[p. 8]
[p. 9]
De ruiters
In het hoge, zachte gras
ligt het dwergje Millimas;
naast hem, op de rulle grond,
zit z'n vriendje Odrimond.
Aan de hemel schijnt de maan,
waardoor alle dingen staan
in een zilv'ren schemer-schijn;
't zal vannacht verruk'lijk zijn.
'k Weet niet, wie 't het prettigst vond,
Millimas of Odrimond;
maar ze zullen met hun beiden
op twee wezeltjes gaan rijden.
Odrimond legt nu z'n oor
op het diepe karrespoor,
want je kunt toch nimmer weten,
of de wezels 't niet vergeten.
‘Hoor, ze komen, Millimas!’
deze springt uit 't hoge gras
en nu liggen al twee oren
op de diepe karresporen.
‘Ja, ze komen - en terstond;
'k hoor ze duid'lijk, Odrimond;
zie, daar komen ze al aan,
waar de bosviolen staan!’
[p. 10]
O, wat zijn die wezels vlug...
met hun zadels op de rug,
de gebitstang in de mond,
staan ze reeds voor Odrimond
en de kleine Millimas;
juist als afgesproken was:
ver laat in het dorp de toren
twalef held're slagen horen.
En daar gaat het, in galop,
heuvel af en heuvel op;
door de struiken, over heiden,
over sloten, over weiden,
aldoor in gestrekte draf,
heuvel op en heuvel af;
en de grote gele maan,
schijnt wel met ze mee te gaan.
Zie de dennen óver-huiven,
zie de witte baarden wuiven
zie de keepjes zich eens bollen;
zie de vlugge wezels hollen;
't wordt een dolle, dolle jacht,
door de zilv'ren manenacht;
- Odrimond en Millimas
vonden, dat het enig was.
[p. 11]
Nooit nog hebben ze één nacht
zo uitbundig doorgebracht;
tot ze voor hun huisjes staan,
bij het ondergaan der maan.
O, de wezels vinden 't fijn,
dat de dwergjes dankbaar zijn:
‘Nou, wij komen wel eens weer,
vrienden, tot een and're keer...’
En, voordat nog woorden vond,
Millimas of Odrimond,
snellen reeds de wezels henen
en zijn, in een wip, verdwenen.