[p. 36]
De vogelverschrikker II
De vogelraad zit op een tak.
Met scheve kopjes gluren
de vogels door het bladerdak;
zo praten ze al uren.
Ze denken alle: ‘Is-t-ie-nu?’
en: ‘Zou-d-ie het wel wezen?’
Ze vragen: ‘Wel, en wat denkt U?’
en: ‘Valt hier iets te vrezen?’
De merel zegt: ‘Hij is het vast’
de mus: ‘Laat naar je kijken;
'k vind, dat z'n broek em lang niet past;
hij mag z'n jas wel strijken.
En dat je maar een tel vermoedt,
dat het de boer kan wezen...;
die draagt toch nooit een hoge hoed?
Nee', hier valt niets te vrezen.’
‘Als jij dat dan zo zeker weet,
waarom dan óók te wijken?
Dan vind ik, dat je beter deed
eens dichterbij te kijken.’
‘Hij zal wel wijzer zijn’ zegt d' uil,
‘het zou hem slecht bekomen.
Hij houdt voor niets zich hier niet schuil
in deze dichte bomen.’
[p. 37]
[p. 38]
‘Waarom gewed, dat deze man
geen veertje mij zal krenken?
Ik vlieg er daâd'lijk recht op an,
nu jullie zo gaan denken.’
Daar spreidt de mus de vleugels uit
- o, hoe ze alle keken -
en is me deze grauwe guit
zo op em neergestreken.
Hij sjilpt: ‘Nu, zie je 't allen goed?’
en hipt een ererondje
op d' oude, groene hogehoed
en deponeert z'n strontje.
Nu strijken alle vogels neer
op de gezaaide akker
en geen van alle vreest er meer
dien opgedirkten stakker.