[p. 12]
[p. 13]
De dwergjes vliegen
Millimas en Odrimond
vliegen door het luchtruim rond:
Bubo bubo, de Oehoe,
draagt hen overal naar toe.
Zie, beneden in het woud,
is het elfen-dorp gebouwd,
en de allerfraaiste woning
is van Oberon, hun Koning.
Verderop, achter de bergen,
zien ze woningen van dwergen;
en, bij 't licht der volle maan,
zien ze ook hùn huisje staan.
‘Vlieg ons dorpje nog eens rond;
't is zo leuk’ vraagt Odrimond,
‘alles kun je onderscheiden:
huisjes, schuurtjes, vee en weiden...’
Nu, de uil doet het wat graag.
‘Schei toch uit met je gevraag;
of 't zó al niet prachtig was’
zegt, bescheiden, Millimas.
Weer vliegt d' uil hun dorpje rond;
Millimas en Odrimond
hebben nooit te voôr gevlogen
en ze zijn als opgetogen.
[p. 14]
Beurt'lings roept de één den ander
en ze wijzen aan elkander,
wat ze, bij het licht der maan,
ver beneden zich zien staan.
- mooier nog, dan overdag -
en d' onhoorb're vleugelslag
van de Oehoe draagt ze verder,
dan de kleine geitenherder
in z'n leven is geweest;
voor de dwergjes is 't een feest;
maar nu daalt het maantje neder
en op z'n onhoorb're veder
strijkt de Oehoe in het gras.
Odrimond en Millimas,
die dicht bij hun huisjes zijn,
zeggen dankbaar: ‘Dat was fijn...’
‘Prettig, dat je 't heerlijk vond,
Millimas en Odrimond,’
zegt de uil, ‘'n and're keer
vliegen wij nog wel eens weer.
En nu ga ik naar mijn huis,
beste vrienden, welkom thuis’
en zij roepen de Oehoe,
dankbaar, een tot weerzien toe.