[p. 48]
De roof
Nu slaapt het Koningskind zo moe
op dertien knikkers en een stuiter,
en vaart naar vreemde landen toe
op het roofschip van den driesten muiter.
En die haar oppast is een bes,
een rimpelvrouw, haar toegewezen,
die lachend troost: ‘O, de Prinses
heeft van mijn zoon geen kwaad te vrezen.’
De Koning en de Koningin,
op 't admiraalschip der armade,
bevelen: ‘Alle zeilen bij
en voor den rover geen genade.’
Op 't achterschip wijst d' oude bes
haar zoon de vloot en de banieren:
‘Wel, Moedertje, zeg de Prinses,
dat wij de schoten zullen vieren.’
En 's avonds loopt het roverschip
een verre, veil'ge haven binnen;
d'armade strandt op rots en klip:
wat moet de Koning daar beginnen?
[p. 49]