[p. 19]
Tokkeltuit en z'n vader
Ken je den kleinen Tokkeltuit?
Hij vindt, dat Vader niets beduidt:
een Pa is er maar wat op toe:
één ding bestaat: dat is z'n Moe;
en Vader denkt: ‘Dat komt nog wel;
hij is te klein nog voor het spel.’
- Er wordt heel veel voor hem bewaard,
want Vader is een prachtig paard;
o, Tokkeltuit is nú nog klein,
maar eenmaal zal hij ruiter zijn
en rijdt de gang af en terug
op Vaders brede paarderug. -
Maar nu...; nee', als hij Vader ziet,
dan denkt ie: ‘Dat is Mammie niet’
want Moeder komt op dit uur aan
met custardpap en een banaan,
en om het jeuken van z'n maag
ziet hij z'n Moeke-moesje graag.
En Moeder zegt: ‘Zo, spreeuwenjong,
wat huil je weer met bibbertong;
komt voor M'nheer de pap te laat?
Wat maakt m'n kleine man zich kwaad.
Kijk, Vader, hoe de kleine vent
het klappen van de zweep al kent.’
[p. 20]
En Vader kijkt, glimlachend, toe
en denkt: ‘Zo'n jongen en zo'n Moe
is er geen tweede span op aard’
- hij krabt verlegen in z'n baard
en lacht om zoveel groot geluk -
‘Wat is zo'n kereltje toch druk.’