|
|
|
| |
| | | | | |
Nieuw Mexico
winter 1973
Toen de trein langzamer ging rijden werd Ethan Woodhouse met een schok
wakker, omdat de negerconducteur zijn schouder aanraakte. ‘Kissing Tree,
sir,’ zei de man verontschuldigend, alsof het zijn schuld was. Dat was het
ook: hij had hem eerder kunnen roepen. De trein kwam, bellend en
buffer-bonkend, tot stand; zijn bagage stond nog op het rek. ‘Kalm aan maar,
sir,’ zei de conducteur, ‘u hebt plenty tijd, sir. We blijven hier een
kwartier staan, om op aansluiting uit Santa Fe te wachten.’
‘O, goed dan, goed dan...’ Maar hij haastte zich met oude-mannetjes
zenuwachtigheid, strikte zijn schoenveters en frummelde aan zijn das, met
een halve kniebuiging voor het onmogelijk lage spiegeltje. Het spiegeltje
toonde een oeroud gekerfd mannengezicht vol barstjes, als een
voorhistorische urn. Wat de spirituele attracties van de ouderdom ook
mochten zijn, het was niet de knapste periode in een mannenleven.
De conducteur haalde zijn bagage uit het rek en verdween ermee, de gang in.
Buiten, op het perron, stond een menigte mensen te wachten in het heldere
winterzonlicht, om de zo juist aangekomenen te verwelkomen. Ethan Woodhouse
deed zijn overjas aan, zette zijn hoed op zonder dat het hem kon verdommen
of hij achterstevoren stond, en schuifelde de gang in, met seniele haast,
die hij als zodanig herkende, maar die een laag element in zijn natuur
scheen te bevredigen. Hij klom stijf het trapje af en gaf de conducteur een
fooi; de man salueerde met zo'n toewijding dat hij, verschrikt, vermoedde
dat hij te veel gegeven had. Toen tuurde hij de gezichten af, in de hoop dat
er één bij was dat op hem stond te wachten. Maar nee; daar stond hij, de
spreker die het nieuwe Quaker-ziekenhuis moest openen en zij namen zelfs de
moeite niet...
‘Ethan Woodhouse?’
Het was een oosterse puber met vieze zwarte manen, een platte neus en
buitensporig wijde jukbeenderen. Zou wel de een of andere Indiaan zijn.
Enfin, het ziekenhuis was ten slotte bestemd voor Indianen. ‘Ja?’ Hij hoorde
zelf dat het klonk als het gekras van een oude kraai.
‘Mijn naam is Joshua Baker,’ zei de jonge man. ‘Is dit je bagage, Vriend?’
Hij weerstond de verleiding om te snauwen: ‘Van wie anders?’ en besefte dat
het de querulantie van de ouderdom was. Had waarschijnlijk iets met zenuwen
te maken. Of gassen. Hemelse goedheid, dat eten in de trein! ‘Ja,’ zei hij,
‘dank je, Joshua Baker.’
De jongeman tilde de koffers op alsof ze leeg waren. ‘Mijn auto staat buiten,
Ethan - eh - Vriend,’ zei hij, met de beroepsmatige geestdrift die bij
Quaker-pubers scheen te behoren. Op die leeftijd moest hij zelf even
vermoeiend opgewekt en hinderlijk liefhebbend zijn geweest als deze jongen.
Het werd je ingetrommeld met de gestadigheid van de regen, een soort
vreed- | | | | zame Chinese foltering: ‘Bemin het
goddelijke in een iegelijk die gij ontmoet, Ethan. Bemin het
goddelijke...’ Wie was het ook alweer, in het grijs verleden, die
van iemand gezegd had: ‘Ik bemin het goddelijke in hem, maar daar houdt het
dan ook mee op’? Zou George Fox wel weer geweest zijn. Niemand had zijn
eigen gedachten en gezegden met meer grondigheid opgetekend dan hij. ‘Bij
welke stam hoor je, Vriend?’ vroeg hij, met plichtmatige belangstelling,
toen ze in de tunnel afdaalden. ‘Huni?’
‘Nee - eh - Ethan, Vriend,’ antwoordde de jongen opgewekt. ‘Ik ben een
Eskimo.’
‘Wat zeg je me nou?’ Het was eruit voor hij het wist. O, die Bakers! Naar hij
zich meende te herinneren hadden ze bij het adopteren van hun kinderen geen
enkel ras overgeslagen: Negers, Indianen, Chicano's, Koreanen, en nu een
Eskimo. Als er waarheid stak in de vliegende schotels, en Bonifacius Baker
zou een van die groene mannetjes tegenkomen op een verlaten landweg, zou
zijn eerste vraag zijn: ‘Mag ik je adopteren, Vriend?’
‘Gaan we regelrecht naar het, ziekenhuis?’
‘Nee, Ethan Woodhouse,’ zei de jongen, die nu de trap naar de straat
ophuppelde met de lenigheid van een berggeit, niettegenstaande de koffers.
‘Eerst hebben we samenkomst, dan een picknick, en dan pas de officiële
opening.’
‘O. En wanneer word ik verondersteld te gaan staan labbekakken?’
‘Pardon?’
‘Op welk punt moet ik volgens het programma mijn toespraak houden?’
‘O, dat weet ik niet, Ethan - eh - Vriend. Ik weet het echt niet. U - eh - je
zult dat aan Amanda Clutterbuck moeten vragen.’
‘Wie is Amanda Clutterbuck nou weer?’
‘De klerk van onze Vergadering, Ethan - Vriend.’
Het was duidelijk dat hij de jongen aan het schrikken gemaakt had, hij moest
de ironie maar een beetje inbinden als hij wilde dat dit zowel een gezegende
samenkomst als een gezegende picknick werd. O, mijn hemel, Quaker-picknicks!
Wat was het toch in het karakter van de Vrienden dat vroomheid gelijkstelde
aan indigestie? Hij herinnerde zich eens een rapport te hebben ontvangen van
een jonge Maandvergadering, waarin erover geklaagd werd dat enkele leden in
een ogenblik van brooddronkenheid hun picknick-comité de naam hadden gegeven
van: Committee for Sufferings. Hij had geantwoord dat als de picknicks
bestonden uit de gebruikelijke schoteltjes, de naam van het comité bij
uitstek toepasselijk was. Dat antwoord was nogal over de tong gegaan onder
Gewichtige Vrienden, dat wil zeggen: er was gegiecheld. Seniel gegiecheld
weliswaar, maar gegiecheld. O, de plechtstatigheid van pasbekeerde Vrienden!
‘Dat is toch zeker je auto niet?’ vroeg hij, ontsteld.
Zij waren opgedoken in het felle zonlicht van het stationsplein en de Eskimo
had hem naar een lage, felrode raceauto met een haaiengrijns geleid, die te
klein leek om een kat in te vervoeren, laat staan het drieënnegentig jaar
oude enfant-terrible van het Genootschap der Vrienden.
‘Ja Ethan - eh - Vriend.’
‘Is er geen taxi?’
Het gezicht van de jonge Eskimo betrok. Hij zag eruit als een kind dat | | | | zijn speelgoed was afgenomen.
‘Ik méén het: je verwacht toch niet dat ik in dat ding zal gaan zitten?’
‘O, maar Ethan - Vriend, kijk 's: er is véél meer ruimte dan je op het eerste
gezicht zou denken...’
Hij onderdrukte een kreet toen de jongen een knop indrukte waardoor het dak
van het ding ineens omhoogklapte, als het deksel van een doos. In het
binnenste zag hij twee stoeltjes, bekleed met luipaardvacht, en een
instrumentarium dat hem aan de Zeppelin deed denken die hij bezocht had op
de dag voor het ding afbrandde.
‘Zie je wel?’ vroeg de jongen. ‘Er is heus heel veel ruimte...’
‘Vooruit dan maar.’ Hij liet zich, voorzichtig, in een van de exotische
stoelen zakken. De jongen ging naast hem zitten, na iets met zijn koffers
gedaan te hebben achter zijn rug wat hem zenuwachtig maakte, en zei: ‘Vriend
- eh, Ethan, zou je er bezwaar tegen hebben je gordel om te doen?’
‘M'n wát?’
De jongen boog zich over hem heen en trok een riem te voorschijn met een gesp
die de vorm had van een leeuwekop met wijdgesperde kaken. Daarin stak hij,
met een klik, het hoofdje van een andere gesp die de vorm had van een lam.
‘Alsjeblieft,’ zei de jongen, zelfingenomen.
Hij gromde: ‘Wat deze duivelse machine ook moge zijn, het is zeker geen
emanatie van het Koninkrijk van de Vrede.’
‘Pardon?’
‘Laat maar,’ zei hij. Het trieste van seniele grapjes was dat zij de
komediant zo mogelijk nog meer vermoeiden dan zijn gehoor.
De auto sprong met een boosaardig gegrom voorwaarts; hij greep een handvat op
het dashboard beet en sloot de ogen. Het was geen angst voor de dood, want
of hij op deze manier ging of op een andere, het was om het even. Het was de
angst van de broze ouderdom, het miserabele gevoel dat in plaats van het
pezige mannenlichaam uit je jeugd je nu een glazenkast meedroeg vol
papierdun porselein, op beentjes die even ongeschikt waren om op te lopen
als de stelen van Goudse pijpen.
Hij was opgelucht toen zij, na een rit die voornamelijk op twee wielen scheen
te zijn volbracht, stilstonden voor een van die adobe bungalows die bij
duizenden rond iedere Nieuwmexicaanse stad als paddestoelen opschoten. ‘Het
Vergaderingsgebouw,’ zei de jongen.
De gebruikelijke delegatie kwam naar buiten om hem te verwelkomen: jonge
vrouwen met houten kralen, mannen in sporthemden en op sandalen, en een paar
oudere Vrienden in pak met das. Er was ook een aantal kinderen, die weinig
respect leken te hebben voor hun ouders. Hij liet zich uit de machine
hijsen, zette zijn lorgnet recht en werd opeens belaagd door de neurotische
angst, die zich voor iedere spreekbeurt van hem meester maakte, dat zijn
gebit los zou raken. Het gebeurde nooit, maar het was toch beter om zich
even in het toilet terug te trekken voor de heilige stilte begon om zijn
bovenkaak met lijmpoeder te besprenkelen.
Toen hij eindelijk de weldoende afzondering van het toilet had bereikt, na
iedereen begroet te hebben met de gebruikelijke leugenachtige kreet: ‘Ach,
natuurlijk herinner ik me je!’ voelde hij zich opeens bedroefd. Hij had er
geen idee van hoe het kwam; normaal gesproken kreeg hij pas na het avond- | | | | eten last van melancholie, maar daar stond hij, bij vol
daglicht, te staren naar het kobaltblauwe rechthoekje van de Nieuwmexicaanse
hemel omlijst door het pleeraampje, en voelde zich intens bedroefd. Het
vooruitzicht om dit stelletje vervelende mensen met hun bandeloze kinderen
en snierende pubers te moeten toespreken, maakte hem moe en oud en
verdrietig. Grote God, wat was de zin van dit alles? Waarom moest hij zo
idioot oud worden, gestrand in een gratieloze nieuwe wereld als de laatste
vertegenwoordiger van een uitgestorven diersoort? Want deze mensen die zich
Quakers noemden en die nu in stilte zaten te wachten tot hij hun een
verheffende getuigenis zou geven, als een soort geestelijke orthopedische
schoenzool, hadden niets meer gemeen met de Vrienden van zijn generatie, die
nu allemaal dood waren, en als ze niet dood waren, waren ze kinds. Eén ding
schenen deze nieuwe Quakers totaal te missen: gevoel voor humor; en dat was
toch altijd een kenmerk van de Vrienden geweest. Wat moest hij tegen dit
saaie stelletje zeggen dat ‘tot hun conditie zou spreken’, zoals het heette?
Iets over het nieuwe ziekenhuis? Waarom het het ‘Jacob Martens Hospitaal’
genoemd was? De waarheid kon hij ze niet vertellen, want daar had je het
gevoel voor humor voor nodig dat ze zo jammerlijk misten. Het ziekenhuis was
namelijk voor een appel en een ei gekocht door het bestuur van de Meeting
for Sufferings, nadat de staat Nieuw Mexico het door een nieuw had
vervangen. Het oude ziekenhuis heette het ‘Juan Martinez Hospitaal’, naar de
een of andere overleden gouverneur. Het bestuur had het willen omdopen in
het ‘Laura Martens Kinderziekenhuis’, maar er waren al meer
kinderziekenhuizen naar Laura Martens genoemd dan straten naar president
Kennedy. Terwijl hij naar het bestuur had zitten luisteren had hij zich
herinnerd bij wie eigenlijk de oorsprong lag van dat hele kindergedoe: de
Hollandse schoonzoon van Stella Best, aan wie ze grondig het land had gehad;
hij had de man nooit kunnen vergeten, ook al hadden zij elkaar nooit
ontmoet, want ten slotte had hij door zijn afgrijselijke dood in het
concentratiekamp zijn dochter aangezet om haar bewonderenswaardige werk te
gaan doen. Daarom had hij het bestuur voorgesteld dat het kinderziekenhuis
naar Jacob Martens zou worden genoemd, maar het bestuur had het voorstel met
een stroeve stilte begroet en was met pruimemondjes voor zich uit gaan
zitten staren. Toen had hij zijn troef uitgespeeld. ‘Laten we niet vergeten,
Vrienden,’ had hij gezegd, ‘we hebben het lamme ding gekocht compleet met
inventaris: linnengoed, servies, messen, vorken. De beddelakens en het
linnengoed zijn om te beginnen met “J.M.H.” gemerkt, in letters van tien
centimeter, om diefstal te voorkomen. De messen en vorken zijn gegraveerd
met dezelfde initialen; ze hebben Juan Martinez zelfs herdacht door zijn
initialen in het servies te bakken. Nou, als wij het ding het “Jacob Martens
Hospitaal” noemen, dan hoeven we die initialen niet te veranderen, en kunnen
we die rommel blijven gebruiken. Anders moeten we de hele troep weggooien.
Denk eens aan het geld dat we daarmee besparen!’ Na een paar minuten,
gedurende dewelke de geest van Quaker-zuinigheid zich manifesteerde in
stille meditatie, had het bestuur de klerk opgedragen een notule te
schrijven waarin werd gerapporteerd dat de Leiding van de Vergadering was om
het ziekenhuis naar Jacob Martens, Nederlands Quaker, te noemen, die de
marteldood was gestorven in een concentratiekamp in Duitsland, in 1942.
| | | |
En daar stond hij dan, in een pleetje in Nieuw Mexico, op het punt het ‘Jacob
Martens Hospitaal’ met een passende toespraak te openen. Wat kon hij zeggen?
Ach, ook al zou hij nu iets bedenken, als het zover was zou het wel weer
kletsmeierij lijken, zoals de laatste tijd steeds vaker was voorgekomen. Een
paar keer was hij vol geestdrift opgestaan tijdens samenkomst om te
getuigen, maar na de eerste klinkende frasen geëindigd met ‘enzovoort,
enzovoort’, ontmoedigd door het besef dat wat hij had willen verkondigen al
duizend keer gehoord was in duizenden samenkomsten. Het beste was maar om
Leiding te bidden, wie weet kwam er een gezegende inspiratie door het
raampje.
Hij stond enkele ogenblikken met gesloten ogen en gevouwen handen in een
groeiend besef van de Tegenwoordigheid, toen werd er op de deur gebonsd en
een zenuwachtige vrouwenstem vroeg: ‘Ethan Woodhouse? Is alles goed?’
Grote hemel! Ze moesten gedacht hebben dat hij op het toilet het tijdelijke
met het eeuwige verwisseld had! ‘Natuurlijk!’ anwoordde hij. ‘Ik was alleen
maar even bezig mijn - eh - mijn zaakje te lijmen.’
‘O? O...’ De stem klonk onzeker, zij het gerustgesteld. Geen wonder, wat zou
de vrouw denken dat hij bedoelde? Enfin, vooruit met de geit.
Toen hij de Vergaderzaal binnenkwam was de samenkomst al begonnen. Iedereen
zat op de gebruikelijke ongemakkelijke keukenstoelen die het kenmerk schenen
te zijn van jonge Vergaderingen; een rijtje van die dingen stond tegenover
de gemeente als ouderlingenbank, er was één plaats open tussen een vrouw met
een bril met briljantjes en een Vriend van middelbare leeftijd in een
sporthemd met parende walrussen. De vrouw wees op de stoel; zij moest de
klerk zijn, Amanda Clutterbuck. De ellendige stoeltjes waren weer van ijzer,
hetgeen betekende dat hij over een paar uur weer last zou krijgen van zijn
blaas; hij vroeg zich af of hij om een kussen zou kunnen vragen of om een
krant om op te zitten, maar besloot dat hij al genoeg deining veroorzaakt
had. Hij ging berustend zitten, boog het hoofd en vouwde de handen.
Hij verwachtte dat hij er weer, zoals gewoonlijk, bij zou zitten met idiote
babbelgedachten rondtollend als muizen in een badkuip, maar tot zijn
verwondering voelde hij de stilte dieper worden, een teken dat het een van
de zeldzame gelegenheden was waarop een Quaker-samenkomst werkelijk een
eredienst werd, zonder dat er een woord werd gesproken. Het vluchtige besef
van de Tegenwoordigheid dat hij in het toilet gevoeld had kwam terug en werd
sterker. Hij voelde de drang om op te staan en te getuigen. Hij wilde iets
over Jacob Martens zeggen en over zijn dochter, over Bonifacius Baker de
eerste die in Slot Lancaster gestorven was en gesproken had over het Zaad.
Hij stond op het punt om op te staan, toen in de stilte een kind luid
geeuwde.
Hij opende één oog en zag, tegenover hem op de eerste rij, een beeldschone
jonge vrouw met een flatterende blos van verlegenheid verontschuldigend naar
hem staren. Naast haar zat een Aziatisch jongetje van een jaar of vier,
beentjes van de vloer, dat hem aangluurde met de onschuld en het inzicht van
een vogeltje. De drang om te getuigen verschrompelde, niet vanwege de
interruptie, maar omdat de knappe jonge vrouw, die er zo be- | | | | schaamd en verlegen bij zat, een feest was voor de ogen. Nou ja - jong -
ze moest een jaar of veertig, vijftig zijn, maar als je drieënnegentig was
... Jacob Martens zou het vandaag zonder zijn flatulent gezemel moeten
stellen.
In aanmerking genomen dat niemand een woord zei was de samenkomst vrij snel
afgelopen. Hij stond op, zich bewust van al zijn gewrichten, en beende, zo
stijf als een reiger, op de jonge moeder en haar Aziatische kind af. ‘Wel
wel,’ zei hij, ‘en wie hebben we hier?’ Hij stond met zijn lange magere
lichaam over het jongetje gebogen en keek welwillend op hem neer.
‘Ik - ik ben Gulie Baker, Ethan Woodhouse,’ zei de knappe jonge vrouw. ‘Dit
is ons zoontje Bonifacius. Hij is pas vier, hij komt uit Vietnam, hij is nog
niet aan samenkomst gewend...’
Hij stak een hand uit, die voor het kind de afmeting moest hebben van een
koekepan, gromde: ‘Vriend Bonifacius,’ en schudde behoedzaam het piepkleine
handje. ‘Dank je voor je getuigenis. Je hebt tot mijn conditie gesproken.’
Terwijl hij het zei besefte hij dat het dit soort nonsens was waaruit de
vroegste herinneringen van een man bestonden, het begin van het gevoel
ergens bij te horen. God wist zou, dank zij dit ogenblik, wéér een
Bonifacius Baker opgroeien tot Vriend.
‘Wil je wat non-alcoholische punch gebruiken, Ethan Woodhouse?’ vroeg de stem
die geïnformeerd had of hij dood was.
‘Nee, dank je, Amanda Clutterbuck,’ antwoordde hij, ‘ik ben bang dat mijn
lijm zou oplossen.’ Daarna beende hij met hoge stappen het zonlicht in naar
de picknicktafel die buiten stond te wachten, gedekt door het Committee for
Sufferings van de Maandvergadering van Kissing Tree.
Die middag, in het verblindende zonlicht van de Llano Estacado, terwijl
vrachtauto's boven hem voorbijronkten op het klaverblad en een goederentrein
bellend kwam aangereden uit de woestijn, onthulde hij een gedenkplaat naast
de voordeur van het kinderziekenhuis:
ter nagedachtenis aan jacob martens, nederlands quaker,
geboren 1896, gestorven in het concentratiekamp
schwalbenbach, west-duttsland, in 1942. dank zij het
werk waartoe hij zijn dochter en hen die haar navolgen inspireerde, zal
er nooit een einde komen aan het goed dat hij heeft gedaan.
| | | | | | | | |
|
|