|
|
|
| |
| | | | | |
| | | |
Levensschets
Er zijn levensgeschiedenissen, die zich uiterst moeielijk laten schrijven.
Vooreerst, dewijl ze zoo aandoenlijk zijn, dat men er zich niet mee kan
inlaten, of men moet het uitsnikken van ontroering; en dan, omdat ze bijna
geheel in den nacht der vergetelheid begraven liggen. - Van al zulke
levensgeschiedenissen is die van Piet Paaltjens de
onbeschrijfelijkste.
Men weet haast niets van hem, en wat men nog van hem weet, dat is
hartverscheurend.
Wanneer is hij geboren en waar? Wie droeg hem onder haar hart en wie gaf hem
als vader aan bij den burgerlijken stand? Bij wien lag hij school en in wat
jaar deed hij staatsexamen? - Op al die vragen kreeg nooit iemand een
antwoord.
Het schijnt, dat de stukken, met behulp waarvan men den sluier van Paaltjens' jeugd had kunnen opheffen, verloren zijn
geraakt. Eenigen willen, dat ze opzettelijk verdonkeremaand werden. Het is
niet onmogelijk. Wij beleven een zonderlingen tijd.
Wat er van aan is, dat Paaltjens een Fries was, of liever
- is, - want hij is nog, - durf ik niet beslissen. Ik heb
het stellig hooren ontkennen door iemand, die jarenlang in Friesland gewoond
heeft. - ‘Geen Fries spot met zijn land,’ zei de man, ‘en P.P. heeft in Des zangers min en De Friesche poëet het
land der Friezen belachelijk pogen te maken.’ - Doch geen beschuldiging kon
onbillijker zijn.
Er spreekt mijns bedunkens uit de genoemde gedichten juist een roerende
liefde voor het gewest, waarvan de groote Starter, voor
derdehalve eeuw al, zong:
‘Noyt schoonder vrouws-persoonen de blonde son bescheen,
Als in 't vrij Friesland woonen, soo wel gesteld van leên.’
Wanneer Paaltjens die liefde poogt te bemantelen met een
grimlach, dan zien wij hem daarin slechts zijn vaste gewoonte volgen. Hoe
dierbaarder hem iets is, des te erger pleegt hij er mee te sollen. En achter
deze oogenschijnlijk grappige manier van doen versteekt zich een vreeselijk
geheim.
Opmerkelijk is het, dat Paaltjens, ruim acht jaren na zijn
verdwijning uit Leiden, voor het eerst weergezien is aan de noordkust van
Fries- | | | | land*,
en dat men hem nu onlangs heeft ontmoet in de zoogenaamde Friesche
wafelkraam op de wereldtentoonstelling te Parijs. ‘Met diepe verachting’,
schrijft mij een ooggetuige, ‘zat hij daar te kijken naar de twee
buffetjuffers, die wel oorijzers droegen maar evenmin echte Friezinnen
waren, als het bitter, dat hij langzaam dronk, onvervalschte Schiedammer
was. Er heerschte een plechtige stilte aan de tafeltjes in zijn nabijheid.
Zelfs de lichtzinnige Franschen gevoelden, dat er een wereld van weemoed lag
in de wijze, waarop hij na ieder teugje smakte.’
In het jaar 1853 was Piet Paaltjens student te Leiden. Hij woonde op de Hoogewoerd boven een bidder.
Sedert hoelang, zou ik niet kunnen zeggen. Professoren zoowel als
academiebroeders bewaarden steeds een diep stilzwijgen, als ik er onderzoek
naar deed. Zelfs de Studentenalmanakken gaven mij geen inlichting. Ik
verbaas mij zelven daar nooit genoeg over.
Op zekeren dag van het aangeduide jaar kwam ik Piet tegen.
Ik was ook student, woonde ook op de Hoogewoerd en ook boven een bidder. Dat
waren punten van aanraking. Medelijden trok mij bovendien tot den
raadselachtigen jongeling. Hij zag zoo verschrikkelijk bleek.
En toch, - laat mij dit er bijvoegen, - en toch was hij niet leelijk. Het
portret, dat de heer Schmidt Crans van hem maakte en
waarnaar de | | | | lithographie vóór dit bundeltje vervaardigd werd,
kan het bewijzen. - Men moet namelijk weten, dat die lithographie sprekend
gelijkt.
Spoedig werd het mij duidelijk, datPaaltjens ongelukkig
was. Maar wát hem scheelde, mocht ik niet ontdekken. Als men op zijn verzen
kon afgaan, zou men tot het besluit komen, dat valsche vrienden en
hardvochtige schoonen zijn hart gebroken hadden. Doch, wanneer ik mij
sommige wonderlijke bekentenissen van den dichter voor den geest breng, moet
ik er sterk aan twijfelen, of hij wel ooit iets ondervond van alles, wat hij
zong. Nog hoor ik hem zeggen - 't was in het Gangetje naast Hoogenstraten -: ‘de gestalten, die mijn muze schiep, zijn louter
tot menschelijke gedaanten gestremde onregelmatigheden in mijn
spijsvertering.’ - Jobje van 't Galgewater, die op dat
oogenblik ons passeerde, zou, als hij ten minste nog leeft, kunnen getuigen,
dat Piet zich woordelijk aldus uitdrukte. - Maar wie kan
met zekerheid zeggen, dat het hem ernst was met zijn diepzinnige uitspraak?
Ik bracht Paaltjens in kennis met eenigen van mijn
vrienden. Zij namen hem mee naar de societeit. Maar alle pogingen om hem op
te vroolijken bleven vruchteloos. Hij scheen een bijna instinctmatigen
afkeer te hebben van goedronde pret. Ontzaglijk kon hij zuchten, zelfs
afschuwelijk grijnzen, als er een daverend gelach onder ons opging.
En evenwel heeft hij in zijn Drie Studentjes getoond, dat
hij een open | | | | oog had voor het poëtische in haast nog maller
jongens dan mijn vrienden waren.
Ik mag niet verzwijgen, dat hij ons op den duur maar half beviel. Zij onder
ons, die later hoogleeraar of zoo iets zijn geworden, oordeelden, dat hij
niet genoeg studeerde. En de overigen vonden hem te weinig student.
Hij ging bij ons door onder den naam van het miskend genie.
Dat was hij dan ook. Hij was een genie. En hij werd miskend.
Nimmer zal ik den avond vergeten, toen hij ons het later beroemd geworden
lied Hoor ik op Sempre een waldhoorn voordroeg. Men kon
een speld hooren vallen. Of liever, men kon de tranen hooren biggelen, die
wij zwijgend vergoten. Emeis mompelde verstaanbaar: ‘wereldsmart.’ - Het was de letterlijke overzetting van het
Duitsche Weltschmerz.
Maar zulke oogenblikken van triomf waren zeldzaam voor Piet. Meestal werd hij niet begrepen. Men lachte om zijn poëzie; nu
eens, omdat men haar voor krankzinnig hield; dan weer, omdat men haar voor
‘Hollandsch-blijgeestig’ versleet. Het eerste kon Paaltjens beter verdragen dan het laatste.
Op den 9den October 1853 is Piet Paaltjens uit Leiden
verdwenen.
Gelijk ieder in den Studentenalmanak voor 1856, bladz. 240, lezen kan*, is hij, aan den avond van dien
dag, circa halfzeven, door Plooi, toenmaals knecht van de
commissarissen der societeit Minerva, het laatst gezien
op de hoogte van het buffet. Toen hij tusschen de twee biljarten kwam, was
hij meteen weg.
Wat dit geweest is, weet geen mensch.
Dat Piet Paaltjens later is weergezien, heb ik reeds
gezegd. Ook, dat hij nog altoos in leven is. Maar over zijn tegenwoordig
verblijf laat ik mij niet uit.
Gelijk ik vroeger op verlangen van den droeven dichter een bloemlezing uit de
verzen, die hij mij kort voor zijn verdwijnen ter hand stelde, in de
Leidsche Studentenalmanakken voor 1856, 1857 en 1859 plaatste, zoo heb ik
ook nu op zijn uitdrukkelijke begeerte deze uitgave van zijn academische
poëzie bezorgd. Overeenkomstig zijn aanwijzing heb ik er het beste in
opgenomen, wat door hem van 1850 tot 1853 gezongen werd.
Ik heb reden om te vermoeden, dat ik later door hem zal worden uit- | | | | genoodigd, om ook zijn gedichten, na 1853 vervaardigd, ter perse te
zenden.
Uit oude betrekking getroost ik mij deze moeite gaarne. Maar ik wil toch wel
weten, dat ik de verzen van Piet meer akelig vind dan
mooi.
Ik vind er ook geen zedelijke strekking in.
Als ik aan het dichten ging, zou ik het anders doen.
Een paar opmerkingen ten slotte. - In De Friesche poëet
treedt ‘het weeuw-tje van Stavoren’ als een
welbekend persoon op. Toch zou het kunnen zijn, dat sommigen, die dit boekje
in handen krijgen, nooit de legende hoorden van Oud-Stavoren 's ondergang.
Om hunnentwil vinde de overlevering hier een plaats.
Toen de hanze-stad op het toppunt van bloei en weelde was en men in Friesland
van hare burgers, met hun gouden ‘stoepen’*, als van ‘Stearums forwinde bern’† sprak,
woonde daar een rijke weduwe, die een van haar schippers last gaf, haar de
kostbaarste lading te halen, die er in de wereld te vinden was. Na eenigen
tijd kwam de schipper terug met een lading van de beste Dantziger tarwe. De
weduwe, die gehoopt had, geheel andere, schitterende waar thuis te zullen
krijgen, was zoo verbitterd over deze teleurstelling, dat zij terstond
beval, de lading, die aan bakboord was ingenomen, aan stuurboord in zee te
werpen. Zij werd gehoorzaamd. Maar op de plaats, waar de misdaad gepleegd
werd, rees een zandbank uit de golven en versperde de haven der stad, die nu
voor altoos van scheepvaart en handel uitgesloten was. - Nog groeit op het
Vrouwezand tarwe. - Maar de aren houden geen vrucht.
De romance, getiteld Jan van Zutphen's afscheidsmaal, heeft
een bijzonder karakter. Onder middeleeuwsche vormen bewaart zij de
herinnering aan een maaltijd, die door vele nog levenden werd bijgewoond.
Helaas, niet allen, die er aan deelnamen, leven nog. Zij, ten wier gevalle
aan het gedicht een plaats gegund werd in dit bundeltje, zij weten wel, wie er nu reeds gemist worden van hen, die eenmaal mede
aanzaten ‘in de opperzale.’ En dat ook hij, met zijn ‘edel
mannenharte’ nimmer terugkeert, daar treuren zij wel menigmaal over, en niet
met - ingebeelde smart.
13 Augustus 1867
F.H.
|
*Het bericht van dit
weerzien ontving de geleerde taal- en letterkundige Dr. Eelco Verwijs van een mij zeer
welbekende hand. Dr. J. van
Vloten nam het op in het 2de deel van Nederlandsch dicht en ondicht der negentiende eeuw, bladz.
623. Het luidt aldus: ‘De zon ging, als gewoonlijk, in 't westen
onder. Ik doolde in diep gepeins langs het veld en bereikte, eer ik het
wist, de zee. Was ik niet over den dijk en over eenige wrakken
gestruikeld, ik zou er niets van gemerkt hebben en was misschien
doorgewandeld naar het Ameland. Nu evenwel schrikte ik op en zag vóór
mij den onmetelijken oceaan. Dat was het evenwel niet, wat mij op eens
verstijven deed van verbazing. Een nooit gedacht schouwspel trof
mijn oog. Op de uiterste punt van een ver in zee uitstekend hoofd
zat een jongeling. Marmerbruin was zijn jas, marmerzwart zijn hoed,
marmerwit zijn gelaat. Wat kleur zijn pantalon had, herinner ik mij
niet. Alleen meen ik te weten, dat hij er een had, - dat is te zeggen,
de pantalon een kleur. De punten van zijn laarzen hingen
schilderachtig-los in de zilte golven en waren nat, zooals men zien kon,
als de golfslag voor een oogenblik speelziek de wateren onder zijn
voeten wegdreef. Dat kwam allerwaarschijnlijkst, doordien zij in zee
hingen. Maar natter nog dan die laarspunten waren 's jongelings oogen.
Die oogen, - niemand, zelfs Prof. Donders niet, zag
ooit zoo'n uitdrukking in oogen. Zij waren blauw, niet ten gevolge van
een vuistgevecht, maar van nature; - doch welk een blauw! Als ik zeg
flets-blauw, dan zeg ik niets. Het was meer dan flets, oneindig meer.
Het was beroerd-blauw; neen, het was nòg meer. Zoolang het Nieuwe
Woordenboek er niet is, is er in onze taal ook geen woord voor dit
blauw. Maar - neem een schelvisch, leg hem op een matigwarme stoof, laat
hem daar een dag of drie op liggen, liefst in de zon, en, als gij het er
dan nog bij kunt uithouden, kijk hem dan eens fiks in zijn oogen, en gij
zult een flauw besef hebben van het geniale blauw van 's jongelings
bovennatuurlijke blikken. En, - stel u eens voor, wat een
kunstenaarsgreep van de natuur! - met die blauwe blikken zag het
jongmensch scheel, zoodat, terwijl het eene oog staarde in de
gronde-looze diepte der wateren, het andere tuurde naar den
gezichteinder. Zoo zat hij op de punt van een paal en spoog
kringetjes in het water, terwijl de avondzon zijn hoed omglansde.
Verwondert het u, dat ik een oogenblik waande Pothof
voor mij te zien, den zwager van Van Balkum? Gij kent
Pothof immers, of liever, gij hebt hem gekend?
want hij is niet meer. Hij stierf van schrik den heldendood bij het
Groninger aardappeloproer. Dat vergat ik evenwel in mijn eerste
ontsteltenis en ik bedacht het eerst, toen ik den mond reeds open had om
te roepen: ‘Hé, Pothof, ben jij daar?’ - Gelukkig,
dat ik het nog niet gezegd had, want op hetzelfde oogenblik zag de
jongeling om en vestigde één zijner zielvolle blikken op mij. En zie,
toen herkende ik hem. Hij was het zelf, de verdwenen maar
onsterfelijke Piet Paaltjens. ‘ Piet!’ zeide ik, terwijl ik daverde op mijn grondvesten, ‘ Piet!’ Hij antwoordde niet, maar grimlachte,
koud en bitter, als het noorderlicht. ‘ Piet!’
huilde ik ten derden male en sprong, dwars over de tranen, die mij
ontrolden, op hem los. Te laat. Toen ik het paalwerk bereikte, was
Paaltjens reeds in een boot gedaald en gleed weg
in de richting van Schiermonnikoog. Ik wilde hem naspringen en
nazwemmen, maar zag van mijn voornemen af, want ik herinnerde mij, dat
ik, te water gaande, de gewoonte heb te verdrinken. Daarom liet ik het
bij een mistroostig zwaaien met mijn steek. Doch, al zwaaiende, viel
mijn oog op een brieventasch, die de vluchteling had laten liggen ter
plaatse waar hij gezeten had. Ik nam ze op en - o verrassing! - ik vond
er een prachtige verzameling in van de heerlijkste liederen en balladen.
Ontroerd snelde ik met dien schat naar huis en wentelde mij ettelijke
dagen in de hartsterkende poëzie van den ongeëvenaarden zanger.’
*Dr. Van Vloten nam in zijn
bovenaangehaald Dicht en ondicht, ii, 608, over, wat ik in den Almanak over P.P. en zijn
raadselachtig verdwijnen schreef.
†Stavorens ‘verweende’, verwaande, kinderen.
|
|