terug  begin  verder

[p. 34]

De vogelverschrikker I

 
De vogelschrik ging hot en haar
 
tussen twee bonken klei;
 
de merel dacht: ‘Wat doet-ie raar’
 
de wind zei: ‘'t Komt door mij:
 
 
 
ik schud en trek en sleur en wrik
 
en help hem overstag;
 
omdat ik zo een vogelschrik
 
volstrekt niet lijden mag.’
 
 
 
Toen woei de groene, hoge hoed
 
de wijde landen door;
 
en kwam terecht - en lei daar goed -
 
in 't brede karrespoor.
 
 
 
Daar ging ook de verschoten jas;
 
dan volgde dra zijn broek;
 
daar bleef allenig maar een kruis:
 
de vogelschrik was zoek.
 
 
 
Dan zei de wind: ‘Nou is 't genoeg’
 
en lei zich rustig neer;
 
al d' opgejaagde vogeltjes,
 
die keerden aanstonds weer.
 
 
 
En pikten kers en bes en graan,
 
wel allerhande fruit;
 
en, waar de eikestruiken staan,
 
daar sliep de wind wat uit.
[p. 35]



illustratie

terug  begin  verder