[p. 24]
[p. 25]
Bloemendroom
De bloemen zijn gaan slapen;
ik heb een zomernacht
te midden van de bloemen,
die sliepen, doorgebracht.
En weet je, dat de bloemen
ook dromen, als een mens?
Ze fluist'ren in haar dromen
aldoor de eend're wens:
van goed zijn voor de vlinders,
de hommel en de bij;
dat dromen al de bloemen
der tuinen en der wei.
Maar 't liefste, wat ze dromen,
is, dat ze in een glas,
een zieke mogen troosten,
die ongelukkig was.
Die mooiste droom der bloemen
blijft haar nog dagen bij;
zoek bloemen voor een zieke:
Ze fluist'ren: ‘Toe, pluk mij...’