[p. 30]
[p. 31]
De vogels
Er is een hele oude eik,
die staat in 't Odenwoud;
op elke knoest'ge eikentak
is haast een nest gebouwd.
Daar liggen eerst de eitjes in,
van allerhande kleur;
en later breekt uit elke schaal
een vogelkopje deur.
Nog later zit op elke tak
'n vogelengezin;
de vogelvader prent z'n kroost
de wijste lessen in.
In 't najaar vliegt het al naar 't Zuid;
dan is het veel te koud
voor al die bonte vogeltjes
van het winters Odenwoud.
Dan ziet men op de wintertak
de lege urntjes staan;
maar in het voorjaar vliegen zij
toch weer uit het Zuiden aan.