[p. 44]
Mijn lijster
Weet je de waai wel?
Weet je de gooi wel?
Weet je wel, waar is te vinden
't huis der twee-en-dertig winden?
Weet je wel, dat Holland leit
in het hart dier heerlijkheid?
Elke nieuwe dag begint,
met het tikken van de wind;
met het zwiepen van de ranken
tegen raam en vensterbanken;
ied're morgen sta ik op
bij het wuiven der klimop.
En het musje schudt z'n veren
en de spreeuwen kwinkeleren;
en de lijster in de tuin
houdt het zwarte kopje schuin,
en m'n kater zwiept z'n staart,
waar hij mekk'rend likkebaardt
en hij spant z'n zwarte rug;
maar de lijster is te vlug.
Zie, die heeft z'n nest gebouwd
in 't uitbundig bloeiend hout,
die heeft nachten door gezongen
voor z'n vrouwtje en z'n jongen
en nu trekt ie met vertier
aan een elastieken pier.
[p. 45]