[p. 50]
Carrousel
Het kind rijdt op z'n hobbelpaard,
een schimmel met een vlassen staart.
De Moeder, op haar hobbelkoe,
rijdt met haar kind naar Oma toe.
En Vader, op z'n hobbel-os,
trekt voor hen uit door 't wilde bos.
- Dit al geschiedt, versta dat wel,
op het dorpsplein, in een carrousel -
Ziet, hoe het windje straffer waait,
naardat de mallemolen draait.
En al de boeren in het rond,
die zien het aan met open mond.
Het gaat maar door in dolle vaart,
op os, en koe en hobbelpaard.
's Nachts maakt het kind nog eens de reis
en neuriet zacht een orgelwijs.
Doch heel diep in het groene bos
jankt luid de rode hobbelvos.