terug  begin 
[p. 384]

Epiloog

Nieuw Mexico
winter 1973

Toen de trein langzamer ging rijden werd Ethan Woodhouse met een schok wakker, omdat de negerconducteur zijn schouder aanraakte. ‘Kissing Tree, sir,’ zei de man verontschuldigend, alsof het zijn schuld was. Dat was het ook: hij had hem eerder kunnen roepen. De trein kwam, bellend en buffer-bonkend, tot stand; zijn bagage stond nog op het rek. ‘Kalm aan maar, sir,’ zei de conducteur, ‘u hebt plenty tijd, sir. We blijven hier een kwartier staan, om op aansluiting uit Santa Fe te wachten.’

‘O, goed dan, goed dan...’ Maar hij haastte zich met oude-mannetjes zenuwachtigheid, strikte zijn schoenveters en frummelde aan zijn das, met een halve kniebuiging voor het onmogelijk lage spiegeltje. Het spiegeltje toonde een oeroud gekerfd mannengezicht vol barstjes, als een voorhistorische urn. Wat de spirituele attracties van de ouderdom ook mochten zijn, het was niet de knapste periode in een mannenleven.

De conducteur haalde zijn bagage uit het rek en verdween ermee, de gang in. Buiten, op het perron, stond een menigte mensen te wachten in het heldere winterzonlicht, om de zo juist aangekomenen te verwelkomen. Ethan Woodhouse deed zijn overjas aan, zette zijn hoed op zonder dat het hem kon verdommen of hij achterstevoren stond, en schuifelde de gang in, met seniele haast, die hij als zodanig herkende, maar die een laag element in zijn natuur scheen te bevredigen. Hij klom stijf het trapje af en gaf de conducteur een fooi; de man salueerde met zo'n toewijding dat hij, verschrikt, vermoedde dat hij te veel gegeven had. Toen tuurde hij de gezichten af, in de hoop dat er één bij was dat op hem stond te wachten. Maar nee; daar stond hij, de spreker die het nieuwe Quaker-ziekenhuis moest openen en zij namen zelfs de moeite niet...

‘Ethan Woodhouse?’

Het was een oosterse puber met vieze zwarte manen, een platte neus en buitensporig wijde jukbeenderen. Zou wel de een of andere Indiaan zijn. Enfin, het ziekenhuis was ten slotte bestemd voor Indianen. ‘Ja?’ Hij hoorde zelf dat het klonk als het gekras van een oude kraai.

‘Mijn naam is Joshua Baker,’ zei de jonge man. ‘Is dit je bagage, Vriend?’

Hij weerstond de verleiding om te snauwen: ‘Van wie anders?’ en besefte dat het de querulantie van de ouderdom was. Had waarschijnlijk iets met zenuwen te maken. Of gassen. Hemelse goedheid, dat eten in de trein! ‘Ja,’ zei hij, ‘dank je, Joshua Baker.’

De jongeman tilde de koffers op alsof ze leeg waren. ‘Mijn auto staat buiten, Ethan - eh - Vriend,’ zei hij, met de beroepsmatige geestdrift die bij Quaker-pubers scheen te behoren. Op die leeftijd moest hij zelf even vermoeiend opgewekt en hinderlijk liefhebbend zijn geweest als deze jongen. Het werd je ingetrommeld met de gestadigheid van de regen, een soort vreed-

[p. 385]

zame Chinese foltering: ‘Bemin het goddelijke in een iegelijk die gij ontmoet, Ethan. Bemin het goddelijke...’ Wie was het ook alweer, in het grijs verleden, die van iemand gezegd had: ‘Ik bemin het goddelijke in hem, maar daar houdt het dan ook mee op’? Zou George Fox wel weer geweest zijn. Niemand had zijn eigen gedachten en gezegden met meer grondigheid opgetekend dan hij. ‘Bij welke stam hoor je, Vriend?’ vroeg hij, met plichtmatige belangstelling, toen ze in de tunnel afdaalden. ‘Huni?’

‘Nee - eh - Ethan, Vriend,’ antwoordde de jongen opgewekt. ‘Ik ben een Eskimo.’

‘Wat zeg je me nou?’ Het was eruit voor hij het wist. O, die Bakers! Naar hij zich meende te herinneren hadden ze bij het adopteren van hun kinderen geen enkel ras overgeslagen: Negers, Indianen, Chicano's, Koreanen, en nu een Eskimo. Als er waarheid stak in de vliegende schotels, en Bonifacius Baker zou een van die groene mannetjes tegenkomen op een verlaten landweg, zou zijn eerste vraag zijn: ‘Mag ik je adopteren, Vriend?’

‘Gaan we regelrecht naar het, ziekenhuis?’

‘Nee, Ethan Woodhouse,’ zei de jongen, die nu de trap naar de straat ophuppelde met de lenigheid van een berggeit, niettegenstaande de koffers. ‘Eerst hebben we samenkomst, dan een picknick, en dan pas de officiële opening.’

‘O. En wanneer word ik verondersteld te gaan staan labbekakken?’

‘Pardon?’

‘Op welk punt moet ik volgens het programma mijn toespraak houden?’

‘O, dat weet ik niet, Ethan - eh - Vriend. Ik weet het echt niet. U - eh - je zult dat aan Amanda Clutterbuck moeten vragen.’

‘Wie is Amanda Clutterbuck nou weer?’

‘De klerk van onze Vergadering, Ethan - Vriend.’

Het was duidelijk dat hij de jongen aan het schrikken gemaakt had, hij moest de ironie maar een beetje inbinden als hij wilde dat dit zowel een gezegende samenkomst als een gezegende picknick werd. O, mijn hemel, Quaker-picknicks! Wat was het toch in het karakter van de Vrienden dat vroomheid gelijkstelde aan indigestie? Hij herinnerde zich eens een rapport te hebben ontvangen van een jonge Maandvergadering, waarin erover geklaagd werd dat enkele leden in een ogenblik van brooddronkenheid hun picknick-comité de naam hadden gegeven van: Committee for Sufferings. Hij had geantwoord dat als de picknicks bestonden uit de gebruikelijke schoteltjes, de naam van het comité bij uitstek toepasselijk was. Dat antwoord was nogal over de tong gegaan onder Gewichtige Vrienden, dat wil zeggen: er was gegiecheld. Seniel gegiecheld weliswaar, maar gegiecheld. O, de plechtstatigheid van pasbekeerde Vrienden! ‘Dat is toch zeker je auto niet?’ vroeg hij, ontsteld.

Zij waren opgedoken in het felle zonlicht van het stationsplein en de Eskimo had hem naar een lage, felrode raceauto met een haaiengrijns geleid, die te klein leek om een kat in te vervoeren, laat staan het drieënnegentig jaar oude enfant-terrible van het Genootschap der Vrienden.

‘Ja Ethan - eh - Vriend.’

‘Is er geen taxi?’

Het gezicht van de jonge Eskimo betrok. Hij zag eruit als een kind dat

[p. 386]

zijn speelgoed was afgenomen.

‘Ik méén het: je verwacht toch niet dat ik in dat ding zal gaan zitten?’

‘O, maar Ethan - Vriend, kijk 's: er is véél meer ruimte dan je op het eerste gezicht zou denken...’

Hij onderdrukte een kreet toen de jongen een knop indrukte waardoor het dak van het ding ineens omhoogklapte, als het deksel van een doos. In het binnenste zag hij twee stoeltjes, bekleed met luipaardvacht, en een instrumentarium dat hem aan de Zeppelin deed denken die hij bezocht had op de dag voor het ding afbrandde.

‘Zie je wel?’ vroeg de jongen. ‘Er is heus heel veel ruimte...’

‘Vooruit dan maar.’ Hij liet zich, voorzichtig, in een van de exotische stoelen zakken. De jongen ging naast hem zitten, na iets met zijn koffers gedaan te hebben achter zijn rug wat hem zenuwachtig maakte, en zei: ‘Vriend - eh, Ethan, zou je er bezwaar tegen hebben je gordel om te doen?’

‘M'n wát?’

De jongen boog zich over hem heen en trok een riem te voorschijn met een gesp die de vorm had van een leeuwekop met wijdgesperde kaken. Daarin stak hij, met een klik, het hoofdje van een andere gesp die de vorm had van een lam. ‘Alsjeblieft,’ zei de jongen, zelfingenomen.

Hij gromde: ‘Wat deze duivelse machine ook moge zijn, het is zeker geen emanatie van het Koninkrijk van de Vrede.’

‘Pardon?’

‘Laat maar,’ zei hij. Het trieste van seniele grapjes was dat zij de komediant zo mogelijk nog meer vermoeiden dan zijn gehoor.

De auto sprong met een boosaardig gegrom voorwaarts; hij greep een handvat op het dashboard beet en sloot de ogen. Het was geen angst voor de dood, want of hij op deze manier ging of op een andere, het was om het even. Het was de angst van de broze ouderdom, het miserabele gevoel dat in plaats van het pezige mannenlichaam uit je jeugd je nu een glazenkast meedroeg vol papierdun porselein, op beentjes die even ongeschikt waren om op te lopen als de stelen van Goudse pijpen.

Hij was opgelucht toen zij, na een rit die voornamelijk op twee wielen scheen te zijn volbracht, stilstonden voor een van die adobe bungalows die bij duizenden rond iedere Nieuwmexicaanse stad als paddestoelen opschoten. ‘Het Vergaderingsgebouw,’ zei de jongen.

De gebruikelijke delegatie kwam naar buiten om hem te verwelkomen: jonge vrouwen met houten kralen, mannen in sporthemden en op sandalen, en een paar oudere Vrienden in pak met das. Er was ook een aantal kinderen, die weinig respect leken te hebben voor hun ouders. Hij liet zich uit de machine hijsen, zette zijn lorgnet recht en werd opeens belaagd door de neurotische angst, die zich voor iedere spreekbeurt van hem meester maakte, dat zijn gebit los zou raken. Het gebeurde nooit, maar het was toch beter om zich even in het toilet terug te trekken voor de heilige stilte begon om zijn bovenkaak met lijmpoeder te besprenkelen.

Toen hij eindelijk de weldoende afzondering van het toilet had bereikt, na iedereen begroet te hebben met de gebruikelijke leugenachtige kreet: ‘Ach, natuurlijk herinner ik me je!’ voelde hij zich opeens bedroefd. Hij had er geen idee van hoe het kwam; normaal gesproken kreeg hij pas na het avond-

[p. 387]

eten last van melancholie, maar daar stond hij, bij vol daglicht, te staren naar het kobaltblauwe rechthoekje van de Nieuwmexicaanse hemel omlijst door het pleeraampje, en voelde zich intens bedroefd. Het vooruitzicht om dit stelletje vervelende mensen met hun bandeloze kinderen en snierende pubers te moeten toespreken, maakte hem moe en oud en verdrietig. Grote God, wat was de zin van dit alles? Waarom moest hij zo idioot oud worden, gestrand in een gratieloze nieuwe wereld als de laatste vertegenwoordiger van een uitgestorven diersoort? Want deze mensen die zich Quakers noemden en die nu in stilte zaten te wachten tot hij hun een verheffende getuigenis zou geven, als een soort geestelijke orthopedische schoenzool, hadden niets meer gemeen met de Vrienden van zijn generatie, die nu allemaal dood waren, en als ze niet dood waren, waren ze kinds. Eén ding schenen deze nieuwe Quakers totaal te missen: gevoel voor humor; en dat was toch altijd een kenmerk van de Vrienden geweest. Wat moest hij tegen dit saaie stelletje zeggen dat ‘tot hun conditie zou spreken’, zoals het heette? Iets over het nieuwe ziekenhuis? Waarom het het ‘Jacob Martens Hospitaal’ genoemd was? De waarheid kon hij ze niet vertellen, want daar had je het gevoel voor humor voor nodig dat ze zo jammerlijk misten. Het ziekenhuis was namelijk voor een appel en een ei gekocht door het bestuur van de Meeting for Sufferings, nadat de staat Nieuw Mexico het door een nieuw had vervangen. Het oude ziekenhuis heette het ‘Juan Martinez Hospitaal’, naar de een of andere overleden gouverneur. Het bestuur had het willen omdopen in het ‘Laura Martens Kinderziekenhuis’, maar er waren al meer kinderziekenhuizen naar Laura Martens genoemd dan straten naar president Kennedy. Terwijl hij naar het bestuur had zitten luisteren had hij zich herinnerd bij wie eigenlijk de oorsprong lag van dat hele kindergedoe: de Hollandse schoonzoon van Stella Best, aan wie ze grondig het land had gehad; hij had de man nooit kunnen vergeten, ook al hadden zij elkaar nooit ontmoet, want ten slotte had hij door zijn afgrijselijke dood in het concentratiekamp zijn dochter aangezet om haar bewonderenswaardige werk te gaan doen. Daarom had hij het bestuur voorgesteld dat het kinderziekenhuis naar Jacob Martens zou worden genoemd, maar het bestuur had het voorstel met een stroeve stilte begroet en was met pruimemondjes voor zich uit gaan zitten staren. Toen had hij zijn troef uitgespeeld. ‘Laten we niet vergeten, Vrienden,’ had hij gezegd, ‘we hebben het lamme ding gekocht compleet met inventaris: linnengoed, servies, messen, vorken. De beddelakens en het linnengoed zijn om te beginnen met “J.M.H.” gemerkt, in letters van tien centimeter, om diefstal te voorkomen. De messen en vorken zijn gegraveerd met dezelfde initialen; ze hebben Juan Martinez zelfs herdacht door zijn initialen in het servies te bakken. Nou, als wij het ding het “Jacob Martens Hospitaal” noemen, dan hoeven we die initialen niet te veranderen, en kunnen we die rommel blijven gebruiken. Anders moeten we de hele troep weggooien. Denk eens aan het geld dat we daarmee besparen!’ Na een paar minuten, gedurende dewelke de geest van Quaker-zuinigheid zich manifesteerde in stille meditatie, had het bestuur de klerk opgedragen een notule te schrijven waarin werd gerapporteerd dat de Leiding van de Vergadering was om het ziekenhuis naar Jacob Martens, Nederlands Quaker, te noemen, die de marteldood was gestorven in een concentratiekamp in Duitsland, in 1942.

[p. 388]

En daar stond hij dan, in een pleetje in Nieuw Mexico, op het punt het ‘Jacob Martens Hospitaal’ met een passende toespraak te openen. Wat kon hij zeggen? Ach, ook al zou hij nu iets bedenken, als het zover was zou het wel weer kletsmeierij lijken, zoals de laatste tijd steeds vaker was voorgekomen. Een paar keer was hij vol geestdrift opgestaan tijdens samenkomst om te getuigen, maar na de eerste klinkende frasen geëindigd met ‘enzovoort, enzovoort’, ontmoedigd door het besef dat wat hij had willen verkondigen al duizend keer gehoord was in duizenden samenkomsten. Het beste was maar om Leiding te bidden, wie weet kwam er een gezegende inspiratie door het raampje.

Hij stond enkele ogenblikken met gesloten ogen en gevouwen handen in een groeiend besef van de Tegenwoordigheid, toen werd er op de deur gebonsd en een zenuwachtige vrouwenstem vroeg: ‘Ethan Woodhouse? Is alles goed?’

Grote hemel! Ze moesten gedacht hebben dat hij op het toilet het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had! ‘Natuurlijk!’ anwoordde hij. ‘Ik was alleen maar even bezig mijn - eh - mijn zaakje te lijmen.’

‘O? O...’ De stem klonk onzeker, zij het gerustgesteld. Geen wonder, wat zou de vrouw denken dat hij bedoelde? Enfin, vooruit met de geit.

Toen hij de Vergaderzaal binnenkwam was de samenkomst al begonnen. Iedereen zat op de gebruikelijke ongemakkelijke keukenstoelen die het kenmerk schenen te zijn van jonge Vergaderingen; een rijtje van die dingen stond tegenover de gemeente als ouderlingenbank, er was één plaats open tussen een vrouw met een bril met briljantjes en een Vriend van middelbare leeftijd in een sporthemd met parende walrussen. De vrouw wees op de stoel; zij moest de klerk zijn, Amanda Clutterbuck. De ellendige stoeltjes waren weer van ijzer, hetgeen betekende dat hij over een paar uur weer last zou krijgen van zijn blaas; hij vroeg zich af of hij om een kussen zou kunnen vragen of om een krant om op te zitten, maar besloot dat hij al genoeg deining veroorzaakt had. Hij ging berustend zitten, boog het hoofd en vouwde de handen.

Hij verwachtte dat hij er weer, zoals gewoonlijk, bij zou zitten met idiote babbelgedachten rondtollend als muizen in een badkuip, maar tot zijn verwondering voelde hij de stilte dieper worden, een teken dat het een van de zeldzame gelegenheden was waarop een Quaker-samenkomst werkelijk een eredienst werd, zonder dat er een woord werd gesproken. Het vluchtige besef van de Tegenwoordigheid dat hij in het toilet gevoeld had kwam terug en werd sterker. Hij voelde de drang om op te staan en te getuigen. Hij wilde iets over Jacob Martens zeggen en over zijn dochter, over Bonifacius Baker de eerste die in Slot Lancaster gestorven was en gesproken had over het Zaad. Hij stond op het punt om op te staan, toen in de stilte een kind luid geeuwde.

Hij opende één oog en zag, tegenover hem op de eerste rij, een beeldschone jonge vrouw met een flatterende blos van verlegenheid verontschuldigend naar hem staren. Naast haar zat een Aziatisch jongetje van een jaar of vier, beentjes van de vloer, dat hem aangluurde met de onschuld en het inzicht van een vogeltje. De drang om te getuigen verschrompelde, niet vanwege de interruptie, maar omdat de knappe jonge vrouw, die er zo be-

[p. 389]

schaamd en verlegen bij zat, een feest was voor de ogen. Nou ja - jong - ze moest een jaar of veertig, vijftig zijn, maar als je drieënnegentig was ... Jacob Martens zou het vandaag zonder zijn flatulent gezemel moeten stellen.

In aanmerking genomen dat niemand een woord zei was de samenkomst vrij snel afgelopen. Hij stond op, zich bewust van al zijn gewrichten, en beende, zo stijf als een reiger, op de jonge moeder en haar Aziatische kind af. ‘Wel wel,’ zei hij, ‘en wie hebben we hier?’ Hij stond met zijn lange magere lichaam over het jongetje gebogen en keek welwillend op hem neer.

‘Ik - ik ben Gulie Baker, Ethan Woodhouse,’ zei de knappe jonge vrouw. ‘Dit is ons zoontje Bonifacius. Hij is pas vier, hij komt uit Vietnam, hij is nog niet aan samenkomst gewend...’

Hij stak een hand uit, die voor het kind de afmeting moest hebben van een koekepan, gromde: ‘Vriend Bonifacius,’ en schudde behoedzaam het piepkleine handje. ‘Dank je voor je getuigenis. Je hebt tot mijn conditie gesproken.’

Terwijl hij het zei besefte hij dat het dit soort nonsens was waaruit de vroegste herinneringen van een man bestonden, het begin van het gevoel ergens bij te horen. God wist zou, dank zij dit ogenblik, wéér een Bonifacius Baker opgroeien tot Vriend.

‘Wil je wat non-alcoholische punch gebruiken, Ethan Woodhouse?’ vroeg de stem die geïnformeerd had of hij dood was.

‘Nee, dank je, Amanda Clutterbuck,’ antwoordde hij, ‘ik ben bang dat mijn lijm zou oplossen.’ Daarna beende hij met hoge stappen het zonlicht in naar de picknicktafel die buiten stond te wachten, gedekt door het Committee for Sufferings van de Maandvergadering van Kissing Tree.

Die middag, in het verblindende zonlicht van de Llano Estacado, terwijl vrachtauto's boven hem voorbijronkten op het klaverblad en een goederentrein bellend kwam aangereden uit de woestijn, onthulde hij een gedenkplaat naast de voordeur van het kinderziekenhuis:

ter nagedachtenis aan jacob martens, nederlands quaker, geboren 1896, gestorven in het concentratiekamp schwalbenbach, west-duttsland, in 1942. dank zij het werk waartoe hij zijn dochter en hen die haar navolgen inspireerde, zal er nooit een einde komen aan het goed dat hij heeft gedaan.

[p. schutblad achter]


illustratie

[p. schutblad achter]


illustratie

terug  begin