[p. 15]
Immortellen 1850-1852
[p. 17]
I
De maan glijdt langs de ruiten
En blikt mij vragend aan.
‘Wat moet dat, bleeke zanger, -
In uw ooghoek glinstert een traan?’
Zoo gij de maan niet zelf waart,
'k Zou zeggen: loop naar de maan. -
Wat mij het oog doet glinstren,
Dat gaat geen schepsel aan.