toen ze de voorhistorische gezichten zag, de uitdrukkingloze blik van die gitzwarte ogen op zich voelde rusten, was het alsof ze zich nooit van haar leven zo'n vreemde gevoeld had. Het was alsof de kern van haar persoonlijkheid werd blootgelegd door die onbewogen zwarte ogen, die niets leken te zien, geen persoon, geen identiteit, maar een fantoom, dat onder hun monolitisch staren tot niets vervloog. Het was alsof haar onthuld werd dat ze al deze jaren in een leugen geleefd had: zij was geen Indiaanse, zij had niets met deze mensen gemeen behalve de kleur van haar huid, de wijdte van haar jukbeenderen en de glans van haar zwarte haren. Wat die verdomde Quakers haar hadden aangedaan was haar van haar identiteit te beroven; zij hadden haar van een Indiaanse zuigeling veranderd in een ontworteld, rasloos kind, een vriendelijk gedrocht vol onderworpenheid en geduld en eerbied en goddelijkheid. Ze hadden haar volgestopt met frasen, die op dit ogenblik in haar gezicht leken te ontploffen: ‘appelleer aan het goddelijke in de ander’, ‘benader ieder conflict op de manier van de Vrienden’, ‘de dood is een horizon en een horizon is niets anders dan de begrenzing van ons gezichtsveld’.

Daar zat ze dan, eindelijk geconfronteerd met de werkelijkheid en niet met de slappe quasi-werkelijkheid van Quaker-werkkampen, achterbuurt-expedities, bouwploegjes na tornado's en zuigelingenzorg na overstromingen. Hier was dan de werkelijkheid zoals die bestaan had op de planeet aarde van het begin van de mensheid af: moeders, hun gezichten gesloten en ondoorgrondelijk, hun ogen dof en uitdrukkingloos, met stervende kinderen op hun ruggen die zij, onbewogen, aan de voeten van la bruja neerlegden. Zij geloofden niet, zij hoopten niet, zij zagen de werkelijkheid: een tengere, wereldvreemde maagd, gekleed in een wit priesteressengewaad met een tasje bij zich vol tovermiddelen, die er geen notie van had wat het betekende om een kind te dragen en ter wereld te brengen.

Ze hoefden maar één blik op het schepsel te werpen om te weten dat haar tovermiddelen niets zouden uithalen, dat het schepsel zelf als de dood was, want daar zat ze, nerveus slikkend, haar handen stijf gevouwen, trachtend haar op hol geslagen gedachten weer in bedwang te krijgen en haar paniek te overwinnen. Het goddelijke! Hoe kon ze, in vredesnaam, het goddelijke in die gesloten, vijandige vrouwen bereiken, behalve door hun kinderen te genezen? Waar was die vervloekte medicijn? Waarom had ze met alle geweld haantje de voorste willen zijn, hier aan willen komen als eerste beschermengel van stervende kindertjes in deze godverlaten woestenij? Ze kon het goddelijke in die moeders even weinig bereiken als ze water uit de rots-

[p. 364]

blokken kon ranselen. En toch was dit wat ze haar leven lang geleerd had, waar ze haar toekomst op had gebouwd: dat alleen door aan het goddelijke in de ander te appelleren zij hen beiden vrij kon maken van de knechting door geweld, onwetendheid, de dood. En nu, bij de eerste proef, had die winderige conceptie in het stof gebeten: de Benadering van een conflict op de manier van de Vrienden. Hier was haar eerste werkelijke conflict. Daar waren de moeders met hun stervende kinderen, en hier was zij. Wat was de eerste stap ook alweer? Vereenzelvig je met je tegenstander.

Ze hoefde hen alleen maar aan te kijken om als een blad aan de wingerd te verdorren. Ze wist niet waar ze zich kon verschuilen; ze werd verteerd door schaamte. Dat was het geweest: hovaardigheid, de ongelooflijke arrogantie van de ‘exclusieve openbaring’ waaraan zelfs de Quakers, bleek nu, niet waren ontkomen. Jezus is voor u gestorven. Oké, Hij was voor hen gestorven, maar waar was Hij? Waar was Zijn genade? Waar was de God van Liefde?

Ze wist dat ze bezig was hysterisch te worden, dat dit filosofische vragen waren die ze zichzelf op dit ogenblik zeker niet moest stellen, omdat ze nu alleen maar emotionele, waardeloze antwoorden zouden provoceren. Maar ze kon het niet helpen, ze zat daar rillend, naakt onder de roerloze blik van de moeders, ontdaan van al haar concepties van heiligheid, zending, boodschapper van genade, de enige die Hij heeft ben jij. Als die vrouwen over een paar ogenblikken de scherven van de rotsblokken om hen heen zouden oppakken en haar stenigen, zou het als een bevrijding komen, de enige straf die misschien de zonde ongedaan zou kunnen maken die zij bedreven had: haar volk te verraden, zich haar oorsprong te laten ontnemen, haar Hunizijn op te offeren op dat altaar van ‘het goddelijke in ieder mens’ en te veranderen in een ruggegraatloze sjabloon van de slappe, dierbare Quaker. O, was ze maar gebleven waar ze was! Was ze maar binnen de veilige kleine kring van het Genootschap der Vrienden blijven schuilen! Maar hier zat ze, en staarde de dood in de ogen die zij in haar hovaardigheid gedacht had te zullen overwinnen.

De dood is een horizon. Hoe geruststellend had dat geklonken toen ze nog veilig in de watten lag van de vlossige Quaker-wereldbeschouwing! Probeer het die vrouwen eens te vertellen dat de dood een horizon is, de begrenzing van hun gezichtsveld! Hier, in deze bergen, gaf de werkelijke horizon haar een rilling door zijn onvoorstelbare verheid. Die besneeuwde bergtopjes, die rij flonkerende tandjes boven de horizon, moesten de toppen van de Andes zijn, vijfhonderd kilometer ver. Om bij het staren in die onvoorstelbare verte te denken over de dood als een horizon was belachelijk, een romantisch zelfbedrog, zoals de hele sentimentele, kleverige zelfingenomenheid van haar Quaker-overtuiging. Zij werd verteerd door een zelfvernietigende haat tegen het Genootschap der Vrienden en alles waar dat voor stond; toen drong, door de muur van zelfbeklag, een zacht getinkel tot haar door.

Eerst dacht ze dat het een angelus was, geluid in het dorpje in de vallei, maar ze besefte dat die nu bijna nostalgische buitenpost van de beschaving langer dan een dagreis ver was; onmogelijk om op die afstand kerkklokken te horen. Toen, met een kreet van vreugde, sprong zij op en holde naar de

[p. 365]

rand van de afgrond. Ja hoor! Daar kwamen ze! Zes muilezels, twee met de hulpverpleegsters; vier bepakt met kartonnen dozen! Zij wendde zich af om de tranen van opluchting weg te vegen zonder dat de moeders het zagen en fluisterde een dankgebed tot God, vol schaamte voor de ogenblikken waarin ze haar geloof verloren had.

De muilezels bereikten haar lange tijd later. Eindelijk, snorkend en hijgend, kwamen ze tot stilstand aan de voet van de bouwval van het oude kerkje. Nadat ze de twee hulpverpleegsters begroet had met een uitbundigheid alsof het haar verloren zusters waren, begon zij de pakken af te laden. Een van de verpleegsters had een brief voor haar bij zich, waar zij vluchtig naar keek voor zij hem in de zak van haar schort stopte: van Vader, ergens in Afrika gepost. Maar eerst moest ze de boel afladen.

Met bevende handen opende ze de eerste kartonnen doos, want ze wilde zich vastklampen aan de wereld die ze kende, de wereld van de geneeskunde waarin ze een functie had, de enige functie in haar leven die ze op dat moment als werkelijk kon ervaren. Maar toen ze het eerste blik uit de doos haalde, keek ze met stom ongeloof naar het etiket. Gestoofde rode pruimen op eigen sap, wéér een superbe delicatesse uit de Plattfuss boomgaarden, Rutford Village, Californië.

Ze scheurde de volgende doos open, en de volgende, en de volgende, tot zij, sputterend van woede en blind van de tranen, tot de conclusie kwam: er zit in alle dozen hetzelfde. Ieder bevatte één dozijn blikken rode pruimen, op eigen sap. In een van de dozen had ze een brief gevonden die ze nu openscheurde: Plattfuss boomgaarden, stond erboven, in namaak-gotische letters, ‘Rutford Village, 15 november 1969. Lief doktertje! Hier zijn de pruimen die ik u beloofd heb die avond toen uw vader dat prachtige, prachtige verhaal vertelde hoe u gered werd uit dat Indiaanse dorpje door hem en die wonderbaarlijke vrouw, en waarom jullie de Tennessee Waltz aan het dansen waren. Ik had nog nooit in m'n hele leven zo'n mooi verhaal gehoord, het was zo inspirerend dat ik het aan onze dominee verteld heb, dr. Heinemann, die het meteen gebruikte in een preek. Iedereen onder zijn gehoor zat met tranen in de ogen, en geloof me, doktertje-lief, wij huilen hier niet gauw, deze vallei zit vol harde zakenlui, allemaal vruchtenkwekers, allemaal van Duitse afkomst. Dus: zegen op uw prachtige werk, en ik ben ervan overtuigd dat u een goed doel zult vinden voor deze heerlijke pruimen onder uw patiënten. Wat treffen zij het u te hebben! Als u tijd kunt vinden schrijf me dan eens een briefje en vertel me wat er met de pruimen gebeurd is. En ook al doet u dat niet, doktertje; zegen op uw werk namens mij en alle gemeenteleden, speciaal dr. Heinemann, en wat schaam ik mij! U wilt 't me zeker wel vergeven, alstublieft? Ik was een beetje tipsy, vrees ik. Maar o, wat bent u een prachtig menselijk wezen, net als die lieve vader van u! Kom maar gauw terug, dan gaan we allemaal eens de Tennessee Waltz dansen! Met beste groeten, uw vriendin Thelma Plattfuss.’

Er was een P.S.: ‘Haha, ik wist wel dat u dat vragen zou! Waar is de blikopener, hè? Natuurlijk heeft u geen blikopener, daar in die wildernis! Nu, zoek maar eens goed in deze doos! Voor de zekerheid heb ik er twee ingepakt.’

Ze grabbelde in het pakpapier in de doos, vond inderdaad twee blik-

[p. 366]

openers, en opeens zakte ze door haar knieën. Ze had het gevoel dat ze op het punt stond flauw te vallen, maar ze zag kans zich in de hand te houden en ging zitten waar ze stond, een blik pruimen in de hand. Toen werd ze zich bewust van de twee Indiaanse hulpverpleegsters, die ongerust stonden toe te kijken, en ze deed alsof ze was gaan zitten om het etiket van het blik op haar gemak te lezen. Deze rode pruimen zijn een extra sappige, extra grote variëteit, die vooral populair was in Engeland in de tweede helft van de zeventiende eeuw, waar zij bekendstonden als ‘Marokkaanse Pruimen’. Nadat zij drie eeuwen lang in het vergeetboek raakten, hebben de Plattfuss boomgaarden ... De letters vervaagden voor haar ogen; ze voelde zich of ze op het punt stond over te geven; maar dat mocht niet, ze mocht haar paniek niet kenbaar maken aan de twee hulpverpleegsters, die nu dicht naast elkaar naar haar stonden te turen, blijkbaar niet wetend wat ze van haar vreemde gedrag moesten denken. Ze haalde Vaders brief uit de zak van haar schort en scheurde de enveloppe open; ze moest het papier op haar knie gladstrijken en erop drukken om het trillen van haar handen te verbergen.

‘Mijn liefste Himsha, ik schrijf dit in een schuilkelder op een vliegveld in Biafra. Ik heb zo juist het vliegtuig met Laura Mariens en zestig kinderen uit de lucht zien schieten en in vlammen neerstorten in het oerwoud, in vijandelijk gebied. Buiten ons bereik, maar het is duidelijk, zelfs voor een leek als ik, dat er niemand levend uit zal komen. Ik weet niet hoe ik nu verder moet gaan of wat ik tegen je moet zeggen, ik weet alleen maar dat ik op dit ogenblik de behoefte voel je te schrijven om je hierover te vertellen. Misschien omdat Laura in zekere zin werkelijk je moeder was, zoals je eens gezegd hebt op een onbewaakt ogenblik in Cape May; misschien omdat je, voor zover ik kan zien, nu de enige bent die haar werk kan voortzetten.

Er zijn in de geschiedenis van de Quakers altijd bijzondere vrouwen geweest, niet uitzonderlijk van nature, of door hun geboorte, maar uitzonderlijk door de roeping waarmee zij zich belast voelden voor de lijdende kinderen van hun generatie. Margaret Fell was de eerste van hen, en er zijn na haar vele anderen gevolgd, ieder met haar eigen, unieke persoonlijkheid. Van die lange rij Quaker-heiligen, die allen gemeen hadden dat zij “heiligheid” van de hand wezen, was Laura de laatste. Nu zij er niet meer is, nu zij gevallen is, is het jouw beurt om de eeuwenoude last op je te nemen die in iedere generatie opnieuw de last was van één eenzame Quaker-vrouw. Ik weet dat je door het nieuws geschokt zult zijn; ik weet ook dat je, op dit ogenblik, belaagd zult worden door innerlijke twijfel, onzekerheid, gebrek aan zelfvertrouwen, de gedachte: Ik? Moet ik haar opvolgen? Geloof me, lieve, lieve schat, zo voelt iedereen zich die ineens wordt belast met een roeping die hij of zij niet verwachtte, ook al heb jij je er jarenlang op voorbereid.

Ik weet niet waarom, maar ik heb het dringende gevoel dat ik deze brief moet schrijven. Het is alsof een macht, buiten mij, mij dwingt om deze regels zo snel mogelijk aan je te versturen. Het zal wel de reactie zijn op het afschuwelijke schouwspel dat ik zo juist heb gezien en dat nog steeds niet helemaal tot mij is doorgedrongen. O, mijn God, als ik denk aan de angst, de doodsangst van die kinderen ... Maar laat ik je iets vertellen wat Laura vlak voor ze vertrok, nog geen uur geleden, tegen mij gezegd heeft en wat

[p. 367]

op dit ogenblik een bijzondere betekenis voor mij heeft, en, ik ben er zeker van, ook voor jou.

Wanneer ik je het besef van de tegenwoordigheid Gods toewens, weet ik dat je dit zult beschouwen als een gemeenplaats, een waarheid die té vaak herhaald is om nog als waarheid te kunnen worden ervaren. Laura vertrouwde mij vlak voor ze vertrok toe, dat voor haar “de tegenwoordigheid Gods” een abstractie was, te theologisch om van enig nut voor haar te zijn. Zij had, op ogenblikken waarin zij daaraan behoefte had, wel een Macht gevoeld Die haar ondersteunde en Die haar gebruikte voor Zijn eigen oogmerken, maar zij wilde het niet “God” noemen. Zij noemde het de tegenwoordigheid, in welke vorm ook, van al de Godgewijde levens van de Vrienden die aan haar waren voorafgegaan. Nu, sedert een paar minuten is zij zelf een van die Godgewijde Vrienden, en als er iets waars is in die conceptie, als zij inderdaad op ogenblikken van nood gesteund werd door wat er dan nog over moge zijn van de essentie van glorieuze vrouwen zoals Margaret Fell, Gulielma Woodhouse, Becky Baker, Lydia Best, dan zal zij, zonder enige twijfel, jóú op dit ogenblik steunen...’

Himsha sloot de ogen. In de stilte waarin zij in de ruimte leek te zweven, werd haar een kracht, het begin van een serene macht deelachtig. De kracht groeide in haar en leek haar langzaam te vullen met een vreemde, onemotionele rust, een stilheid die geen stilte was, maar volheid, volheid van licht, het dagend besef dat de oneindige oceaan van licht en liefde, die God was, werkelijk was en Zich nu aan haar mededeelde, haar nodig had om Zich kenbaar te maken aan de onbewogen vrouwen met hun bolhoeden die op de rand van de eeuwigheid hurkten, hun stervende zuigelingen op de rug.

Zij kon nog niets voor hen doen; het vaccin moest spoedig aankomen, dan zouden zij geholpen worden met alle middelen van de wetenschap, maar op het ogenblik, wat kon zij hun op dit ogenblik geven? Hoe kon zij hun de werkelijkheid van die oneindige oceaan van licht en liefde kenbaar maken, zoals die haar zelf voor het eerst in al zijn volheid deelachtig was geworden? Zij nam de blikopeners en ging naar de twee hulpverpleegsters, die haar nog steeds bang gadesloegen, niet wetend wat te denken van dit vreemde emotionele schepsel, dat zo op henzelf leek en met wie zij toch niets gemeen hadden. ‘Hier,’ zei zij, in het Spaans, ‘als jullie deze blikken openmaken, zal ik ze ronddienen. We hebben ze nu eenmaal, we moeten ze maar gebruiken.’

Gehoorzaam begonnen de twee meisjes de blikken te openen, op hun knieën op de grond. Himsha nam de eerste twee open blikken in de hand en bracht ze naar de vrouwen die haar met uitdrukkingloze zwarte ogen aanstaarden. Zij reikte een blik aan de eerste twee van de rij en zei in het Spaans: ‘Hier. Het is nog wel niet de echte medicijn, maar het is heel lekker, het zal jullie goed doen. Hier, probeer maar, het is zoet. Es dulce.’

De twee vrouwen wierpen elkander een blik toe van een plotselinge menselijke bangelijkheid, toen nam de tweede, kennelijk de dapperste, het blik aan, doopte haar vingers in de siroop en haalde er een natte, rode pruim uit.

‘Toe, eet maar, eet...’ Himsha glimlachte haar toe, nu zeker dat dit het antwoord was, dat dit het ijs tussen hen had gebroken.

[p. 368]

De Indiaanse vrouw sabbelde, voorzichtig, aan de druipende pruim.

‘En?’

De vrouw smekte met de lippen, gadegeslagen door de hele rij. Himsha besefte, ook al vertelde zij ze honderd keer dat dit nog niet de medicijn was, dat ze dit toch als het begin van de tovenarij beschouwden. Toen, met een plotseling gulzig gebaar, propte de vrouw de rest van de pruim in haar mond en begon voluptueus te kauwen. Haar buurvrouw volgde haar voorbeeld.

Himsha moest zich geweld aandoen om niet te hollen toen zij de volgende blikken ging halen. De twee hulpverpleegsters waren nu met plechtige toewijding blikken aan het openen; zij pakte de volgende twee op, droeg die naar de rij Indiaanse moeders, gehurkt aan de rand van de afgrond, en opeens had ze het overweldigende gevoel van een Tegenwoordigheid, die zij in het verleden onmiddellijk ‘de tegenwoordigheid Gods’ zou hebben genoemd. Nu, na wat Vader had geschreven over Tante Laura's conceptie van de macht die haar gesteund had, wist ze niet wiens tegenwoordigheid zij voelde - behalve dat het een vrouw moest zijn, en dat die vrouw, wie het ook was, het uitschaterde van verrassende, bevrijdende vrolijkheid.

terug  begin  verder