[p. 26]
[p. 27]
Hoe moeten ze heten
Daar zit een mooie eendevrouw,
in schaduw van een bereklauw,
te broeden; 't is al haast drie weken;
de schalen zullen spoedig breken.
De merel zingt; de houtduif koert;
en in de vijver zwemt haar woerd;
hoe zullen al haar kind'ren heten?
- dat zal ze nu toch moeten weten -
Weer loopt Vrouw Withals even op;
die heeft een vette palingkop;
- met lege snavel aan te komen,
neen, zij heeft steeds iets meegenomen -
‘Dat moest je toch niet altijd doen’
zegt d' eendevrouw, half voor 't fatsoen
en half gemeend; - 't maakt haar verlegen:
ze heeft zoveel cadeau's gekregen. -
‘En’ vraagt Vrouw Withals, die maar doet,
of ze niets hoort, ‘is alles goed?
Ik dacht, ik ga eens even horen,
of 't eerste jong al is geboren.’
‘Nog niet,’ zegt nu de eendevrouw,
‘maar stellig komen ze nu gauw.
Ach, hemeltje, ik zou niet weten,
hoe z' allemaal wel moeten heten.’
[p. 28]
‘Dat komt vanzelf en gauw genoeg;
geen kuiken, dat geen naampje droeg;
toen 't voor'ge jaar mijn kleintjes kwamen
vond ik zelfs twee-en-twintig namen.
Neen, wees daarover maar gerust;
en als je soms een slakje lust,
of mocht een worm je beter lijken...
ik kom vanmiddag nog eens kijken.
Tot dan,’ - weer zit de eendevrouw
alleen onder de bereklauw
en denkt: ‘Nou, mocht ik het niet weten,
dan mag zij zeggen, hoe ze heten.’