[p. 46]
De koekoek
De koekoeksmoeder legde 'n ei
in 't vreemde nest, en dacht daarbij:
‘'t Is weliswaar geen fraai geval,
maar mijn grootouders deden 't al;
en deed ik anders: 't eind was zoek;
à Dieu, mijn ei; vaar-wel; koekoek...’
De grasmus deed ook, wat ze moet,
en 't koekoeksei werd uitgebroed.
Toen kwam het grote koekoeksjong,
dat het and're grut in 't nest verdrong:
ze vielen één voor één omlaag
en landden in een kattemaag.
Wat een gevlieg; wat een gerep;
en altijd stond de rose neb
van 't koekoeksjong van honger wijd;
het stikte haast van gulzigheid.
Zo ging het weken achtereen;
dan vloog de jonge slokop heen;
voor ieders oog volkomen zoek,
klonk door het bos: ‘Koekoek, koekoek.’
[p. 47]