terug  begin  verderprepost
[p. 280]origineel

Drie en twintigste hoofdstuk.
Beschryving van de Volkplanting van Berbice, met de aanhoorige Landen.

De Colonie die het naast aan Demerary is grenzende, is genaamd de Berbice of gemeenlyk, by verbastering, de Berbiesjes. Haare Grenspaalen zyn, ten Noordwesten, aan de Kreek Abary of Waybari, welke omtrent drie Mylen van de Rivier de Berbice afligt, alwaar een Post van deeze Colonie is gesteld, en; zo als verhaalt is, dezelve van Demerary scheidt, volgens zeker Verdrag gemaakt, in 't Jaar 1672, tusschen, den Commandeur van Essequebo en den Secretaris van de Berbice, den Heer Adriaan van Berkel, als daar toe gemagtigd(a); waar by bedongen werdt dat die van Berbice, een Post van vyftien of zestien Man, die zy, in het Indiaansche Dorp Naby, omtrent drie Uuren van Demerary, ter inruiling van Orliaan en andere Waaren van de Indiaanen, hadden geplaatst, zouden te rug trekken, en de Westzyde van die Kreek, aan die van Essequebo overlaaten. En, ten Oosten, aan de Volkplantinge van Suriname, van welke het, door zekere Scheidpaal, aan den Westkant van het breede Water, tusschen de Rivieren Berbice en Corentin, is beperkt; zynde deeze Grensscheiding gemaakt door den Heer van Peere, Eigenaar deezer Colonie, en den Heer Cornelis Aarssens van Sommelsdyk, Gouverneur en, voor een derde gedeelte, Eigenaar van Suriname(b): schoon die van Berbice, in den Jaare 1692, voorgaaven, dat de Limiete hunner Colonie strekte bewesten de Rivier Corentin. 't Is rondom het voorn: breede Water (dat eigenlyk een ondergeloopene Savaan is, twee of drie Voeten diep, en welkers Boorden met wit Zand bedekt zyn), daar

[p. t.o. 280]origineel



illustratie
Caart van Berbice en Canje.

[p. 281]origineel

het Indiaansche Dorp van denzelfden naam is, alwaar die van Suriname een Postlegger houden, welke de gedachte Grenspaal had weggenoomen, beweerende, dat de Boorden van dit Water, onder Suriname behoorden; om dus den vryen handel en Visschery aan dit Meir, dat zeer Vischryk is, aan zich te behouden: doch welke daar toen weder gesteld is. Voorts grenst zy, ten Zuiden, aan de Vaste Kust, ons nog voor het grootste gedeelte onbekend; gelyk wy in de beschryving van Guiana, hebben aangetoond.

Dus is haare uitgestrektheid, langs den Oceaan, van de Post van de Kreek Abary (aan welkers Oostkant men een Bosch vindt, van omtrent een Myl in den Omtrek meestendeels bewassen met Arcousiry- en Hayawa-Boomen, uit welke de Indiaanen veel Balsem vergaderen), tot aan de Scheidpaal tusschen Berbice en Corentin, ongevaar tien Mylen; en binnenslands tot het hooge Gebergte de Cordellieros, gemeenlyk het Blaauw Gebergte genaamd, omtrent negentig Mylen ver: schoon het, tot nog toe, niet meerder dan zes en dertig Mylen, van de Zee, langs de Rivier de Berbice; en twee en twintig Mylen langs de Rivier Canje, bebouwd is.

Rio de Berbice is een Rivier, naar welke de Volkplanting haaren naam voert: gelyk de meeste Volkplantingen, in America, hunnen naam ontleenen van de voornaamste Rivieren, waar langs dezelven strekkende zyn. Haar Mond, gelegen op zes Graaden vyftien Minuuten Noorder Breedte, is byna een half Myl wyd; in 't midden ligt een laag en moerassig Eilandje met Kreupelhout bewassen, dat om de menigte Krabben, die daar gevangen worden, het Krabben-Eiland geheeten wordt, zynde een vierde Myls lang en de helft zo breed, omringd met een Zandbank en Slykgrond, voornaamelyk aan de Westzyde, welke belet, nader dan op een Snaphaanschoot van het zelve, te ankeren; ook ligt 'er, ten Noorden, nog een Zandbank, die zich omtrent een half Myl uitstrekt. Dit Eiland maakt dus twee Ingangen, ieder twee honderd en vyftig Roeden wyd, moetende de Schepen aan de Oostzyde van de Rivier, tusschen de Vaste Kust, inzeilen, als zynde het gewoonlyk Vaarwater. Het Westergat wierd wegens de ondiepte, onbevaarbaar geoordeeld: nogthans is, in 't Jaar 1759, het Schip Ouderkerk, dat met Slaaven van Guinea kwam, en wat te Weste-

[p. 282]origineel

lyk vervallen was, daar door binnen gekomen; zo als ook de Heer Colonel de Salve ten tyde der opstand, het Stafschip, door dat Kanaal, de Rivier liet opkomen; gelyk wy op zyn plaats breeder zullen verhaalen. Als mem de Rivier ten Zuiden van zich heeft, loopt men daar recht op aan; tot aan den Mond van Canje is de Rivier van veertien tot negentien Voeten diep, en nog een Myl hooger op maar negentien tot twaalf Voeten, zo dat zy wel drie Mylen zeer ondiep blyft, en uit hoofde van de Modderbanken die 'er in zyn, met zwaare Schepen niet te bevaaren is; doch hooger op wordt zy naauwer en dieper, van vyftien tot zestig en acht en dertig tot veertig Voeten. De Eb en Vloed verschillen binnen den Mond van de Rivier bykans negen Voeten; en by hoog ty loopt het byliggende Land onder, wanneer men rondom de Post St. Andries wel met een Corjaar zoude kunnen vaaren, en de gantsche Savaane (die achter deeze Schans ligt, en reeds, langs de Kust, uit Zee kan gezien worden, en in welke veel Wildt- en Water-Gevogelte zich ophoudt) onder ligt.

Recht tegen over het Krabben-Eiland ligt, op de Vaste Kust, omtrent honderd Roeden van den Mond der Riviere, ten Oosten, een ronde Schans van gebakken Steen, genaamd St. Andries, naar deszelfs Stichter, Johan Andries Lossener (toen ter tyd Gouverneur): byna twee honderd Voeten groot, beplant met twaalf Stukken Kanon, en, aan den Waterkant, bezet met Stormpaalen van vier Voeten hoog, en omringd door een Gragt; alwaar, in 't Jaar 1746, vyf en twintig Man, onder een Lieutenant en verdere Onder-Officieren, in bezetting lagen: doch vermids, van tyd tot tyd, eenige van hen deserteerden naar de Rivier Oronoque, is dezelve geslecht en alleen een Steenen Huis overgebleeven, 't welk tot een gemeene Post gemaakt werd daar één Sergeant met vyf of zes Man, Invalides, als Leggers wierden geplaast met één stuk Kanon, om van de aannadering der Schepen aan het Fort kennisse te geeven. Doch ten tyde der Opstand, is deeze Bezetting naderhand vermeerderd, bestaande uit een Onder-Officier met een Tamboer en zestien Gemeenen, ter verhindering der Desertie.

De Rivier omtrent een half Myl opgevaaren zynde vindt men, ten Zuidoosten, Landwaards in, een Kreek of kleine Rivier, Canje genaamd, die by haaren Mond byna tachtig Roeden breed is, doch hooger op naau-

[p. t.o. 282]origineel



illustratie
De Schans St. Andries, te zien van het Krabben Eyland Oostzyde.



illustratie
Redout Samson of Brandwagt.

[p. 283]origineel

wer en doorgaands diep: langs dezelve zyn verscheidene Plantagiën aangelegd. Haar strekking is meestal recht Zuidwaards, tot dat zy zich, omtrent zestien Mylen van den Zeekant af, in tweën verdeeld, alwaar de Kreek-Jcourouwa, welke Oostwaards loopt en aan het meergenoemde breede Water uitkomt, zich in dezelve stort, en by welke een Post ligt. Ruim een half Myl eer men aan deeze Post komt, heeft men de Attedenaale-Kreek, die niet breed en zeer ondiep is, stroomende bezyden de Plantagie Guitarrenburg. Over het Eigendom van de Gronden deezer Plantagie en de Postgronden, als mede over het Rechtsgebied, is tusschen deze Colonie en de Societeit van Suriname langen tyd geleeden, eenig Verschil ontstaan, het welk, tot nog toe, onbeslist is gebleeven. Een vierde Myls lager, ten Westen, tegen over de laastgenoemde Kreek, heeft men de Abany-Kreek, en niet verre van daar de Kreek Cricabare, tusschen welke beiden de Plantagie Don Carlos ligt. Dan, aan 't boven eind van Canje in 't opvaaren ter rechter zyde en boven de Plantagie Bearne, is een Redoute in de Savaane, welke men, als van weinig dienst zynde, laat vervallen. Hier lag wel eer een Sergeant en acht Man in bezetting.

Van het geweezene Fort tot aan de Rivier van Canje, by de Plantagie Horstenburg, is, door den Gouverneur Lossener, een smal Voetpad aangelegd, dat ruim drie Mylen lang is, en omtrent een half Uur door het Bosch loopt, daar een Brug over een Kreek ligt: eer men aan de Savaane komt, byna een Myl lang, eertyds bezet met Aloës en Ananassen, die het schoonste Gezigt en de aangenaamsten Reuk der Waereld gaven: doch tusschen beide is dezelve verdeeld door verscheidene Kierassen of Moerasjes, vol met Jet Appelboomen; welke Moerassen, in den Zomer droog, maar in het Regengetyde; een Voet of vyf onder Water staan. Vervolgens gaat men een half Uur door een zwaar bewassen Bosch vervult met Banilles, alwaar eenige Boomen zyn omgekapt tot een Pleintje of Rustplaats. Voorts, na weder anderhalf Uur gegaan te hebben, komt men in een Kreupelbosch, en, door de groote Savaanen, tot aan het Bosch van Canje, het welk door de Kreek der Achtergronden van de Plantagiën Lagendaal en Frekenhorst die een quartier Uurs van de Plantagie Horstenburg afliggen, wordt doorsneeden. Ook loopt van het gemelde Fort langs Canje,

[p. 284]origineel

benedenwaards, een Weg naar de Rivier Corentin (aan welkers Boorden een Surinaamsche Post is gesteld), welke, na dat men verscheidene Kreeken en de Rivieren Copename en Sarameca overgevaaren is, zich tot aan Paramaribo uitstrekt.

Omtrent zeven Mylen opwaards, aan den Oostkant van de Rivier Berbice, ligt de Redoute Samson, zynde weleer een Aarde Bolwerk of Platteform geweest, welke, voor den Opstand, tot een Brandwagt strekte, om Seinschooten te doen, en tot een Corps de Guarde voor de Soldaaten; doch het welke nu vervallen en geslecht is, en thans bestaat in een Huis van gebakken steen, byna tien Voeten lang en twintig breed, in drieën verdeeld, dienende twee tot Casernen voor de Soldaaten, en een voor de Officiers Kamer voorzien met Schietgaten. By het zelve zyn vyf Stukken Kanon, waar van 'er drie op Affuiten liggen. Hier ligt een Corporaal met vyf Man in Bezetting. Men gaat van de Rivier tot dit Gebouw langs een Trap, op een Stelling van Boerewey-Planken, wel honderd Schreeden lang: tusschen de Post St. Andries en deeze Redoute, vindt men, in de Rivier, twee Banken met Zand en Modder gemengd, de groote en kleine Marepaan genaamd, ruim een half Myl lang en met gewoonlyk Ty zeven of acht Voeten diep.

Ruim vier Mylen hooger op, alwaar de Rivier, bykans zestig Roeden breed en veertig Voeten diep is, lag eertyds, aan den Oostkant, het Fort Nassau, toen de Hoofd-Plaats der Colonie, en verblyf van den Gouverneur. Dit Fort, waar van wy een Tekening, aan den Boord van de Rivier beschouwd, geeven: was ongevaar twee honderd Voeten in 't vierkant opgebouwd van Palissaden van Boerewey-Hout, ter hoogte van byna tien Voeten, met vier Strykweeren voorzien; aan de zyde der Rivier met twaalf, en aan de Noordzyde met twee Stukken Kanon beplant. In het zelve was een Steenen Huis, omtrent honderd Voeten lang en vyftig breed, geschikt voor het Gouvernement, waar in de Raadzaal en de Kerk waren geplaatst, verstrekkende het onderste gedeelte voor een Corps de Guarde, en Magazyn: Naast aan, ten Zuiden het Kasteel, was gebouwd de Soldaaten Combuys, de Paardestal, de Kuipery en twee Smederyën. Doch dit Fort (dat, door den tyd, reeds zeer was vervallen, zodaanig dat

[p. t.o. 284]origineel



illustratie
Het Fort Nassau op de Colonie de Berbice.

[p. 285]origineel

men zelfs het Geschut, het welk 'er op lag ten tyde van de aankomst van den Gouverneur Hogenheim, niet durfde lossen: En waarom ook reeds, by Directeuren, was beslooten en aangeschreeven om in de plaats daar van een ander te bouwen, volgens het Plan daar toe uit de Colonie herwaards gezonden) heeft men by gelegenheid van den Opstand der Negeren, in brand gestoken.

Omtrent een Kanonschoot boven het gedachte Fort, was aangelegd het Vlek Nieuw Amsterdam, bestaande in byna twintig verspreide Huizen zonder eenige Order geplaatst; waar onder uitmuntte de Luthersche Kerk, een Gebouw van zestig Voeten lang en veertig breed, van Steen opgehaald; en het Huis van den Predikant van die Gezindheid; benevens nog acht Steenen Huizen, waar tegen over, aan de andere zyde der Rivier, de Negery der Colonie Slaaven stondt. Deeze Gebouwen zyn diestyds, door de Negers, ook verbrand, uitgezonderd de genoemde Kerk en Predikants Huis, die zy verschoonden (gelyk wy, in de beschryving van den Opstand, omstandiger zullen verhaalen). Behalve dit Huis, dat sedert voor het Gouvernement verstrekte: de Secretary, een Pakhuis, het Kruidtmagazyn, en een Huis toebehoorende den Heer Gouverneur Heiliger; die allen van Steen zyn, bestaan de overige Wooningen uit Houten Huizen met Leem bestreeken en Bladen gedekt. Men heeft ook, aan den Westwal, in het opvaaren, aan den Scheidpaal van de Plantagie Juliana, opgeworpen een Sterreschansje zynde aangelegd op Order van den zelven Heer Heiliger, en genaamd Hoognodig; alwaar een Onder-Officier met tien of twaalf Man in Bezetting ligt.

Omtrent nog tien Mylen hooger op, ten Noordwesten van de Rivier, in welke zich alvoorens verscheidene kleine en onbevaarbaare Kreeken ontlasten (waar van de Kreek Kimbia, loopende langs de Plantagie Mon Repos, door de Plantagiën Roosenburg en Zelandia heen, wel de voornaamste is), vindt men de Kreek Wironje, ongevaar dertig Roeden wyd tot aan de Colonie Plantagie Cornelia Jacoba, maar van daar niet wyder dan twintig Roeden (kunnende met Cano's en andere ligte Vaartuigen bevaaren worden); haaren loop eindigt achter by de Plantagie Queekhoven, waar langs en tusschen de Plantagie Watervliet, de Kipilans-Kreek zich

[p. 286]origineel

in dezelve stort. Aan den Mond van Wironje is de Gereformeerde Kerk (eertyds gestaan hebbende in de Matara-Kreek), gebouwd van Steen met een Houten Gewelf, tusschen de tachtig en negentig Voeten lang en byna dertig Voeten breed; zynde gesticht ten tyde van den Commandeur Matthys de Veer: tegen over de Kerk hebben de Predikant en Koster ieder zyne Woonplaats, van Steen gebouwd. Ook was daar oudstyds gelegen het Huis van den Heer van Peere. Langs deeze Kreek is de voornaamste Uitgang, waar door men zich over Land naar de Colonie van Demerary kan begeeven. Op den hoek van dezelfde Kreek is een vierkant Werk aangelegd ten tyde van den Colonel de Salve, bezet met een Sergeant en vier Man waar van wy de tekening hier nevens geven.

Ruim een Myl voorby de Kreek Wironje beoosten de Rivier de Berbice, by de Plantagie Agatha, was de kleine Luthersche Kerk, van vierkante Stylen en Balken met Kleyen Muuren opgebouwd, ter lengte van zeventig en breedte van veertig Voeten, met een Bladen Dak zonder Zolder; doch dezelve is in den Opstand mede vernield. Onder het Dak van deeze Kerk waren, op den hoek, twee Kamers afgeschut tot huisvesting van den Predikant, als hy derwaards kwam om 'er te Prediken, het welke, om de vier Maanden, gewoonlyk twee Zondagen na malkander geschiedde, wanneer hy genoodzaakt was achter een Tafel te staan, by mangel van een Predikstoel. Bevoorens dat de Lutherschen deeze Kerk hadden, oefenden zy haaren Godsdienst op de Zolder boven het Woonhuis van de Plantagie de Lindeboom.

De Rivier drie Mylen verder opgevaaren ontmoet men, aan den Oostkant, de Kreek-Wikkie, stroomende langs de Colonie Plantagie Hardenbroek. Zy is byna dertig Roeden wyd, maar over het midden zich wat vernaauwende, hoewel voor groote Cano's, Sloepen en dergelyk Vaartuig te bevaaren. Langs dezelve is een doorgang naar de Corentin; van waar men, eenige Rivieren en Kreeken overtrekkende, kan komen langs de Rivier Sarameca, tot aan de Wegloopers Dorpen, en vervolgens tot in Suriname. Aan de gemelde Kreek Wikkie is, door den Colonel de Salve, mede een Vastigheid, bestaande in een vierkant Aardewerk, aange-

[p. t.o. 286]origineel



illustratie
Redoute aan de Kreek Wieronje.

[p. 287]origineel

legd: als ook, op de plaats de Savonette, een gelyk vierkant Werk welke, diestyds diende tot een Wykplaats voor de Aquewynsche Post.

Nog, omtrent vyf Mylen hooger op aan den Westkant van de Rivier, ligt de Colonie Plantagie de Savonette, welke de uiterste bebouwde grond deezer Coloni is bestaande uit zwaare Kley, op een hooge grond, waar door die Suikertuinen, meerder moeite en arbeid, dan op de overige Plantagiën, vereischt hebben: echter zyn boven dezelve nog eenige gronden aangelegd geweest; doch weder verlaaten.

Aan dezelfde zyde van de Rivier, vindt men de Kreek Werocka; en byna veertig Schreeden boven deeze, de Acquewynsche Post, ongevaar twintig Schreeden van de Rivier af, het geen tot de Sleutel en Opgang deezer Colonie naar de Bovenlanden verstrekt; daar het voor de Blanken zeer ongezond is; wyl zy door Heete Koortsen, de Aquewynsche Koortsen genaamd, worden aangetast, daar de Indiaanen of Negers niet van weeten. Deeze Post, die op hoog Land ligt, bestaat uit een Woonhuis, voor den Posthouder, van Kley of Leem opgemaakt en met een Dak van Bladen bedekt, waar nevens twee of drie Indiaansche Hutten, voor de Bokken, die ten dienste van die Post gehouden worden, gebouwd zyn. Doch dezelve is, na den algemeenen Opstand en 't afloopen der Volkplanting door de Slaaven, verplaatst aan de overzyde van de Rivier, omtrent een half Uur boven de Savonette, bestaande mede uit een Leemen Huis, daar een Bezetting van een Onder-Officier met zestien Man is gelegd.

Aan het bovenste van deeze Rivier, wier oorsprong nog niet volkomen bekend is, doch waarschynelyk uit het Gebergte van Andes ontstaat, heeft men verscheiden Steenklippen (doch geen Vallen zo als in Suriname en Essequebo), waarop men, zo sommigen willen, nog Gedenktekenen vindt der Spanjaarden, die deeze Kust eerst hebben ontdekt en doorreist: schoon anderen, en mogelyk met meerder grond, meenen, dat het Tekenen der oude Inwooners zyn.

Het is ook niet te twyfelen, dat 'er Landwaards in verscheidene Mynen van Goud en andere Mineraalen, als zo naa aan de Ryken van Peru en Brazil grenzende, zullen gevonden worden; waar van de Spanjaarden en Engelschen (gelyk wy, in een der voorgaande Hoofdstukken, hebben

[p. 288]origineel

verhaald) mogelyk te groote Hoop hadden opgevat; doch ons, echter, zulke schynbaare verzekeringen en bewyzen opleveren; dat wy niet kunnen gelooven dat dezelve t'eenemaal ongegrond zouden zyn.

De geheele Kust van Berbice bestaat uit Slykgronden, meestendeels met Mangles of Mangrove Boomen en Kreupelbosschen bedekt; waar door dezelve ongenaakbaar is. De Boorden der Rivier zyn wederzyds laage gronden, en omtrent twee Mylen inwaards begroeid met hooge en schoone Bosschadiën, wier Groente een aangenaamen Reuk en een verrukkelyke schoonheid veroorzaakt, zynde daarenboven vervuld met Aapen, Papegaaijen, en ander Gedierte en Gevogelte, die een bevallig Gezigt door hunne beweeging, maar teffens een onverdraagelyk Geschreeuw, verwekken. De Kruiden, en Bloessems van Oranje-Limoenen- en andere Boomen, langs deeze Rivier groeijende, geeven mede een verkwikkenden Geur voor de geenen die dezelve bevaaren. Voorts ziet men verscheiden groote Savaanen of Weilanden met lang (doch geen voedsaam) Gras; gelyk als aan de Post St. Andries, en ook eenige Westwaards; als mede een groote Vlakte achter het geweezene Fort Nassau, welke zich tot aan Canje uitstrekt. Het Land, aan de Rivier, wordt, daar het niet afgedykt is tot Plantagiën; door den hoogen Vloed, schoon niet zeer verre, landwaard in overstroomd en onder Water gezet, zo als wy hebben aangemerkt. Deeze laage Gronden zyn meest, eenige meer anderen minder, met Veen vermengd. Die hooger op liggen vallen slechter; en de Gronden die nog hooger liggen, zyn, als gezeid is, veelal van zwaare Kley, zynde de Savaanen ten grootsten deele Zandgronden hier en daar met Kley gemengd.

Langs de Rivier zyn ruim honderd Plantagiën aangelegd, meest van Koffy, Katoen en Cacao, dewyl, in die Colonie, niet meer dan vier Suiker-Plantagiën van de Directie, en één de Herstelling genaamd, toebehoorende aan de Heeren Ouderkerk en Loofs, gevonden worden. Men had daar eertyds een soort van Pleisterhuisjes, gemaakt uit vier Stylen, waar van de voorsten wat hooger dan de achtersten waren, overdekt met een Dak van groote Bladen, welke zo dicht op en over malkander lagen, dat de Zon noch Regen daar geen hinder aan doen konden: deeze Huisjes kon men in een oogenblik laaten oprechten waar men die begeerde te heb-

[p. 289]origineel

ben; doch dezelven zyn, door meerder aanlegging van Plantagiën, thans buiten gebruik geraakt.

De Luchtsgesteldheid van de Berbice, mede zo naby den Evennachtslyn liggende, dat de Zon 'er tweemaal in 't Jaar recht over 't hoofd heen gaat, is zeer heet en broeijende; doch wordt des morgens, door de Zeewinden, die veelal uit den Oosten of benoorden, en, in den groote Regen-tyd, somtyds bezuiden 't Oosten, waaijen, ongemeen verkoeld en voor gezond gehouden; zo dat de kwynende Ingezetenen van de nabuurige Engelsche Colonien, dikwyls, tot herstelling hunner gezondheid, zich derwaards plagten te begeeven. Doch, in de Jaaren 1757 en 1758, ontstond 'er een heerschende Ziekte, bestaande in felle heete Koortsen, welke, zo wel onder de natuurlyke Inboorlingen als onder de Colonisten, een langen tyd heeft gewoed, en van de laatsten veelen in 't Graf sleepte, maar van de Negers kwamen de meesten tot herstelling.

In 't laatst van de Maand July, neemt de groote Drooge-tyd daar een begin, welke aanhoudt tot half December, en als dan van den kleinen Regen-tyd vervangen wordt; welke laatste duurt, met verandering van Weêr en minder Hitte, tot aan het kleine Drooge Saizoen, het welk aanvangt met het laatst van February en eindigt met April; als wanneer de groote Regen-tyd begint, en omtrent drie Maanden sterk duurt.

In deeze Volkplanting worden vierderlei Producten aangekweekt, naamelyk Suiker, Koffy, Cacao en Katoen. De Suiker groeit best in een luchtigen lossen Grond, daar men een of anderhalf Voet Veen vindt, om dat het Riet veel kleine Worteltjes heeft, die-zelden dieper dan zes Duim gaan: de Koffy vereischt een goeden en vetten Veengrond die maatig vochtig is; want in slechteren versterft de Boom in weinige Jaaren: de Cacao tiert best in luchtige Aarde; slaagt ook wel in Veengrond van omtrent een Voet, doch in dieper Veen wilze zo wel niet voort: en de Katoen groeit niet alleen op vette Gronden, maar teelt, tegen verwachting, ook zeer wel op Veen en slechte Gronden, zo als de ondervinding heeft geleerd.

Deeze en onderhoorige Rivieren en Kreeken worden bewoond door de Arowakken, Warouwen en Schotjes (Deeze laatstgenoemde zyn eigenlyk geen Natie, maar een groote Familie van Arowakken, die zich altoos by

[p. 290]origineel

malkander hielden; waar van het Opperhoofd, Schot genaamd, nog onlangs leefde, zynde over de honderd Jaaren oud geworden, en hebbende veele diensten aan de Directie beweezen: doch zy zyn nu uitgesturven.); en hooger op, door de Aquowayen en Caraïben, gelyk wy te vooren hebben aangehaald. Wy hebben met alle deeze Volken Verbonden van Vriendschap geslooten, mogende dezelve niet tot Slaaven verkocht worden. In 't begin deezer Eeuw, zyn eenige Capiteinen der Schotjes naar Nederland gezonden, om een Vredes Verbond met de onzen te sluiten. Zy wierden wel ontvangen en met Geschenken wederom gezonden, en met Kleederen en Schoenen voorzien, die zy, op hunne te rugkomst, als die dragt ongewoon, weder hebben afgelegd.

Veelen hunner, als ook van de Arowakken wel tot twee honderd vyftig toe, zyn in den Christelyken Godsdienst, door de Moravische broeders, onderweezen en gedoopt; gelyk ook naderhand eenige Hernhutze Zendelingen zich aan de Kreek Wironje, hebben neêrgezet, by de Plantagie Pilgerhoed (hen toebehoorende) byna twee en veertig Akkers groot, geen andere dan Brood Tuinen en ook geen Slaaven daar op hebbende; daar dichte by hadden zy eenige Huizen, benevens een Kerk van Stylen en kleyen Muuren laaten bouwen, en geneerden zich van hunne Ambagten, zynde de eene een Kleermaaker, de andere een Schoenmaaker enz. Verscheidene Indiaanen woonden by hen in, om te Jagen en te Visschen, en gingen ook dagelyks met hen in de Kerk, daar in de Arowaksche Taal werdt gepredikt en gezongen, werwaards veele Indiaanen, wel twintig Uuren verre, kwamen, om de Predikatien te hooren; zo dat men groote hoop had dat veelen van hen tot den Christelyken Godsdienst zouden overgebragt worden: doch door de dood van den Hernhutze Predikant Schoeman die zelve een Woordenboek in de Indiaansche Taal opgesteld en een gedeelte des Bybels in die Taal overgezet had, en met veel Yver de bekeering voortzette; is dit voorneemen verydeld, en zy zyn weder tot het Heidendom gekeerd. Een groote witte Zandberg, omtrent duizend schreeden van de voornoemde Hernhutze Wooningen afgelegen, diende hen voor een Kerkhof.

De Dorpen der Arowakken waren oudstyds in het midden der beste

[p. 291]origineel

en vlakste Landen of Savaanen, op een hoogte. Hunne Hutten stonden in goede orde geplaatst: echter lieten zy in 't midden een groote Ruimte, daar zy hunne Vergaderingen hielden: in eenige hadden zy ook een Wapenhuis van hondert en dertig of hondert en veertig Voeten lang en dertig of veertig breed, rondom met Palissaden bezet, om zich by vyandlyke overvallen, daar uit te kunnen verdedigen.

Zo was het Dorp Abary, twee of drie Uuren boven het Fort: het Dorp Ouden Amen, gelegen in een vermaaklyke Vlakte by een Bosschaadje, waar in zestien of achttien Huizen waren, daar men door aangenaame Laanen, van het eene naar het andere huis ging. Nog hooger op was een schoon Dorp Naby, op een Zandgrond, omtrent drie Uuren van de Rivier Demerary:(a) doch tegenwoordig vindt men geen Dorpen dan dieper Landwaards in, en voornaamelyk by de Rivier Corentin, daar zich de Caraïben ophouden; woonende anderszins op zyn best maar twee of drie Indiaansche Huisgezinnen by een.

Alle deeze Volken hadden, in 't gemeen, de Plegtigheden, voorheen gemeld, zo in het dooden hunner Gevangenen, als in de vreemde wyze van hunne Capiteinen te verkiezen: doch tegenwoordig zyn de geenen die by onze Bezittingen woonen, meerder beschaafd en menschelyker geworden. Zy verkoopen hunne Gevangenen die geen vrye, maar van Slaaven Natiën zyn, aan de onzen.

By het verkiezen hunner Capiteinen wordt thans geen plegtigheid gebruikt, dewyl dezelve tot die Waardigheid door den Gouverneur der Colonie worden verheeven, die hen een Rotting met een zilvere knop, en Hoed vereerd, hen belastende zich met hun onderhoorige Indiaanen, als zy ontboden worden, ten dienste der Directie te laaten gebruiken, gelyk om Jaarlyks de Vischvangst der Jarouw, die in October, in de Rivier Canje, geschied, waar te neemen; wanneer de Indiaanen met hunne Cano's voor het Fort, te samen komen, en op een Seinschoot van 't zelve, te gelyk voorby het Fort naar de Hooftplantagie der Directie vaaren: daar de eerstkomende Cano met een Pul Kilthum word beschonken. Vervolgens naar

[p. 292]origineel

den Zeekant vaarende, begeeven zy zich ter Visschery in de Rivier Canje, waar toe voor ieder Plantagie een onderscheide Kreek geschikt wordt, om malkander niet hinderlyk te zyn; de Kreeken worden met Korven, van achttien of twintig Voeten breed, omtrent gemaakt als onze Teene Fuiken, gestopt, en de Indiaanen Jagen de Visch, door het slaan met Stokken, daar in. Voorts is een ieder bezig de gevangene Visch, welke meest in Jarouw bestaat; te zouten en in tonnen te leggen, het geen het werk van de Vrouwen is, die dezelve kaaken en twintig stuks aan een Teentje rygen; krygende zy, voor dertig zulke Teentjes, een kerf op hun stok, en worden by hunne te rugkomst, voor ieder met een Byl, Cassavebytel of ander Yzerwerk en de gevangene Visch, behalve de Jarouw die zy voor zich niet mogen behouden; en hunne Vrouwen met eenige bosjes Kraalen, beschonken.

De wyze opwelke dit Volk tot die Vischvangst wordt vergaderd is deeze: als de Dag daar toe van den Gouverneur bepaald is, maaken de Planters zo veel knoopen in een end Touw, als 'er nog Nachten moeten komen tusschen den Dag van aankondiging of op-ontbod, en den Bestemden Dag. Deeze Touwen met Knoopen worden dan gezonden naar hunne Wooningen; wanneer de geen, die het brengt, een of meer Nachten onder weg is, doet hy telkens van ieder Touw een Knoopje af, gelyk de Indiaanen ook doen, en wy in hunne levenswyze gezegd hebben; tot dat 'er zo veel overig zyn, als zy Dagen noodig hebben om ter bestemder plaats te komen.

Na dat wy de ontdekking deezer Landen, derzelver gelegenheid, en eerste Inwooners beschreeven hebben, gaan wy over tot de Geschiedenis deezer Volkplanting, sedert dezelve, door de Nederlanders, is bevaaren en bewoond geworden; voor zo verre wy dit uit oude Schryvers en echte Gedenkstukken hebben kunnen naargaan.

In het voorgaande hebben wy verhaald, dat aan J: van Peere cum Sociis, door hun Hoog Mog:, in den Jaare 1602, reeds Octroy was verleend, om de Kust van Guiana te bevaaren, alwaar zy, ook, op de Rivier de Berbice, in den Jaare 1626, een Volkplanting hebben gesticht, waar tegen de Inwooners van het Land, en wel meest de Caraïben zich

[p. 293]origineel

wakker te weer stelden, terwyl zy deeze Colonie, door Vyandelyke invallen dikwyls verontrustten, alles wat hen voorkwam doodsloegen en verwoestten: waarom men genoodzaakt was, een Fort aan te leggen, en verseheidene Posten en Brandwagten uit te zetten. Echter verbrandden zy nog in den Jaare 1672, een Handelhuis op de Rivier Canje, doch niet tegen het Schietgeweer der Nederlanders kunnende bestaan, zyn zy gedwongen geweest hooger Landwaards in te trekken, en hunne Kusten aan de Nieuwe Overwinnaars over te laaten, die, vervolgens, in vrede en vriendschap met de overige Indiaanen leefden. Zy lieten dezelven in een volkomen vryheid, en beloofden by de vredes Tractaaten, dat geen, Caraïben van die Kust, noch Arowakken, Warouwen en Acquewynen, ooit in Slaverny zouden mogen werden gebragt.

Het schynt dat de Heeren van Peere, om die Colonie te bestieren, aldaar, van tyd tot tyd, gezonden hebben, voor een of twee Jaaren, als Commandeurs, eenige Schippers, in die Colonie bekend zynde, gelyk wy vinden dat Schipper Cornelis Marinus, in 't Jaar 1671, derwaards gezonden werdt, om den voorigen Commandeur af te lossen. Doch naderhand werd deeze Volkplanting door een vaste Commandeur bestierd, dien men eenen Raad van vyf of zes Persoonen, tot zyne hulpe, toevoegde. Een Schipper, diestyds in de Rivier komende, had mede zitting in den Raad.

Van de Gebeurtenissen deezer Colonie, in de eerste tyden, kunnen wy niet veel zeggen; dewyl dezelve in eigendom aan Byzonderen toekwam, die zich voornaamelyk op het planten van Suiker, Tabak en Rocou toeleiden: waarom weinig zaaken van belang tot onze kennisse zyn gekomen.

Alleen vinden wy, dat de Engelschen, in den Jaare 1665, na het inneemen van Suriname en Essequebo, een' aanslag op de Berbice hebben ondernomen, en met een Bark van tien of twaalf stukken Kanon, een aanval deeden op het Fort, veertien Mylen de Rivier op gelegen, en Nassau genaamd, 't welk van Houten Palissaden was opgerecht: doch zy werden manhaftig afgeslagen.

Vervolgens vondt de Commandeur Abraham Crynsse (die, in den Jaare 1666, uit Zeeland gezonden werdt, om Suriname, Essequebo,

[p. 294]origineel

en Poumeron weder in bezit te neemen, gelyk hem ook gelukte, en wy onder Suriname nader zullen verhaalen) aldaar, als Commandeur, eenen Matthys Bergenaar, die (gelyk wy reeds hebben aangetoond) de Colonie van Essequebo den Engelschen, ontweldigde, en in handen van den gemelden Commandeur Crynsse stelde, onder betaaling der by hem gedaane kosten. Deeze Colonie scheen toen al een goeden opgang te maaken, en redelyk bevolkt te zyn; dewyl aldaar, op den 5den April van dat Jaar, door Dominus Abraham Westhuizen, reeds elf Kinderen van drie Jaaren, en daar onder, gedoopt werden: zynde daar toen vyf Plantagiën.(a)

In de Maand November 1673, ontstond 'er een Opstand onder de Soldaaten, veroorzaakt door den Constapel Dirk Rosenkrans, die misnoegt was over de vermindering der randzoenen, waar toe de Commandeur genoodzaakt wierdt, vermids, door den zwaaren Oorlog, die, in dien tyd, ons Land trof, aldaar in geen zeventien Maanden een Schip was aangekomen, want het Schip de Eendracht Schipper Erik Rochusse, dat ter Kaap toegerust en derwaard bestemd was, ontmoette op zyne reize een Engelsch Oost Indisch Schip, het welke hy op de Elve veroverde en te Bergen in Noorwegen opbragt. Deeze Opstandmaakers smeeten den Commandeur in de gevangenisse, en verkooren eenen nieuwen uit één der Raden: doch, in January 1674, kwamen 'er twee Scheepen aan, medebrengende eenen anderen Commandeur, voor den tyd van één Jaar; waar op de voorgaande uit zyne gevangenisse wierdt ontslagen, en als Passagier, op een van die Schepen, na 't Vaderland te rug keerde.(b)

Omtrent deezen tyd schynen 'er eenige verschillen gereezen te zyn, tusschen de Heeren van Peere en Bewindhebberen der nieuw opgerechte Westindische Compagnie; welke echter bygelegd werden: neemende gemelde Eigenaars, op den 14 September 1678, deeze Colonie tot een erflyk leen van de Westindische Compagnie op de volgende Voorwaarden over.

[p. 295]origineel

Extract uit het Register, der Resolutien van de Ed: Achtbaare Heeren Bewindhebberen van de Geoctroyëerde Westindische Compagnie ter Vergadering van Thienen.
Mercurii den 14den September 1678.

Zyn ter vergadering voorgebragt en geleezen de Articulen en Conditien van de uitgave der Colonie aan Rio de Berbice tot een Ontsterflyk Erfleen voor de Heer Abraham van Pere, en zyne nakoomelingen; waarop Gedelibereert zynde, is goetgevonden en verstaan dezelve Articulen en Conditien mits deezen te Approbeeren en te Arresteeren, in maniere zoo als die hier onder van woorde tot woorde staan geinsereerd.

Articulen en Conditien waarop de Heeren Gecommitteerde Bewindhebberen uit de Respective Kameren van de Generaale Geoctroyeerde Westindische Compagnie der Vereenigde Nederlanden, onder de Authoriteit van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal derzelver Landen, hebben uitgegeven tot een leen aan den Heer Abraham van Pere de Colonie gelegen op de Rivier genaamt Berbice aan de vaste Kust van America op de hoogte van zes Graaden benoorden de linie AEquinoctiaal.

De voornoemde Colonie met alle de aankleeven van dien Superfice, Mineralen, Bosschagien, Rivieren, Fonteinen en wat dies meer zy, zal by den voornoemden Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen, geduurende den tyd van het Octroy der gemelde Compagnie, en over zulks tot den Jaare 1700. inkluys: werden gehouden van dezelve Compagnie als een Ontsterflyk Erfleen, met alle zyne Regalen en toebehooren, Hooge, Middelbare en Laage Jurisdictie, Tienden, Visseryen en Maleryen, te verheergewaaden, zoo meenigmaalen als het zelvige op een ander persoon overgaat, met 20 ponden tot 40 groote ieder pond, waar van de betalinge ten behoeve van de voorsz: Generaale Compagnie geschieden zal in de Kamer van Zeeland tot Middelburg.

[p. 296]origineel

De voornoemde Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen, zullen onder den Titul van Patroonen der voorsz: Colonie bezorgen, bestellen en uitvoeren al het geen 't welk tot Conservatie van dien, mitsgaders tot onderhoudinge van goede Ordre, Politie en Justitie agtervolgens de Wetten en Costumen deezer Landen zal werden gerequireerd, voornamentlyk zullen dezelve besorgen dat de waare Gereformeerde Christelyke Religie, binnen het District van de voorsz: Colonie werde geoeffent en voortgezet als naar behooren.

Waar toe des te raaden wordende aanstellen zullen, een bequaam Herder en Leeraar en denzelven alvoorens hy derrewaarts gaat, presenteeren, aan een van de Respective Classen in Holland, Zeelant, Stadt Groningen en Ommelanden of elders, omme tot de Exercitie van het Predikampt en de dependentien van dien Gequalificeerd te worden, agtervolgens, en in Comformiteit van de order der Kerken.

Zullen op Naame en Authoriteit van haar Hoog Moogende en de gemelde Comp: vermogen te maaken, Contracten Verbintenissen, en Alliancien met de Naturellen aldaar te Lande, mitsgaders Fortressen, en Verzeekertheeden te bouwen tot haaren defentie en bescherminge.

Wanneer en zoo meenigmaalen het gebeuren zal, dat den voornoemden Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen Schip of Scheepen naar de voorsz: Colonie, komen aftezenden zullen zy luyden gehouden zyn, daar van alvorens aan de opgemelde Compagnie kennisse te geeven, en te verzoeken voor ieder Schip een Acte van Commissie ofte Hout en Zout-brief dewelke, aan haar dien volgens verleent zal werden, mits stellende suffisante Cautie van niet te zullen bevaren nogte te doen bevaren eenige plaatsen onder de eerste Classe begreepen, en oversulks aan dezelve Compagnie privativelyk met Seclusie van alle anderen geconcedeert.

Tot Redemptie van de vyf Guldens pr. Last die de voorsz. Comp. bevoegt is te trekken, en te heffen, van de Scheepen varende op de voorsz. Colonie over uytgaan en inkomen, resp: mitsgaders van de Vylgelden en voorts generalyk van alle Lasten en Recognitien, dewelke dezelve Compagnie zoude konnen of mogen pretendeeren zo ter oorsaake van de uytgaave dezes Leens, als van de daar by gegevene concessie aan den voor-

[p. 297]origineel

noemden Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen, omme dezelve Colonie, na haar welgevallen te mogen bevaren en behandelen, zullen zy Luyden geobligeert weezen voor yder Schip, 't welk derwaarts gaan zal 't zy kleyn of groot zonder distinctie of onderscheyt te betalen aan en ten behoeve van de voorgedagte Compagnie, een Somma van vyfhondert vyf en zeventig Caroli Guldens eens zonder meer.

Zullende de betalinge van de voorsz. Somme moeten geschieden in naar-volgende manieren, namentlyk twee hondert Guldens benevens de Extraditie van de voorsz. Commissien ofte Hout en Zoutbrieven en over zulks eer en alvoorens, den voornoemden Heer van Pere, zyne Erve en Nakomelingen hare Scheepen 't zy eygene of gehuurde zullen vermogen te laten uytgaan, en de resteerende drie hondert en vyfenzeeventig Guldens, zoo haast de voorsz. Scheepen weeder in deeze Landen zullen weezen, gearriveert eer en alvoorens, dezelve werden ontladen.

Ende zullen den voornoemden Heer van Pere, zyne Erven ende Nakomelingen, geene Goederen ofte Koopmanschappen in de Scheepen, dewelke by hen naar de voorsz. Colonie Successivelyk zullen afgezonden werden, vermogen te laden, ten zy daar toe alvorens hebbende geimpetreert behoorlyke Pascedullen van de opgemelde Comp. ter Kamere, van waar dezelve Scheepen zullen koomen uyt te vaaren, en houdende Specifique Designatie van de voorsz. Goederen ofte Koopmanschappen, gelyk meede egeene Retour Waaren nogte andere Goederen, by wederom komste van de voornoemde Scheepen daar uit zullen mogen gelost ende ontladen werden, ten zy op behoorlyke Pascedulle van dezelve Compagnie inhoudende designatie als vooren.

By aldien in tyden en wylen het kome te gebeuren dat in de voorsz: Colonie eenige Negros ofte Swarte Slaven werden gerequireert, zo zal in alzulken gevallen de gemelde Comp. dienthalven wesende verwittigt, dezelve Colonie daarvan provideeren, tot zodanigen redelyken prys, als men onderling verdragen zal.

Welverstaande nogtans dat in de voorsz. gevalle den voornoemden Heer van Pere zyne Erven en Nakomelingen als Luyden met eere komen te verklaren de voorsz: Negros ofte Swarte Slaven nergens anders te zullen vervoeren nogte te employeeren als in en aan de meergemelde Colonie.

[p. 298]origineel

Waarop Mevrouwe Johanna Schorer, laatste Weduwe en Erfgenaam van den Heer Abraham van Rhee, en hertrouwd met Cornelis Demetrius, Predikant te Middelburg, een Request aan hun Hoog Mogenden deed inleveren, tegens Abraham van Peere de Jonge, ten einde te gedoogen, dat voorsz: Demetrius zou werde gesteld voor een vierde part in de bezitting van de Colonie van Berbice, als haar aanbestorvene aandeel in de Ervenisse van gemelde Abraham van Rhee: gelyk hun Hoog Mogenden dan ook, by een Vonnis dato 24 January 1681, den gemelden Demetrius, nomine uxoris, gerechtigd verklaarden tot de verzochte Bezitting: waarom het verleende Octroy aan van Peere voor een vierde werd ingetrokken, en aan voornoemde Demetrius op dezelve Voorwaarden verleend.

Deeze Voorwaarden zyn den 14den December 1703, met goedkeuring van hun Hoog Mogenden, vernieuwd.

In den Jaare 1684, is aldaar Commandeur geweest de Heer Lucas Coudrie, een Man die met veel yver en bekwaamheid deeze Volkplanting heeft geregeerd, het Fort Nassau wederom, volgens de nevensgaande Tekening (waar van de Origineele nog onder zyn Familie berust), heeft doen opbouwen, en ook naderhand, naamelyk in 1689, als Capitein in Suriname, zich tegen de Franschen overal manmoedig heeft gedraagen.

In den Oorlog met Vrankryk, in den Jaare 1689, kwamen de Franschen met eenige Schepen, uitgezonden van het Esquader van den Heer du Casse (welke te vergeefsch de Colonie van Suriname had aangetast), in de Rivier de Berbice, alwaar zy eenig Volk aan Land zetten, en sommige Plantagiën verwoestten: doch zy werden eindelyk, door een Brandschatting van omtrent twintig duizend Guldens die hen, in een' Wisselbrief op de Eigenaars der Volkplanting te Vlissingen moest voldaan werden, te vrede gesteld, waar op zy weder vertrokken. Deeze Brandschatting is echter niet betaald, wyl de Heer van Scherpenhuizen, Gouverneur van Suriname, in dat zelve Jaar, eenige Franschen van het gebleevene Fransch Oorlogschip gevangen gekreegen hebbende (gelyk wy onder Suriname breeder zullen verhaalen) dezelve ontsloeg, onder voorwaarde en goede verzekering nogthans, dat zy zouden vernietigen alle zodaanige Wisselbrieven als de Commandeur van de Berbice, over geeischte Brandschattinge, op den Heer van Peere, ten voordeele der Franschen getrokken had, ne-

[p. t.o. 298]origineel



illustratie
Het Fort Nassau in Berbice Anno 1682.

[p. 299]origineel

vens vergoeding daarenboven van omtrent vyf of zes duizend Guldens aan Suikeren, die in de Rivier van Berbice, ingevolge van de bedongene Brandschatting, door ordre van den gemelden Commandeur aan boord van de Fransche Schepen waren gebragt en geleverd(a).

Een ongelukkig Lotgeval trof deeze Colonie, op den 8sten November des Jaars 1712, wanneer zy weder door de Franschen, onder het beleid van den Baron de Mouans, met een Schip en eenige kleine Vaartuigen, ter Kaap uitgerust, van het Esquader van den Heere Jacques Cassart, (waar mede hy Suriname ook had gebrandschat) aangetast werd, na dat door een Zwitzer, die zy in Suriname gevangen hadden, hen de toestand der Colonie was ontdekt. Het Fort Nassau werdt door hen, vier dagen achterëen beschooten en gebombardeerd: in welken tyd 'er wel honderd en zestig Bomben op geworpen waren. Men besloot toen tot voorkoming van den geheelen ondergang der Volkplanting, dezelve te randzoeneeren, op den 8sten December 1712, voor drie honderd duizend Guldens, welke ter somma van een honderd achttien duizend vier en twintig Guldens en veertien Stuivers betaald werden in Slaaven, Suiker, Cargazoen-goederen, Lyftocht, en een Bark; en voor het overige Wissels ter somme van een honderd een en tachtig duizend negen honderd vyf en zeventig Guldens en zes Stuivers, ten lasten der Heeren van Peere, als Eigenaars: getrokken door den Commandeur Steven de Waterman en alle de Raaden, op zes Maanden zigt, aan de ordre van de Heer Mouans: neemende de Franschen tot Gyzelaars, voor de voldoening der Wisselbrieven, mede de twee jongste Raaden Gerard de Veerman en Hendrik van Doorn: waar van de eerste nog in Westindiën, en de tweede te Toulon overleedt(b).

Bovendien, vorderde de Franschen nog tien duizend Guldens tot vry-kooping van Plundering als anderszins; welke somme aan hen mede betaald werdt: gelyk het een en ander omstandig blykt uit de volgende Copy van de eigenhandige Brief, diestyds aan de Heeren van Peere door de Regeering van Berbice daar over geschreeven, luidende woordelyk.

[p. 300]origineel

Aan de Edele Groot Achtbaare Heeren Johan en Cornelis van Peere, Patronen der Reviere en Colonie Berbice,

Edele Groot Agtbaare Heeren,

 

Met leedwesen moeten d'Edele Heeren Patronen bekent maaken, dat wy het ongeluk in U Ed. Colonie gehad hebben van het bezoek van den Heer Baron de Mouans, welke gedetacheert was van Suriname den 2den November 1712, van Monsieur Cassart Commandant van een Esquader Franse Oorlogscheepen die Suriname hadden doen Contribueeren.

Den 8sten November 1712, is den Baron de Mouans, met drie Barquen en eenige dubbele Sloepen, drie Mortiers en 600 Man Koninglyke Troepen de Riviere ingekomen, en den 9den dito zynse de Brandwaght gepasseert die wy by gebrek van Volk verlaten hadden; den 10den dito zynse op de Hooft-Plantagie gearriveert en hebben aldaar Postgevat, nademiddag quamen eenige in 't Savaan van de Hooft-Plantagie tot in 't gezigt van 't Fort, en naar dat zy gerecognosseert hadden zyn weder vertrokken.

Den 11den November zynse koomen Campeeren agter den hoek van 't Reek naar beneden haar daar begraven, en in de Bocht haar Mortieren geplant, tegen den avond isser een Officier van den Baron de Mouans, aan het Fort gekomen uit naam van den Baron, om te vraagen of wy ons gewillig wilde overgeeven aan de Baron de Mouans, of zo niet, dat zy ons met Bomben souden dwingen en als dan alles ruineeren en verbranden, waarop wy antwoorden, van haar voornemens aftewagten, doen syde hy dat wy des avonds de Bomben mogten verwagten, zyn afscheid neemende vertrock naar het Campement; 's avonds ten 7 Uuren begonnen Bomben te Schieten tot den 12den dito nademiddag 4 Uuren tot 19 in 't getal, waar van verscheyden recht boven het Fort in de Lugt sprongen en veel stukken in het Fort vielen, zy hebben des nagts nog twee Mortieren uit de Barquen of Gaillots en den 13den November nademiddag ten 4 Uuren weder Bomben Schoten uit drie Mortiers gelyk, waar meede zy in den

[p. 301]origineel

tyd van 24 Uuren, 128 Bomben Schoten waar van eenige in 't Fort zyn gevallen, waar van een brand in het Fort veroorzaakt wierd, het grootste gedeelte zyn digt aan het Fort gevallen, ook tegen de Palisaden en verscheyde boven het Fort in de Lugt gesprongen, waar van Gerlof Jansen doodelyk wierd gequest, en de Sergeant Hans Michiel Schotlinder dood geslagen, den 14den dito des avonds is den Vyand agterom boven 't Fort gekomen en bezet, zy hebben tot lydsman (of Gidze) gehad Francois Tirol, die over twee en een half Jaar hier uit U Ed: dienst is gegaan, en maakt haar alle wegenen gelegentheeden bekent, waardoor genootsaakt waren om alle schaden voortekomen van Ruineeren en Verbranden der heele Colonie de Chamade te slaan om stilstand te versoeken tot des anderen daags morgens, te 7 Uuren is de Majoir van de Troupe in het Somerhuysje in 't Hof gekomen, van onse zyde is den Heer Laurens de Feer met Sr. Hendrik van Doorn, en Martinus van den Berge als Tolk gegaan, te samen gekomen zynde sy de Majoir dat wy gelukkig waren dat wy de Chamade geslagen hadden, hem wierd gevraagt waarom, hy antwoor de dat sy nu vaste grond en point gekreegen hadden, en Bomben konden Schieten waarzy wilde, voor eerst sy de Majoir dat hy order had van zyn Commandant, om te zeggen, dat den Baron de Mouans in 't Fort wilde komen, om de Heer Commandeur mondelyk te spreeken, 't welk wy gesamentlyk hebben moeten toestaan, dewyl hy anders geen Accoord wilde maaken, omtrent 10 Uuren 's morgens denzelven dito in 't Fort gekoomen zynde, liet eenige Troupen binnen koomen meer als zyn Wacht, waar tegen de Heer Commandant syde niet te willen verstaan datter zoo veel Volk in 't Fort zoude komen, waar op de Baron antwoorde dat hy te vreede was weder uit te gaan en naar zyn Campement te trecken, vermits wel zag dat hy onsgenoegsaam met Bomben dwingen konden, en wy hem de minste schade niet konde doen, alsoo wy maar by de gisse konde schieten, waar door wy zyn wil hebben moeten toestaan, dewyl hy met Bomben voor ons te magtig was, doen wilde de Baron dat wy onze Prince Vlag souden inneemen, om zyn Franse Vlag op te hyssen, waar tegen de Heer Commandeur syde zulks niet wel toe te konnen staan, waar op de Baron antwoorden dat die twee Vlaggen malkander niet konnen

[p. 302]origineel

verdraagen en dat wy onse moesten inneemen, of anders zoude weder op nieuws beginnen, soo dat wy gepersuadeert syn geweest tot ons leet weezen zulks toetestaan.

Den 16den dito zyn wy by malkander gekoomen om wegens Accoort te spreken, den Baron syn Eysch was ses tonnen Goudt voor 't bevryden van het Fort en de ses Plantagies, en naar twee maalen daar over geseeten te hebben, zyn wy veraccordeert voor de Somme ƒ300000:- Hollands Geld, mits te betalen in 160 bequame Mans Negros, en 89 Negrinnen: waar onder begreepen de klyne Kinders die suygen, nog 18 Negros Jongens van 10 à 12 Jaar oud gereekent op ƒ111:-:- ieder Jongen: maar wy maar gelevert hebben,

 

te weten:

153 Mans Negros, en 91 Negrinnen à ƒ300 ider ƒ73200:-:-
15 Negros Jongens, van 10 à 12 Jaar à - 111 - - 1665:-:-
  ---------------
  ƒ74865:-:-
Ook hebben volgens Accoort moeten Leveren 734 Oxhoosden en een Tiersje Suyker à ƒ30:-:-: ƒ22040:-:-
Nog hebben wy met Mondkosten en Winkelgoed afgemaakt. ƒ31118:14:-
En het resteerende in Wissel op U Ed: getrokken. ƒ181975:6:-
  ---------------
  ƒ300000:-:-

En dewyl den Baron Ostagiers wilde hebben soo is door Commandeur en Raaden goedgevonden dat Sr. Gerard de Veerman en Sr. Hendrik van Doorn mede zoude gaan tot dat den Wisselbrief van U Ed: geaccepteerd sal zyn, dewelke op zes Maanden geschreeven is.

Ook isser door Commandeur en Raaden goed gevonden dat de Ostagiers haar Vrouwen op de Plantagie Oostersout en nieuw Vlissingen, Meester sullen blyven, tot der tyd dat haar Mans weder zullen komen en men sal een goed Man tot Opziender by haar stellen wy hoopen het U Ed: aangenaam sal syn.

Boven de gemelde Somme van ƒ300000:-: hebben eerst moeten

[p. 303]origineel

betaalen, om bevryd te zyn van Plunderen en andere Insolentien een Somma van ƒ10000:- het geene zy Contant wilde betaalt wesen, wy hebben haar met volgende voor die Somma van ƒ10000:- voldaan.

Aan Contanten Goud of Zilverwerk, zoo veel alser van de Heer Commandeur en Raaden is konnen te wegen-brengen om haar te vreeden te stellen ƒ5138:1:-
Aan Casgeld. ƒ956:11:-
Aan Winkelgoed ƒ2947:13:-
Aan ses Oxhoofden Suyker ƒ180:-:-
  -------------
  ƒ9222:5:-

Aan een Slavin van het Fort die met haar Kind, weggeloopen was die voor de somme van ƒ400: - hier aangenomen hebben, welke Slavin in de Missive met d'Ostagiers medegegeven niet gemelt is alsoo wy den 8sten December 1712, tot nademiddag drie Uuren nog geen uitkomst sagen, om van haar ontslagen te werden, egter ten 9 Uuren des avonds vertrokken soo dat door haast vergeten was ƒ400:-:-
't Resteerende is voor een Oxhooft Zuyker, Fustasis en andere Klynigheeden afgereekent ƒ377:-:-
  -----------
  ƒ10000:-:-

Wy bidden en smeeken de Edele Groot Achtbaare Heeren de Wissel, dog ten eersten gelieft te Accepteeren op dat de Ostagiers die tot behoud van Land en Luyden haar met den Baron de Mouans na Toulon begeeven hebben, om dat zy by U Ed: mondelyk verslag mogen doen en in vreede weder tot ons mogen keeren.

Soo lange de Franschen in het Fort zyn geweest hebben ons van alles meester gelaten en de Sleutels van alles laten houden, en ons Posten naar ons goeddunken laten bezetten, zy hebben volgens afspraak een Waght van 20 Man in 't Fort gehad en hebben geen insolentie bedreven, maar hebben alles wat haar benoodigt was, ons gevraagt en op reekening aange-

[p. 304]origineel

noomen, aangaande mondkoste hebben wy haar moeten furneeren zo lang zy hier waaren.

Daar zyn nog tussen 2 à 300 Oxhoofden Suyker blyven leggen ook staan de Velden God dank zo schoon als ooit gestaan hebben.

Deeze hier mede eindigende zo willen wy de Edele Groot Agtbaare Heeren nevens haare waarde Families beveelen in de genadige protectie des Allerhoogste en wy zullen alle tragten te blyven:

 

Groot Agtbaare Heeren,

 

U Ed: Onderdanige Dienaars;

 

was geteekent

 

Op het Fort Nassau, in Rio de Berbice, den 2den January, 1713.

Steven de Waterman,
Laurens de Feer,
M. Heyn,
Claas Ras,
A. Tierens.

Inmiddels weigerden de Heeren van Peere de aldaar getrokkene Wissels te voldoen, en lieten dezelven, op den 12den May en 17den November 1713, protesteeren; waarop de Colonie aan de Franschen werdt over-gelaaten, ingevolge de Acte op den 13den September 1713, door den Notaris Paulus van den Ende, en getuigen binnen Amsterdam, aan de Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts geinsinueerd: waarop na het sluiten der Vrede te Utrecht, de Franschen door eenen Joseph Maillet, als magt hebbende van de Geinteresseerdens in de Armade, de Colonie de Berbice hebben getransporteerd, op den 24sten October 1714, aan Nicolaas en Hendrik van Hoorn, Arnold Dix, en Pieter Schuurman, voor een Somme van een honderd en acht duizend Guldens, volgens de nevenstaande Cessie en Transport, in dato 24 October 1714.

[p. 305]origineel

Acte van Cessie en Transport der Colonie de Berbice, door Joseph Maillet qqa. aan de van Hoorns &c.&c. dato 24 October 1714.

Op heden den 24sten October 1714. is voor my Philippus de Marolles, Openbaar Notaris by den Hove van Holland geadmitteerd te Amsterdam residerende en in presentie van de nagenoemde Getuigen, persoonlyk Gecompareert, de Heer Joseph Maillet van Marseille, thans binnen deze Stad my Notaris bekent, Directeur en mede geinteresseerde voor een vyfde deel in de helft in de Equipagie van het Esquader van den Koning van Vrankryk gecommandeert door den Heer Jaques Cassart; daarenboven de gemelde Heer Joseph Maillet als gemagtigde van de gedachte Heer Cassart geinteresseerd voor de helft in de gezegde Equipagie, als mede van den Heer Jan Dieu, Ridder van de order van St. Marcus, zo in zyn naam als Directeur en geinteresseerde voor een vyfde in de andere helft van gemelde Equipagie en als gemagtigde van de Heeren Michiel Glaise, Nicolaas Guitton, Roussel en Compagnie, mede Directeurs en geinteresseerdens, ieder voor een vyfde van de gezegde helft van de voornoemde Equipagie, volgens Acte op den 8sten October 1714. voor de Koninglyke Notarissen Tribou en Langlois te Fontainebleau gepasseerd, en aan de minute dezes geannexeerd om te dienen na behooren; dewelke gezegd en verklaart heeft te cedeeren, over-tegeven, en te transporteeren, zo als hy cedeert, overgeeft, en transporteert door dezen, zonder in eenige vrywaring gehouden te zyn, aan de Heeren Nicolaas van Hoorn, Hendrik van Hoorn, Arnold Dix, en Pieter Schuurman, alle Kooplieden woonende binnen deze Stad, mede present en accepteerende een Wisselbrief van honderd een en tachtig duyzend negen honderd vyf en seventig Guldens en zes stuyvers Hollands Courant Geld, door de Gouverneur, voornaame Officieren en Raaden van de Colonie de Berbice in dato 8 December 1712 getrokken op de Heeren Jan en Cornelis van Pere tot Vlissingen, Eigenaars van dezelve

[p. 306]origineel

Colonie, betaalbaar zes Maanden na zigt aan de ordre van den Heer Baron de Mouans, welke zig met een detachement Troupes van 't gemelde Esquader van gedachte Colonie had meester gemaakt, tot volkomen betaaling van de Brandschatting van die Colonie, welke Wisselbrief de gemelde Heeren van Pere geweigert hebben te accepteeren en te betaalen, ingevolge de protesten dien aangaande gedaan op den 12den May en 17den November 1713. door de Notaris Pieter Huyghe en Getuigen te Vlissingen; hebbende de gemelde Heeren van Pere de gemelde Colonie en aankleeven van dien overgegeeven, aan de genoemde Reeders voor de betaaling van de gezegde Wisselbrief, ingevolge Acte den 23sten September 1713, door den Notaris Paulus van den Ende en Getuigen binnen deze Stad aan de Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts, correspondenten van de gemelde Reeders, geinsinueert, met verband van goede en opregte rekening te zullen doen van het beloop der twee ladingen Suiker, welke zy uit de Berbice naar zig genomen hebben na het verdrag van rantsoeneering, zig rembourseerende voor 't montant van 't geen zy voorgeven met de gemelde Scheepen na meergemelde Colonie te hebben gezonden. Zynde deze Cessie en Transport geschied voor en mits betaalende eene somme van honderd en agt duyzend Guldens Hollands Courant Geld, alles voor rekening en risico van de voornoemde Heeren Koopers, zonder dat de gemelde Heer Maillet of de andere geinteresseerdens in de gemelde Reedery, in eenige vrywaaring of restitutie van penningen ten aanzien van de gemelde Heeren Koopers, zo als gezegd is, zullen gehouden zyn; zynde zulks by een byzonder verdrag alzo beslooten: zonder dat om geenerhande reeden of praestext hoe ook genaamt de gemelde Heeren Koopers arrest of beslag mogen leggen op de gemelde Kooppenningen; en alzo de gemelde Heeren Koopers beducht zyn, dat de Franschen, sedert dat den Heer Baron de Mouans, met zyn Esquader van daar vertrokken is, weder derwaarts zyn gegaan, om gemelde Colonie te plunderen en te verwoesten, is verstaan; dat indien zulks mogte gebeurd zyn, de gemelde Koopers hun recours op en jegens de gemelde Reeders van den Heer Cassart zullen hebben, om zig te doen betaa-

[p. 307]origineel

len het montant van de effecten door de gezegde Franschen weggenomen, volgens rekening, welke daar van gemaakt zal worden, door de Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts, Kooplieden binnen deze Stad, op de bescheiden en overtuigende bewyzen, welke aan dezelven overgelegt en gegeven zullen worden, na dat de gemelde Heeren Reeders van de Heer Cassart, daar van behoorlyke kennisse zal zyn gegeven, en anderszins niet, welke bewysen door de Heeren Koopers binnen de tyd van zes Maanden na dato dezes zullen moeten geschieden, na welke tyd alle pretentien zullen cesseeren. Mids welke betaaling van bovengemelde Somme van honderd en agt duyzend Guldens, de gemelde Heer Maillet, aan de gezegde Heeren Koopers, cedeert alle de Rechten, Hipotheeken en Preferentien, welke de gezegde Heeren Reeders hebben op en tegens de Heeren Jan en Cornelis van Pere, zo voor hen als hunne mede geassocieerden, op de gemelde Colonie de Berbice en aankleven van dien, als ook op de twee gezegde Ladingen Suiker, van welke Colonie de meergemelde Heeren Koopers, naar goedvinden possessie kunnen neemen, ten dien einde dezelven in haare plaats surrogeerende, op de beste wyze en forma doenlyk door dezen zonder eenige reserve. Consenteerende de gemelde Heer Maillet in name als voren, dat de Heeren Koopers, voorfz. Somme van honderd en agt duizend Guldens zullen mogen betaalen, by het tekenen dezes aan de gemelde Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts, om door dezelven gehouden te worden, ter dispositie van de Heeren Ridder Dieu, de Glaise en Compagnie te Marseille, welke betaaling aan de gemelde Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts geschied zynde de gemelde Heeren Koopers behoorlyk geacquitteerd zullen zyn. Bekennende de gemelde Heeren van de Cruys, Zoon en Engelberts mede Compareerende de gemelde Somme van hondert agt duysend Guldens ontsangen te hebben, ten dien einde de meergenoemde Wisselbrief te endosseeren aan de gemelde Heeren Koopers, als de waarde contant van hen te hebben ontsangen; gelyk de Heeren Koopers meede bekenden in hun bezit genomen te hebben, de stukken en documenten meergemelde Wisselbrief concerneerende en Cessie gedaan door de Heeren

[p. 308]origineel

Jan en Cornelis van Pere van de genoemde Colonie de Berbice, ingevolge den Inventaris daar van gemaakt en onderteekent door de Heer Maillet en aan de minute dezes geannexeerd.

‘Eindelyk beloofde en verbond zig de gemelde Heer Maillet in name als vooren, den Gyzelaar te Toulon te zullen ontslaan, zonder van denzelven of van de Heeren van Hoorn, Dix, en Schuurman, sedert het gebeurde tot heden toe, iets te pretendeeren voor Alimentatie of andere Onkosten. Consenteerende hier van Acte.

‘Aldus gedaan en gepasseerd binnen Amsterdam in presentie van Blaise Marin, Willem Swart en Nicolaas Pullen, myne Clercquen, als Getuigen, dewelken de minute nevens de Heeren Comparanten en my Notaris hebben ondertekent.

 

Accordeert met de Minute berustende in de Registers van my Notaris.

 

Was getekent.

 

P. de Marolles, Notaris Publicq.

 

‘Wy onder geschreeven Michel Glaise, Nicolaas Guitton en Jan Baptist Roussel voor my en myne Compagnons, Kooplieden te Marseille, verklaaren by dezen nagezien en geleezen te hebben, het Contract van Cessie en Transport hier voren geschreven, het zelve te approbeeren en ratificeeren by dezen, begeerende en consenteerende dat het zelve volkomen effect sorteere. Tot naarkoming en uitvoering van welke verbinden wy onze Persoonen en Goederen, presente en toekomende, dezelve stellende ten bedwang van alle Rechten en Rechters. In kennisse der waarheid hebben, wy deze Acte van Ratificatie getekend tot Marseille den 6den November 1714.

 

Was getekent,

 

Michel Glaise, Roussel en Compagnie, Guitton.

[p. 309]origineel

‘Wy Schout, Schepenen, Luitenants des Konings, Regeerders der Stad Marseille, Raadsheeren des Konings, Lieutenant Generaal van de Politie, Bewaarders en Beschermers der Privilegiën, Prerogativen en Vryheden der gemelde Stad, Certificeeren en Attesteeren eeneniegelyk dien het concerneerd, dat de Heeren Michel Glaise, Roussel en Compagnie en Nicolaas Guitton, welke hier voren geteekend hebben, de Directeurs en Reeders zyn van het Esquader Konings Schepen voorheen gevoert by den Heer Cassart in zyne laatste Expeditie na de Berbice, Curacao en andere plaatsen. Des ten oirkonde hebben wy deze ondertekend en dezer Steede Zegel hier op doen drukken, gegeeven te Marseille den 7den November 1714.

 

Was getekent,

 

Beau, Jouvenc, Durand.

 

Welke overgaaf door den Koning van Vrankryk is goedgekeurd: en door de Heeren van Peere, cum Sociis is geabandonneerd, en voor zo veel des noods aan de Heeren van Hoorn &c. gecedeert, volgens bygevoegde Acte.

Acte van Abandon van de Heeren van Peere &c. en voor zoo veel noods, Cessie van de Colonie, aan de Heeren van Hoorn &c., dato 28sten Nov. 1714.

OP huyden den 28sten November 1714 compareerde voor my Abraham de Swarte, Openbaar Notaris by den Edele Hove Provintiaal van Holland, Zeeland ende Westvrieslandt geadmitteert, residerende binnen Middelburg in Zeeland, present d'ondergenoemde getuygen, de Heer Mr. Johan van Peere, Oud Burgermeester en Raad der Stadt Vlissingen, de Heer Cornelis van Peere, Heer van Oost- en West Zouburg, mede Raad en Oud Burgermeester der voorsz. Stad

[p. 310]origineel

Vlissinge, jegenwoordig alhier; mitsgaders Vrouwe Susanna Maria van Peere, weduwe wylen de Heer Cornelis Kien, in zyn leven mede Burgermeester der Stad Veere, en Bewindhebberen van d'Edele Geoctroyëerde Oostindische Compagnie ter Kamer alhier, woonagtig binnen deze Stad, en eindelinge, den Heer Mr. Thomas Alexander Konink, Bailjuw der Stad Veere, en mede Bewindhebber van de gemelde Oost-indische Compagnie ter Kamer alhier, mede jegenwoordig binnen deze Stad; alle gewesene eygenaars van de Colonie de Berbice, met wat dies aankleeft, wonende alle in de respective Steden voornoemt, my Notaris bekent, te kennen gevende en verklaarende, dat zynde tot hun Heeren en Vrouwen Comparanten kennisse gekomen, hoe dat door een detachement van een Esquader Fransche Konings Schepen, gecommandeert door Monsieur Cassart, eerst was bemagtigt en daar na ook geranconneert de voorsz: Riviere en Colonie de Berbice, met wat dies aankleeft, zy Comparanten nochtans niet alleen niet hadden goedgevonden te agreëeren de voorsz: ranconneringe en gevolglyk mede niet en hadden goetgevonden te accepteren, en min noch te betalen zoodanigen Wisselbrief van een honderd een en tagtig duysend, negen honderd vyf en t'seventig guldens en ses stuyvers, hollands courant geld, als 'er door Steven de Waterman, Laurens de Feer, M. Hun, Claas Ras, A. Tierens, Gerard de Veerman, en H. van Doorn, uit het Fort Nassau den 8sten December 1712. was getrokken per reste van de geaccordeerde rantsoen penn. op of ten laste van hen Heeren Johan en Cornelis van Peere, ten behoeve van den Heere Baron de Mouans, die het voorsz: detachement had gecommandeert of ordre, zoo als die Wisselbrief, door middel van de successive Endossementen, eerst van den Baron de Mouans, daar na van Sieur Cassart, en laastelyk van Dieu de Glaise en Compagnie aan Sr. van de Cruys, Fils, en Engelberts, of ordre, was gekomen, en overgegaan, en dat zy Comparanten daarom ook zelfs zig dezelve Colonie de Berbice, met wat dies aankleefde niet verders en hadden willen aantrekken, maar dat zy Comparanten dezelve Colonie met alle deszelfs gevolgen en aankleven in tegendeel wel hadden willen abandonneren, en zulks alles ook metter daad hadden afgestaan, en gelaten aan

[p. 311]origineel

en voor den geenen, die uit zaake van de voorsz: Wisselbrief daarop, of daar toe zoude mogen geregtigd zyn.

‘Hebbende zy Comparanten des niettegenstaande echter ook verstaan gefundeerd te zyn, om dien onverminderd op te slaan en te benificeren de respective twee Ladingen Suiker, overgebragt met den Schepe de drie Gebroeders, gevoert by Kapitein Pieter Belle, en den Schepe Bleyswyk, gevoert by Kapitein Andries Maartens, met die intentie en met dat effect, namentlyk om daar uyt weder te vinden den beloop van de Cargasoenen, en behoefte door of van wegen hun Comparanten, na de Berbice gezonden ten tyde als zy Comparanten onkundig waren zo wel van de onderneeming, als van de Rancoeneringe van, of op de Colonie de Berbice voorsz. alles breeder naar uitwyzen (onder anderen) mede van de drie respective Insinuatien en Protesten, op den 23sten September 1713. en den 28sten April 1714. door den Notaris Paulus van den Ende en Getuigen: en op den 27sten January mede des jaars 1714. door den Notaris Philippe de Marolles en Getuigen binnen Amsterdam aan of ten Huize van de Heeren van de Cruys, Fils, en Engelberts, als Houders van de voorsz: Wisselbrief successivelyk gedaan.

‘En dat dezelve Heeren van de Cruys Fils en Engelberts, aan de Heeren Nicolaas van Hoorn, Hendrik van Hoorn, Aarnout Dix en Pieter Schuurman, Kooplieden binnen de Stad Amsterdam, ook weder hadden geendosseert en overgedaan de voorsz: Wisselbrief van een honderd een en tachtig duizend negen honderd vyf- en- zeventig guldens zes stuyvers, en dat ook noch door of van de Directeurs, en Geintresseerdens in de Uitrustinge en Equipagie van het Esquader van Monseur Cassart voorsz: aan de Heeren van Hoorn, Dix en Schuurman was gecedeert en overgedraagen de voorsz: Colonie, met wat dies aankleeft; alles ingevolge van den Contracte op den 24sten October 1714. ten overstaan van den opgemelden Notaris Marolles en Getuigen, opgerecht met Joseph Maillet, voor en wegens de Directeurs en Geintresseerdens, van de voorsz: Equipagie en Uytrustinge van het Esquader, zo gecommandeert is geweest door Monsieur Cassart, en dewyl dezelve Heeren van Hoorn, Dix en Schuurman, vervolgens mede nog het voorsz: abandon zo door hen Comparanten was gedaan, mitsgaders de belofte by

[p. 312]origineel

hen Comparanten mede gedaan, om te verantwoorden de Retouren met de twee voorsz: Schepen te rug gebragt, mits en onder de Reserve van hun Indemniteyt als vooren insgelyks hadden geaccepteert, in der manieren en op de conditien van gelyken breeder uitgedrukt, in en by d'Acte op den 20sten November 1714. gepasseert, en de voorsz: Wisselbrief behoorlyk gequiteerd zynde, aan hun Comparanten geexhibeert en overhandigt, en waar van zy Comparanten ook belooven altoos weder te doen Exhibitie aan de Heeren van Hoorn en Consoorten, daar en zoo zy tegen anderen des mogten oordeelen van nooden te hebben, zoo verklaren zy Comparanten dan ook dezelve Acte van dato den 20sten November 1714. te accepteeren en te acquiesseeren, op en onder de mits en conditien daarby gevoegt en vermeld, en daar beneffens mede voorsz: Wisselbrief ten dien fine en effecte behoorlyk gequiteert hier nevens ontfangen te hebben.

‘Belovende zy Comparanten niet alleen den inhoude van de mitse, en conditien, in de voorsz: Acte van den 20sten November 1714. begrepen, aan de Heeren van Hoorn, Dix en Schuurman; (onder welke Koopers ook voor een geregte vierde part begreepen is onzen Broeder de Heer Cornelis van Peere voornoemt, die ook den Inkoop van het vierde part van de voorsz: Colonie en aankleeven van dien heeft doen betaalen door den Heer Egidius van den Bempden aan de voorsz: Heeren van Hoorn) en hunne Erven, Successeurs en Representanten, als Lieden van eere, altoos en alomme met 'er daad zullen praesteren, maar zelfs ook als nog mitsdezen aan dezelve te abandonneren en des noods te cederen, en af te staan de voorsz: gantsche Colonie de Berbice met alle desselfs ap en dependentien, praerogativen en voorrechtten, niets daar aan of van gereserveert, of uytgezonderd, zulks dat alles het sedert den 8sten December 1712. zal zyn en blyven voor rekeninge en alzo tot schaade en bate van de Heeren Cornelis van Peere, van Hoorn, Dix en Schuurman, mits en onder belofte, ook van hen Comparanten, om deugdelyk aan hun Heeren, Cornelis van Peere, van Hoorn, Dix en Schuurman, te verantwoorden en goet te doen de voorsz: twee Retouren, met de Scheepen de drie Gebroeders en Bleys-

[p. 313]origineel

wyk overgebragt, onder reserve en met kortinge van meergemelte Indemniteyt, tot naarkominge verbonden zy Comparanten hunne Persoonen en Goederen, subject alle Heeren Hoven en Rechteren, en specialyk zoo den Edele Hove van Holland en Zeeland, als den Hogen Rade in Holland, ten Keure van de Heeren van Hoorn en Consoorten.’

 

‘Aldus gedaan en gepasseert binnen Middelburg voornoemt, ter presentie van Andries Arnnot en Bartholomeus van der Wulp als Getuigen hier toe verzogt.

 

‘De Minute dezes is behoorlyk getekent, datum uts: onderstond, Quod attestor.

 

Was getekent,

 

Abraham de Swarte, Notaris Publicq.

 

De Nieuwe Eigenaars bebouwden inmiddels hunne Bezittingen en leiden nog een Suiker- en twee Cacao-Plantagiën aan; doch de grootste zwaarigheid was, om het vereischte getal van Slaaven te bekomen, welke zy gaarne zelven uit Africa wilden haalen, waar tegen de Westindische Maatschappy zich kantte, maar waarin de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal de volgende voorziening maakten.

Extract uit het Register der Resolutien van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden, houdende de Conditien, wegens den aanvoer van Slaaven &c. tusschen de Heeren Bewinthebberen der Westindische Compagnie en voorige Eygenaars der Colonie de Berbice dato 10 September 1714.

NOgmaals ter Vergaderinge voortgebragt zynde, de Missive van de Heeren Plenipotentiarissen tot de laatste Vreedehandeling te Utrecht,

[p. 314]origineel

geschreven aldaar, den 10den Juny laastleden, geaddresseert aan den Griffier Fagel, rakende de betalinge van zeker Wisselbrief, ter somme van een hondert een en tachtig duisent, negen hondert vyf en seventig guldens ses stuyvers, getrokken uyt de Berbice, op den Heer van Peere te Vlissingen, breder gementioneert onder de Notulen van voorsz: 10den Juny 1714, en daar benevens ten meermalen gehoort, Bewinthebberen van de Westindische Compagnie ter Kamer Amsterdam, als mede Nicolaas van Hoorn en Schuurman, die genegentheyt hadden getoont, omme de voorsz: Colonie de Berbice op redelyke conditien over te nemen, 't zy van de voorsz: van Peere, 't zy van de Franschen, de laatste invasie en rantsoeneringe der voorsz: Colonie uitgewerkt hebbende, of zodanig het zelve best zal kunnen bestaan, mits gerust wordende gestelt, dat dezelven de Slaaven, die zy van tyd tot tyd nodig zullen hebben, mede zekerlyk en op dragelyke Conditien bekomen zullen konnen. Is na voorgaande deliberatie goedgevonden en verstaan dat devoiren aangewend zullen werden, ten eynde de differenten tusschen de Houders van de voornoemde Wisselbrief ter eenre, en de voornoemde van Peere ter andere zyde, uyt zake voorsz: ontstaan; door het een, of ander expedient geprevenieert, of getermineert mogen werden; ende dewyl tot nu toe geen beter expedient voorgekomen is, als dat de voornoemde van Hoorn, en Schuurman, de voorsz: Colonie de Berbice quamen over te nemen, en met de Houders der voorsz: Wisselbrief, wegens dezelve Brief quamen te verdragen, dat dan ook de voornoemde overneminge en verdrag allesints gefaciliteert en bevordert zal werden.

Dat het succes van dien, onder anderen dependerende van de gemakkelykheyt, die de voornoemde van Hoorn en Schuurman ontmoeten zullen tot het bekomen van de nodige Slaaven, en door haar meermalen geinsteert zynde, dat haar gepermitteert moge werden hunne Slaaven directelyk uyt Africa te halen, waar tegens voorgemelde Bewinthebberen zig geopposeert hebben gehad, meergemelde van Hoorn en Schuurman gedisponeert zullen werden omme geen Slaaven op de voornoemde Colonie te gebruyken, of te ontfangen, als dewelke hen door de

[p. 315]origineel

Bewinthebberen der Westindische Compagnie besorgt en gelevert zullen werden.

‘En de welgemelde Bewinthebberen insgelyks om daar in alle mogelyke faciliteyt en yver te adhiberen. Dat dienvolgende zal werden vastgestelt, zoo als vastgestelt werd mits dezen, zoo veel de voorsz: aanvoer van Slaaven, ofte welgemelde Bewinthebberen ter eenre, ofte de voornoemde van Hoorn en Schuurman, voor zig en hunne mede Participanten ter andere zyde zal aangaan.

Art. I.

‘Dat Bewinthebberen van de Westindische Compagnie ter requisitie van de gemelde van Hoorn en Schuurman zullen leveren 250 koppen Ardra, of Angola Slaven, ⅔ Mans, en ⅓ Vrouwen, pieces d'India, en voort van tyd tot tyd zodanig getal Slaven, als dezelve van Hoorn en Schuurman ten dienste van de voornoemde Colonie nodig hebben, ende requireren zullen.

Art. II.

‘Dat de voorsz: eerste 250 koppen gelevert zullen werden op de Berbice, zelfs aan de ordre van gemelde van Hoorn en Schuurman.

Art. III.

‘Dat om het voornoemde getal van 250 koppen ps. d'India ten vollen te kunnen hebben, gemelde Bewinthebberen ten spoedigsten een bequaam Schip zullen equipeeren, en naar Africa zenden, voorsien met zodanige Cargesoenen, als tot de inhandeling der voorsz: Slaaven nodig zullen zyn.

Art. IV.

‘Dat gemelde Van Hoorn en Schuurman, neffens de requisitie, of intekening van Slaaven, zoo voor de eerste, als volgende reysen, gehouden zullen zyn, ter requisitie van Bewinthebberen, zodanige verze-

[p. 316]origineel

keringe, of cautie te stellen, voor de betalinge der Slaaven, als by de voornoemde Compagnie gebruykelyk is.

Art. V.

‘Dat gemelde van Hoorn en Schuurman op het vertonen der Recipissen van de gedaane leverantie aan de Berbice, aan Bewinthebberen tot Amsterdam in contanten betalen zullen de voornoemde eerste 250 koppen, ten pryse hier navolgende, namentlyk de ps. d'India tot 212 guldens 10 stuyvers per stuk, en de Macquerons Slaaven tot 165 guldens mede per stuk.

Art. VI.

‘Dat de Seperatie van de Slaaven, te weten de ps. India van de Macquerons, op de vierde of vyfde dag van de aankomste van het Schip, zal werden gedaan door den Schipper, twee Stuurluyden, en de Chirurgyn van het zelve Schip, wegens de Compagnie, met en nevens een gelyk getal van vier Persoonen, door van Hoorn en Schuurman, of haar ordre daar toe te committeren.

Art. VII.

‘Dat voor de verdere Slaaven, welke de voornoemde van Hoorn en Schuurman boven de voorsz: eerste 250 koppen, by vervolg van tyd nodig hebben, ende requireren zullen, werden betaalt de somme van 250 guldens voor ieder ps. d'India, ofte goede leverbare Slaav, namentlyk 100 guldens per hoofde te Amsterdam, zoo haast het Schip, daar mede dezelve Slaaven ingehandelt zullen werden uyt havens dezer Landen, in Zee gelopen zal zyn, ende de overige 150. mede te Amsterdam in contanten, op het vertonen van de recipisse der leverantie, die daar van aan de ordre van gemelde van Hoorn en Schuurman op de Berbice gedaan zal zyn, ofte wel op zodanige minder beswarende conditien, of prysen, als dezelve Slaaven door de Westindische Compagnie aan eenige andere Colonien, of Personen in der tyd afgelevert zullen werden.

[p. 317]origineel

Art. VIII.

‘Dat de voorsz: Slaaven, welke gemelde van Hoorn en Schuurman boven de eerste 250 koppen als vooren nodig hebben, ende requireren zullen, door Bewinthebberen t'haren risico en kosten gelevert zullen moeten werden aan de Berbice zelfs, ende aldaar aan d'ordre van gemelde van Hoorn en Schuurman.

Art. IX.

‘Dat by aldien gemelde Bewinthebberen onverhooptelyk niet genegen mogten zyn, de voornoemde Slaaven aan de Berbice, als voorsz: is, te brengen, aan de gemelde van Hoorn en Schuurman alsdan vry zal staan, dezelve Slaaven te halen, daar, ende zoo zy best zullen konnen; ende indien eenige equipagies daaromme naar Africa gedaan moesten werden, dat de meergemelde Bewinthebberen alsdan in dien gevalle gehouden zullen zyn, onder eene redelyke recognitie ter moderatie van Haar Hoog Mogende, aan den zelven van Hoorn en Schuurman daar toe de nodige permissie te geven, voorbehoudens aan Bewinthebberen defaculteyt, om het voorsz: Schip met zyne Cargasoenen te visiteren, ende zodanige toesienders, of bedienaars daar op te stellen (dog t'haren kosten) als dezelve in der tyd komen goed te vinden, en voorbehoudens dan ook nog, dat gemelde van Hoorn en Schuurman geen groter getal Slaaven, als boven, zullen mogen inhandelen, als zy aan de Bewinthebberen voor het vertrek van hunlieder Schip van hier zullen opgegeven hebben.

Art. X.

‘Dat tot meerder verzekertheyt van de voornoemde van Hoorn en Schuurman aan d'eene zyde, ende van welgemelde Bewinthebberen aan d'andere zyde, dezelve onderling nader behooren te convenieren over zodanige verdere middelen en poenaliteyten, als dienen zullen, eensdeels, om gemelde van Hoorn en Schuurman gerust te kunnen stellen, dat de successive leverantien van Slaaven, dewelke door de Bewinthebberen aangenomen zullen werden, in der tyd gedaan ende volbragt zul-

[p. 318]origineel

len worden, (fataliteiten en andere onvermydelyke toevallen uytgesondert) ende anderdeels, dat gemelde van Hoorn en Schuurman (het effen bovenstaande IX. Art. alleen exempt) geen andere Slaaven kopen, nog ontfangen zullen, dan van de Westindische Compagnie alleen, en dat het gerequireerde getal Slaaven door derzelver geauthoriseerdens aan de Berbice ontfangen, en de gestelde prys alhier promptelyk betaalt zal werden.

Art. XI.

‘Dat dewyl gemelde van Hoorn en Schuurman verklaart hebben, de voornoemde Colonie de Berbice niet anders te sullen, nog konnen overnemen, als behoudens hare optie, ter eerster aankomste van eene uyt hen, of van derzelver Geauthoriseerdens op de voorsz: Colonie omme de voorsz: Colonie te aan vaarden, ofte ook te laten varen, en aan de Geinteresseerdens wederom af te staan, indien 't hen goeddenken mogte, en het vervolgens gebeuren zoude konnen, dat ter aankomst van de eerste 250. Slaaven aan de Berbice, de voornoemde van Hoorn en Schuurman geen Possesseurs van de voornoemde Colonie quamen te zyn, meergemelde van Hoorn en Schuurman alsdan indien gevalle ongehouden zullen zyn, de voorsz: 250 Slaaven aldaar te ontfangen, en alhier te betalen, en dat in het voorsz: geval meergemelde Bewinthebberen dezelve Slaaven aan hen behouden zullen, en daar van disponeren mogen na henlieden welgevallen.

Art. XII.

‘Dat, indien t'eeniger tyd gebeuren mogte, dat de voornoemde van Hoorn en Schuurman, na dat dezelve de voorsz: Colonie eenmaal anngenomen zullen hebben, t'eeniger tyd genootzaakt mogten werden, dezelve te abandonneren, en hen met hunne Slaven en Effecten van daar te retireren naar eenige Colonie van de Westindische Compagnie, dezelve zulks t'allen tyden vryelyk zullen vermogen te doen, zonder daar voor iets te betalen; voorts ook dezelve effecten en slaaven tot aanlegginge van eenige Plantagies mogen gebruiken, of anders verkopen, en te gelde maken, zoo als zy best zullen kunnen, ten ware Bewintheb-

[p. 319]origineel

beren dezelve goedvonden aan te neemen, ten pryse als dezelve aldaar waardig zullen zyn.

Art. XIII.

‘Dat voor ieder Schip, 't geen door de voornoemde van Hoorn en Schuurman naar de Berbice gezonden zal werden, aan de Bewinthebberen zal werden betaalt de somme van 300 Guldens eens, te weten 100 Guldens op het uytgaan van ieder Schip, nevens de extraditie der Commissie voor het zelve gerequireert, en 200 Guldens als het zelve Schip zal wezen gereverteert, te betaalen voor de ontladinge van dien, zullende de nodige Commissie tot de ontladinge aan de Bewinthebberen verzogt, en door hen gegeven werden, zoo als dat geschied ten reguarde van alle andere Schepen van Suriname, of andere Colonien komende, en zonder dat genoemde van Hoorn en Schuurman gehouden zullen zyn, hunne Suikeren, of andere retouren in eenige van des Compagnies Magasynen te moeten brengen.

Art. XIV.

‘Dat het eerste Schip, 't geen gemelde van Hoorn en Schuurman van hier na derwaarts zullen zenden, voor d'eerste reyse vry zal zyn van de 100 Guldens, welke op het uytgaan betaalt moeten werden, mits gehouden blyvende, de overige 200 Guldens te betalen op 't retour van 't voorsz: Schip, ende voorbehoudens mede, dat, indien de voornoemde van Hoorn en Schuurman ter aankomste van het voorsz: eerste Schip op de Berbice (ingevolge van de faculteyt op het bovenstaande XI. Art. aan hen gelaten) goedvonden, de voorsz: Colonie niet te aanvaarden, en daarop resolveerden, het voorsz: Schip na Curacao, of Suriname te zenden, om ladinge te zoeken, zy lieden alsdan meede gehouden zullen blyven, op 't retour van 't voorsz: Schip te betaalen, zoo veele, als van andere retournerende Schepen van Curacao, of Suriname moet werden betaalt.

[p. 320]origineel

Art. XV.

‘Dat het bovenstaande reglement continueren zal, zoo lang het Octroy van de Westindische Compagnie subsisteren zal, en zoo vervolgens by prolongatie van het jegenwoordige Octroy.

‘Ende zal Extract van de bovenstaande resolutie gezonden werden aan de Bewinthebberen der Geoctroyeerde Westindische Compagnie dezer Landen, en ook aan de voornoemde van Hoorn en Schuurman. Ende zal aan gemelde Bewinthebberen serieuselyk gerecommandeert werden, het vorenstaande te willen inschikken, en naarkomen; als mede aan Haar Hoog Mogende daar van ten allerspoedigsten kennis te geven.

 

F.W. van GENT tot Oldersom.

 

Accordeert met het voorsz: Register.

 

J. FAGEL.

 

Vervolgens zochten zy, in navolging der Spanjaarden, die uit dit Waerelddeel zulke groote Schatten trokken; eenige ryke Mynen te ontdekken; waar toe zy, op den 19den October 1719. een Verdrag met zekeren Jood Simon Abrahams maakten, waar by deeze, zo lang hy in dienst van gemelde Heeren was, een zestiende van het zuivere provenu der Mynen voor zich bedong: doch hy rechtte byna niets uit, en kwam in 1724. weder te rug.

De Heeren Eigenaars bemerkende dat de kosten, om deeze Volkplanting in een' bloeijende Staat te brengen, de magt van zo weinige byzondere Kooplieden te boven ging, en willende haar voordeel doen van den lust hunner Landsgenooten, die, in dien tyd heet waren, op alle nieuwe onderneemingen; beslooten in de Maand September des Jaars 1720. een Maatschappy op te rechten, om deeze Colonie met kracht aan te tasten en te vergrooten, en daar toe een Fonds te maaken van drie Millioen en twee honderd duizend Guldens Bankgeld, verdeeld in zestien honderd Portiën, ieder van twee duizend Guldens, waar in de oude Bezitters voor hen zouden behouden

[p. 321]origineel

vier honderd portiën, en hen daarenboven, tot vergoeding hunner Overgifte, betaald worden achtmaal honderd duizend Guldens, zullende alleenlyk door de Intekenaars vyftig ten honderd betaald worden in acht Termeinen, waar van de laatste voor den eersten April 1724 zoude moeten worden opgebragt.

 

ALzoo de Colonie, genaamt de Berbice, leggende aan de vaste Kust van America, op de hoogte van ses graden benoorden de Linie, tusschen Suriname en Isequebo, zeer uitnemende is gesitueert, en de grond volkomen bequaam tot het cultiveeren van het Suiker Riet, gelyk by Experientie van zeer veele Jaaren is gebleeken, zynde jegenwoordig ses zeer considerabele Plantagiën in een volkomen staat van perfectie, en daar en boven het gewas van Cacao aldaar zo veel eygenschap is hebbende, dat bereyds twee Plantagiën van hetzelve met vrucht zyn aangelegt, gelyk ook den aanqueek van Indigo met de natuur der plaatse zo verre ondervonden is over een te komen, dat daar van al eenige monsters van goede qualiteit alhier zyn overgebragt, ende verder met alle apparentien van succes de culture van Coffy aldaar zoude konnen werden ondernoomen, zynde de Negotie van Orliaan en Catoen al van de eerste oprechtinge der Colonie by de doenmaalige Possesseurs geëxerceert, ende het al mede door de situatie zeker is dat de grond van het beneficie der mineralen geensints kan zyn verstooken; zoo is 't dat de jegenwoordige Eygenaars van de gemelde Colonie met naamen de Heeren Nicolaas en Hendrik van Hoorn, zo voor haar zelve, en nog als last hebbende van d'Heer Cornelis van Pere Heere van Westsouburg, Maria Luyken Weduwe Arnoldus Dix Zaliger en desselfs Erfgenaam, mitsgaders Pieter Schuurman, genegen zynde de voornoemde Planteryen van Suiker en Cacao met alle kragt voort te setten en te vermeerderen, mitsgaders die van Coffy en Indigo door een nieuwe aanlegginge te beginnen, ook om de mineralen aldaar zynde zoo veel doenlyk te ontdekken, tot vindinge van de noodige onkosten, daar toe gerequireert, en geen kleine somme importerende, zo ten opzichte van de Slaaven

[p. 322]origineel

en Schepen, waar door gemelde Provenuën moeten werden geobtineert en alhier te Lande overgebragt, als ten reguarde van een nieuwe aan te leggene Fortresse, waar mede de geruste possessie der Colonie en desselfs toekomende voordeelen tegens een aanval van buyten kragtig zoude konnen werden gemaintineert; naar een ryp overleg hebben goedgevonden ende geresolveert zo veel meerdere Participanten daarinne te nemen, en gevolgelyk zo veele persoonen in 't geheel te admitteeren, dat dezelve nevens haar te samen, en met den andere zullen komen uyt te maaken en te fourneeren, een somme van drie Millioenen en twee hondert duyzent Guldens, Hollands Banco-geld in maniere navolgende.

‘Het Capitaal van deze drie Millioenen en twee hondert duyzent guldens, zal verdeeld werden in sestien hondert Parten, of Portiën, yder van twee duizent guldens Banco, zynde het bedragen der voorsz: drie Millioenen en twee hondert duyzent guldens, en yder zal zodanige Part of Portiën daar inne houden en herideren als by desselfs handtekening uytgedrukt staat, en de betalinge daar van moeten doen, en zig gedragen aan het geene in de nabeschrevene Conditien is ter neer gesteld, en zullen geen meerder Parten of Portien mogen werden uitgegeven; welke te fourneeren Penningen niet anders zullen werden geëmployeert, als om de Plantagiën van Suiker met kragt voort te zetten, en de Cacao, Indigo en Coffy verder aan te queeken, en verders alles meerder te doen, of te laaten, wat tot welstand en voordeel van de Geinteresseerdens zal konnen strekken.

‘De Conditien dan daar op de ondergetekende Interessanten zig verbinden (als ook zig gedragende aan het voorenstaande) luyden als volgt.

Art. I.

‘Eerstelyk zo zal aan de tegenwoordige Eigenaars en Participanten voor de Colonie met alle desselfs Plantagiën, Planteryen, met alle het geene daar aan dependeert, en alle de Privilegien, zodanigen en in diervoegen als zy het hebben overgenomen en nu bezitten, niets uitgezon-

[p. 323]origineel

dert, en verder volgens den Inventaris aan deze geannexeert, vergoed of betaalt werden de somma van agt hondert duyzent guldens, en dat in differente tyden als nader zal werden aangewezen, Art. XXI. alles in Banco.

Art. II.

‘Daar en tegens zullen de tegenwoordige Eigenaars deze Colonie geheel en al zuiveren van alle Lasten, zo Maandgelden als Emolumenten van Officieren, Mr. Planters, Ambagtsluyden, Matroozen en Soldaaten, tot den sestiende Maart seventien hondert en twintig laastleden, wanneer de laatste Boeken op de Colonie zyn geslooten, invoegen dat de nieuwe lasten &c. zullen beginnen te loopen voor de nieuwe Participanten van of na den sestiende Maart voornoemt, en van welke tyd door haar voor overgenoomen zal werden gehouden deze Colonie luyt den Inventaris, lopende t'zedert die tyd alle baat en schade voor Rekening en Risico, van dezelve nieuwe gezamentlyke besitters.

Art. III.

‘Het geene de tegenwoordige Eigenaars by de Boeken van sestien Maart dezes Jaars gesloten, zullen bevonden werden aan de Coloniers aldaar Per Saldo schuldig te wezen, zal door de nieuwe Participanten overgenomen werden als voor haar eigen schuld, mits dat aan haar den beloop door de oude Eigenaars werd betaalt of goet gedaan.

Art. IV.

‘De tegenwoordige Eigenaars zullen by preferentie houden vier hondert Parten of Portiën in de nieuwe Redery, yder Part van twee duizent Guldens Banco-geld, en dan nog nevens andere zo veel meerder nemen als gepermitteert is.

Art. V.

‘Van de drie Millioenen en twee hondert duizent guldens Capitaal,

[p. 324]origineel

zal by provisie maar voldaan en op Rekening betaalt worden de helft, zynde vyftig Percent, in agt Termynen, als volgt.

1720 voor primo November 8 Percent van 't geheel maakt - 256000
1721 voor primo April 8 Percent als boven - 256000
- - - - voor primo October 10 Percent als boven 320000
1722 voor primo April 8 Percent als boven 256000
- - - - voor primo October 4 Percent als boven 128000
1723 voor primo April 4 Percent als boven 128000
- - - - voor primo October 4 Percent als boven 128000
1724 voor primo April 4 Percent als boven 128000
  Samen 50 Percento de Somma van ƒ1600000

Art. VI.

‘Die binnen een maand na de voornoemde Termynen zyn fournissement niet voldaan of betaalt heeft, zal zyn Part of Portiën verliezen, en dezelve ten voordeelen van de generale Participanten verkogt worden.

Art. VII.

‘Geen meerder inlage als de vyftig Percent zal mogen geëyscht worden, als met resolutie en Consent van de Directeuren en hooft Participanten by meerderheid van Stemmen.

Art. VIII.

‘Tot waarneminge van alle de zaken deze Colonie rakende niets uitgezondert, waar van 't Comptoir zal gehouden werden in deze Stad Amsterdam, zullen aangesteld worden seven Directeuren, om by meerderheid van Stemmen by haar te resolveeren wat gedaan behoord te werden of niet, onder welk getal van nu af aan zullen zyn, de Heeren Nicolaas van Hoorn en Pieter Schuurman, en zal het daar en boven vry staan aan de Heer Hendrik van Hoorn, om alle vergaderinge by te woonen, ja zelfs by absentie van deszelfs broeder Nicolaas van Hoorn als Directeur geconsidereert worden, edogh alle beyde te gelyk Comparee-

[p. 325]origineel

rende zullen altyd maar als een Stem gerekent worden, en in kas van afsterven van de eerste zal de tweede aanstonds Succederen in deszelfs Plaatze.

Art. IX.

‘De andere vyf Directeuren zullen moeten zyn ervaren en bequame Koopluyden, dewelke verkoren zullen worden door hooft Participanten by meerderheid van Stemmen, en by overlyden, een andere ervaren Koopman in deszelfs Plaatze binnen den tyd van een maand.

Art. X.

‘Niemand zal Directeur mogen zyn, of moet ten minste Tien Portiën in deze Colonie geparticipieert zyn, en houden zo lange hy in derectie is.

Art. XI.

‘De Directeuren zullen zyn voor haar leven lang, uytgenomen by eenig onverhoopt toeval dat hy zulks niet konde waarnemen, en wanneer dat Jaar en dag niet in staat is op de vergaderinge te Compareeren, zal een ander in deszelfs plaats aangesteld worden, te verkiezen by meerderheid van Stemmen als Articul Negen.

Art. XII.

‘De Directeuren zullen de nodige bediende aanstellen.

Art. XIII.

‘Voor hooft Participant zal worden geconsidereert, die Tien Parten heeft en schoon meerder herideert, zal egter maar een stem hebben.

Art. XIV.

‘Aan de Directeuren zal in de vier eerste Jaaren geen tractement betaalt worden, als alleen een Recognitie van twee Hondert Guldens, voor yder van hun Jaarlyks, maar uytdelinge werdende gedaan, als dan zal aan

[p. 326]origineel

haar te samen in 't geheel voldaan werden, vyf Percent van de uitdelinge.

Art. XV.

‘De Directeuren zullen Jaarlyks de Boeken laten sluyten, en balance maken, en alle hooft Participanten geregtigt zyn om de vergadering by te woonen, of wel twee à drie uit hun te qualificeren om de Rekeningen te Examineren, als de Jaarlykse rekening geschied.

Art. XVI.

‘De Hooftsomme van drie Millioenen en twee hondert duyzent guldens, zal mogen vermeerdert of vergroot worden, dog niet anders als met goedvinden en consent van de Compareerende hooft Participanten by meerderheid van Stemmen, en dat op zodanige tyd en Conditie als zy geraden zullen vinden.

Art. XVII.

‘De Directeuren zullen uytdelinge mogen doen op zodanige tyd, en zoo veel als zy zullen oordeelen te behoren.

Art. XVIII.

‘Werd wel Expresselyk g'accordeert, dat geene van de Participanten in deze eenige wind Negotie zal mogen doen op tyd ofte Premie Negotie, maar indien iemand eenige Portie inclineerde te verkopen, ofte over te doen aan een ander, zal zulks moeten geschieden voor Contant, en voor de overschryving moeten werden betaalt van yder Part twee gulden ten voordelen van 't gemeen.

Art. XIX.

‘De nieuwe Participanten, zullen ook gestand moeten doen aan het Contract gemaakt door de oude Eygenaars, met eene Simon Abrahams ten opzigte van het ontdekken van mineralen, welke Simon Abrahams bereyds op de Colonie is aangekomen, en van welk Contract Copie aan deze geannexeert is.

[p. 327]origineel

Art. XX.

‘By aldien naderhand bevonden mogt worden nodig te zyn eenige Conditien te veranderen, of deze met meerdre te Amplieren tot nutte en welwezen van de Colonie, zo zal zulks moeten geschieden met consent en overleg van de Directeuren en hooft Participanten by meerderheid van Stemmen.

Art. XXI.

‘De vergoeding ofte betalinge aan d'oude Eygenaars voor deze Colonie, met alle deszelfs ap en dependentie ingevolge den Inventaris ter Somma van acht hondert duizent guldens Banco geld, als Articul Een zal gedaan worden op d'onderstaande tyden, en Termynen, namentlyk.

1720 den Primo November af te schryven in Banco ƒ180000
1721 den Primo April af te schryven in Banco 120000
- - - - den Primo October af te schryven in Banco 120000
1722 den Primo April af te schryven in Banco 160000
- - - - den Primo October af te schryven in Banco 80000
1723 den Primo April af te schryven in Banco 64000
- - - - den Primo October af te schryven in Banco 40000
1724 den Primo April af te schryven in Banco 36000
  Belopende als boven in Banco ƒ800000

Art. XXII.

‘Niemant zal minder mogen tekenen om te herideren as drie Partyen, en meerder als tien Partyen.

Inventaris van de Effecten, behorende aan de Colonie de Berbice.

1.895 zo groote als kleine Slaaven.
[p. 328]origineel
2
6Considerable en in zyn volle perfectie gebragte Suiker Plantagiën, met alle zyn Riet te velde, Huizinge, Meubelen, Koperwerk, Negeryen, Gereedschappen, Vaartuygen, Cargazoenen en Mondkosten, niets uytgezondert.
2Cacao Plantagiën.
3
1Fortres de Brandwagt.
1Groot Fort, genaamt het Fort Nassau.
1Redout over dit Fort.
4buyten Posten of Uytleggers landwaard in, alle te zamen voorzien met in de 60 Stukken Canon, van 18, 12, 8 Ponders en kleinder zoorten, neffens Handgeweer, en verdere Ammunitie van Oorlog na advenant rykelyk voorzien.
4
1Smedery buyten het Fort, van Yzer, Staal, Koolen, en verder toebehore rykelyk voorzien.
1Cederhoute Kerk.
5
1Bark, neffens nog een getal andere Vaartuygen, van groote Priagos, Canoos, Jagten, Pontons &c. voorzien met alle haar toebehoren.
6
Alle de Cargazoenen aan het Fort, als mede op de Uytleggers.
Alle de gelden die gins in Cassa mogten zyn, circa vier a vyfhondert guldens.
Alle de Mondkosten, Medicamenten, Koperwerken, en andere Provisie, zoo voor Christenen als Slaaven, als mede Meubelen en Huysraad aan het Fort.
7
524Stuks Koebeesten, die volgens de laaste Inventaris by der hand gevonden zyn, benevens nog veel ander kleyn Vee, van Schapen, Verkens &c.
[p. 329]origineel
8
281Stuks Paarden, die volgens de laaste Inventaris by der hand gevonden zyn.
9
1Hegte- Fluit- met al zyn toebehoren, die hier aan de Werf is leggende.
10
1Nieuwe Hekboot, die voor de eerste Reyze, op den 9den May laastleden, zyn Reyze naar de Colonie is doende, kostende in Zee met zyn Equipagie, Victualy, en de daar in gelaade Cargazoenen, Mondkosten en verdere behoeftens voor de Colonie, circa ƒ35000.
11
Deze voorsz: Hekboot, die buyten ongeluk, primo September van de Berbice wederom zal zyn vertrokken, naar gissing met 800 a 850 Oxhoofden Suiker, buiten andere Koopmanschappen meer.
12