[p. 4]
[p. 5]
De dwergjes
‘Ik zou wel eens willen weten,
wie dit tasje heeft vergeten,’
riep het dwergje Odrimond,
dat in 't bos een tasje vond.
Mensen hadden hier gezeten;
stellig om hun brood te eten,
want rondom lag veel papier
en dat brachten mensen hier.
Kranten en kartonnen dozen
voor het aangenaam verpozen,
schoon er op een bordje stond:
‘Werp geen afval op de grond.’
‘'t Zal van domme mensen wezen,
want ze kunnen nog niet lezen,’
zei het dwergje Millimas:
‘geef eens hier die damestas.’
En hij wrikte aan het knipje,
bijtend op zijn onderlipje;
- wat òns licht valt, is vaak erg
moeilijk voor zo'n kleine dwerg. -
Maar ze bleven 't beste hopen
en daar sprong het tasje open...
Odrimond en Millimas
zagen, wat in 't tasje was:
[p. 6]
een bloedrood fluwelen roosje,
'n lippenstift, een poeierdoosje
van in goud gevat glazuur,
en 'n nagelgarnituur,
dan een heel klein teddybeertje,
en een prachtig gaaienveertje,
'n snoezig spiegeltje, een kam;
wat al niet uit 't tasje kwam.
‘Dat zo'n tas zo veel kan bergen’
dachten onze schalkse dwergen,
juichend, als men weer iets vond;
Millimas en Odrimond.
Plotseling hoorden ze iets komen
door de hoge beukebomen:
‘'k Weet haast zeker, waar het was’
hoorde duidelijk Millimas.
En ook Odrimond z'n oren
konden duid'lijk praten horen:
bij het licht der volle maan
zag hij trouwens mensen gaan.
O, wat liepen toen die beiden
door de lanen, over weiden,
heel ver, tot in 't diepste woud,
waar hun huisjes zijn gebouwd.
[p. 7]
En toen er twee mensen stonden,
waar ze 't open tasje vonden,
waren reeds de dwergjes thuis
in hun veilig dwergenhuis.