[p. 21]
Ons kleine neefje Tokkeltuit
Ken je den kleinen Tokkeltuit?
Hij is Marjon d'r eerste spruit.
Die blaast, als meende hij het heus,
vaak belletjes op mond en neus.
Dan zegt Marjon: ‘M'n kleine vent,
'k geloof, dat jij verkouden bent.
Maar 't is geen wonder, Tokkeltuit;
Jij trapt ook steeds je kleertjes uit
en gooit je dekentjes opzij;
je laat je Moe geen half uur vrij;
slechts één van beiden wordt verwend;
ik ben het niet, m'n kleine vent.’
Zo knort ze dan wat op d'r pop,
en beurt hem tot de zolder op.
Ze zegt: ‘Straks komt je Vader thuis
en 'k heb geen sikkepit in huis;
ik moet er heel, heel even uit,
m'n allerliefste Tokkeltuit.
Hier is je nieuwe gummievis,
die ook al niet gelukkig is;
je keilt em aldoor op de grond
en steekt z'n staart ver in je mond;
en tegen Bruin, je teddybeer,
ga j' ook zo ijselijk te keer.
[p. 22]
[p. 23]
Zal je nu even zoet zijn, zeg?
Want Mammie moet heus even weg.’
Hij denkt: ‘Nou, vort; dat moet dan wel’
en blaast tevreden bel na bel;
ze gaat...; en onze kleine guit
trapt, kalm, alweer z'n kleertjes uit.
En ligt met beî z'n beentjes bloot
en vindt: ‘Wat is de wereld groot’ -
en smijt z'n beesten één voor één
weer even ernstig om zich heen;
en trekt z'n stout afwachtend snuit
van d' altijd eend'ren Tokkeltuit.