terug  begin  verderprepost
[p. 20]

XVI

 
Zijn goudblonde lokken en knevel,
 
Zijn geestvolle neus en mond,
 
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem
 
En zijn New-Foundlandsche hond,
 
 
 
Ik moet er gedurig aan denken;
 
Zelfs adem ik soms nog flauw
 
Den geur in van zijn sigaren.
 
Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.
 
 
 
Ruik ik opnieuw die sigaren,
 
Dan word ik eensklaps zoo raar.
 
Is 't, omdat hij ze rookte,
 
Of was de tabak mij te zwaar?
prepostterug  begin  verder