begin  verderprepost
[p. 2]


illustratie

[p. 7]

Levensschets

Er zijn levensgeschiedenissen, die zich uiterst moeielijk laten schrijven. Vooreerst, dewijl ze zoo aandoenlijk zijn, dat men er zich niet mee kan inlaten, of men moet het uitsnikken van ontroering; en dan, omdat ze bijna geheel in den nacht der vergetelheid begraven liggen. - Van al zulke levensgeschiedenissen is die van Piet Paaltjens de onbeschrijfelijkste.

Men weet haast niets van hem, en wat men nog van hem weet, dat is hartverscheurend.

Wanneer is hij geboren en waar? Wie droeg hem onder haar hart en wie gaf hem als vader aan bij den burgerlijken stand? Bij wien lag hij school en in wat jaar deed hij staatsexamen? - Op al die vragen kreeg nooit iemand een antwoord.

Het schijnt, dat de stukken, met behulp waarvan men den sluier van Paaltjens' jeugd had kunnen opheffen, verloren zijn geraakt. Eenigen willen, dat ze opzettelijk verdonkeremaand werden. Het is niet onmogelijk. Wij beleven een zonderlingen tijd.

Wat er van aan is, dat Paaltjens een Fries was, of liever - is, - want hij is nog, - durf ik niet beslissen. Ik heb het stellig hooren ontkennen door iemand, die jarenlang in Friesland gewoond heeft. - ‘Geen Fries spot met zijn land,’ zei de man, ‘en P.P. heeft in Des zangers min en De Friesche poëet het land der Friezen belachelijk pogen te maken.’ - Doch geen beschuldiging kon onbillijker zijn.

Er spreekt mijns bedunkens uit de genoemde gedichten juist een roerende liefde voor het gewest, waarvan de groote Starter, voor derdehalve eeuw al, zong:

 
‘Noyt schoonder vrouws-persoonen de blonde son bescheen,
 
Als in 't vrij Friesland woonen, soo wel gesteld van leên.’

Wanneer Paaltjens die liefde poogt te bemantelen met een grimlach, dan zien wij hem daarin slechts zijn vaste gewoonte volgen. Hoe dierbaarder hem iets is, des te erger pleegt hij er mee te sollen. En achter deze oogenschijnlijk grappige manier van doen versteekt zich een vreeselijk geheim.

Opmerkelijk is het, dat Paaltjens, ruim acht jaren na zijn verdwijning uit Leiden, voor het eerst weergezien is aan de noordkust van Fries-

[p. 8]

land*, en dat men hem nu onlangs heeft ontmoet in de zoogenaamde Friesche wafelkraam op de wereldtentoonstelling te Parijs. ‘Met diepe verachting’, schrijft mij een ooggetuige, ‘zat hij daar te kijken naar de twee buffetjuffers, die wel oorijzers droegen maar evenmin echte Friezinnen waren, als het bitter, dat hij langzaam dronk, onvervalschte Schiedammer was. Er heerschte een plechtige stilte aan de tafeltjes in zijn nabijheid. Zelfs de lichtzinnige Franschen gevoelden, dat er een wereld van weemoed lag in de wijze, waarop hij na ieder teugje smakte.’

 

In het jaar 1853 was Piet Paaltjens student te Leiden. Hij woonde op de Hoogewoerd boven een bidder. Sedert hoelang, zou ik niet kunnen zeggen. Professoren zoowel als academiebroeders bewaarden steeds een diep stilzwijgen, als ik er onderzoek naar deed. Zelfs de Studentenalmanakken gaven mij geen inlichting. Ik verbaas mij zelven daar nooit genoeg over.

Op zekeren dag van het aangeduide jaar kwam ik Piet tegen. Ik was ook student, woonde ook op de Hoogewoerd en ook boven een bidder. Dat waren punten van aanraking. Medelijden trok mij bovendien tot den raadselachtigen jongeling. Hij zag zoo verschrikkelijk bleek.

En toch, - laat mij dit er bijvoegen, - en toch was hij niet leelijk. Het portret, dat de heer Schmidt Crans van hem maakte en waarnaar de

[p. 9]

lithographie vóór dit bundeltje vervaardigd werd, kan het bewijzen. - Men moet namelijk weten, dat die lithographie sprekend gelijkt.

Spoedig werd het mij duidelijk, datPaaltjens ongelukkig was. Maar wát hem scheelde, mocht ik niet ontdekken. Als men op zijn verzen kon afgaan, zou men tot het besluit komen, dat valsche vrienden en hardvochtige schoonen zijn hart gebroken hadden. Doch, wanneer ik mij sommige wonderlijke bekentenissen van den dichter voor den geest breng, moet ik er sterk aan twijfelen, of hij wel ooit iets ondervond van alles, wat hij zong. Nog hoor ik hem zeggen - 't was in het Gangetje naast Hoogenstraten -: ‘de gestalten, die mijn muze schiep, zijn louter tot menschelijke gedaanten gestremde onregelmatigheden in mijn spijsvertering.’ - Jobje van 't Galgewater, die op dat oogenblik ons passeerde, zou, als hij ten minste nog leeft, kunnen getuigen, dat Piet zich woordelijk aldus uitdrukte. - Maar wie kan met zekerheid zeggen, dat het hem ernst was met zijn diepzinnige uitspraak?

Ik bracht Paaltjens in kennis met eenigen van mijn vrienden. Zij namen hem mee naar de societeit. Maar alle pogingen om hem op te vroolijken bleven vruchteloos. Hij scheen een bijna instinctmatigen afkeer te hebben van goedronde pret. Ontzaglijk kon hij zuchten, zelfs afschuwelijk grijnzen, als er een daverend gelach onder ons opging.

En evenwel heeft hij in zijn Drie Studentjes getoond, dat hij een open

[p. 10]

oog had voor het poëtische in haast nog maller jongens dan mijn vrienden waren.

Ik mag niet verzwijgen, dat hij ons op den duur maar half beviel. Zij onder ons, die later hoogleeraar of zoo iets zijn geworden, oordeelden, dat hij niet genoeg studeerde. En de overigen vonden hem te weinig student.

Hij ging bij ons door onder den naam van het miskend genie.

Dat was hij dan ook. Hij was een genie. En hij werd miskend.

Nimmer zal ik den avond vergeten, toen hij ons het later beroemd geworden lied Hoor ik op Sempre een waldhoorn voordroeg. Men kon een speld hooren vallen. Of liever, men kon de tranen hooren biggelen, die wij zwijgend vergoten. Emeis mompelde verstaanbaar: ‘wereldsmart.’ - Het was de letterlijke overzetting van het Duitsche Weltschmerz.

Maar zulke oogenblikken van triomf waren zeldzaam voor Piet. Meestal werd hij niet begrepen. Men lachte om zijn poëzie; nu eens, omdat men haar voor krankzinnig hield; dan weer, omdat men haar voor ‘Hollandsch-blijgeestig’ versleet. Het eerste kon Paaltjens beter verdragen dan het laatste.

 

Op den 9den October 1853 is Piet Paaltjens uit Leiden verdwenen.

Gelijk ieder in den Studentenalmanak voor 1856, bladz. 240, lezen kan*, is hij, aan den avond van dien dag, circa halfzeven, door Plooi, toenmaals knecht van de commissarissen der societeit Minerva, het laatst gezien op de hoogte van het buffet. Toen hij tusschen de twee biljarten kwam, was hij meteen weg.

Wat dit geweest is, weet geen mensch.

 

Dat Piet Paaltjens later is weergezien, heb ik reeds gezegd. Ook, dat hij nog altoos in leven is. Maar over zijn tegenwoordig verblijf laat ik mij niet uit.

 

Gelijk ik vroeger op verlangen van den droeven dichter een bloemlezing uit de verzen, die hij mij kort voor zijn verdwijnen ter hand stelde, in de Leidsche Studentenalmanakken voor 1856, 1857 en 1859 plaatste, zoo heb ik ook nu op zijn uitdrukkelijke begeerte deze uitgave van zijn academische poëzie bezorgd. Overeenkomstig zijn aanwijzing heb ik er het beste in opgenomen, wat door hem van 1850 tot 1853 gezongen werd.

Ik heb reden om te vermoeden, dat ik later door hem zal worden uit-

[p. 11]

genoodigd, om ook zijn gedichten, na 1853 vervaardigd, ter perse te zenden.

Uit oude betrekking getroost ik mij deze moeite gaarne. Maar ik wil toch wel weten, dat ik de verzen van Piet meer akelig vind dan mooi.

Ik vind er ook geen zedelijke strekking in.

Als ik aan het dichten ging, zou ik het anders doen.

 

Een paar opmerkingen ten slotte. - In De Friesche poëet treedt ‘het weeuw-tje van Stavoren’ als een welbekend persoon op. Toch zou het kunnen zijn, dat sommigen, die dit boekje in handen krijgen, nooit de legende hoorden van Oud-Stavoren 's ondergang. Om hunnentwil vinde de overlevering hier een plaats.

Toen de hanze-stad op het toppunt van bloei en weelde was en men in Friesland van hare burgers, met hun gouden ‘stoepen’*, als van ‘Stearums forwinde bern’ sprak, woonde daar een rijke weduwe, die een van haar schippers last gaf, haar de kostbaarste lading te halen, die er in de wereld te vinden was. Na eenigen tijd kwam de schipper terug met een lading van de beste Dantziger tarwe. De weduwe, die gehoopt had, geheel andere, schitterende waar thuis te zullen krijgen, was zoo verbitterd over deze teleurstelling, dat zij terstond beval, de lading, die aan bakboord was ingenomen, aan stuurboord in zee te werpen. Zij werd gehoorzaamd. Maar op de plaats, waar de misdaad gepleegd werd, rees een zandbank uit de golven en versperde de haven der stad, die nu voor altoos van scheepvaart en handel uitgesloten was. - Nog groeit op het Vrouwezand tarwe. - Maar de aren houden geen vrucht.

De romance, getiteld Jan van Zutphen's afscheidsmaal, heeft een bijzonder karakter. Onder middeleeuwsche vormen bewaart zij de herinnering aan een maaltijd, die door vele nog levenden werd bijgewoond. Helaas, niet allen, die er aan deelnamen, leven nog. Zij, ten wier gevalle aan het gedicht een plaats gegund werd in dit bundeltje, zij weten wel, wie er nu reeds gemist worden van hen, die eenmaal mede aanzaten ‘in de opperzale.’ En dat ook hij, met zijn ‘edel mannenharte’ nimmer terugkeert, daar treuren zij wel menigmaal over, en niet met - ingebeelde smart.

 

13 Augustus 1867

 

F.H.

*Het bericht van dit weerzien ontving de geleerde taal- en letterkundige Dr. Eelco Verwijs van een mij zeer welbekende hand. Dr. J. van Vloten nam het op in het 2de deel van Nederlandsch dicht en ondicht der negentiende eeuw, bladz. 623. Het luidt aldus:
‘De zon ging, als gewoonlijk, in 't westen onder. Ik doolde in diep gepeins langs het veld en bereikte, eer ik het wist, de zee. Was ik niet over den dijk en over eenige wrakken gestruikeld, ik zou er niets van gemerkt hebben en was misschien doorgewandeld naar het Ameland. Nu evenwel schrikte ik op en zag vóór mij den onmetelijken oceaan. Dat was het evenwel niet, wat mij op eens verstijven deed van verbazing.
Een nooit gedacht schouwspel trof mijn oog.
Op de uiterste punt van een ver in zee uitstekend hoofd zat een jongeling. Marmerbruin was zijn jas, marmerzwart zijn hoed, marmerwit zijn gelaat. Wat kleur zijn pantalon had, herinner ik mij niet. Alleen meen ik te weten, dat hij er een had, - dat is te zeggen, de pantalon een kleur. De punten van zijn laarzen hingen schilderachtig-los in de zilte golven en waren nat, zooals men zien kon, als de golfslag voor een oogenblik speelziek de wateren onder zijn voeten wegdreef. Dat kwam allerwaarschijnlijkst, doordien zij in zee hingen. Maar natter nog dan die laarspunten waren 's jongelings oogen. Die oogen, - niemand, zelfs Prof. Donders niet, zag ooit zoo'n uitdrukking in oogen. Zij waren blauw, niet ten gevolge van een vuistgevecht, maar van nature; - doch welk een blauw! Als ik zeg flets-blauw, dan zeg ik niets. Het was meer dan flets, oneindig meer. Het was beroerd-blauw; neen, het was nòg meer. Zoolang het Nieuwe Woordenboek er niet is, is er in onze taal ook geen woord voor dit blauw. Maar - neem een schelvisch, leg hem op een matigwarme stoof, laat hem daar een dag of drie op liggen, liefst in de zon, en, als gij het er dan nog bij kunt uithouden, kijk hem dan eens fiks in zijn oogen, en gij zult een flauw besef hebben van het geniale blauw van 's jongelings bovennatuurlijke blikken.
En, - stel u eens voor, wat een kunstenaarsgreep van de natuur! - met die blauwe blikken zag het jongmensch scheel, zoodat, terwijl het eene oog staarde in de gronde-looze diepte der wateren, het andere tuurde naar den gezichteinder.
Zoo zat hij op de punt van een paal en spoog kringetjes in het water, terwijl de avondzon zijn hoed omglansde.
Verwondert het u, dat ik een oogenblik waande Pothof voor mij te zien, den zwager van Van Balkum? Gij kent Pothof immers, of liever, gij hebt hem gekend? want hij is niet meer. Hij stierf van schrik den heldendood bij het Groninger aardappeloproer. Dat vergat ik evenwel in mijn eerste ontsteltenis en ik bedacht het eerst, toen ik den mond reeds open had om te roepen: ‘Hé, Pothof, ben jij daar?’ - Gelukkig, dat ik het nog niet gezegd had, want op hetzelfde oogenblik zag de jongeling om en vestigde één zijner zielvolle blikken op mij. En zie, toen herkende ik hem.
Hij was het zelf, de verdwenen maar onsterfelijke Piet Paaltjens.
Piet!’ zeide ik, terwijl ik daverde op mijn grondvesten, ‘Piet!’
Hij antwoordde niet, maar grimlachte, koud en bitter, als het noorderlicht.
Piet!’ huilde ik ten derden male en sprong, dwars over de tranen, die mij ontrolden, op hem los.
Te laat. Toen ik het paalwerk bereikte, was Paaltjens reeds in een boot gedaald en gleed weg in de richting van Schiermonnikoog. Ik wilde hem naspringen en nazwemmen, maar zag van mijn voornemen af, want ik herinnerde mij, dat ik, te water gaande, de gewoonte heb te verdrinken. Daarom liet ik het bij een mistroostig zwaaien met mijn steek. Doch, al zwaaiende, viel mijn oog op een brieventasch, die de vluchteling had laten liggen ter plaatse waar hij gezeten had. Ik nam ze op en - o verrassing! - ik vond er een prachtige verzameling in van de heerlijkste liederen en balladen. Ontroerd snelde ik met dien schat naar huis en wentelde mij ettelijke dagen in de hartsterkende poëzie van den ongeëvenaarden zanger.’
*Dr. Van Vloten nam in zijn bovenaangehaald Dicht en ondicht, ii, 608, over, wat ik in den Almanak over P.P. en zijn raadselachtig verdwijnen schreef.
*stoopen, drinkkannen.
Stavorens ‘verweende’, verwaande, kinderen.
prepost  begin  verder